NJB 2023/2898
Deelneming aan ‘de voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie in de zin van art. 140 lid 2 Sr: dit bestanddeel heeft betrekking op iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Bij de beoordeling of een gedraging kan worden aangemerkt als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ is van belang dat de in art. 140 lid 2 Sr strafbaar gestelde gedraging een delict tegen de openbare orde is en dat aan dat bestanddeel een ruime uitleg toekomt, waarbij de wetgever onder meer het oog heeft op het organiseren van een betoging, evenement of vergadering. Relevant zijn daarnaast de aard van de tenlastegelegde gedraging en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden. In casu is het hof uitgegaan van een te beperkte uitleg van dit bestanddeel door te oordelen dat het met een baseballpet met het logo en de naam van de Bandidos en/of gekleed in een T-shirt met het logo van de Bandidos en de namen Bandidos en Sittard en/of in het bezit van een heuptasje met de opdruk BF 1% FB naar de ingang van het gerechtsgebouw Maastricht lopen, niet kan worden aangemerkt als deelneming aan ‘de voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie in de zin van art. 140 lid 2 (oud) Sr. Daartoe telt onder meer dat de leden bewust de naam Bandidos of hun colors gebruiken om hun daden en woorden kracht bij te zetten.
HR 05-12-2023, ECLI:NL:HR:2023:1612
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
5 december 2023
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgering, T. Kooijmans
- Zaaknummer
22/03827
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:1612, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑12‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:763, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑09‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑04‑2023
- Wetingang
(art. 140 Sr)
Essentie
Deelneming aan ‘de voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie in de zin van art. 140 lid 2 Sr: dit bestanddeel heeft betrekking op iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Bij de beoordeling of een gedraging kan worden aangemerkt als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ is van belang dat de in art. 140 lid 2 Sr strafbaar gestelde gedraging een delict tegen de openbare orde is en dat aan dat bestanddeel een ruime uitleg toekomt, waarbij de wetgever onder meer het oog heeft op het organiseren van een ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.