Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/8.3:8.3 Conclusie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/8.3
8.3 Conclusie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS458208:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een goed voorbeeld is de beperking van de ten uitvoer te leggen straf bij gedeeltelijke toelaatbaarheid van uitlevering ter executie tot de straf die ‘hoort’ bij het feit waarvoor de uitlevering wel is toegestaan.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is de verwachting bij het vertrouwen besproken: welke prestatie verwacht men van de andere staat? Enerzijds kan men soms (niet meer dan) een maximale inspanning verwachten, en is het resultaat niet gegarandeerd, anderzijds is de verwachting (of aanname) soms dat het resultaat simpelweg is of wordt behaald. In het voorgaande hebben verscheidene voorbeelden van dit onderscheid de revue gepasseerd. Ook deze dimensie van het vertrouwensbeginsel kan in de sleutel van het doel van interstatelijke samenwerking in strafzaken worden geplaatst. Waar het gaat om het verlenen van bijstand op één van de hoofdonderdelen van de strafprocedure en het vertrouwen zich ook richt op één van die hoofdonderdelen, zoals de berechting na uitlevering, het veroordelende vonnis dat ten grondslag ligt aan of, spiegelbeeldig, de omzetting of voortgezette tenuitvoerlegging na overdracht van executie, vertoont het vertrouwen soms trekken van resultaatsvertrouwen, maar is uiteindelijk meestal toch sprake van inspanningsvertrouwen. De ruimte om een dergelijk onderdeel in de andere staat te beoordelen is weliswaar zeer beperkt, aangezien daarmee het karakter van het rechtshulpinstrument in het geding zou komen, maar uiteindelijk is er vaak wel enige ruimte om te toetsen. Dat betekent dat in het gewone geval de verwachting dat de andere staat zich inspant om de gewenste uitkomst te bewerkstelligen toereikend is om tot samenwerking over te gaan, maar in bijzondere gevallen de conclusie kan zijn dat die uitkomst niet zal worden bereikt. Die uitzonderingen zien doorgaans op mensenrechtelijke tekortkomingen. Is daarvan geen sprake, dan kan wel worden gesproken van resultaatsvertrouwen. In zekere zin hanteert het rechtshulprecht dan bijvoorbeeld de aanname dat een veroordeling die ten grondslag ligt aan overdracht van executie voor juist moet worden gehouden. Bij de omzetting van de straf ligt het, zoals is gebleken ingewikkelder. Vanuit de staat van veroordeling is sprake van inspanningsvertrouwen: die staat vertrouwt erop dat de staat van tenuitvoerlegging naar vermogen de straf omzet en aan alle belangen recht doet, maar kan desondanks tot de conclusie komen dat de veroordeling niet wordt overgedragen omdat is te verwachten dat toch geen juiste straf (in de ogen van de veroordelende staat) zal volgen. Ook bij andere onderdelen van het rechtshulpverkeer, en dat geldt in het bijzonder voor de daaraan in wet of verdrag gestelde voorwaarden, is sprake van inspanningsvertrouwen. Dit kan worden verklaard vanuit de aan samenwerking verbonden voorwaarden, in het bijzonder dat de gerechtvaardigde belangen van de justitiabele gewaarborgd moeten zijn.
Uit de eerder gegeven voorbeelden blijkt dat het onderscheid zowel bij retrospectieve als prospectieve vormen van vertrouwen kan worden gehanteerd. Bij toekomstige gebeurtenissen kan inspanningsvertrouwen worden gehanteerd, hetgeen dan in wezen tot een toetsing leidt van de capaciteiten van de autoriteiten in de andere staat en de daarmee samenhangende ‘slagingskans’. Wanneer bij toekomstige gebeurtenissen resultaatsvertrouwen wordt gehanteerd – de (absolute) verwachting dat de andere staat bijvoorbeeld een verplichting nakomt – dan is dat vaak het gevolg van een verdragsrechtelijke onmogelijkheid om tot enige toetsing over te gaan. Een dergelijk ‘toetsingsverbod’ kan zijn opgenomen omdat enige toetsing van de toekomstige gebeurtenis als te speculatief wordt gezien of omdat die toekomstige gebeurtenis wordt gezien als verantwoordelijkheid van de staat waar die gebeurtenis zich voltrekt. Met name bij juridische verplichtingen, zoals naleving van het specialiteitsbeginsel, is een dergelijk resultaatsvertrouwen waar te nemen. Bij retrospectief inspanningsvertrouwen is dat anders: hetgeen in het verleden ligt kan immers gewoon worden beoordeeld, zodat kan worden bekeken of het beoogde resultaat al dan niet is bereikt, maar ook daar is soms sprake van resultaatsvertrouwen. Dit is in het bijzonder het geval als erop wordt vertrouwd dat een juist resultaat in het verleden is bereikt, maar niet concreet valt te zeggen wat dat resultaat behoort te zijn. Bij overname van executie wordt, behoudens de hierna te bespreken mensenrechtelijke uitzondering, vertrouwd op de juistheid van de veroordeling. Het is echter niet zo dat de ‘juiste’ uitkomst objectief kan worden vastgesteld en kan worden vergeleken met de daadwerkelijke uitkomst. Deze vorm van resultaatsvertrouwen, die overigens ook bij prospectief vertrouwen kan werken,1 komt eigenlijk neer op een axioma. Juist omdat de uitkomst het resultaat is van een met voldoende waarborgen omklede procedure, is de aanname dat de uitkomst juist is. Dit verklaart ook waarom de enige, zeer minieme uitzondering in dergelijke gevallen de flagrante schending van artikel 6 EVRM is: als er geen sprake is geweest van een eerlijk proces, is die aanname onterecht. Bij resultaatsvertrouwen is het verschil tussen prospectieve dan wel retrospectieve toepassing als gevolg van de concrete toetsbaarheid van iets in het verleden tegenover de concrete ‘niet-toetsbaarheid’ van iets in de toekomst veel minder groot: in de meest zuivere vorm betekent resultaatsvertrouwen simpelweg dat men aanneemt dat het resultaat is (retrospectief) of wordt (prospectief) bereikt, terwijl bij inspanningsvertrouwen concreet en aan de hand van alle feiten en omstandigheden en beschikbare informatie wordt getoetst of het resultaat is bereikt (retrospectief) dan wel of er voldoende genoegzame garanties zijn dat het resultaat zal worden bereikt (prospectief).
Het in dit hoofdstuk gemaakte onderscheid is van belang voor de praktijk. Eigenlijk bij elke prestatie die samenhangt met een bepaalde vorm van rechtshulp, kan men zich afvragen wat men van (de autoriteiten van) de andere staat verwacht en mag verwachten. Is het een aspect waarvan zeker is dat de uitkomst juist is, dan kan resultaatsvertrouwen worden aangenomen: de verwachting of aanname dat de uitkomst is wat die behoort te zijn, bijvoorbeeld bij juridische garanties of wanneer eigenlijk niet objectief kan worden gezegd wat de juiste uitkomst is en daarom een bepaalde uitkomst wordt geacht juist te zijn. Dit laatste is het geval bij de overname van een veroordeling die na een eerlijk proces tot stand is gekomen: de vaststelling van schuld wordt geacht juist te zijn. In dergelijke gevallen kunnen de verdragsluiter en wetgever bijvoorbeeld afzien van de opname van een weigeringsgrond op dat punt. Voor de minister en de rechter is in een dergelijk geval in een concrete zaak duidelijk dat er geen ruimte is voor toetsing. In veel gevallen zal de verdediging op dat punt ook met lege handen staan, maar niettemin is het van belang dit onderscheid te onderkennen en te doorgronden welke de redenen zijn voor aanname van het resultaatsvertrouwen. In het voorbeeld van de juistheid van een veroordeling die wordt overgedragen, is de enige weg die de verdediging (op dat punt; voor de omzetting van de straf is dat anders) kan bewandelen om de eerlijkheid van de procedure in de staat van veroordeling in twijfel te trekken. Wordt aannemelijk dat de strafprocedure daar flagrant oneerlijk is geweest – en met overdrachtsverdragen met diverse landen die qua rechtsstatelijkheid niet zonder meer van onbesproken gedrag zijn, wordt die kans almaar groter – dan kan de aanname van een juist vonnis worden verlaten.
Wanneer sprake is van inspanningsvertrouwen, bestaat er wel beoordelingsruimte. Die kan het gevolg zijn van een specifieke keuze zijdens verdragsluiter of wetgever, doordat een expliciete voorwaarde of weigeringsgrond is opgenomen in een overigens dwingend geformuleerd verdrag, of van een zekere vrijblijvendheid van de samenwerking, omdat het verdrag zo is geformuleerd of omdat het om verdragloze samenwerking gaat. Voor de praktijkbeoefenaars is het in een dergelijk geval nuttig om de vraag te stellen welke inspanning precies wordt geacht te zijn verricht (retrospectief) of wordt verwacht, welke uitkomst wenselijk is en van welke factoren het afhankelijk is dat die uitkomst, gegeven de inspanning, ook werkelijk is of wordt bereikt. De verdediging kan op die manier verweren nauwkeuriger onderbouwen door precies te benoemen waarin risico’s schuilen, de minister kan via garanties of nadere inlichtingen die risico’s verkleinen en de rechter kan tot een afgewogen oordeel komen nadat hij al die factoren, risico’s, garanties en overige omstandigheden, onder ogen heeft gezien. Met name van belang is dan de vraag of de verleende garanties toereikend zijn om geconstateerde risico’s te ondervangen. En die vraag hangt sterk samen met de vraag naar verantwoordelijkheid: wie is verantwoordelijk voor het bereiken van de uitkomst, van wie zijn garanties afkomstig en beïnvloeden die garanties de verantwoordelijke instantie. In zekere zin maakt het hier gehanteerde onderscheid het mogelijk dat de praktijk zich concentreert op de factoren die werkelijk relevant zijn voor de uitkomst. Het eerder uitgebreid besproken voorbeeld van de Kesbir-zaak is illustratief: van de autoriteiten van een vreemde staat kan best de verwachting bestaan dat zij een verdachte juist behandelen, maar de vraag is of hun inspanning er ook toe leidt dat de verdachte juist wordt behandeld. Zij zijn immers niet degenen die feitelijk verantwoordelijk zijn voor die behandeling. Als bij die feitelijk verantwoordelijken sprake is van een zeker risico op een onjuiste behandeling, dan dienen garanties te worden verleend die dat specifieke risico verkleinen. Zijn die er niet, en blijft het bij algemene garanties, dan kan de te verwachten inspanning ontoereikend worden bevonden om tot de gewenste uitkomst te komen. In de Kesbir-zaak werd de uitlevering daarom verboden.