Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/4.2.2
4.2.2 Debat over certificaten en hun rechtskarakter
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS349211:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk F.J.P. van den Ingh, Certificering en certificaat van aandeel bij de besloten vennootschap (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 1991, p. 15, 16.
E.J.J. van der Heijden en W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap naar Nederlands recht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1976, nr. 197.
R. Polak, Wering van vreemden invloed uit nationale ondernemingen, diss., tweede druk 1918, J.H. de Bussy, Amsterdam, p. 66, 67, overigens zeer afkeurend: “…moet a fortiori een maatregel ontoelaatbaar worden genoemd, die den aandeelhouders het stemrecht geheel en al ontneemt. (…) Want het z.g. ‘inbrengen’ van de aandeelen in een afzonderlijke corporatie of trust die daarvoor aan de vroegere aandeelhouders certificaten uitreikt, is – men moge er overigens over oordelen hoe men wil – een verdraaiïng van de wettelijke bepalingen. (…) Want dat de z.g. ‘certificaathouders’ in werkelijkheid de aandeelhouders zijn en dan ook dezelfde belangen als deze vertegenwoordigen, betwijfelt niemand.” (p. 134, 135).
In de literatuur uit die tijd wordt steeds gesproken over de “eigendom” en “eigenaar” van aandelen. Hoewel die terminologie achterhaald is, zal ik er in de weergave en in verwijzingen af en toe gebruik van maken.
E.J.J. van der Heijden en W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap naar Nederlands recht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1976, nr. 197, R.P. Voogd, Statutaire beschermingsmiddelen bij beursvennootschappen, diss. 1989, p. 21, 22, F.J.M.A.H. Houben, Het certificaat, diss. 1942, p. 19 en W.C.L. van der Grinten en W.C. Treurniet, Certificering van onroerend goed, preadvies Broederschap der notarissen 1964, p. 86.
Rechtbank Amsterdam, 29 mei 1931, NJ 1932, p. 453 en Hof Amsterdam, 9 maart 1932, W 12449, p. 4-5 (1932).
E.J.J. van der Heijden, Handboek voor de naamlooze vennootschap naar Nederlandsch recht, derde druk, Zwolle: N.V. Uitgevers-Maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1936, nr. 197.
P.M. Booy, Trustee’s bij geldleeningen (diss.), Amsterdam: N.V. Drukkerij Jacob van Campen 1935, p. 155-160.
Deze en volgende citaten: W.C.L. van der Grinten De rechtspositie van den certificaathouder, De Naamlooze Vennootschap 17 nr. 9 (1938) p. 262-265 en nr. 10 (1939) p. 294-297.
Reagerend op artikelen van M.P. Gans, Enkele aantekeningen over de rechtspositie van de certificaathouder, De Naamlooze Vennootschap 35 nr. 10 (1958), p. 169-171, die eigendom van (bepaalde) certificaathouders bepleit en F.J. Brevet, Wie is eigenaar van het aandeel Administratiekantoor of certificaathouder?, De Naamlooze Vennootschap 35 nr. 11 (1958), p. 189, 190.
W.C.L. van der Grinten, naschrift bij F.J. Brevet, Wie is eigenaar van het aandeel Administratiekantoor of certificaathouder?, De Naamlooze Vennootschap 35 nr. 11 (1958) p.190.
F. Schoepp, De rechtspositie van den certificaathouder, de NV 17 nr. 11, p. 333, 334 (1939), J.T.J. Korndörfer, De rechtspositie van den certificaathouder, de NV 17 nr. 11, p. 334, 336 (1939), W.C.L. van der Grinten, Het certificaat van aandelen, de NV 18 nr. 1, p. 7-9 (1939) en F.E. Schmey, De rechtspositie van den certificaathouder, de NV 18 nr. 1, p. 9-13 (1939).
F.J.M.A.H. Houben, Het certificaat (diss.), 1942, geeft een overzicht van de verschillende schrijvers en hun opvattingen over wie de eigendom van de aandelen heeft – en meent zelf dat de certificaathouder eigenaar is.
E.J.J. van der Heijden en W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamlooze vennootschap naar Nederlandsch recht, vierde druk, Zwolle: N.V. Uitgevers-Maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1946, nr. 197.
G. van Hall, Het afscheiden en individualiseren van vermogensbestanddelen ten behoeve van bepaalde crediteuren of groepen van crediteuren, preadvies Broederschap Notarissen 1952, Correspondentieblad 1952, p. 155-157.
Jb. Zeijlemaker Jzn, Bewindvoerders, Trustees en Vertegenwoordigers, RM Themis 1949, p. 367- 371 en 415.
W.C.L. van der Grinten en W.C. Treurniet, Certificering van onroerend goed, preadvies Broederschap der notarissen 1964, p. 86, 87.
W.J. Slagter, Diesrede 8 november 1968 – Juridische en economische eigendom, in: Slagter over eigendom, 2003, p. 84.
E.A.A. Luijten, Certificering van aandelen in de besloten n.v., TVVS 1969 no. 4, p. 103.
Waarbij wordt opgemerkt dat certificaten, vooral de niet-royeerbare, “niet geheel onbedenkelijke stukken” zijn die het wettelijk regiem van de vennootschap frustreren, omdat door de certificaatconstructie de zeggenschap die de wet aan deelnemers in het kapitaal verleent aan een ander wordt toegekend, E.J.J. van der Heijden en W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap naar Nederlands recht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1976, nr. 197.
S.E. Eisma, in: C.AE. Uniken Venema en S.E. Eisma, Eigendom ten titel van beheer naar komend recht, Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1990, p. 55-59. In vergelijkbare zin maar minder uitdrukkelijk naar kenmerken onderscheiden E.J.J. van der Heijden en W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, nr. 197.
In gelijke zin Asser-Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/661 en E.J.J. van der Heijden en W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, nr. 197.
Zie S.E. Eisma, in: Verslag van de vergadering van de Vereeniging ‘Handelsrecht’ over Eigendom ten titel van beheer, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1991, p. 23, 24 naar aanleiding van een vraag van W. Westbroek, p. 11, 12.
S.E. Eisma, in: C.AE. Uniken Venema en S.E. Eisma, Eigendom ten titel van beheer naar komend recht, Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1990, p. 89, 90, 95, 96.
S.E. Eisma, in: C.AE. Uniken Venema en S.E. Eisma, Eigendom ten titel van beheer naar komend recht, Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1990, p. 91.
Vergelijk artikel 2:95 lid 3, 98 lid 9, 98a lid 2 en 5, 98b en 98c alsmede S.E. Eisma, in: C.AE. Uniken Venema en S.E. Eisma, Eigendom ten titel van beheer naar komend recht, Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1990, p. 92, 93.
F.J.P. van den Ingh, Certificering en certificaat van aandeel bij de besloten vennootschap (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 1991, p. 73-77, 171-173.
F.J.P. van den Ingh, Certificering en certificaat van aandeel bij de besloten vennootschap (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 1991, p. 28, 29, 83, 84.
E.J.J. van der Heijden en W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, nr. 197.
Volledigheidshalve zij verwezen naar het themanummer van Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur 2004/5 met bijdragen van D.F.M.M. Zaman – Certificering en modernisering van het ondernemings- en vennootschapsrecht, C.A. Schwarz – Certificering als beschermingsconstructie; bruikbaarheid in een veranderend tijdsgewricht, F.J.P. van den Ingh – Certificaathouder en enquêterecht, M.Brink – De gecertificeerde structuur-NV en – BV en B.T.M. Steins Bisschop – Actualiteiten corporate governance.
Frappant is dat Van der Grinten (De rechtspositie van den certificaathouder, De Naamlooze Vennootschap 17 nr. 9 (1938) p. 263) kritisch opmerkt over Van der Heijden: “Het begrip certificaat wil Van der Heijden langs indu[c]tieven weg vaststellen. Uitgaande van wat onder certificaten verstaan wordt, komt hij tot zijn definitie. Ik vraag mij echter af of zijn conclusie voldoende gefundeerd is. Van der Heijden beschouwt verschillende soorten van certificaten, die voorkomen en leidt daaruit het rechtskarakter van het certificaat af.” Van der Grinten doet, zij het met enkele argumenten aangevuld, min of meer hetzelfde. Ook hij knoopt aan bij de gebruikelijke gang van zaken in de praktijk. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het volgende: “Het administratiekantoor is in vele gevallen meer dan beheerder; het is meestal meer dan vertegenwoordiger; het heeft zelfstandige rechten t.a.v. de aandeelen. (…) Het kantoor is niet zelden eigenaar van de aandeelen.” (De rechtspositie van den certificaathouder, De Naamlooze Vennootschap 17 nr. 10 (1939) p. 294).
a. Geen wettelijke omschrijving
Hoewel de wet verschillende rechten toekent aan houders van certificaten, bevat de wet geen definitie of omschrijving van certificaten.1 In de praktijk is thans min of meer afgebakend wat onder certificaten wordt verstaan. In de literatuur heeft, in de decennia voorafgaand aan de toekenning van enkele wettelijke rechten in 1971, over het rechtskarakter van certificaten “veel verschil van gevoelen” bestaan, zoals Van der Grinten het uitdrukte.2 Certificering wordt toegepast sinds eind 18e, begin 19e eeuw. Het gebruik ervan groeide flink in de loop van de 19e eeuw en betrof doorgaans Amerikaanse (spoorweg)aandelen, met het oog op gemakkelijker verhandeling en dividendbetaling. Als Nederlands voorbeeld, overigens zonder datering, noemt Polak in 1918 de certificering van aandelen in de Geconsolideerde Hollandsche Petroleum Compagnie.3 Over het rechtskarakter ervan werd getwist, vooral over de vraag of de certificaathouder al of niet eigenaar4 van het in administratie gegeven aandeel bleef.5 Hoewel de vraag naar wie eigenaar van de aandelen is niet rechtstreeks relevant is voor het onderwerp van dit boek, geeft het betoog van verschillende schrijvers wel inzicht over wat men onder een certificaat van een aandeel kan verstaan. Zo’n inzicht geeft ook de literatuur nadien, wanneer uit de wettelijke regeling kan worden afgeleid dat het administratiekantoor eigenaar van de aandelen is. Wat opvalt, in zowel de oudere als meer recente literatuur, is dat hoewel certificering op grote schaal werd toegepast, het begrip ‘certificaat’ niet vastomlijnd is en bij de beantwoording van de vraag wat certificering is veel belang wordt gehecht aan de afspraken tussen partijen als vastgelegd in de administratievoorwaarden. Dat levert op het eerste gezicht geen erg vaste basis op om rechten aan te verbinden. Ik pak de draad op in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Eerst komt de schaarse jurisprudentie aan de orde, daarna het debat in de literatuur.
b. Jurisprudentie: Damaraland 1931/1932
In 1931 respectievelijk 1932 hebben de Rechtbank Amsterdam en het Hof Amsterdam uitspraken gedaan inzake Damaraland, een gefailleerd administratiekantoor, waarbij aan de orde was de vraag of de aandelen in het vermogen van het administratiekantoor of in dat van de certificaathouders vielen.6 In het laatste geval zouden de curatoren de aandelen moeten afgeven aan de certificaathouders. De Rechtbank knoopte aan bij de administratievoorwaarden en stelde vast dat het AK zich had verbonden de aandelen in administratie te nemen en de dividenden en andere uitkeringen te incasseren en uitbetalen, waarbij incasseren en bewaren voor rekening en risico van de certificaathouders werden uitgevoerd, terwijl de certificaten konden worden omgewisseld voor aandelen. Volgens de Rechtbank volgde daaruit dat de certificaathouders eigenaar waren gebleven. Het stemrecht dat het AK uitoefende maakte dat niet anders omdat dit zou voortvloeien uit een volmacht. In het hoger beroep van de curatoren knoopte ook het Hof aan bij de administratievoorwaarden. De verschillende bepalingen waar curatoren van het AK zich op beriepen ten blijke van de eigendom van het AK werden door het Hof anders uitgelegd. De stembevoegdheid van het AK behoefde niet voort te vloeien uit eigendom. De bepaling dat de certificaathouder zijn certificaat niet voor bepaalde aandelen kan inwisselen maar voor een “overeenkomstig” bedrag aan aandelen duidde eerder op een gemeenschap dan op eigendom van het AK. Opvallend is dat Rechtbank en Hof dus niet aansloten bij een normaaltype van certificaat, maar de overeenkomst tussen AK en certificaathouder tot uitgangspunt nemen. Kennelijk maakte de naam niet uit en konden verschillende overeenkomsten leiden tot een recht dat met de term certificaat wordt aangeduid. Een bewijsaanbod van de curatoren “betreffende praktijken in zwang bij administratiekantoren” werd als niet van belang zijnde gepasseerd. Één rechtsoverweging, in feite ten overvloede gegeven, stijgt boven de litigieuze overeenkomst uit: “dat tegen die stelling [dat het AK eigenaar is] overigens nog valt aan te voeren, dat dan aan de overeenkomst tusschen Damaraland en den inleveraar van aandeelen een strekking zou worden toegekend, die verre zou uitreiken buiten het begrip in administratie geven, welk begrip immers naar zijn aard een tegenstelling oplevert met het begrip in eigendom overdragen”. Met die overweging lijkt het Hof enige aansluiting te zoeken wat in de praktijk onder administratie en certificering wordt verstaan. Doorslaggevend was het niet, ook gelet op het voorbijgaan aan het bewijsaanbod. Over de betekenis van deze uitspraken verschillen de meningen.
c. Literatuur: Van der Heijden
Van der Heijden acht de certificaathouder eigenaar van het aandeel. Hij bespreekt verschillende soorten certificaten en schrijft bij certificaten van aandelen:7
“Ook in deze gevallen moet worden aangenomen dat het recht, waarover het certificaat wordt uitgegeven, een recht is dat aan den certificaathouder als eigenaar toekomt. De uitgever treedt alleen op als beheerder van dit recht.”
Hij vervolgt, mede op basis van de uitspraken uit 1931 en 1932:
“Certificaten zijn bewijzen van recht op of aandeel in die rechten, waarover zij worden uitgegeven. Zij vertegenwoordigen het aan certificaat onderworpen, gecertificeerde, oorspronkelijke recht. Niet in de eerste plaats op den persoon van zijn uitgever, doch op het recht, waarvan deze houder is, geeft het certificaat aanspraak. Jegens de n.v., over welker aandeelen of obligaties certificaten zijn uitgegeven, geldt het administratiekantoor als aandeelhouder of schuldeischer. Het kan de daaraan verbonden rechten uitoefenen. Maar de eigendom van dezen trustee is slechts fiduciair. De opbrengst moet hij verantwoorden aan de certificaathouders. De gecertificeerde aandeelen of obligaties vallen buiten zijn faillissement, daar zij in werkelijkheid aan de certificaathouders toebehooren.”
De opmerking dat het AK fiduciair eigenaar is, lijkt overigens niet goed verenigbaar met het standpunt dat de certificaathouder eigenaar is.
d. Literatuur: Booy
Booy wijst erop dat een certificaat geen recht geeft op bepaalde aandelen, maar op een bedrag aan aandelen of een aantal aandelen. Dat is onvoldoende om eigendom aan te nemen; het gaat niet om bewaarneming, “Indien iemand een origineel effect in administratie geeft, gaat zijn eigendomsrecht teniet en daarvoor in de plaats krijgt hij een persoonlijk recht tegenover het administratiekantoor.” Booy acht het argument van de Rechtbank in de Damaraland-zaak dat het AK voor rekening en risico van de certificaathouders optreedt onvoldoende om eigendom van de certificaathouder aan te nemen. De redenering van het Hof dat sprake zou zijn van een gemeenschap acht Booy niet in overeenstemming met de administratievoorwaarden die steeds bepalen dat de aandelen op naam van het AK staan en dat het AK de administratie voert, dat wil zeggen de eigendomsrechten uitoefent ten bate van de certificaathouders. Booy acht het AK fiduciair eigenaar van het aandeel, hetgeen hij duidt als een contractuele verplichting de belangen van de certificaathouder te behartigen, terwijl die certificaathouder slechts een persoonlijke vordering heeft.8
e. Literatuur: Van der Grinten
Van der Grinten mengde zich in 1938 in het debat over “de rechtspositie van den certificaathouder”, in het bijzonder over de vraag of het administratiekantoor dan wel de certificaathouder eigenaar is van het onderliggende aandeel. Van der Grinten relativeerde het belang van bovengenoemde uitspraken. Hij vond het oordeel van het Hof onduidelijk en “meer billijk dan juridisch sterk.” Hij concludeerde dat op basis van de rechtspraak geen conclusie te trekken valt over de rechtspositie van de certificaathouder. Van der Grinten betoogde dat het administratiekantoor eigenaar is en geeft daarbij de volgende omschrijving van (het uitgeven van) certificaten:9
“Thans de vraag wat er gebeurt bij uitgifte van certificaten. Laten wij het eenvoudigste geval nemen. Het kantoor heeft den eigendom verworven van verschillende aandeelen in een vennootschap. Het geeft nu papieren uit, genaamd certificaten van aandeel, waarin het zich verbindt dividend en claims op het aandeel t.b.v. den certificaathouder te incasseeren en waarin gewoonlijk den certificaathouder een al dan niet beperkt recht wordt gegeven om zijn certificaat tegen een aandeel om te wisselen. Daarenboven, en dit lijkt mij het belangrijkste, garandeert het certificaat, dat het administratie-kantoor houder van een overeenkomstig aandeel is. Het certificaat is meer dan een eenvoudige schuldbekentenis. Het kantoor verbindt zich niet alleen een bedrag gelijk aan het dividend van een bepaald aandeel te betalen en eventueel desgewenscht, het certificaat tegen een aandeel om te ruilen. Het certificaat waarborgt ook, dat er een aandeel is. Letterlijk het certificaat certe facit, geeft zekerheid dat tegenover het uitgegeven certificaat een aandeel onder den uitgever berust. Is in de uitgifte van certificaten eigendomsoverdracht te zien? Ik zou deze vraag ontkennend willen beantwoorden. Om het sterkste geval te nemen, het administratie-kantoor is eigenaar van aandeelen op naam. Voor eigendomsoverdracht is levering noodig. Voor levering is vereischt erkenning van de overdracht door de vennootschap of beteekening van de akte van overdracht. Hiervan is echter geen sprake. (…) Bij aandeelen aan toonder is de positie geen andere. Ook hier vindt geen levering plaats. Het zou niet logisch zijn om aan te nemen dat het administratie-kantoor wel de aandeelen aan toonder zou leveren, doch niet die op naam, terwijl het certificaat precies hetzelfde is. (…) Ik zou nog verder willen gaan. Voor overdracht van eigendom is in ieder geval noodig, dat de wil van betrokken partijen op deze overdracht gericht is. Zulk een wil is echter bij het uitgeven en aannemen van certificaten niet aanwezig. De certificaathouder wil zekerheid, dat er een aandeel is en dat hij het profijt van dit aandeel zal genieten, het kantoor wil hem deze zekerheid en het profijt geven. Verder gaat m.i. de wil van geen van beide partijen.”
Van der Grinten knoopte hier dus aan bij uitleg van de voorwaarden – de overeenkomst – en de partijbedoeling. Hij zag ook een probleem bij de levering door het administratiekantoor aan de certificaathouder:
“Hoe kan daarenboven een eigendomsoverdracht geschieden zonder dat het gaat om een geindividualiseerd aandeel? De certificaathouder kan op geen enkel bepaald aandeel recht doen gelden.”
Hij kwam tot de volgende conclusie:
“Dit alles voert tot de conclusie, dat het onaannemelijk is om in het hier besproken geval een eigendomsrecht van certificaathouders te aanvaarden. (…) Hierin ligt tevens de conclusie opgesloten, dat certificaathouders niet meer dan een persoonlijk recht tegen het kantoor hebben. (…) Niettemin geeft een certificaat meer dan persoonlijke zekerheid. Het vertegenwoordigt niet alleen een gewone schuldplichtigheid, doch tevens de zekerheid dat de waarde, waartegenover het certificaat is uitgegeven, gehouden wordt door den uitgever. Hieraan dankt het certificaat zijn beteekenis, daarom is de naam certificaat gerechtvaardigd. (…) Bij onze beschouwing hebben wij als uitgangspunt genomen, dat het administratiekantoor certificaten uitgeeft van hem in eigendom toebehorende aandeelen. (…) Hiermede is vanzelfsprekend geenszins gezegd , dat een certificaat nimmer den eigendom van een aandeel representeert. Men kan zich denken, dat een aandeelhouder zijn aandeel ter hand stelt aan een kantoor en daarvoor een certificaat ontvangt, zonder dat hij zijn eigendomsrecht aan het kantoor overdraagt en zonder dat dus het kantoor eigendom verkrijgt. De akten betreffende de uitgifte van certificaten wijzen niet zelden in deze richting. Het kantoor verklaart zich daarin bereid aandeelen in administratie te nemen en daartegenover certificaten uit te geven. Over eigendomsoverdracht door den aandeelhouder, die zich aanmeldt, wordt in het geheel niet gesproken. Niettemin zal m.i. in zulke gevallen moeten worden aangenomen, dat het eigendom van het aandeel door het kantoor wordt overgenomen. De certificaathouder kan nooit het bepaalde aandeel, dat hij in administratie heeft gegeven, terugvorderen. Het kantoor gedraagt zich geheel als eigenaar van de aandeelen; aandeelen op naam staan op zijn naam, aandeelhoudersrechten oefent het niet uit als gemachtigde, doch als rechthebbende. (…) Met Booy zou ik derhalve onder administratie mede willen begrijpen het uitoefenen van het eigendomsrecht. (…) De bedoeling van de betrokken partijen is er op gericht, dat het administratie-kan-toor de eigendomsrechten heeft en deze uitoefent ten bate van dengene, die ‘in administratie’ geeft. Het doel, dat partijen bij een dergelijke overeenkomst beoogen, is inderdaad overdracht van eigendom. Onze omschrijving van de rechten van den certificaathouder geldt dus, bijzondere regelingen daargelaten, voor alle certificaten, uitgegeven door administratie-kantoren. Bij deze certificaten heeft de houder slechts een persoonlijk recht tegen het kantoor, doch een persoonlijk recht met een bijzondere zekerheid. De eigendom der aandeelen berust echter bij het kantoor. (…) Den certificaathouder zij een economisch eigendom van aandeelen toegewezen, juridisch kan dit echter niet als eigendom erkend worden.”
Van der Grinten knoopte dus met name aan bij de vaak impliciete partijbedoeling. Certificering is een overeenkomst waarmee partijen beogen dat de certificaathouder een vorderingsrecht heeft ten aanzien van het profijt van een aandeel, welk aandeel door het administratiekantoor wordt gehouden. Zij beogen doorgaans niet dat de certificaathouder eigenaar is, al is een overeenkomst met de strekking dat de certificaathouder wel eigenaar is, in de ogen van Van der Grinten niet uitgesloten. In 1958 verdedigde Van der Grinten dit standpunt weer10 en voegde eraan toe:11
“Er bestaat geen juridische band tussen n.v. en certificaathouder, doch uitsluitend een rechtsband tussen n.v. en administratie-kantoor.”
Wat opvalt, is dat (ook) Van der Grinten bij de beschrijving van het karakter van een certificaat, sterk aanhaakt bij de contractuele omschrijving daarvan in de betreffende administratievoorwaarden als overeenkomst tussen administratiekantoor en certificaathouder. Ongeacht eventuele contractuele bijzonderheden en afwijkingen van bovenstaand stramien – zelfs in het geval dat de certificaathouder blijkens de voorwaarden wel eigendom heeft – blijft het toch om een figuur gaan die met certificering wordt aangeduid.
Naar aanleiding van het artikel van Van der Grinten ontstond een korte polemiek in de Naamlooze Vennootschap.12 Van der Grinten lijkt op dat moment een minderheidsstandpunt te hebben verkondigd.13 Hij nam dat standpunt op in de door hem bewerkte volgende druk van het Handboek:14
“In afwijking van den vorigen druk zouden wij het eigendomsrecht van den certificaathouder willen verwerpen en willen aanvaarden, dat alleen het administratiekantoor eigenaar is. De tegenwerping, dat bij het in administratie geven van aandeelen niet gesproken wordt van eigendomsoverdracht, kan geen doel treffen, waar immers algemeen aangenomen wordt, dat deze “administratie” de positie van gerechtigde tegenover n.v. en debiteur insluit en voorts bij stukken op naam steeds tenaamstelling van het administratiekantoor plaats vindt. Het in administratie geven sluit eigendomsoverdracht in. De eigendom van het kantoor is fiduciair. Het kantoor is trustee. Het optreden als trustee is een rechtsgeldige titel voor eigendomsverkrijging.”
f. Literatuur: Van Hall
Geruime tijd later gaf Van Hall in zijn preadvies van 1952 een weerwoord dat voor dit onderzoek interessant is. Van Hall nam een aan dat van Van der Grinten tegenovergesteld standpunt in, ook weer aan de hand van uitleg van de overeenkomst tussen betrokken partijen:15
“Wat moet nu onze conclusie zijn ten aanzien van de eigendom der originele aandelen? Is het Administratiekantoor eigenaar, of is het de certificaathouder? (…) Van der Grinten besprak deze kwestie uitvoerig in een artikel in de Naamlooze Vennootschap. Jammer genoeg gaat van der Grinten bij zijn bespreking van een geheel onjuiste praemisse uit, waardoor zijn betoog m.i. een deel van zijn waarde verliest. Hij verkeert namelijk in de mening, dat een administratiekantoor originele waarden in eigendom verkrijgt, hiertegen vervolgens certificaten creëert en deze dan aan de man brengt. (…) Deze constructie nu gaat in de praktijk in het geheel niet op. Het administratiekantoor immers nodigt de eigenaren van originele waarden uit deze bij hem ‘in administratie’ te geven en als bewijs dat het deze ‘in administratie’ heeft genomen, geeft het certificaten uit. Men kan dus eerder de vraag stellen: indien men zijn eigendom in administratie geeft en men ontvangt daarvoor een reçu (het certificaat) waarop men t.z.t. zijn eigendom terug kan krijgen, verliest men dan zijn eigendom? Mijn antwoord hierop zou uit de aard der zaak ontkennend zijn. (…) Ondanks het feit dat vrijwel alle schrijvers het standpunt van de geachte schrijver delen, geloof ik, met Rechtbank en Hof te Amsterdam [inzake Damaraland, GPO], dat er ernstige argumenten zijn die voor het tegendeel pleiten. Allereerst de bedoeling van partijen. Het is duidelijk dat het de bedoeling van partijen is, dat het administratiekantoor niet de eigenaar der certificaten [bedoeld zal zijn aandelen, GPO] wordt. Immers de eigenaar geeft de aandelen ‘in administratie’ aan het administratiekantoor, dat zich verbindt ze op zodanige wijze te bewaren dat het er zelf de beschikking niet over heeft. Het verbindt zich voorts de dividenden voor rekening en risico der certificaathouders te innen en mochten de aandeelbewijzen b.v. wegens reorganisatie elders gedeponeerd moeten worden, geschiedt ook dit voor rekening en risico van de certificaathouders. Dit alles valt toch moeilijk te rijmen met een eigendomsrecht van het Administratiekantoor.”
Ook Van Hall knoopte dus aan bij de overeenkomst tussen partijen, meende op grond daarvan dat de certificaathouder eigenaar van het aandeel blijft maar betoogde niet dat de ene of andere uitkomst zou maken dat niet langer sprake is van een certificaat.
g. Literatuur: Zeijlemaker
Zeijlemaker beschreef in 1949 het uitgeven van certificaten van aandelen door een administratiekantoor als een vorm van bewindvoering, dat wil zeggen bewindvoering “opgevat als zelfstandige uitoefening van een recht of een bevoegdheid behorende tot het vermogen van een ander, uitsluitend ten behoeve van die ander”. Zeijlemaker beschreef de verschillende opvattingen ten aanzien van de kwestie wie nu eigenaar is van de onderliggende aandelen, het administratiekantoor of de certificaathouder. Hij meende dat beide constructies mogelijk zijn, dat het antwoord afhangt van de bewoordingen van de voorwaarden waaronder certificaten worden uitgegeven maar dat bij onduidelijkheid daarin het wenselijk is aan te nemen dat het administratiekantoor eigenaar is. De verplichtingen van het administratiekantoor ten aanzien van de aandelen en opbrengsten, hangen af van wat administratiekantoor en certificaathouders ter zake zijn overeengekomen.16
h. Literatuur: Ontwerp Nieuw BW, Treurniet, Slagter, Luijten en Van der Grinten
In het ontwerp nieuw BW (het latere artikel 3:259 BW) werd het pleit beslecht. Treurniet gaf in 1964 een ruime omschrijving van het begrip certificaat waarbij hij de eerdere discussie kort noemde:17
“Op de vraag, of de eigendom der gecertificeerde aandelen toekomt aan het administratiekantoor of aan de certificaathouders, ga ik niet in. De heersende mening is wel dat het administratiekantoor eigenaar is. Het ontwerp nieuw B.W. sluit zich hierbij aan. (…) Bij certificering denkt men dus aan effecten, speciaal aan aandelen. Men kan echter het begrip ruimer nemen door er onder te brengen ieder geval, waarin een situatie wordt geschapen dat een vermogensbestanddeel juridisch toebehoort aan de een, echter economisch aan de ander, ten bewijze waarvan aan laatstgenoemde bewijzen, hetzij aan toonder, hetzij op naam zijn uitgereikt, waarmede gelijk te stellen de inschrijving in een register, aangehouden door de juridisch gerechtigde.”
Slagter meende in 1968 dat nog slechts weinigen betwisten dat het administratiekantoor “eigenaar” is van de aandelen terwijl de certificaathouders geen rechtstreekse band hebben met de n.v. Hij acht dan ook terecht dat in het ontwerp nieuw BW de eigendom van de gecertificeerde aandelen aan het administratiekantoor is toegekend.18 Luijten schreef in 1969:19
“(…) de heersende leer omtrent het rechtskarakter van bovengenoemde constructies: de rechtsverhouding administratiekantoor certificaathouder is een fiduciaire. De term ‘in administratie geven’ beduidt, dat de aandelen in fiduciaire eigendom worden overgedragen aan het administratiekantoor. Het beneficiaire recht van de certificaathouder, waarvan het certificaat op naam het bewijsstuk en het certificaat aan order of toonder de belichaming vormt, is een zuiver obligatoir recht, waarvan de inhoud en omvang worden bepaald door de administratievoorwaarden, waaronder het certificaat werd uitgegeven.”
Na het toekennen van rechten aan certificaathouders in de wet gaf Van der Grinten in het Handboek, uitgave 1976, een korte terugblik op de discussie. Het Handboek bevatte toen overigens geen definitie van het certificaat, al werden verschillende kenmerken genoemd, zoals de uit contractuele verhouding voortvloeiende aanspraak van de certificaathouder op betaling van een bedrag gelijk aan het dividend, terwijl het AK aandeelhouder is en de aandeelhoudersrechten tegenover de vennootschap uitoefent.20
i. Nieuwe aandacht
In de vroege jaren negentig van de twintigste eeuw verschenen twee uitvoerige beschouwingen over (kenmerken van) certificaten van aandelen; het preadvies van Eisma (en Uniken Venema) van 1990 en de dissertatie van Van den Ingh van 1991.
j. Literatuur: Eisma
Eisma21 onderscheidt vier, niet al te absoluut op te vatten, hoofdkenmerken, te weten dat (i) de uitgever van het certificaat zelf gerechtigde tot het aandeel is; (ii) de certificaathouder jegens de uitgever van het certificaat recht heeft op betaling van een bedrag gelijk aan de opbrengst van de aandelen; (iii) de aanspraak van de certificaathouder zijn grondslag vindt in een overeenkomst met de uitgever van de certificaten (en niet in bijvoorbeeld een lidmaatschapsverhouding); en (iv) “tegenover” de certificaten aandelen staan, in de zin dat een niet te ver verwijderd verband bestaat tussen de aandelen en de certificaten. Niet beslissend acht Eisma of sprake is van een serie gelijksoortige stukken of van slechts één certificaat.
Ten aanzien van (ii) tekent Eisma aan dat in beginsel alleen sprake is van certificaten indien de certificaathouder aanspraak kan maken op een bedrag gelijk aan alle opbrengsten van het aandeel (Eisma onderscheidt enerzijds vruchten (waaronder dividend) en anderzijds kapitaaluitkeringen). Als slechts op (een bedrag gelijk aan) een deel daarvan aanspraak bestaat, hangt het antwoord op de vraag of sprake is van een certificaat volgens Eisma af van de inhoud en strekking van de wettelijke bepaling voor de toepassing waarvan kwalificatie als certificaat nodig is. Bij de vraag of een certificaathouder toegang heeft tot de aandeelhoudersvergadering meent Eisma dat slechts de houder van certificaten die op (een bedrag gelijk aan) de volledige opbrengst van het aandeel recht heeft, toegang tot de vergadering heeft. Hij wijst erop dat ook vruchtgebruikers niet steeds toegang tot de vergadering hebben. Bij de regels omtrent kapitaalbescherming moeten ook certificaten met beperkter rechten als certificaten worden aangemerkt.
Ten aanzien van (iv) meent Eisma dat certificaten in zekere zin vereenzelvigd moeten kunnen worden met de aandelen.22 Geen certificaten (in de zin van Boek 2 BW) zijn volgens Eisma bijvoorbeeld certificaten die betrekking hebben op verschillende soorten aandelen in verschillende vennootschappen, hoewel hij meent dat een certificaat dat staat tegenover aandelen in twee verschillende vennootschappen “waarschijnlijk wel” als certificaat moet worden aangemerkt.23 Het gaat hem kennelijk om een soort mandjes met zeer gevarieerde samenstelling, al gebruikt Eisma het woord ‘mandje’ niet. In het algemeen bepleit hij dat bij twijfel moet worden gekeken naar de inhoud en strekking van de wettelijke bepaling voor de toepassing waarvan moet worden vastgesteld of sprake is van een certificaat.
Eisma gaat ook in op het gevolg van het verlenen van medewerking door de vennootschap aan de uitgifte van certificaten. Zoals uiteengezet in paragraaf 2.2.1 is voor de omvang van de rechten die de wet aan de certificaathouder toekent, bepalend of de vennootschap medewerking heeft verleend aan de uitgifte van certificaten dan wel, bij de besloten vennootschap, of de certificaathouders in de statuten vergaderrechten zijn toegekend. Door die medewerking of toekenning ontstaat een rechtstreekse band tussen de vennootschap en de certificaathouder. Is sprake van, kort gezegd, bewilligde certificaten, dan kent de wet aan certificaathouders dwingendrechtelijk alle of nagenoeg alle rechten en bevoegdheden jegens de vennootschap toe die de wet ook aan aandeelhouders toekent (met uitzondering uiteraard van stemrecht en recht op dividend). Is dat niet het geval, dan hebben zij slechts het enquêterecht en het recht op gelijke behandeling. Tegenover de toekenning van rechten aan de houder van, kort gezegd, bewilligde certificaten, staat dat de wet ook enkele verplichtingen oplegt, zoals die van artikel 2:8 BW, die kunnen worden gerechtvaardigd door het bestaan van een rechtsband die de certificaathouder ook rechten oplevert. Dergelijke verplichtingen gelden niet voor de houder van niet-bewilligde certificaten. Voor hem gelden slechts enkele verplichtingen onder de geschillenregeling (artikel 2:341 lid 6 en 343a lid 6 BW) en voorts de algemene normen zoals met betrekking tot onrechtmatig handelen.24 Eisma acht overigens denkbaar dat de houder van niet-bewilligde certificaten onder omstandigheden nog enkele bevoegdheden heeft. Hij meent dat de medewerking aan de uitgifte van certificaten niet onder alle omstandigheden beslissend is voor de vraag of de certificaathouder kwalificeert als belanghebbende in de zin van artikel 2:11 BW (oud – vergelijkbaar met het huidige artikel 2:15 lid 3 BW) of in de zin van artikel 999 Rv (oud, vergelijkbaar met het huidige artikel 2:448 BW).25 Wat betreft de regels van kapitaalbescherming (bij de naamloze vennootschap) worden certificaten van aandelen op één lijn gesteld met aandelen, of het nu gaat om bewilligde certificaten of niet.26
k. Literatuur: Van den Ingh
Van den Ingh geeft eveneens een omschrijving van (kenmerken van) certificaten – weliswaar alleen voor de besloten vennootschap maar niet valt in te zien waarom deze niet ook voor de naamloze vennootschap van belang is. Hij noemt als kenmerk dat het certificaat een rechtsband belichaamt tussen de certificaathouder en het AK als uitgever van certificaten. Een certificaat moet primair als een vorderingsrecht worden beschouwd dat al of niet in papier is belichaamd. Mede via dat vorderingsrecht heeft de certificaathouder het gehele of gedeeltelijke economische belang bij het onderliggende aandeel. De rechtsband tussen certificaathouder en aandeelhouder is primair contractueel maar kan ook institutionele trekken vertonen, terwijl tussen certificaathouder en vennootschap – indien sprake is van medewerking aan de uitgifte – ook een institutionele rechtsbetrekking bestaat, aldus Van den Ingh. (Dat laatste behoort echter niet tot de omschrijving van wat een certificaat is, maar tot de gevolgen die de wet aan (het houden van) een certificaat verbindt.) Van den Ingh vervolgt dat het certificaat een afgeleide is van een aandeel omdat het voor zijn voortbestaan en waarde afhankelijk is van het onderliggende aandeel. Het certificaat verschaft het economische belang bij het aandeel in de zin dat het recht geeft op in beginsel alle uitkeringen op het aandeel. Van den Ingh meent ook dat er een zeker verband moet bestaan tussen aandeel en certificaat maar pleit ervoor aan dat verband niet al te hoge eisen te stellen. Wat betreft de toepassing van wettelijke bepalingen op certificaten onderscheidt hij bepalingen ten aanzien van, kort gezegd, bewilligde certificaten en overige bepalingen. Ten aanzien van de laatste (bijvoorbeeld inzake kapitaalbescherming) bepleit hij ruime uitleg van het certificaatbegrip om recht te doen aan de strekking van die bepalingen. Ten aanzien van de eerste bepleit hij eveneens ruime uitleg, omdat de bepalingen zelf geen onderscheid maken tussen typen certificaten en de bepalingen slechts rechten verlenen bij medewerking van de vennootschap, zodat als het ontstaan van die rechten voor de vennootschap bezwaarlijk is, zij dit zelf kan verhinderen, waardoor voor beperkte uitleg geen reden is. Van den Ingh schrijft daarom minder hoge eisen aan het verband tussen aandeel en certificaat te willen stellen dan Eisma.27
Van den Ingh is ruimhartiger dan Eisma wat betreft de mogelijkheid dat één certificaat tegenover aandelen in verschillende vennootschappen staat. Hij wijst op de mogelijkheid van een verzamelcertificaat, een combinatiecertificaat en een deelcertificaat, dat betrekking heeft op meer aandelen in één vennootschap, “aandelen die door twee of meer vennootschappen zijn uitgegeven” respectievelijk een gedeelte van een aandeel.28 Van den Ingh acht een certificaat dat betrekking heeft op een mandje aandelen kennelijk wel mogelijk.
l. Literatuur: afronding
Het Handboek van 1992 benoemde verschillende kenmerken specifieker maar niet erg dwingend:29
“Certificering van aandelen pleegt in deze vorm plaats te vinden, dat de eigenaar van een pakket aandelen de aandelen niet voor eigen rekening houdt, doch zich verbindt de aandelen voor rekening van de houders van door hem uitgegeven certificaten te houden. Er moet een duidelijk verband zijn tussen aandelen en certificaten. Dit verband is het meest sprekend, indien de eigenaar van de aandelen voor elk door hem gehouden aandeel een certificaat uitgeeft. Het certificaat is een schuldplichtigheid van de eigenaar van het aandeel. Deze schuldplichtigheid houdt in, dat de eigenaar van het aandeel het aandeel houdt voor rekening van de certificaathouder; uitkeringen op het gecertificeerde aandeel komen ten goede van de houder van het certificaat.”
Voorts werd benoemd dat tussen aandeelhouder (AK) en certificaathouder een contractuele relatie bestaat en werden certificaten omschreven als “vorderingsrechten tegenover het administratiekantoor” dat betrekking heeft op een aandeel van een bepaalde soort.
De nadien verschenen literatuur geeft geen belangrijke andere gezichtspunten over de eigenschappen of het karakter van certificaten.30
Wat in de beschouwingen van verschillende auteurs opvalt is dat zij uitgaan van de partijbedoeling als weergegeven in administratievoorwaarden. Op basis van naar hun zeggen – van empirisch onderzoek blijkt niet of nauwelijks – doorgaans gehanteerde bepalingen in administratievoorwaarden trekken zij conclusies over wat certificering in zijn algemeenheid behelst. De partijbedoeling in waargenomen gevallen wordt als het ware geëxtrapoleerd31 naar een tot op zekere hoogte normatief certificaatbegrip, zij het dat enige ruimte wordt gelaten voor afwijkende regelingen die mogelijk toch als certificering kunnen kwalificeren. Dat heeft ertoe geleid dat niet alleen de wetgever niet tot een eenduidige omschrijving van het begrip certificaat is gekomen, maar dat ook in de literatuur geen scherp afgebakende omschrijving is gevonden. Een hoofdlijn valt echter wel vast te stellen.
In de hiervoor besproken en geciteerde literatuur nemen de verschillende schrijvers vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw grosso modo het volgende tot uitgangspunt. Certificaten vloeien voort uit een (i) contractuele rechtsbetrekking tussen aandeelhouder (administratiekantoor) en certificaathouder, welke rechtsbetrekking inhoudt dat (ii) de aandeelhouder (een of meer) aandelen houdt en (iii) de certificaathouder een vorderingsrecht heeft jegens de aandeelhouder, (iv) voor een bedrag gelijk aan het geheel of een overeengekomen gedeelte van de uitkeringen op aandelen, terwijl (v) het risico van waardefluctuaties voor rekening en risico van de certificaathouder komt, waarbij (vi) een voldoende nauw verband moet bestaan tussen het vorderingsrecht en de door de aandeelhouder gehouden aandelen.