Rechtbank Rotterdam 8 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:13794.
HR, 23-05-2025, nr. 25/00481
ECLI:NL:HR:2025:818
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-05-2025
- Zaaknummer
25/00481
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:818, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑05‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:429
ECLI:NL:PHR:2025:429, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:818
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0046
GZR-Updates.nl 2025-0182
JGz 2025/42 met annotatie van mr. dr. R.B.M. Keurentjes
Uitspraak 23‑05‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00481
Datum 23 mei 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: E.F.A. Linssen-van Rossum,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/10/687736 / FA RK 24-7732 van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de beschikking van 8 november 2024 van de rechtbank Rotterdam en tot terugwijzing van de zaak naar die rechtbank.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze zaak heeft de officier van justitie verzocht om een aansluitende zorgmachtiging voor betrokkene te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
2.2
Bij de mondelinge behandeling van het verzoek waren betrokkene en twee behandelaren aanwezig. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is onder meer het volgende opgenomen:
“De advocaat heeft op 8 november 2024 in de ochtend aan de rechtbank gevraagd of hij telefonisch bij de mondelinge behandeling aanwezig mag zijn. Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft de griffier twee pogingen gedaan om de advocaat op het door hem doorgegeven telefoonnummer te bereiken. Hierop krijgt de griffier geen gehoor en de receptie van zijn hotel kan de griffier niet doorverbinden. Door de griffier is gevraagd of de receptiemedewerker de advocaat kan vragen om de griffier terug te bellen. Hierop is geen contact tot stand gekomen.
[Rechter]: stelt iedereen voor. Uw advocaat kan alleen telefonisch erbij zijn. We hebben hem geprobeerd te bellen, dat is nog niet gelukt. Als de advocaat terugbelt, dan praat ik hem bij. Kent u de behandelaars?
[Betrokkene]: zij kennen mij.
(…)
[Rechter]: we moeten de zitting een beetje gaan afronden.
[Betrokkene]: ik zou andere rechtszaak moeten doen met mr. Mascini.
De griffier doet nogmaals een poging om de advocaat telefonisch te bereiken, maar krijgt hem niet te pakken.
[Rechter]: ik zie op dit moment geen andere optie dan de zorgmachtiging te verlengen. Ook omdat u geen andere mogelijkheden hebt om naartoe te gaan en wel zorg nodig hebt.”
2.3
De rechtbank1.heeft een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene verleend voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder het toedienen van medicatie en het opnemen in een accommodatie, en bepaald dat deze geldt tot en met 8 november 2025. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“1.3. De mondelinge behandeling vindt plaats zonder de advocaat van betrokkene. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de advocaat de rechtbank meegedeeld dat hij wegens verblijf in het buitenland niet fysiek aanwezig kan zijn, maar dat hij zich beschikbaar zal houden om telefonisch deel te nemen. De griffier heeft voor aanvang en tijdens de mondelinge behandeling vergeefs meerdere pogingen gedaan om de advocaat te bereiken op het door hem opgegeven nummer. De griffier heeft bij de receptie van zijn hotel ook een telefoonnummer achtergelaten om tijdens de mondelinge behandeling terug te bellen; ook langs die weg is het niet gelukt om contact te krijgen met de advocaat.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel richt zich tegen de beslissing om de mondelinge behandeling voort te zetten zonder aanwezigheid van de advocaat van betrokkene, hoewel geen sprake was van een ondubbelzinnige afstand door betrokkene van het recht om zich ter zitting door zijn advocaat te doen bijstaan. Gelet op de omstandigheid dat de advocaat van betrokkene voorafgaand aan de mondelinge behandeling contact heeft opgenomen met de rechtbank om zeker te stellen dat hij telefonisch bij de behandeling aanwezig kon zijn, staat vast dat namens betrokkene geen afstand is gedaan van zijn recht op bijstand tijdens de behandeling, aldus het middel. Ook uit het proces-verbaal is volgens het middel niet af te leiden dat betrokkene ondubbelzinnig afstand van zijn recht op bijstand heeft gedaan. De beslissing van de rechtbank is daarom onjuist of onvoldoende gemotiveerd, aldus het middel.
3.2
Uit art. 5 EVRM, alsmede uit de art. 1:7 lid 1, aanhef en onder a, 5:4 lid 1, aanhef en onder d, en 6:1 lid 1 Wvggz volgt dat een betrokkene ter zake van een verzoek om verlening van een zorgmachtiging recht heeft op rechtsbijstand door een advocaat. Het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand is als zodanig niet onverenigbaar met de Wvggz, noch met art. 5 EVRM. In zaken als de onderhavige, waarin het onder meer gaat om onvrijwillige opname in een accommodatie van veelal kwetsbare personen met een psychische stoornis, mag afstand van het recht op rechtsbijstand evenwel niet snel worden aangenomen. Die afstand mag alleen dan worden aangenomen als de betrokkene zijn wil daartoe in vrijheid heeft kunnen bepalen, die wil ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven.2.
3.3
De rechtbank heeft niet vastgesteld dat betrokkene afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand. Ook uit het proces-verbaal kan niet worden afgeleid dat betrokkene van het recht op rechtsbijstand afstand heeft gedaan. Daarom had de rechtbank de mondelinge behandeling niet mogen voortzetten buiten aanwezigheid van de advocaat van betrokkene. Het middel slaagt dan ook.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2024;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 23 mei 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑05‑2025
O.a. HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:848, rov. 3.2 en 3.3; HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1628, rov. 3.3.
Conclusie 11‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Wvggz. Zorgmachtiging. Mondelinge behandeling buiten aanwezigheid advocaat die telefonisch zou deelnemen. Geen afstand van recht op rechtsbijstand.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00481
Zitting 11 april 2025
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Inleiding en samenvatting
In deze Wvggz-zaak heeft de advocaat van betrokkene aan de rechtbank voorafgaand aan de mondelinge behandeling meegedeeld dat hij wegens verblijf in het buitenland niet fysiek aanwezig kon zijn, maar dat hij zich beschikbaar zou houden om telefonisch deel te nemen aan de zitting om betrokkene bij te staan. Het is tijdens de mondelinge behandeling echter niet gelukt om een telefonische verbinding met de advocaat tot stand te brengen. Betrokkene zelf was wel aanwezig tijdens de zitting en heeft geen afstand gedaan van rechtsbijstand. Dit heeft de rechtbank er niet van weerhouden de mondelinge behandeling te voltooien en het verzoek van de officier van justitie om een voortgezette zorgmachtiging toe te wijzen. Het daartegen gerichte cassatieberoep slaagt.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Betrokkene verblijft in een woonzorglocatie van de [instelling].
2.2
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 27 november 2023 is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 27 november 2024.
2.3
Op 18 oktober 2024 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen, voor de duur van twaalf maanden.
2.4
Dit verzoek is mondeling behandeld op 8 november 2024, in aanwezigheid van twee behandelaren en betrokkene. De advocaat van betrokkene was niet aanwezig. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.5
Het proces-verbaal vermeldt onder meer (cursivering in origineel):
“De advocaat heeft op 8 november 2024 in de ochtend aan de rechtbank gevraagd of hij telefonisch bij de mondelinge behandeling aanwezig mag zijn. Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft de griffier twee pogingen gedaan om de advocaat op het door hem doorgegeven telefoonnummer te bereiken. Hierop krijgt de griffier geen gehoor en de receptie van zijn hotel kan de griffier niet doorverbinden. Door de griffier is gevraagd of de receptiemedewerker de advocaat kan vragen om de griffier terug te bellen. Hierop is geen contract tot stand gekomen.
R [rechter, A-G]: stelt iedereen voor. Uw advocaat kan alleen telefonisch erbij zijn. We hebben hem geprobeerd te bellen, dat is nog niet gelukt. Als de advocaat terugbelt, dan praat ik hem bij. Kent u de behandelaars?
B [betrokkene, A-G]: zij kennen mij.
(…)
R: we moeten de zitting een beetje gaan afronden.
B: ik zou andere rechtszaak moeten doen met mr. Mascini.
De griffier doet nogmaals een poging om de advocaat telefonisch te bereiken, maar krijgt hem niet te pakken.
R: ik zie op dit moment geen andere optie dan de zorgmachtiging te verlengen. Ook omdat u geen andere mogelijkheden hebt om naartoe te gaan en wel zorg nodig hebt.
(…).”
2.6
Bij beschikking van 8 november 20241.(hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend met een looptijd tot en met 8 november 2025 voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder het toedienen van medicatie en het opnemen in een accommodatie.
2.7
Over de afwezigheid van de advocaat op de zitting vermeldt de bestreden beschikking:
“1.3. De mondelinge behandeling vindt plaats zonder de advocaat van betrokkene. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de advocaat de rechtbank meegedeeld dat hij wegens verblijf in het buitenland niet fysiek aanwezig kan zijn, maar dat hij zich beschikbaar zal houden om telefonisch deel te nemen. De griffier heeft voor aanvang en tijdens de mondelinge behandeling vergeefs meerdere pogingen gedaan om de advocaat te bereiken op het door hem opgegeven nummer. De griffier heeft bij de receptie van zijn hotel ook een telefoonnummer achtergelaten om tijdens de mondelinge behandeling terug te bellen; ook langs die weg is het niet gelukt om contact te krijgen met de advocaat.”
2.8
Namens betrokkene is op 10 februari 2025 – tijdig – cassatieberoep ingesteld.
2.9
De officier van justitie is niet verschenen in de procedure in cassatie.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel klaagt dat de rechtbank de mondelinge behandeling heeft voortgezet zonder aanwezigheid van de advocaat van betrokkene, terwijl er geen sprake was van een ondubbelzinnige afstand door betrokkene om zich ter zitting door zijn advocaat te laten bijstaan. Het tegendeel mag worden aangenomen, nu de advocaat de voorafgaand aan de zitting contact heeft opgenomen met de rechtbank en expliciet heeft verzocht om telefonisch aanwezig te zijn.
3.2
Ter toelichting wijst betrokkene onder andere op uitspraken waarin is geoordeeld dat niet te snel afstand van het recht op rechtsbijstand mag worden aangenomen.2.Ook overigens was er in dit geval geen noodzaak om aan te nemen dat er geen andere optie restte dan de mondelinge behandeling af te ronden toen een tweede belpoging was mislukt, nu er ten tijde van de mondelinge behandeling nog ruim twee weken tot het aflopen van de bestaande zorgmachtiging (tot 27 november 2024).3.Er was voldoende tijd voor een korte aanhouding.
3.3
Ook klaagt betrokkene dat zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is dat de rechtbank heeft gemeend de behandeling te kunnen voortzetten, terwijl betrokkene tijdens de behandeling heeft verwezen naar stukken die hij kennelijk van belang acht maar die niet bij de behandeling worden betrokken en evenmin door zijn advocaat kunnen worden toegelicht.
3.4
Het middel is terecht voorgesteld.
3.5
De zaak vertoont relevante parallellen met het geding dat heeft geleid tot een beschikking van de Hoge Raad van 2 juni 2023, waarnaar het middel verwijst.4.De rechtbank Midden-Nederland had in die zaak een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel verleend, nadat op de mondelinge behandeling niet een advocaat was verschenen. De advocaat had verzocht de behandeling op een ander moment te plannen, waarbij zij geen beroep zou doen op een eventuele overschrijding van de beslistermijn. Tijdens de mondelinge behandeling antwoordde de betrokkene in die zaak op vragen van de rechtbank dat zij dacht dat het wel zonder advocaat kon en haar mentor stemde hiermee in. Het cassatiemiddel was gericht tegen de beslissing om de mondelinge behandeling doorgang te laten vinden en op het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel te beslissen zonder bijstand van een advocaat.5.
3.6
De Hoge Raad vernietigde en overwoog hiertoe:6.
3.3
De rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat betrokkene afstand heeft gedaan van haar recht op bijstand door een advocaat. Het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand is als zodanig niet onverenigbaar met de Wvggz, noch met art. 5 EVRM. In zaken als de onderhavige, waarin het onder meer gaat om onvrijwillige opname in een accommodatie van veelal kwetsbare personen met een psychische stoornis, mag afstand van het recht op rechtsbijstand evenwel niet te snel worden aangenomen. Die afstand mag alleen dan worden aangenomen als de betrokkene zijn wil daartoe in vrijheid heeft kunnen bepalen, die wil ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand is omgeven met waarborgen die in verhouding staan tot het belang van het recht dat wordt prijsgegeven.7.
3.4
De rechtbank heeft in de hiervoor in 2.3 weergegeven overweging vastgesteld dat betrokkene nadrukkelijk heeft uitgesproken dat de mondelinge behandeling doorgang kan vinden zonder aanwezigheid van haar advocaat, en dat haar mentor haar in dit standpunt heeft gevolgd. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (zie hiervoor in 2.2) is ten aanzien van de vraag of de zitting kon worden voortgezet zonder rechtsbijstand, geen andere uitlating van betrokkene opgetekend dan dat zij denkt dat het wel zonder advocaat kan. Uit die uitlating blijkt niet ondubbelzinnig dat betrokkene afstand doet van haar recht op bijstand door een advocaat. Bovendien heeft de rechtbank niet kenbaar onderzocht of betrokkene, mede gelet op haar stoornis, haar wil op dit punt in vrijheid heeft kunnen bepalen. De vaststelling dat een nieuwe zitting forse stress zou veroorzaken bij betrokkene rechtvaardigde evenmin zonder meer de beslissing om de behandeling van het verzoek voort te zetten zonder rechtsbijstand voor betrokkene. Het middel slaagt dan ook.”
De Hoge Raad bouwde hier voort op rechtspraak onder de Wet Bopz.8.
3.7
De zojuist geciteerde uitspraak betrof de voortzetting van een crisismaatregel, maar het gegeven oordeel geldt evenzeer voor de voortzetting van een zorgmachtiging. Ook dan heeft betrokkene immers recht op rechtsbijstand door een advocaat9.en gaat het evenzeer om een machtiging tot onvrijwillige opname in een accommodatie van veelal kwetsbare personen met een psychische stoornis. Daarom mag ook bij voortzetting van een zorgmachtiging afstand van het recht op rechtsbijstand ‘niet te snel’ worden aangenomen.
3.8
Ten overvloede merk ik nog op dat het mijns inziens wel valt te billijken dat de rechtbank alvast met de mondelinge behandeling een aanvang heeft gemaakt na de eerste poging een telefoonverbinding met de advocaat tot stand te brengen,10.nu op dat moment redelijkerwijs kon worden verwacht dat de telefonische verbinding met de advocaat op ene later moment alsnog tot stand zou komen en de advocaat dan door de rechter kon worden bijgepraat. Toen de rechtbank na enige tijd op het punt aankwam dat de zitting kennelijk moest worden afgerond11.en de betrokkene op dat moment nog steeds niet kon worden bijgestaan, had zij echter moeten beslissen tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
3.9
Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven hoe de rechtbank, in het geval dat betrokkene tijdens de mondelinge behandeling wél zou zijn bijgestaan door zijn advocaat, had moeten omgaan met stukken die betrokkene voor de behandeling van belang achtte.12.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van 8 november 2024 van de rechtbank Rotterdam en tot terugwijzing van de zaak naar die rechtbank.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑04‑2025
Schriftelijk uitgewerkt op 22 november 2024. Zie Rb. Rotterdam 8 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:13794.
Procesinleiding, p. 2, verwijst naar HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:848, rov. 3.3.
Zie ook procesinleiding, p. 2.
HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:848, NJ 2023/191, JGz 2023/27 m.nt. redactie.
HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:848, rov. 3.1.
HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:848, rov. 3.2-3.4.
Voetnoot in origineel: Vgl. ook HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, rov. 3.3 en HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:146, rov. 3.5.
Zie bijv. E. Plomp, ‘Kroniek rechtspraak Wet verplichte ggz en Wet zorg en dwang’, TvGR 2024/3, par. 2.2 (Afstand van rechtsbijstand). Zie ook HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:146, RvdW 2018/273, JGz 2018/7 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, waarnaar de Hoge Raad ook vergelijkenderwijs verwijst in het zojuist geciteerde gedeelte van de uitspraak van 2 juni 2023.
Vgl. ook HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1089, NJ 2020/358, m.nt. J. Legemaate, JGz 2020/47, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, rov. 3.3.1-3.3.4.
Proces-verbaal, p. 5.
Vgl. procesinleiding, p. 2 onderaan.