HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.8 en 2.9.
HR, 04-02-2020, nr. 19/03651 B
ECLI:NL:HR:2020:185
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-02-2020
- Zaaknummer
19/03651 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:185, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑02‑2020; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1277
ECLI:NL:PHR:2019:1277, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑12‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:185
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2019
- Vindplaatsen
JIN 2020/31 met annotatie van Oort, C. van
NTS 2020/38
JIN 2020/31 met annotatie van Oort, C. van
Uitspraak 04‑02‑2020
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op gegevensdragers onder kla(a)g(st)er(s) i.v.m. onderzoek naar OMG Caloh Wagoh, art. 552a Sv. Het oordeel van de Rb dat het belang van de kla(a)g(st)er(s) bij teruggave van in de beschikking van de Rb vermelde gegevensdragers “thans, na een half jaar”, zwaarder moet wegen dan het belang van Sv, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. HR merkt t.a.v. gelasten van de teruggave van de goederen “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen” op dat de wet geen “voorwaardelijke teruggave” kent. Is de rechter van oordeel dat het belang van Sv zich (nog) verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, dan dient hij het klaagschrift waarin de teruggave van die voorwerpen wordt verzocht ongegrond te verklaren. Is daarvan geen sprake, dan dient in de regel teruggave te worden gelast (vgl. ECLI:NL:HR:2019:1692). Samenhang met 9 andere beschikkingen. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing naar de Rb.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/03651
Datum 4 februari 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 mei 2019, nummer RK 19/686, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend
door
[klager 1],
geboren op [geboortedatum] 1976,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover de rechtbank het beklag ten aanzien van bepaalde inbeslaggenomen voorwerpen (voorwaardelijk) gegrond heeft verklaard en de teruggave daarvan heeft gelast per 28 juni 2019 en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het oordeel van de rechtbank dat het belang van de klager bij teruggave van dertien in de beschikking van de rechtbank vermelde gegevensdragers “thans, na een half jaar”, zwaarder moet wegen dan het belang van strafvordering, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.3.
2.3
Naar aanleiding van de gegrondverklaring door de rechtbank van het beklag ten aanzien van de hierboven genoemde goederen “per 28 juni 2019” en het gelasten van de teruggave daarvan aan de klager “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen” merkt de Hoge Raad nog het volgende op. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van een voorwaardelijke beslissing over strafvorderlijk inbeslaggenomen voorwerpen. Is de rechter van oordeel dat het belang van strafvordering zich (nog) verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, dan dient hij het klaagschrift waarin de teruggave van die voorwerpen wordt verzocht ongegrond te verklaren. Is daarvan geen sprake, dan dient in de regel teruggave te worden gelast (vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1692).
2.4
De wet voorziet er ook niet in dat - zoals in de onderhavige zaak en de daarmee samenhangende zaak met nummer 19/03636 is beslist - de teruggave wordt gelast van voorwerpen ten aanzien waarvan in een andere zaak een last tot teruggave aan een andere klager is of wordt gegeven.
2.5
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover betrekking hebbend op de dertien voorwerpen ten aanzien waarvan het beklag “per 28 juni 2019” gegrond is verklaard en waarvan de teruggave aan de klager is gelast “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen”;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt behandeld en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2020.
Conclusie 10‑12‑2019
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie. Beklag tegen beslag, art. 94 en 552a Sv. Disproportionaliteit wegens tijdsverloop? Inbeslagname t.b.v. de waarheidsvinding van o.a. ongeveer 700 gegevensdragers bij verschillende klagers (niet-verdachten) naar aanleiding van verdenking van strafbare feiten binnen een motorclub. De rechtbank heeft het beklag gegrond verklaard ‘’ten aanzien van de gegevensdragers waarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen’’ omdat naar haar oordeel ‘’het belang van klager bij teruggave van de gegevensdragers thans, na een half jaar, zwaarder moet wegen’’. Volgens de A-G is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd omdat de rechtbank geen blijk heeft gegeven van een concrete en nauwkeurige belangenafweging. De rechtbank heeft o.a. niet voldoende kenbaar gemaakt in welk belang de klager precies wordt getroffen en waarom het beslag na een half jaar zo onevenredig zwaar drukt op de klager dat dit (niet nader omschreven) belang zwaarder moet wegen dan het belang van strafvordering. AG merkt ambtshalve op dat de wet niet voorziet in een voorwaardelijke gegrondverklaring en last tot teruggave zoals de rechtbank heeft bevolen. Conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank wat betreft de gedeeltelijke (voorwaardelijke) gegrondverklaring van het beklag. Samenhang met 19/03632, 19/03633, 19/03635, 19/03636, 19/03637, 19/03638, 19/03649, 19/03650 en 19/03774 waarin hetzelfde middel door het OM is voorgesteld.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/03651 B
Zitting 10 december 2019
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager 1] ,
geboren te op [geboortedatum] 1976,
hierna: de klager.
1. Inleiding
1.1.
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 28 mei 2019 het door de klager ingediend klaagschrift ex art. 552a Sv tegen het op de voet van art. 94 Sv onder de klager gelegd beslag, deels gegrond verklaard en een last tot teruggave gegeven ‘’ten aanzien van de gegevensdragers waarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen.’’
1.2.
Er bestaat samenhang met negen andere zaken. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Uit de gedingstukken blijkt dat het in deze zaak en in de samenhangende zaken gaat om het volgende. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de motorclub ‘ [A] MC’ hebben bij een grootschalige actie op 21 november 2018 op 40 locaties doorzoekingen plaatsgevonden, waarbij naast andere goederen, in totaal ongeveer 700 digitale gegevensdragers in beslag zijn genomen. Het onderzoek door politie en justitie naar de inbeslaggenomen gegevensdragers richt zich op het uitlezen daarvan en de (mogelijke) communicatie tussen klagers en degenen die in dit onderzoek als verdachte zijn aangemerkt. Het gaat daarbij om twee verdachten, een bestuurder van de motorclub, [betrokkene 1] (bijnaam: [betrokkene 1] ) en [betrokkene 2] . Zij worden verdacht van deelname aan een criminele organisatie en betrokkenheid bij de liquidatie van [betrokkene 3] . Met betrekking tot de liquidatie zijn eerder vier verdachten aangehouden, waarvan drie lid van de motorclub [A] . De klager in deze zaak (geen verdachte) is lid van [A] MC.
1.4.
De rechtbank heeft in de onderhavige zaak bij beschikking van 28 mei 2019 het beklag op grond van art. 552a Sv tegen de inbeslagneming van dertien gegevensdragers (waaronder een GPS-tracker) onder de klager gegrond verklaard per 28 juni 2019, indien daarover op die datum door het openbaar ministerie nog geen beslissing tot teruggave is genomen.
1.5.
Het cassatieberoep is ingesteld namens het openbaar ministerie en mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het oordeel van de rechtbank
2.1.
De beschikking van de rechtbank houdt onder meer het volgende in:
“De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:
1. onder klager is op 21 november 2018 op het adres [a-straat 1] te Rotterdam een (groot) aantal goederen in beslag genomen (zie bijlage I voor de lijst van inbeslaggenomen goederen);
2. klager heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen. (…)Overwegingen
De raadsman van klager heeft in het klaagschrift aangevoerd dat klagers (te weten: [klaagster 2] en [klager 1] ) een normale baan hebben en daarnaast ook ondernemers c.q. ZZP-ers zijn. Hun computers, administratie en klantenbestanden zijn in beslaggenomen waardoor de voortzetting van hun ondernemingen nu onder grote druk zijn komen te staan. Klagers kunnen ook hun fiscale zaken niet regelen. Het is klagers niet bekend van welk strafbaar feit zij worden verdacht. Klagers nemen geen genoegen met deze gang van zaken en hebben recht op en belang bij de teruggave van deze goederen. Er is nooit afstand gedaan en het duurt allemaal onnodig lang, aldus de raadsman.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van een groot aantal goederen er op dit moment nog een onderzoeksbelang is. Dat maakt dat het OM zich verzet tegen de teruggave van:E.01.01.001 smartphoneE.01.02.001 mobiele telefoonE.01.03.001 IpadE.01.05.001 cameraE.02.01.001 mobiele telefoonE.02.01.003 simkaartE.02.01.005 mobiele telefoonE.02.01.006 mobiele telefoonE.03.01.002 mobiele telefoonE.03.01.003 mobiele telefoonE.03.01.004 IphoneE.04.01.002.001 navigatie.
Bovenstaande digitale gegevensdragers konden niet volledig worden uitgelezen. Aangezien er nog geen inhoudelijk onderzoek plaats heeft kunnen vinden aan deze goederen, is het onderzoeksbelang nog onverkort van kracht. Het onderzoek richt zich op communicatie tussen klagers en verdachten in het onderzoek.
Ter zitting heeft de officier van justitie aangegeven dat alle gegevensdragers (tussentijds) zullen worden teruggegeven als deze zijn onderzocht. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift voor wat betreft deze goederen vooralsnog ongegrond dient te worden verklaard.
Ook ten aanzien van de GPS tracker heeft de officier van justitie zich ter zitting verzet tegen teruggave. Hoewel het bezit ervan niet strafbaar is, moet onderzocht worden of deze is gebruikt bij het plegen van strafbare feiten.
Wat betreft de overige goederen op bijlage I en het geldbedrag van € 450,00 dient het klaagschrift volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze goederen en het geldbedrag zijn geretourneerd.
De sleutels van Shurgard en All Safe (die vallen onder beslagcode E.02.01.008) zijn reeds teruggegeven aan klager op 4 december 2018 (zie bijlage 7).
De rechtbank overweegt dat na verkregen machtiging van de rechter-commissaris te Den Haag een groot aantal huiszoekingen zijn gedaan in het kader van een grootschalig onderzoek dat zich richt op de verdenking dat [A] MC een criminele organisatie is. In dat kader zijn als verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangehouden. In hoger beroep zijn door het Gerechtshof te Den Haag geen ernstige bezwaren aangenomen voor voornoemde verdenking. Over de redenen dat bij klager en zijn partner huiszoeking is gedaan is in het kader van het onderzoeksbelang geen mededeling gedaan. Klager is en wordt evenwel tot op de dag van vandaag niet als verdachte in dit onderzoek aangemerkt. Hetgeen van de zijde van het openbaar ministerie is aangevoerd rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet veel langer de conclusie dat het belang van strafvordering zich in dit geval verzet tegen de beëindiging van het beslag. Hoewel een groot aantal gegevensdragers in beslag is genomen en het begrijpelijkerwijs veel tijd kost om alles te doorzoeken is de rechtbank van oordeel dat het belang van klager bij teruggave van de gegevensdragers thans, na een halfjaar, zwaarder moet wegen. De rechtbank stelt een termijn van één maand waarbinnen het onderzoek dient te worden afgerond. De rechtbank zal het klaagschrift dan ook per 28 juni 2019 gegrond verklaren ten aanzien van de gegevensdragers waarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen en de teruggave daarvan gelasten.Wat betreft de overige goederen op bijlage I, het geldbedrag van € 450,00 en de sleutels dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze goederen en het geldbedrag zijn geretourneerd aan klager.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag per 28 juni 2019 gegrond ten aanzien van de volgende goederen, indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen:
E.01.01.001 smartphoneE.01.02.001 mobiele telefoonE.01.03.001 IpadE.01.05.001 cameraE.02.01.001 mobiele telefoonE.02.01.003 simkaartE.02.01.005 mobiele telefoonE.02.01.006 mobiele telefoonE.03.01.002 mobiele telefoonE.03.01.003 mobiele telefoonE.03.01.004 IphoneE.04.01.002.001 navigatieE.01.01.004 GPS tracker;
- gelast de teruggave van het inbeslaggenomene, te weten
E.01.01.001 smartphoneE.01.02.001 mobiele telefoonE.01.03.001 IpadE.01.05.001 cameraE.02.01.001 mobiele telefoonE.02.01.003 simkaartE.02.01.005 mobiele telefoonE.02.01.006 mobiele telefoonE.03.01.002 mobiele telefoonE.03.01.003 mobiele telefoonE.03.01.004 IphoneE.04.01.002.001 navigatieE.01.01.004 GPS tracker;aan klager, indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen;- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag ten aanzien van de overige goederen op bijlage I, het geldbedrag van € 450,00 (bijlage 6), en de sleutels van Shurgard en All Safe (E.02.01.008).’’
3. Het middel
3.1.
Het middel komt op tegen de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het klaagschrift en is gebaseerd op twee klachten.
3.2.
Primair wordt aangevoerd dat uit de overwegingen van de rechtbank niet expliciet blijkt dat zij de maatstaf heeft aangelegd dan wel heeft toegepast die geldt bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag.1.Dit brengt volgens de steller van het middel mee dat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd.2.
3.3.
Subsidiair wordt gesteld dat het oordeel van de rechtbank dat "het belang van klager bij teruggave van de gegevensdragers thans, na een half jaar, zwaarder moet wegen", zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. Daarbij wordt gewezen op rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de weging van de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag in het kader van de beklagprocedure.3.
Uit deze jurisprudentie leidt de steller van het middel af dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is van onrechtmatig voortduren van beslag op grond van disproportionaliteit vanwege het verstreken tijdsverloop na de inbeslagname. Van de beklagrechter mag dan worden verlangd dat hij blijk geeft van een zorgvuldige belangenafweging door aandacht te besteden aan de bijzonderheden van het geval en daarbij helder motiveert waarom de persoonlijke belangen van klager in casu zwaarder dienen te wegen dan het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag.4.
3.4.
In het onderhavige geval heeft de officier van justitie blijkens het voorlopig standpunt OM aangevoerd dat:
(i) op 21 november 2018 in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar [A] MC op veertig locaties doorzoekingen ter inbeslagneming hebben plaatsgevonden, waaronder op het adres van klager,
(ii) klager geen verdachte is,
(iii) de onder klagers inbeslaggenomen gegevensdragers zullen worden onderzocht op (mogelijke) communicatie tussen klagers en de verdachte(n) in het onderzoek,
(iv) nader onderzoek dient plaats te vinden naar de strafbaarheid van de inbeslaggenomen GPS tracker,
(v) het onderzoeksbelang zich verzet tegen teruggave van de goederen aan klager,
(vi) bij de doorzoekingen op de veertig locaties in totaal ca. 700 digitale gegevensdragers in beslag zijn genomen, en
(vii) het volledig uitlezen van deze gegevensdragers een tijdrovende klus is, waardoor teruggave langer dan normaal op zich laat wachten.
3.5.
Door te oordelen dat "het belang van klager bij teruggave van de gegevensdragers thans, na een half jaar, zwaarder moet wegen" heeft de rechtbank volgens de steller van het middel onvoldoende oog gehad voor de omvang en de complexiteit van het te verrichten onderzoek aan alle inbeslaggenomen voorwerpen. Daarnaast heeft de rechtbank niet aangeduid welke kennelijk zwaarder wegende belangen van de klager dan in het geding zijn en waarom het belang van strafvordering, welk belang is gelegen in het kunnen onderzoeken van de inbeslaggenomen voorwerpen ten behoeve van de waarheidsvinding, daarvoor moet wijken. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt niet van enige afweging van de belangen van de klager ten opzichte van de belangen van strafvordering, terwijl de rechtbank ook overigens geen aandacht heeft besteed aan de bijzonderheden van het geval. De motivering van de rechtbank schiet volgens de steller van het middel daardoor tekort.
4. Juridisch kader
4.1.
In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat onder de klager op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op de in de bijlage aan het klaagschrift genoemde goederen. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, ook in een zaak betreffende een ander dan de klager.5.
4.2.
De toepassing van deze maatstaf verplicht volgens de Hoge Raad niet tot een (ambtshalve) onderzoek met betrekking tot de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, maar sluit dat ook niet uit, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen.6.Daarbij hoeft het gegeven dat de inbeslagneming lang duurt niet zonder meer tot de conclusie te leiden dat voortzetting van het beslag disproportioneel is.7.
5. Beoordeling van het middel
5.1.
Gelet op het hiervoor weergegeven juridisch kader meen ik dat het middel terecht is voorgesteld. Uit de overwegingen van de rechtbank kan wellicht nog wel worden afgeleid dat de rechtbank bij haar beoordeling de maatstaf zoals bedoeld onder 4.1. heeft toegepast. Het oordeel van de rechtbank dat het belang van de klager zwaarder moet wegen dan het belang van strafvordering acht ik echter niet zonder meer begrijpelijk.
5.2.
Daarbij stel ik voorop dat de rechtbank (in elk geval op het moment van het nemen van de beslissing) kennelijk van oordeel is dat er een belang van strafvordering aanwezig is, welk belang is gelegen in de waarheidsvinding. De overwegingen dat het ‘’begrijpelijkerwijs veel tijd kost om alles te doorzoeken’’ en dat de rechtbank een termijn van één maand stelt waarbinnen het onderzoek dient te worden afgerond, wijzen daarop. Datzelfde geldt voor de overweging en de beslissing om het klaagschrift per 28 juni 2019 gegrond te verklaren indien dan nog geen beslissing is genomen over de teruggave van het beslag. De overwegingen van de rechtbank die kennelijk hebben bijgedragen aan de gegrondverklaring van het klaagschrift, namelijk dat door het hof Den Haag geen ernstige bezwaren zijn aangenomen ten aanzien van de twee verdachten8., over de redenen van de huiszoeking geen mededeling is gedaan aan de klager en de klager niet als verdachte wordt aangemerkt, doen daaraan niet af.
5.3.
De Hoge Raad acht slechts in uitzonderlijke gevallen een gegrondverklaring vanwege disproportionaliteit toelaatbaar. In die gevallen dient de rechter een dergelijk oordeel goed te motiveren.9.In het licht van hetgeen door de officier van justitie en de klager is aangevoerd en de omstandigheden van het geval heeft de rechtbank dit laatste mijns inziens onvoldoende gedaan. Daarbij wijs ik erop dat het gaat om een grootschalig onderzoek naar ernstige strafbare feiten in georganiseerd verband waarbij aanwijzingen bestaan dat dit zich heeft afgespeeld binnen de motorclub waar klager lid van is. Voor dit onderzoek zijn in totaal ongeveer 700 gegevensdragers in beslaggenomen waaraan complex digitaal onderzoek moet worden verricht. Aan de vaststelling dat na een half jaar het onderzoek nog niet is afgerond kan mijns inziens – mede in het licht van de jurisprudentie10.– dan ook niet het oordeel worden verbonden dat het openbaar ministerie niet voortvarend zou hebben gehandeld. De rechtbank geeft geen inzicht waarom – anders dan het openbaar ministerie kennelijk meent – het onderzoek naar haar oordeel binnen een maand (wel) afgerond zou kunnen zijn en waarom geen genoegen kan worden genomen met de stelling van de officier van justitie dat het beslag wordt opgeheven zodra het onderzoek daaraan is afgerond. Tot slot heeft de rechtbank niet voldoende kenbaar gemaakt in welk belang de klager precies wordt getroffen en waarom het beslag na een half jaar zo onevenredig zwaar drukt op de klager dat dit (niet nader omschreven) belang zwaarder moet wegen dan het belang van strafvordering. In het klaagschrift wordt weliswaar aangevoerd dat door het beslag de voortzetting van de ondernemingen van de klager onder grote druk is komen te staan en hij ook zijn fiscale zaken niet kan regelen, maar dit wordt vervolgens niet nader toegelicht. Onduidelijk is ook in hoeverre de rechtbank hetgeen door de klager is aangevoerd nader heeft onderzocht en of bijvoorbeeld de mogelijkheid is overwogen dat de officier van justitie kopieën verstrekt van de gegevens die de klager nodig heeft voor de voortzetting van zijn bedrijf en zijn fiscale zaken. Van een concrete en nauwkeurige belangenafweging toegespitst op de klager11.blijkt dus niet.
5.4.
Het middel is terecht voorgesteld.
6. Ambtshalve opmerkingen ten overvloede
6.1.
Ook al dient het middel mijns inziens tot cassatie te leiden, wil ik ambtshalve nog opmerken dat de bestreden beschikking ook de volgende twee gebreken vertoont.
6.2.
Ten eerste heeft de rechtbank het klaagschrift met betrekking tot een dertiental voorwerpen gegrond verklaard en een last tot teruggave gegeven ‘’indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen.’’ De wet voorziet echter niet in het geven van een dergelijke beslissing. Is de rechter van oordeel dat het belang van strafvordering zich (nog) verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, dan dient hij het klaagschrift waarin de teruggave van die voorwerpen wordt verzocht ongegrond te verklaren. Is daarvan geen sprake, dan dient in de regel teruggave te worden gelast.12.Een voorwaardelijke last tot teruggave is dus niet mogelijk. Ook hierom kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
6.3.
Ten tweede is in de samenhangende zaak van de partner van de klager, de klaagster [klaagster 2] (bij de Hoge Raad onder behandeling onder het nummer 19/03636), een (voorwaardelijke) last tot teruggave gegeven ten aanzien van dezelfde goederen waarvan de rechtbank in onderhavige zaak een (voorwaardelijke) last tot teruggave heeft gegeven aan de klager. Een last tot teruggave van het zelfde voorwerp kan echter niet worden gegeven aan twee verschillende klagers zodat ook op deze grond de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.13.
7. Conclusie
7.1.
Het middel slaagt.
7.2.
Ambtshalve heb ik – behoudens de onder 6 genoemde gronden – geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
7.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover de rechtbank het beklag ten aanzien van bepaalde inbeslaggenomen voorwerpen (voorwaardelijk) gegrond heeft verklaard en de teruggave daarvan heeft gelast per 28 juni 2019 en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑12‑2019
Verwezen wordt naar: HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:959; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2785 en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:977.
Geciteerd wordt uit de volgende beschikkingen: HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379; HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66 en HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3311.
Verwezen wordt naar conclusie AG Harteveld voor HR 18 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2088, onder 4.7 en conclusie AG Harteveld voor HR 22 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:325, onder 4.6.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.8 en 2.9.
Vgl. HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3065 (art. 94a Sv beslag); HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2881, rov. 2.3. (art. 94a Sv beslag); HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3311 (94a Sv beslag); HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379 (art. 94 Sv beslag); HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66 (94a Sv beslag) en HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:833, NJ 2014/278 m.nt. Keulen (art. 94a Sv beslag). Zie ook HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9296 (art. 94 Sv beslag); conclusie AG Harteveld voor HR 7 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2013:1683, NJ 2014/66, onder 3.3. en conclusie AG Knigge voor HR 29 mei 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW6674, NJ 2012/354, onder 4.7.
Zie bijvoorbeeld de volgende zaken die ook door de steller van het middel worden aangehaald HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379 (art. 94 Sv beslag; het ging hier om een “oudere zaak” en er kon kennelijk geen uitsluitsel worden gegeven wanneer de inbeslaggenomen computer zou worden onderzocht); HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66 (art. 94a Sv beslag; zaak lag al vijf maanden stil en er is sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht). HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3311 (art. 94a Sv beslag; na 2,5 jaar conservatoir beslag nog geen zittingsdatum bekend).
Een stuk dat deze vaststelling ondersteunt heb ik overigens niet in het dossier aangetroffen.
Waaronder ik ook reken de disproportionaliteit tussen het belang van de strafvordering enerzijds en de belangen van de klagers anderzijds, zie bijv. conclusie AG Harteveld voor HR 7 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2013:1683, NJ 2014/66, onder 3.3 en conclusie AG Vellinga voor HR 31 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2016:1452 onder 6.
Zie bijv. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379.
Ik merk op dat de (dragende) overwegingen van de rechtbank in deze zaak exact overeenkomen met de (dragende) overwegingen die de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel met betrekking tot de andere, samenhangende zaken.
HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1692.
Ik merk daarbij dat de onderhavige zaak en de zaak van de klaagster weliswaar hun oorsprong vinden in één en hetzelfde klaagschrift maar dat op de bijlage aan het klaagschrift per voorwerp is aangegeven aan wie het toebehoort: klager, klaagster of beiden.
Beroepschrift 27‑09‑2019
CASSATIESCHRIFTUUR
Registratienummer: RK 19/686
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen de beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 mei 2019, waarbij de Rechtbank — voor zover in cassatie van belang — het klaagschrift van:
[rekwirant],
geboren op [geboortedatum] 1976
tegen het op de voet van art. 94 Sv onder klager gelegde beslag op de in de bestreden beslissing genoemde goederen per 28 juni 2019 gegrond heeft verklaard.1.
Rekwirant kan zich in zoverre met deze beschikking en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom een middel van cassatie voor.
Inleiding
In de onderhavige zaak is sprake van een grootschalig opsporingsonderzoek naar een criminele organisatie. In het kader van dat onderzoek hebben bij een grootschalige actie op 21 november 2018 op 40 locaties doorzoekingen plaatsgevonden, waarbij in totaal, naast andere goederen, ongeveer 700 digitale gegevensdragers in beslag zijn genomen. De ervaring leert dat het toegankelijk maken en vervolgens onderzoeken van digitale gegevensdragers zeer arbeidsintensief is en veel tijd vergt. Het onderzoek naar de in de onderhavige zaak inbeslaggenomen gegevensdragers richt zich op het uitlezen daarvan en de (mogelijke) communicatie tussen klager en degenen die in dit onderzoek als verdachte zijn aangemerkt.
De Rechtbank heeft in de onderhavige zaak bij beschikking van 28 mei 2019 het beklag op grond van art. 552a Sv tegen de inbeslagneming van gegevensdragers gegrond verklaard per 28 juni 2019, indien daarover op die datum door het openbaar ministerie nog geen beslissing tot teruggave is genomen. Navraag bij de behandelend officier van justitie leerde rekwirant dat op die datum, en ook thans nog, geen beslissing is genomen omtrent teruggave van het beslag. Op dit moment wordt door de inzet van een groot aantal opsporingsambtenaren gewerkt aan het onderzoeken van de vele digitale gegevensdragers welke bij de verschillende doorzoekingen in beslag zijn genomen, waaronder de gegevensdragers, waarop het klaagschrift betrekking heeft. Zodra deze gegevensdragers zijn uitgelezen en onderzocht, zullen die aan de betrokkenen worden teruggegeven als het belang van waarheidsvinding zich daartegen niet langer verzet.
Zoals in de toelichting op het middel nader zal worden toegelicht, heeft de Rechtbank naar de mening van rekwirant onvoldoende gemotiveerd waarom het persoonlijk belang van klager in casu zwaarder diende te wegen dan het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag, welk belang is gelegen in het kunnen onderzoeken van de inbeslaggenomen gegevensdragers ten behoeve van de waarheidsvinding. Met name heeft de Rechtbank daarbij onvoldoende oog gehad voor de omvang en de complexiteit van het te verrichten onderzoek aan alle inbeslaggenomen gegevensdragers.
Naast het belang voor de onderhavige zaak en de samenhangende zaken zelf, is het belang van het cassatieberoep mede ingegeven door de behoefte van de dagelijkse rechtspraktijk om duidelijkheid te krijgen omtrent de vraag wanneer kan worden geoordeeld dat het enkele tijdsverloop sinds de inbeslagneming meebrengt dat het handhaven van het beslag niet langer als proportioneel kan worden aangemerkt. Dit belang geldt te meer nu in het kader van de waarheidsvinding steeds vaker gegevensdragers in beslag worden genomen.
Indien op het moment dat de Hoge Raad uitspraak zal doen in de onderhavige zaak de inbeslaggenomen goederen inmiddels zouden zijn teruggegeven, staat dit naar de mening van rekwirant alsdan niet aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg, nu de beslissing van de Rechtbank afwijkt van het door de officier van justitie in raadkamer ingenomen standpunt (vgl. HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:538, NJ 2014/375).
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79, eerste lid, Wet RO, meer in het bijzonder schending van art. 24, 94 en 552a Sv, doordat de Rechtbank, zoals hierna nader zal worden toegelicht, bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans is het — tot gegrondverklaring van het klaagschrift leidende — oordeel van de Rechtbank dat ‘het belang van klager bij teruggave van de gegevensdragers thans, na een half jaar, zwaarder moet wegen’, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (zonder meer) begrijpelijk.
Toelichting
1.
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar [A] MC zijn onder klager op 21 november 2018 onder meer de in de bestreden beschikking vermelde gegevensdragers inbeslaggenomen. Het beslag is gegrond op art. 94 Sv.
2.
Op 18 december 2018 heeft klager tegen deze inbeslagneming een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend. De Rechtbank Midden-Nederland heeft dit klaagschrift behandeld in openbare raadkamer van 14 mei 2019. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de officier van justitie tijdens die behandeling verwezen naar het (voorlopige) schriftelijke standpunt van 24 april 20192.. In dit schriftelijke standpunt, dat zich bevindt in het dossier waarover de Hoge Raad beschikt en waarvan de Hoge Raad kennisneemt, heeft de officier van justitie onder meer het volgende naar voren gebracht:
‘Op 29 oktober 2018 werd onder gezag van de officieren van justitie mr. M. Tiebosch en mr. N.J.P. Coenen een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Eris. Het onderzoek richt zich, kort gezegd, op de verdenking dat [A] MC een criminele organisatie is. (…)
Op 21 november 2018 zijn in onderzoek Eris de verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangehouden. Zij zitten sindsdien in voorlopige hechtenis. Op die dag hebben er in het kader van onderzoek Eris op veertig locaties doorzoekingen ter inbeslagneming plaatsgevonden, zo ook op het adres van klagers. Op de specifieke reden of redenen, waarom er bij klagers een doorzoeking heeft plaatsgevonden, kan gelet op het onderzoeksbelang op dit moment niet worden ingegaan. Deze reden of redenen zijn wel bekend bij de rechter-commissaris bij de rechtbank Den Haag, die na kennisname van deze informatie een machtiging tot doorzoeking heeft verleend (…). De rechtmatigheid van de doorzoeking en de inbeslagname van de goederen, waarover geklaagd wordt, staat daarmee vast. Al het beslag betreft klassiek beslag.
De goederen zijn in beslag genomen in het kader van een strafzaak, waarin klagers op dit moment geen verdachte zijn. De inbeslaggenomen goederen zullen worden onderzocht op (mogelijke) communicatie tussen klagers en verdachte(n), die relevant kan zijn voor het onderzoek.
(…)
Ten aanzien van de volgende goederen is er op dit moment nog een onderzoeksbelang dat maakt dat het Openbaar Ministerie zich verzet tegen teruggave:
E.01.01.004 GPS tracker
Het bezit van bovenstaand goed is mogelijk strafbaar. Nader onderzoek zal hierover uitsluitsel moeten geven.
E.01.01.001 smartphone
E.01.02.001 mobiele telefoon
E.01.03.001 Ipad
E.01.05.001 camera
E.02.01.001 mobiele telefoon
E.02.01.003 simkaart
E.02.01.005 mobiele telefoon
E.02.01.006 mobiele telefoon
E.03.01.002 mobiele telefoon
E.03.01.003 mobiele telefoon
E.03.01.004 Iphone
E.04.01.002.001 navigatie
Bovenstaande digitale gegevensdragers konden nog niet (volledig) worden uitgelezen, veelal omdat de gegevensdrager een defect had of omdat technische middelen om de gegevensdrager uit te lezen niet beschikbaar waren. Deze digitale gegevensdragers zullen nader worden onderzocht, wat meer tijd kost. Aangezien er nog geen inhoudelijk onderzoek plaats heeft kunnen vinden aan deze goederen, is het onderzoeksbelang nog onverkort van kracht.
Bij de doorzoekingen op de 40 locaties zijn in totaal +- 700 digitale gegevensdragers in beslag genomen. Het volledig uitlezen van deze gegevensdragers is een tijdrovende klus en neemt begrijpelijkerwijs veel tijd in beslag. Dat is de voornaamste reden dat de teruggave van de goederen langer dan normaal op zich last wachten.’
In raadkamer heeft de officier van justitie hier nog aan toegevoegd dat alle gegevensdragers (tussentijds) zullen worden teruggegeven als deze zijn onderzocht. Verder heeft de officier van justitie het standpunt gehandhaafd dat het klaagschrift ten aanzien van hiervoor genoemde goederen ongegrond dient te worden verklaard.
3.
Bij de thans bestreden beschikking van 28 mei 2019 heeft de Rechtbank Midden-Nederland het klaagschrift per 28 juni 2019 deels gegrond verklaard, zoals staat vermeld in de beschikking, en per die datum de teruggave daarvan aan klager gelast, indien over die goederen op die datum door het OM nog geen beslissing is genomen.
De Rechtbank heeft in haar beschikking daartoe het volgende overwogen:
‘De rechtbank overweegt dat na verkregen machtiging van de rechter-commissaris te Den Haag een groot aantal huiszoekingen zijn gedaan in het kader van een grootschalig onderzoek dat zich richt op de verdenking dat [A] MC een criminele organisatie is. In dat kader zijn als verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangehouden. In hoger beroep zijn door het Gerechtshof te Den Haag geen ernstige bezwaren aangenomen voor voornoemde verdenking. Over de redenen dat bij klager huiszoeking is gedaan is in het kader van het onderzoeksbelang geen mededeling gedaan. Klager is en wordt evenwel tot op de dag van vandaag niet als verdachte in dit onderzoek aangemerkt. Hetgeen van de zijde van het openbaar ministerie is aangevoerd rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet veel langer de conclusie dat het belang van strafvordering zich in dit geval verzet tegen de beëindiging van het beslag. Hoewel een groot aantal gegevensdragers in beslag is genomen en het begrijpelijkerwijs veel tijd kost om alles te doorzoeken is de rechtbank van oordeel dat het belang van klager bij teruggave van de gegevensdragers thans, na een half jaar, zwaarder moet wegen. De rechtbank stelt een termijn van één maand waarbinnen het onderzoek dient te worden afgerond. De rechtbank zal het klaagschrift dan ook per 28 juni 2019 gegrond verklaren ten aanzien van de gegevensdragers waarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen en de teruggave daarvan gelasten.’
4.1
Wat betreft het in deze zaak toepasselijke toetsingskader merkt rekwirant het volgende op. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, ook in een zaak betreffende een ander dan de klager (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.8 en 2.9).
4.2
In het onderhavige geval blijkt uit de overwegingen van de Rechtbank niet expliciet dat zij deze maatstaven heeft aangelegd dan wel heeft toegepast bij de beoordeling van het klaagschrift. Dit brengt volgens vaste jurisprudentie mee dat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:959; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2785 en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:977).
5.1
Mocht deze klacht niet tot cassatie leiden, dan is rekwirant subsidiair van mening dat het oordeel van de Rechtbank dat ‘het belang van klager bij teruggave van de gegevensdragers thans, na een half jaar, zwaarder moet wegen’, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. Rekwirant neemt hierbij het volgende in aanmerking.
5.2
In de zaak die leidde tot HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379 had de Rechtbank het klaagschrift van de beslagene tegen de inbeslagneming van een computer gegrond verklaard. Het ging in deze zaak om klassiek beslag op de voet van art. 94 Sv. De Rechtbank was van oordeel dat het openbaar ministerie voldoende tijd en gelegenheid had gehad om de computer te onderzoeken en achtte aldus beslag op de computer in het belang van de waarheidsvinding niet meer aan de orde. Daarbij lette de Rechtbank op het feit dat het om een oudere zaak ging en op het feit dat kennelijk nog geen enkel uitsluitsel kon worden gegeven over wanneer de computer zou worden onderzocht. De officier van justitie stelde cassatieberoep in. Na vooropstelling van het toepasselijke toetsingskader overwoog de Hoge Raad dat het in de overwegingen van de Rechtbank besloten liggende oordeel dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vorderde, ontoereikend was gemotiveerd. Vervolgens overwoog de Hoge Raad:
‘De onder 2.4 bedoelde maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38NJ 2014/66).
Aan de door de Rechtbank genoemde omstandigheden dat ‘het hier om een oudere zaak gaat’ en dat ‘kennelijk nog geen enkel uitsluitsel kan worden gegeven over wanneer de computer zal kunnen worden onderzocht’, kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het voortduren van het beslag niet in overeenstemming is met die eisen en het beslag moet worden opgeheven. Ook in zoverre is het oordeel van de Rechtbank niet toereikend gemotiveerd.’
5.3
In de zaak die ten grondslag lag aan HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66 was onder klagers conservatoir beslag gelegd op een aantal waardevolle goederen. De Rechtbank verklaarde het hiertegen gerichte klaagschrift van klagers gegrond. De Rechtbank overwoog daartoe dat de zaak tegen klaagster al vijf maanden leek stil te liggen en dat er sprake was van inbreuk op het eigendomsrecht van klagers. De officier van justitie stelde cassatieberoep in. Ook in deze zaak stelde de Hoge Raad de toepasselijke toetsingsmaatstaf voorop. Vervolgens overwoog de Hoge Raad dat uit de overwegingen van de Rechtbank niet bleek dat zij deze maatstaf had aangelegd. De bestreden beschikking was daarom ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vervolgde:
‘2.6.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Aan de omstandigheid dat de zaak tegen de klagers ‘al 5 maanden lijkt stil te liggen en sprake is van inbreuk op het eigendomsrecht’, zoals de Rechtbank heeft overwogen, kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met die eisen en de beslagen moeten worden opgeheven. Ook in zoverre is het oordeel van de Rechtbank niet toereikend gemotiveerd.’
5.4
Tot slot wijst rekwirant op HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3311. In deze zaak was onder de klager op de voet van art. 94 Sv een auto inbeslaggenomen, welk beslag met machtiging van de rechter-commissaris als conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv was gehandhaafd. Het door klager ingediende klaagschrift werd door de Rechtbank op 31 oktober 2012 ongegrond verklaard. Tegen deze beschikking stelde klager geen cassatieberoep in. In oktober 2013 diende de klager opnieuw een klaagschrift in, dat dit keer door de Rechtbank gegrond werd verklaard. De Rechtbank overwoog daartoe dat door de officier van justitie in raadkamer was aangegeven dat er nog geen zittingsdatum bekend was, dit terwijl de officier van justitie in enkelvoudige raadkamer van 31 oktober 2012 had medegedeeld dat het niet lang meer zou duren voordat het proces-verbaal gereed was. Opmerking verdient nog dat op het moment dat de Rechtbank uitspraak deed in deze tweede beklagprocedure, de auto al bijna 2,5 jaar onder beslag lag. Op het door de officier van justitie ingestelde cassatieberoep overwoog de Hoge Raad:
‘2.6.1.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66).
2.6.2.
Aan de door de Rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden ‘dat er nog geen zittingsdatum bekend is, dit terwijl de officier van justitie in enkelvoudige raadkamer van 31 oktober 2012 heeft medegedeeld dat het niet lang meer zal duren voordat het proces-verbaal gereed is’, kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het voortduren van het beslag niet in overeenstemming is met die eisen en het beslag moet worden opgeheven. Het oordeel van de Rechtbank is dan ook niet toereikend gemotiveerd.’
5.5
Rekwirant leidt uit deze jurisprudentie af dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is van onrechtmatig voortduren van beslag op grond van disproportionaliteit, in het bijzonder wanneer aan die disproportionaliteit in de kern niet meer dan het verstreken tijdsverloop ten grondslag wordt gelegd. Van de beklagrechter mag in dit verband worden verlangd dat hij blijk geeft van een zorgvuldige belangenafweging door aandacht te besteden aan de bijzonderheden van het geval en daarbij helder motiveert waarom de persoonlijke belangen van klager in casu zwaarder dienen te wegen dan het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag (vgl. conclusie AG Harteveld voor HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3311, punt 4.7 en conclusie AG Harteveld voor HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:977, punt 4.6).
5.6.
In het onderhavige geval heeft de officier van justitie aangevoerd (i) dat op 21 november 2018 in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar [A] MC op veertig locaties doorzoekingen ter inbeslagneming hebben plaatsgevonden, waaronder op het adres van klager, (ii) dat klager geen verdachte is, (iii) dat de onder klagers inbeslaggenomen gegevensdragers zullen worden onderzocht op (mogelijke) communicatie tussen klagers en de verdachte(n) in het onderzoek, (iv) dat nader onderzoek dient plaats te vinden naar de strafbaarheid van de inbeslaggenomen GPS tracker, (v) dat het onderzoeksbelang zich verzet tegen teruggave van de goederen aan klager, (vi) dat bij de doorzoekingen op de veertig locaties in totaal ca. 700 digitale gegevensdragers in beslag zijn genomen, en (vii) dat het volledig uitlezen van deze gegevensdragers een tijdrovende klus is, waardoor teruggave langer dan normaal op zich laat wachten.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de Rechtbank oog heeft gehad voor de omvang en complexiteit van het te verrichten onderzoek aan alle inbeslaggenomen gegevensdragers.
Niettemin heeft de Rechtbank geoordeeld dat ‘het belang van klager bij teruggave van de gegevensdragers thans, na een half jaar, zwaarder moet wegen’. Dit oordeel is naar de mening van rekwirant zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. De Rechtbank heeft niet aangeduid welke kennelijk zwaarder wegende belangen van klager dan in het geding zijn en waarom het belang van strafvordering daarvoor moet wijken. Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt niet van enige afweging van de belangen van klager ten opzichte van de belangen van strafvordering, terwijl de Rechtbank ook overigens geen aandacht heeft besteed aan de bijzonderheden van het geval. Mede tegen de achtergrond van de hiervoor in punt 5.2 t/m 5.5 genoemde jurisprudentie is rekwirant dan ook van mening dat de motivering van de Rechtbank op dit punt tekortschiet.
6.
Gelet op het voorgaande is de bestreden beschikking, voor zover de Rechtbank daarbij het klaagschrift van klager tegen de inbeslagneming van de in de beschikking genoemde goederen per 28 juni 2019 gegrond heeft verklaard, ontoereikend gemotiveerd.
Indien het cassatiemiddel of een onderdeel daarvan doel treft, zal de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 mei 2019 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze beschikking te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 27 september 2019
mr. H.H.J. Knol
plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑09‑2019
Deze zaak hangt samen met negen andere beklagzaken, waarin rekwirant eveneens een schriftuur zal indienen. Het betreft de volgende beklagzaken: [naam 1]S 19/03635 B), [naam 2] (S 19/03633 B), [naam 3] (S 19/03632 B), [naam 4] (S 19/03636 B), [naam 5] (S 19/03650 B), [naam 6] (S 19/03649 B), [naam 7] (S 19/03637 B), [naam 8] (S 19/03774 B) en [naam 9] (S 19/03638 B).
Het schriftelijke standpunt had betrekking op zowel het klaagschrift van klager als van klaagster [naam 4] (S 19/03636 B) die haar beklag heeft gedaan tegen de inbeslagneming van dezelfde goederen als in de onderhavige zaak.