Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/11.4.1
11.4.1 De gevolgen van zaaksvorming voor het eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90895:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Van Neste & Derine 1990, nr. 302; Sagaert, Tilleman & Verbeke 2010, nr. 236; Sagaert 2014, nr. 891.
Sagaert 2014, nr. 893.
Sagaert 2014, nr. 893.
Hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.3.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 215; Sagaert 2017, nr. 36.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 215.
Sagaert 2017, nr. 37.
Deze bepalingen zijn ook van toepassing als er geen zekerheidsrechten rusten op de zaken waaruit een nieuwe zaak is gevormd.
Sagaert 2014, nr. 895; Van den Broeck 2015, Commentaar bij art.16-18 Pandwet, nr. 18; Baeck 2016, Commentaar bij Art.57 en 58 Pandwet, p. 1218; Sagaert 2017, nr. 38.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 219.
De wetgever maakt voor de toepassing van art. 18 lid 3 Pandwet geen onderscheid tussen een toegestane en niet-toegestane bewerking.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 219.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 219.
Bij zaaksvorming creëert iemand voor eigen rekening een nieuwe zaak met materialen die toebehoren aan een derde. Door de bewerking van één of meer zaken ontstaat een nieuwe zaak, zijnde een zaak die een andere sociale of economische functie dan de oorspronkelijke zaken.1
De eigendom van de nieuwe zaak wordt in beginsel toegewezen aan eigenaar van de oorspronkelijke zaken. In het Belgische recht wordt voor de eigendomstoewijzing in beginsel aangeknoopt bij de eigendom van de gebruikte materialen in plaats van de vormende arbeid. Hierop geldt een uitzondering indien “de arbeid van zoveel belang was dat hij de waarde van de gebruikte stof ver overtreft”. De waarde van de arbeid dient aanzienlijk veel groter te zijn dan de waarde van het materiaal. In dat geval wordt de eigendom toegewezen aan degene die de arbeid heeft verricht.2
In de praktijk is in het Belgische recht vaak sprake van een combinatie van zaaksvorming en roerende natrekking.3 Zaaksvorming is namelijk het bewerken van één of meer zaken tot een nieuwe zaak van één eigenaar. Daarentegen is roerende natrekking het verenigen van meerdere zaken, zonder dat menselijke arbeid is vereist of sprake is van een nieuwe zaak. Wordt een nieuwe zaak gevormd uit zaken van meerdere eigenaren, dan zijn zowel de regels van zaaksvorming als natrekking in het Belgische recht van toepassing. Deze twee sets regels moeten gecombineerd worden bij de eigendomstoewijzing. Het is echter niet duidelijk hoe dit moet geschieden, omdat de wet, rechtspraak noch rechtsliteratuur duidelijkheid bieden.4
Deze onduidelijkheid is gedeeltelijk weggenomen door de invoering van art. 18 (jo. art. 70) Pandwet. Deze bepaling geeft een uniforme regeling voor de gevolgen van zaaksvorming en natrekking voor zekerheidsrechten, waaronder ook het eigendomsvoorbehoud moet worden begrepen op grond van de functionele benadering die aan de Pandwet ten grondslag ligt.5 Het lot van zekerheidsrechten hangt daarmee niet af van de eigendomstoewijzing bij zaaksvomring.
Art. 18 Pandwet onderscheidt twee situaties: de bewerking van zaken van één eigenaar (lid 2) en de bewerking van zaken van meerdere eigenaren (lid 3).
In de eerste situatie wordt een nieuwe zaak gevormd uit zaken die door de leverancier onder eigendomsvoorbehoud zijn geleverd. In dit geval ‘verlengt’ de voorrangspositie voor leverancierskrediet zich steeds tot de nieuw gevormde zaak (art. 18 lid 2 jo. art. 70 Pandwet).6 De leverancier wordt eigenaar van de nieuwe zaken tot zekerheid van betaling van de koopprijs. De Pandwet kent geen uitzondering voor het geval dat de waarde van de arbeid de waarde van de materialen aanzienlijk overtreft, anders dan bij de eigendomstoewijzing op grond van art. 570 e.v. BBW. De leverancier wordt zekerheidseigenaar, ongeacht de verhouding tussen de waarde van de materialen en de arbeid.7 De stof gaat steeds boven de arbeid. De bepaling strekt er namelijk toe om de leverancier met een eigendomsvoorbehoud te beschermen tegen het verlies van zijn zekerheidsrecht door zaaksvorming.8
Ook in het Nederlandse recht geldt als hoofdregel dat de eigendom in beginsel wordt toegewezen aan de leverancier, omdat hij eigenaar is van de oorspronkelijke zaken (art. 5:16 lid 1 BW). Anders dan het Belgische recht, kent het Nederlandse recht kent een uitzondering op deze regel. Degene die vormt of voor zich laat vormen kan eigenaar worden van de nieuwe zaak op grond van art. 5:16 lid 2 BW. Dit is doorgaans de koper/fabrikant die beslissende invloed heeft op het product en productieproces, en het risico van de verhandelbaarheid van het product draagt. Op deze uitzondering geldt weer een uitzondering als de waarde van de arbeid zo gering is dat de eigendomstoewijzing aan de vormer niet gerechtvaardigd is. De stof gaat dan wel boven de arbeid.
De verschillen tussen beide rechtsstelsels zijn het gevolg van de verschillende keuzes die de wetgevers hebben gemaakt. De Belgische wetgever wil zekerheidsnemers beschermen tegen het verlies van zekerheid als gevolg van zaaksvorming door middel van art. 18 lid 2 Pandwet, ongeacht de waarde van de arbeid. De Nederlandse wetgever heeft daarentegen geen afzonderlijke bepaling in de wet ingevoerd die de gevolgen van zaaksvorming voor de voorrangspositie van de leverancier regelt. De gevolgen zijn afhankelijk van de regels van eigendomstoewijzing bij zaaksvorming in art. 5:16 BW. Daarnaast heeft de wetgever bij deze regels van eigendomstoewijzing rekening gehouden met de waarde van de oorspronkelijke zaken én met de waarde van de arbeid. Dit is neergelegd in art. 5:16 lid 1 en lid 2 BW, zoals ik in de vorige alinea beschreef.
Art. 18 lid 2 Pandwet is alleen van toepassing als de leverancier de verwerking van zijn zaken toestaat. Dit is het wettelijke uitgangspunt op grond van art. 18 lid 1 Pandwet. De leverancier moet bedingen dat hij de be- of verwerking van zijn zaken niet toestaat. In dat geval blijft art. 18 lid 2 Pandwet buiten toepassing en bepalen de regels van eigendomstoewijzing bij zaaksvorming in art. 570 e.v. BBW of de leverancier eigenaar wordt van de nieuw gevormde zaak.9 Kort gezegd hebben art. 570 e.v. BBW tot gevolg dat de eigenaar van de oorspronkelijke zaken eigenaar wordt van de nieuwe zaak, tenzij waarde van de arbeid aanzienlijk veel hoger is dan de waarde van het materiaal. Art. 571 BBW wijst de eigendom dan toe aan de fabrikant.10
Tot nu toe besprak ik de eerste situatie, inhoudende dat de leverancier alle voor de vorming gebruikte zaken onder eigendomsvoorbehoud heeft geleverd. Het is echter voorstelbaar dat een nieuwe zaak wordt gevormd uit zaken van de leverancier en één of meer derden. Op deze tweede situatie is art. 18 lid 3 Pandwet van toepassing, mits de zaken zodanig zijn samengevoegd dat zij fysiek niet gescheiden kunnen worden of dit niet economisch verantwoord is.11 Is dit wel mogelijk, dan is art. 18 Pandwet niet van toepassing en behoudt de leverancier zijn voorrangspositie op de oorspronkelijke zaak.
Is scheiding (economisch gezien) niet mogelijk, dan ‘verlengt’ de voorrangspositie van de leverancier zich tot de nieuwe zaak, indien de door hem geleverde zaak de voornaamste zaak is (art. 18 lid 3 Pandwet). Dit is de zaak ‘waarmee het andere enkel tot gebruik, versiering of aanvulling verenigd is’ of de zaak die de hoogste waarde heeft (art. 567 of 569 BBW).12 Naar Nederlands recht wordt deze zaak aangeduid als de hoofdzaak. De leverancier wordt zekerheidseigenaar van de nieuwe zaak. Rechten van derden op de bestanddelen vervallen. Zij verkrijgen een vordering uit hoofde van verrijking zonder oorzaak op de leverancier op grond van art. 18 lid 3 Pandwet. Deze vergoedingsplicht is onderworpen aan het dubbele plafond van verrijkingsacties, te weten de verrijking van de één (zijnde de waardevermeerdering van de bezwaarde zaak in het vermogen van de leverancier) en de verarming van de ander (het verlies van zijn zaak).13
Is de hoofdzaak eigendom van een derde, dan verlengt de voorrangspositie van de leverancier zich niet tot de nieuwe zaak. De leverancier verliest zijn voorrangspositie en verkrijgt een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking op de zekerheidsnemer wiens zekerheidsrecht zich wel voortzet op de nieuwe zaak (art. 18 lid 3 Pandwet). Op deze wijze kan de leverancier zich voor zijn koopprijsvordering verhalen op een tweede vermogen.
Het derde lid van art. 18 Pandwet strekt evenals het tweede lid tot bescherming van de oorspronkelijke zekerheidsrechten, maar met het verschil dat slechts de zekerheidsgerechtigde ten aanzien van de hoofdzaak goederenrechtelijk wordt beschermd. Zijn zekerheidsrecht zet zich voort op de eenheidszaak.14 In de memorie van toelichting staat dat de wetgever in dit geval wil aansluiten bij de ‘principes uit het BW’. Verder worden geen argumenten genoemd.