Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.5:6.5 Samenvatting en conclusies
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.5
6.5 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581924:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is onderzocht, in wat voor binding rechtersregelingen die als recht in de zin van art. 79 RO zijn aan te merken precies resulteren. Uit het specifieke karakter van deze reditersregelingen (geen 'algemeen verbindende voorschriften' of regels van jurisprudentierecht, maar regels van een lagere orde) vloeit voort, dat zij slechts tot een in omvang beperkte binding kunnen leiden. Zo zal de rechter in bijzondere gevallen van een rechtersregeling mogen afwijken, zij het dat van deze ('inherente') afwijkingsbevoegdheid met de nodige terughoudendheid gebruik gemaakt dient te worden. Voorts leidt een rechtersregeling in beginsel slechts tot een relatieve binding, namelijk russen de rechters die de regeling vaststellen en partijen. Andere rechters dan degenen die een rechtersregeling hebben vastgesteld - meer in het bijzonder: hogere rechters - zijn daaraan niet rechtstreeks gebonden. Wel bestaat in bepaalde gevallen een indirecte vorm van gebondenheid, die inhoudt dat de hogere rechter de beslissing van een lagere rechter aan diens rechtersregeling dient te toetsen.
Hoewel de binding aan een rechtersregeling niet ontstaat als gevolg van de kwalificatie daarvan als recht in de zin van art. 79 RO, voegt deze kwalificatie in zoverre iets toe, dat de Hoge Raad hierdoor toezicht kan uitoefenen op de uitleg en toepassing van een zodanige rechtersregeling. Dit biedt de procespartijen in beginsel de mogelijkheid, daadwerkelijk af te dwingen dat de (lagere) rechter zich aan zijn rechtersregeling houdt.
De mogelijkheden tot dit laatste mogen echter niet worden overschat. Ten eerste zijn het vooralsnog met name de diverse rolreglementen die voldoen aan alle eisen voor recht in de zin van art. 79 RO. Beslissingen die op grond daarvan door de rolrechter worden genomen, zijn in veel gevallen aan te merken als rolbeschikkingen, waartegen in het geheel geen hoger beroep of cassatie mogelijk is. Kan een rolbeslissing gekwalificeerd worden als tussenvonnis of -arrest, dan kan daartegen in beginsel pas na de einduitspraak een rechtsmiddel worden aangewend. In dat stadium van de procedure zal het echter in veel gevallen feitelijk niet meer mogelijk zijn, de nadelige gevolgen van een eventuele onjuiste toepassing van een rolreglement nog volledig te herstellen.
Ook wanneer wél (tijdig) rechtsmiddelen tegen de beslissing van de lagere rechter openstaan, is de daadwerkelijke 'afdwingbaarheid' beperkt. Dit hangt samen met het relatieve karakter dat de binding aan het hier besproken type rechtersregeling kenmerkt. De (niet-)toepassing van een rechtersregeling kan in cassatie slechts met succes worden aangevochten, indien de rechter wiens beslissing ter discussie staat, direct of indirect aan die rechtersregeling gebonden was. Dit is (vooralsnog) echter slechts in een klein aantal situaties het geval. Als de hier genoemde hobbels met succes genomen zijn, bestaat voor partijen inderdaad de mogelijkheid om in cassatie op te komen tegen de wijze waarop een rechtersregeling door de lagere rechter is toegepast. Meer bepaald zal in cassatie kunnen worden geklaagd over (a) een onjuiste uitleg van een rechtersregeling, (b) een verkeerde toepassing daarvan, en (c) het geheel achterwege blijven van toepassing. Daarnaast is het mogelijk dat, gerelateerd aan de bevoegdheid tot afwijking die een rechtersregeling steeds kent, door de Hoge Raad specifieke motiveringseisen worden ontwikkeld. Alsdan kan tegen schending daarvan in cassatie eveneens met succes worden opgekomen.
Min of meer tegenover deze beperkte afdwingbaarheid staat dat de rechtstreeks aan een rechtersregeling gebonden rechters op grond van art. 25 Rv gehouden zijn deze zo nodig ambtshalve toe te passen. In bepaalde gevallen kan de appèl- of cassatierechter eveneens verplicht zijn tot ambtshalve toepassing van een rechtersregeling die voor de lagere rechter geldt. Aldus wordt de binding van rechters aan rechtersregelingen die recht in de zin van art. 79 RO vormen, in elk geval in theorie versterkt. Het stelsel van art. 25 Rv kent echter belangrijke begrenzingen. Als gevolg daarvan zal in de praktijk het aantal gevallen waarin ambtshalve toepassing van een rechtersregeling daadwerkelijk aan de orde kan komen, waarschijnlijk uiterst beperkt zijn.