Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/8.4.2
8.4.2 Overgang van de vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585940:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-Il* 2009, nr. 261.
Zie HR 21 februari 1873, W. 3565; E.M. Meijers in zijn noot onder HR 15 maart 1940, NJ 1940, 848 (De Boer/Haskeveenpolder), m.nt. EMM; Gispen 1998, p. 49. Vgl. Losbladige Faillissementsrecht 2006 (A. van Hees), art. 42, aant. 10. Anders: Ankum 1962, p. 47-48, die de actio Pauliana alleen toekent aan een rechtsopvolger onder algemene titel. Onduidelijk is of volgens Ankum bij overgang onder bijzondere titel de oude schuldeiser de actio Pauliana behoudt.
Zie hiervóór nr. 288-290. Er is sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij, zie HR 28 juni 2002, NJ 2002, 447 (Akzo Nobel/ING), m.nt. Ma.
Zie HR 16 september 2005, JOR 2006/52 (De Bont/Bannenberg q.q.), m.nt. S.C.J.J. Kortmann & N.S.G.J. Vermunt.
Zie HR 12 november 1999, NJ 2000, 222 (Heijmans/Staat), m.nt. ARB. De rechtsregel is bevestigd in HR 25 juni 2004, NJ 2004, 605 (Gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude/Wabron) en in HR 4 maart 2005, NJ 2005,445 (Esso/Alberts en Bartol), m.nt. CJHB. Zie hiervóór nr. 361.
493. De bevoegdheden die strekken tot bescherming van de vordering, komen op grond van de wet aan de schuldeiser toe. Vóór de overgang van de vordering komen deze bevoegdheden toe aan de oude schuldeiser; na de overgang van de vordering aan de nieuwe schuldeiser (art. 3:304 BW).1 De bevoegdheden dienen immers ter bescherming van het recht van de schuldeiser.
De nieuwe schuldeiser is uit dien hoofde bevoegd om een verbodsactie in te stellen tegen een derde die inbreuk maakt op de vordering (art. 6:162 BW); een verbodsactie in te stellen tegen een derde die de wanprestatie door de schuldenaar onrechtmatig veroorzaakt (art. 6:162 BW); van een derde die de vordering zonder rechtsgrond onder zich heeft, te eisen dat de vordering in zijn macht wordt gebracht en informatie wordt gegeven omtrent de persoon van de schuldenaar (art. 6:162 BW, vgl. art. 5:2 BW en art. 3:15j BW);2 onverplicht verrichte rechtshandelingen van de schuldenaar te vernietigen op grond van art. 3:45 lid 1 BW;3 de rechtbank te verzoeken een vereffenaar te benoemen, als de belangen van de schuldeiser door een gedraging van de erfgenamen of van de testamentair executeur ernstig worden geschaad (art. 4:204 lid 1 sub c BW); de rechtbank te verzoeken dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van een erfgenaam zal worden vereffend, als deze de nalatenschap verworpen heeft (art. 4:205 BW); in verzet te komen tegen een voorgenomen ontbinding en vereffening, omzetting, kapitaalvermindering, fusie of splitsing van een rechtspersoon (zie respectievelijk art. 2:23b lid 5 BW; art. 2:71 lid 2 jo 2:100 lid 3 en art. 2:181lid 1 jo 2:209 lid 3 BW; art. 2:100 lid 3 en 2:209 lid 3 BW; art. 2:316 lid 2 BW; en art. 2:334l lid 1 BW).4
De bevoegdheid tot het inschrijven van een koopovereenkomst van een registergoed (art. 7:3 BW) daarentegen dient bij de oude schuldeiser te blijven. Als partij bij de overeenkomst is hij tot inschrijving daarvan bevoegd. Omdat door de inschrijving van de koop de nieuwe schuldeiser wordt beschermd, zal de oude schuldeiser jegens de nieuwe schuldeiser even wei tot inschrijving gehouden zijn.
Tot het doen van verzet tegen beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid uit een 403-verklaring (art. 2:404 lid 5 BW) en het verlangen van zekerheid (art. 2:404 lid 4 BW), is blijkens de tekst van art. 2:404 BW de schuldeiser van de vordering jegens de dochtermaatschappij bevoegd. Dat is opmerkelijk, omdat door de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid uit de 403-verklaring, de 403-vordering tenietgaat. Dat is de vordering jegens de moedermaatschappij. Is derhalve alleen de vordering jegens de dochtermaatschappij overgedragen (of alleen de vordering jegens de moedermaatschappij), hetgeen mogelijk is,5 dan komen de bevoegdheden ex art. 2:404 BW aan de schuldeiser van de vordering jegens de dochtermaatschappij toe, terwijl het gaat om het tenietgaan van de vordering jegens moedermaatschappij. Zou de 403-vordering als een nevenrecht worden beschouwd, dan doet een dergelijke splitsing tussen bevoegdheid en belang zich niet voor. Worden in het kader van de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid door de moedermaatschappij zekerheden toegewezen, dan dienen deze aan de schuldeiser van de 403-vordering toe te komen. Op de schuldeiser van de vordering jegens de dochtermaatschappij rust de verplichting om de moedermaatschappij erop te wijzen dat de zekerheden dienen te worden verstrekt ten name van een andere schuldeiser dan hemzelf. De schuldeiser van de vordering jegens de dochtermaatschappij kan aan de schuldeiser van de vordering jegens de moedermaatschappij ook een volmacht verlenen om de bevoegdheden ex art. 2:404 BW ten eigen behoeve uit te oefenen.
494. Handelt de derde onrechtmatig, dan zal hij in de regel onrechtmatig handelen jegens de schuldeiser. Bijvoorbeeld, bij een inbreuk op een recht is het handelen van de derde onrechtmatig jegens de rechthebbende, en bij een inbreuk op een vordering derhalve onrechtmatig jegens de schuldeiser.6 Als een derde op onrechtmatige wijze de wanprestatie van de schuldenaar veroorzaakt of de schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelt (art. 6:162 BW, vgl. art. 4:212 BW en art. 477a lid 1 Rv),7 handelt de derde onrechtmatig jegens de schuldeiser. De derde handelt steeds onrechtmatig jegens de schuldeiser als degene die recht heeft op de prestatie en die gerechtigd is zich te verhalen op het vermogen van zijn schuldenaar. Schadevergoedingsvorderingen ontstaan om die reden dan ook in het vermogen van de schuldeiser; derhalve v66r de overgang van de vordering in het vermogen van de oude schuldeiser en ná de overgang van de vordering in het vermogen van de nieuwe schuldeiser. De schadevergoedingsvordering komt dan ook toe aan degene die op het moment van de onrechtmatige daad de schuldeiser van de vordering is. Schadevergoedingsvorderingen die zijn ontstaan bij de oude schuldeiser, gaan niet van rechtswege als nevenrecht met de vordering op de nieuwe schuldeiser over. Zij kunnen wel afzonderlijk worden overgedragen.8
495. Hetzelfde geldt voor de stille cessie. De hiervoor genoemde bevoegdheden die strekken tot bescherming van de vordering, komen na de stille cessie op grond van de wet aan de stille cessionaris toe. De stille cessionaris kan (rechts)vorderingen tegen derden instellen zonder dat hij mededeling doet in de zin van art. 3:94 lid 3 BW. De bevoegdheid tot het inschrijven van de koop blijft bij de stille cedent als partij bij de overeenkomst. Omdat door de inschrijving van de koop de stille cessionaris wordt beschermd, zal de stille cedent jegens hem tot inschrijving gehouden zijn.
Maakt een derde na de stille cessie inbreuk op de vordering of handelt hij op andere wijze onrechtmatig waardoor de stille cessionaris als schuldeiser wordt benadeeld, dan handelt hij onrechtmatig jegens de stille cessionaris. Schadevergoedingsvorderingen ontstaan om die red en in het vermogen van de stille cessionaris. Schadevergoedingsvorderingen die voor de stille cessie zijn ontstaan bij de stille cedent gaan niet van rechtswege als nevenrecht met de vordering op de stille cessionaris over.