NJB 2023/2049:Surseance van betaling. Faillissement. Verrekening. Eén dag nadat surseance van betaling is verleend aan twee groepsvennootschappen, boekt de bank creditsaldi van die vennootschappen over naar rekeningen van andere vennootschappen van de groep met een debetstand. Kort daarna gaan de vennootschappen failliet. Hoge Raad: 1. Ontbreken van goede trouw. Degene die bij de overneming van een schuld aan, of van een vordering op de later gefailleerde/de boedel weet of behoort te weten dat de schuldenaar in een zodanige toestand verkeert dat diens faillissement dan wel surseance van betaling is te verwachten, handelt niet te goeder trouw. In het algemeen kan ervan worden uitgegaan dat een bank die gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een reddingspoging een reële kans van slagen heeft, weet noch behoort te weten dat faillissement of surseance van betaling is te verwachten. De enkele bereidheid tot medewerking aan een reddingspoging is onvoldoende. 2. Reikwijdte verrekeningsbevoegdheid. De verruiming van de verrekeningsbevoegdheid van banken als bedoeld in Mulder q.q./Crédit Lyonnais geldt ook in het geval waarin de stil verpande vordering wordt betaald op de bankrekening van een andere schuldenaar van de bank dan de pandgever en het pandrecht (mede) tot zekerheid strekte voor de betaling van de schuld van die andere schuldenaar.