Arrest hof Den Bosch van 25 oktober 2011, rov. 4.1.1 sub (a) en (b).
HR, 12-07-2013, nr. 12/00226
ECLI:NL:HR:2013:BZ9959, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-07-2013
- Zaaknummer
12/00226
- Roepnaam
Van Egmond/Rosendahl
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BZ9959, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 12‑07‑2013; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2011:BU2159, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ9959, Contrair
ECLI:NL:PHR:2013:BZ9959, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 26‑04‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ9959, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑12‑2011
- Wetingang
art. 3 Burgerlijk Wetboek Boek 7
- Vindplaatsen
NJ 2014/273 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
JOR 2013/295 met annotatie van prof. mr. S.E. Bartels
JBPr 2013/53 met annotatie van mr. A. Steneker
JIN 2013/141 met annotatie van P.C.M. Kemp
JBPr 2013/53 met annotatie van mr. A. Steneker
JOR 2013/295 met annotatie van prof. mr. S.E. Bartels
Uitspraak 12‑07‑2013
Inhoudsindicatie
Vormerkung. Art. 7:3 lid 3 BW bevat limitatieve opsomming rechtsfeiten die niet tegen koper kunnen worden ingeroepen. Daaronder valt niet derdenbeslag onder de koper op de koopsom, ook al staat dat beslag aan daadwerkelijke nakoming koopovereenkomst in de weg. Belang bij hoger beroep. Proceskostenveroordeling.
Partij(en)
12 juli 2013
Eerste Kamer
12/00226
EE/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaten: mr. D. Rijpma en
mr. A. van Staden ten Brink,
t e g e n
1. [verweerder 1],wonende te [woonplaats],
2. [verweerster 2],wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerders]
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
het vonnis in de zaak 190782/KG ZA 08-319 van de rechtbank Breda van 3 juli 2008;
het arrest in de zaak HD 200.076.710 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 25 oktober 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerders] toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 8 mei 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
( i) [verweerders] hebben op 16 januari 2008 van het echtpaar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 1 en 2]) de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: de woning) gekocht voor een koopsom van € 611.000,--.De koopovereenkomst is op 23 januari 2008 overeenkomstig het bepaalde in art. 7:3 BW ingeschreven in het kadaster (hierna: de Vormerkung).
(ii) Ten tijde van de koop en de Vormerkung rustte op de woning een hypotheek van € 500.000,-- ten gunste van Nationale Nederlanden. Op de onverdeelde helft van [betrokkene 1] in de eigendom van de woning rustten een conservatoir beslag tot verhaal van ABN AMRO Bank voor een bedrag van € 72.000,-- en een executoriaal verhaalsbeslag van [A] Advocaten en Belastingadviseurs voor een bedrag van € 3.000,-- (hierna ook: de pre-Vormerkungsbeslagen).
(iii) Na de Vormerkung heeft [eiser] op 22 februari 2008 een conservatoir verhaalsbeslag op de woning doen leggen voor een vordering van ongeveer € 53.000,--. Voorts is op 21 mei 2008 nog een conservatoir verhaalsbeslag gelegd op verzoek van [betrokkene 3] voor een bedrag van ongeveer € 65.000,--.
(iv) [eiser] heeft bij verzoekschrift van 15 februari 2008 aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir derdenbeslag voor een op € 59.000,-- te begroten vordering ten laste van [betrokkene 1 en 2] (verkopers van de woning) onder [verweerders] (kopers van de woning).Bij beschikking van 18 februari 2008 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof verleend onder de voorwaarden dat:
“- het beslag beperkt is tot het bedrag dat volgens de met de levering van de onroerende zaak belaste notaris niet is bestemd voor aflossing van de op het moment van de beslaglegging op de onroerende zaak rustende hypotheken;
- het verlof alleen geldt indien in het proces-verbaal van beslaglegging wordt opgenomen dat het beslag niet de storting van de koopsom onder de notaris blokkeert, indien de notaris, mede namens de kopers, voorafgaande aan de storting aan de beslaglegger schriftelijk laat weten:
i. dat de notaris het aan gerekestreerden toekomende gedeelte van de koopsom dat hij niet gebruikt voor aflossing van de hypotheek namens de kopers ten behoeve van [eiser] in depot houdt zolang het beslag loopt, alsmede
ii. dat de kopers de notaris machtigen en instrueren om namens hen aan [eiser] op te geven wat hij na afwikkeling van het transport in depot heeft.”
( v) De hiervoor onder (iv) vermelde tekst van de voorwaarden is niet opgenomen in het proces-verbaal van het op 25 februari 2008 ingevolge voormeld verlof onder [verweerders] gelegde conservatoire beslag. Bij herstelexploit van 25 juni 2008 heeft [eiser] die voorwaarden alsnog aan [verweerders] doen betekenen.
(vi) De rechtbank Breda heeft bij vonnis van 23 april 2008 de vordering van [eiser] tegen [betrokkene 1 en 2] toegewezen. [eiser] heeft dit vonnis op 8 mei 2008 doen betekenen aan [betrokkene 1 en 2], en op 16 mei 2008 aan [verweerders] (onder de mededeling dat bij gebreke van voldoening aan het vonnis door [betrokkene 1 en 2], het onder [verweerders] gelegde derdenbeslag executoriaal was geworden).
(vii) [eiser] heeft op 16 mei 2008 tevens executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de notaris op al hetgeen deze aan [betrokkene 1 en 2] verschuldigd mocht zijn of mocht worden. De notaris heeft verklaard dat hij de in het verlof tot beslaglegging vermelde verklaring niet kon afleggen omdat in zijn visie niet alleen de hypotheekhouder, maar ook de beslagleggers van vóór de Vormerkung volledig uit de koopsom voldaan dienden te worden om de woning vrij van hypotheek en beslagen te kunnen leveren.
(viii) De woning is op 8 juli 2008 (na het hierna in 3.3 te vermelden vonnis van de voorzieningenrechter) aan [verweerders] geleverd.
3.2
In het onderhavige kort geding vorderen [verweerders], kort gezegd, opheffing van het op verzoek van [eiser] onder hen gelegde derdenbeslag op de koopsom, dan wel bepaling dat dit beslag waardeloos is tot het bedrag gelijk aan het deel van de koopsom dat benodigd is voor de voldoening van de hypothecaire schulden en van de vorderingen van de pre-Vormerkungsbeslagleggers ABN AMRO Bank en [A] Advocaten en Belastingadviseurs, met bepaling dat het beslag voor dat bedrag als opgeheven dient te worden beschouwd.
3.3
De voorzieningenrechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 3 juli 2008 de vorderingen van [verweerders] in die zin toegewezen dat door hem is bepaald “dat het ten behoeve van gedaagde [[eiser]] op 25 februari 2008 onder eisers [[verweerders]] gelegde beslag niet in de weg staat aan betaling van de koopsom onder de notaris die belast is met het transport van de woning, zulks onder de voorwaarden, cumulatief, dat eisers aan gedaagde, schriftelijk en tenminste vijf werkdagen vóór de betaling van de koopsom en vóór het beoogde transport meedelen: a) de naam van de notarisdie opdracht heeft gekregen tot verzorging van de eigendomsoverdracht van de door eisers gekochte woning, en b) de datum waarop deze opdracht aan de notaris is verstrekt, en c) de toezegging dat de daartoe strekkende opdracht aan deze notaris niet zal worden herroepen, en d) de geplande datum van het transport”.
Deze uitspraak komt naar het, in zoverre onbestreden, oordeel van het hof (rov. 4.3.2) neer op een opheffing van het derdenbeslag voor de situatie dat [verweerders] voldoen aan de in het dictum genoemde voorwaarden, teneinde [verweerders] in de gelegenheid te stellen om tegen betaling van de koopsom aan de notaris de woning vrij van hypotheek en pre-Vormerkungsbeslagen geleverd te krijgen.
3.4
Het hof heeft het vonnis bekrachtigd. Het overwoog daartoe onder meer, kort samengevat, dat met het bepaalde in art. 7:3 lid 3 BW een bescherming is beoogd van de koper van een registergoed tegen vervreemding of bezwaring van het desbetreffende registergoed na de Vormerkung, en dat aan deze bescherming afbreuk zou worden gedaan indien [eiser] de levering van de woning aan [verweerders] feitelijk onmogelijk maakt door vast te houden aan zijn beslag op de koopsom voor dat gedeelte dat niet nodig is voor de aflossing van de hypotheek. Voor zover door dat beslag een patstelling ontstaat die aan de levering van de woning in de weg staat, moet het belang van [verweerders] prevaleren boven het belang van [eiser] bij handhaving van dat beslag. (rov. 4.5.3)
Voorts overwoog het hof nog dat een afweging van de belangen van de koper tegen de belangen van degene die na de Vormerkung beslag legt, kan leiden tot de beslissing dat het beslag van laatstgenoemde op de koopsom moet worden opgeheven voor zover dit aan levering van het registergoed in de weg staat (rov. 4.7.2).
3.5.1
Volgens onderdeel 1.1 van het middel heeft het hof met zijn hiervoor weergegeven overwegingen miskend dat de Vormerkung als geregeld in art. 7:3 BW niet ertoe strekt de koper te beschermen tegen derdenbeslag op de koopsom, ook niet als dit beslag een hindernis vormt voor de effectuering van het recht van de koper op nakoming van de koopovereenkomst. Het beslag had dus niet (gedeeltelijk) opgeheven mogen worden op de grond dat het de nakoming van de in de openbare registers ingeschreven koopovereenkomst feitelijk onmogelijk maakt.
3.5.2
Het onderdeel treft doel. Met de Vormerkung is weliswaar beoogd de koper van een registergoed gedurende zes maanden na de inschrijving van de koop bescherming te bieden in zijn recht op daadwerkelijke nakoming van de koopovereenkomst, maar in het derde lid van art. 7:3 BW is limitatief opgesomd welke, nauwkeurig omschreven, rechtsfeiten niet tegen de koper kunnen worden ingeroepen. Tot die opsomming behoort niet het hier aan de orde zijnde, blijkens de parlementaire geschiedenis door de wetgever onder ogen geziene, geval van derdenbeslag onder de koper op de koopsom. Hoezeer ook in een dergelijk beslag een hindernis gelegen kan zijn voor de effectuering van het recht van de koper op daadwerkelijke nakoming van de koopovereenkomst, zulks brengt niet mee dat dit beslag moet worden opgeheven vanwege de inschrijving van de koopovereenkomst in de openbare registers op de voet van art. 7:3 BW en de daarmee door de wetgever beoogde bescherming van de koper (vgl. HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1252, NJ 2012/211). De beslissing van het hof is derhalve gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting.
3.6
De overige onderdelen behoeven geen behandeling.De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.
De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat naar aanleiding van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de voorzieningen-rechter de koopsom door [verweerders] is gestort onder de met het transport belaste notaris en dat vervolgens, na voldoening van de vorderingen van de hypotheekhouder (Nationale Nederlanden) en van ABN AMRO Bank en [A] Advocaten en Belastingadviseurs, de woning op 8 juli 2008 vrij van hypotheken en beslagen aan [verweerders] is geleverd. Als gevolg van een en ander is de vordering van [betrokkene 1 en 2] op [verweerders] waarop het beslag was gelegd, door betaling tenietgegaan. Gelet daarop kon vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter niet meer tot gevolg hebben dat het beslag op die vordering herleefde, nu wijzigingen in de rechtstoestand van het beslagen goed in de periode tussen de opheffing van het beslag door het vonnis van de voorzieningenrechter en de vernietiging van dat vonnis geëerbiedigd moeten worden (vgl. HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5960, NJ 2001/388 en HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351, NJ 2009/154). Dit brengt mee dat [eiser] in zoverre geen belang meer had bij zijn hoger beroep, ook al was (ook) de voorzieningenrechter in zijn vonnis van dezelfde onjuiste rechtsopvatting uitgegaan als hiervoor vermeld.
[eiser] had bij zijn hoger beroep derhalve nog uitsluitend belang in verband met de door de voorzieningenrechter te zijnen laste uitgesproken kostenveroordeling. Nu het door [eiser] gelegde beslag op de koopsom reeds voorafgaande aan het geding voor de voorzieningenrechter executoriaal was geworden, en door [verweerders] niet was gesteld dat het beslag, met inachtneming van de hiervoor in 3.1 onder (iv) vermelde beperkingen, onnodig of vexatoir was of dat het te executeren vonnis berustte op een misslag of de tenuitvoerlegging daarvan misbruik van recht opleverde, was de vordering van [verweerders] tot opheffing van het beslag niet voor toewijzing vatbaar. Het hof had dan ook, met vernietiging van het vonnis in zoverre, alsnog [verweerders] in de kosten van de procedure in eerste aanleg moeten veroordelen, alsmede in die van het hoger beroep. De Hoge Raad zal doen wat het hof behoorde te doen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 25 oktober 2011, doch uitsluitend voor zover [eiser] is veroordeeld in de proceskosten van [verweerders] in hoger beroep;
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Breda van 3 juli 2008, doch uitsluitend voor zover [eiser] is veroordeeld in de proceskosten van [verweerders];
veroordeelt [verweerders] in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot:
- -
in eerste aanleg op € 1.067,--;
- -
in hoger beroep op € 3.056,80;
- -
in cassatie op € 451,30 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 juli 2013.
Conclusie 26‑04‑2013
Inhoudsindicatie
Vormerkung. Art. 7:3 lid 3 BW bevat limitatieve opsomming rechtsfeiten die niet tegen koper kunnen worden ingeroepen. Daaronder valt niet derdenbeslag onder de koper op de koopsom, ook al staat dat beslag aan daadwerkelijke nakoming koopovereenkomst in de weg. Belang bij hoger beroep. Proceskostenveroordeling.
12/00226
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 26 april 2013
CONCLUSIE inzake:
[eiser],
eiser tot cassatie,
adv.: mrs. D. Rijpma en A. van Staden ten Brink
tegen
1.[verweerder 1], en
2. [verweerster 2],
verweerders in cassatie,
adv.: mr. M.J. van Basten Batenburg
Nadat de koop van een woning overeenkomstig art. 7:3 BW was ingeschreven in de openbare registers ('Vormerkung'), heeft een schuldeiser van de verkopers derdenbeslag gelegd onder de kopers. De voorzieningenrechter heeft, op vordering van de kopers, dit derdenbeslag onder voorwaarden opgeheven. Het hof heeft deze uitspraak bekrachtigd op de grond dat het derdenbeslag de uitvoering van de koopovereenkomst frustreert. Dit laatste oordeel wordt in cassatie met rechts- en motiveringsklachten bestreden.
1. Feiten en procesverloop
1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten(1):
a. Verweerders in cassatie (hierna gezamenlijk: [verweerders]) hebben op 16 januari 2008 van het echtpaar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 1 en 2]) de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] gekocht voor een koopsom van € 611.000,-. De koopovereenkomst(2) is op 23 januari 2008 overeenkomstig het bepaalde in art. 7:3 BW ingeschreven in het kadaster ('Vormerkung').
b. De koopovereenkomst vermeldt in artikel 2:
"De betaling van de koopsom en van de rechten, kosten en belastingen vindt plaats via de notaris bij het passeren van de akte van levering.
Verkoper stemt ermee in dat de notaris de koopsom onder zich houdt totdat zeker is dat de onroerende zaak geleverd wordt vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan."
c. Op voormelde woning rustte ten tijde van de koop en de Vormerkung een hypotheek van € 500.000,- ten gunste van Nationale Nederlanden. Op de onverdeelde helft van [betrokkene 1] in de eigendom van de woning rustten een conservatoir beslag tot verhaal van ABN AMRO Bank voor een bedrag van € 72.000,- en een executoriaal verhaalsbeslag van [A] Advocaten en Belastingadviseurs voor een bedrag van € 3.000,-.
d. Na de Vormerkung heeft [eiser] - thans eiser tot cassatie - op 22 februari 2008 een conservatoir verhaalsbeslag op de woning gelegd voor een vordering van ca. € 53.000,-. Voorts is op 21 mei 2008 nog een conservatoir verhaalsbeslag gelegd door [betrokkene 3] voor een bedrag van ca. € 65.000,-.
e. [eiser] heeft bij verzoekschrift van 15 februari 2008(3) aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir derdenbeslag voor een op € 59.000,- te begroten vordering ten laste van [betrokkene 1 en 2] (verkopers van de woning) onder [verweerders] (kopers van de woning).
f. De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 18 februari 2008(4) het gevraagde verlof verleend, voor zover het een schuld uit hoofde van de koopovereenkomst betreft onder de voorwaarden dat:
"- het beslag beperkt is tot het bedrag dat volgens de met de levering van de onroerende zaak belaste notaris niet is bestemd voor aflossing van de op het moment van de beslaglegging op de onroerende zaak rustende hypotheken;
- het verlof alleen geldt indien in het proces-verbaal van beslaglegging wordt opgenomen dat het beslag niet de storting van de koopsom onder de notaris blokkeert, indien de notaris, mede namens de kopers, voorafgaande aan de storting aan de beslaglegger schriftelijk laat weten:
i. dat de notaris het aan gerekestreerden toekomende gedeelte van de koopsom dat hij niet gebruikt voor aflossing van de hypotheek namens de kopers ten behoeve van [eiser] in depot houdt zolang het beslag loopt, alsmede
ii. dat de kopers de notaris machtigen en instrueren om namens hen aan [eiser] op te geven wat hij na afwikkeling van het transport in depot heeft."
g. De hiervoor onder (f) vermelde tekst is niet opgenomen in het proces-verbaal van het op 25 februari 2008 ingevolge voormeld verlof onder [verweerders] gelegde conservatoire beslag.(5) Dit verzuim is op verzoek van [eiser] hersteld bij herstelexploit van 25 juni 2008.(6)
h. De rechtbank Breda heeft bij vonnis van 23 april 2008 de vordering van [eiser] tegen [betrokkene 1 en 2] toegewezen. [eiser] heeft dit vonnis op 8 mei 2008 doen betekenen aan [betrokkene 1 en 2](7) Op 16 mei 2008 heeft [eiser] het vonnis doen betekenen aan [verweerders] (onder de mededeling dat bij gebreke van voldoening aan het vonnis door [betrokkene 1 en 2], het onder [verweerders] gelegde derdenbeslag executoriaal was geworden).(8)
i. [eiser] heeft op 16 mei 2008 tevens executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de notaris op al hetgeen deze aan [betrokkene 1 en 2] verschuldigd mocht zijn of mocht worden.(9)
j. De notaris heeft verklaard dat hij de in het verlof tot beslaglegging vermelde verklaring niet kon afleggen omdat in zijn visie niet alleen de hypotheekhouder, maar ook de beslagleggers van vóór de Vormerkung volledig uit de koopsom voldaan dienden te worden om de woning vrij van hypotheek en beslagen te kunnen leveren.
k. De woning is op 8 juli 2008 aan [verweerders] geleverd.
1.2 [verweerders] hebben [eiser] op 20 juni 2008 gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda. Zij hebben daarbij gevorderd, kort weergegeven (zie rov. 4.1.2 van het arrest van het hof):
1. opheffing van het op verzoek van [eiser] onder hen gelegde derdenbeslag op de koopsom, dan wel bepaling dat dit beslag waardeloos zou zijn tot een bedrag gelijk aan het deel van de koopsom dat bestemd was voor de aflossing van de hypothecaire schulden en het totale bedrag dat betaald zou moeten worden aan de beslagleggers ABN AMRO Bank en [A] Advocaten en Belastingadviseurs en dat het beslag voor dat bedrag als opgeheven diende te worden beschouwd;
2. veroordeling van [eiser] tot onmiddellijke opheffing van het beslag voor vorenbedoeld gedeelte van de koopsom, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
1.3 Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 3 juli 2008(10) heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [verweerders] in die zin toegewezen dat door hem is bepaald "dat het ten behoeve van gedaagde [[eiser]] op 25 februari 2008 onder eisers [[verweerders]] gelegde beslag niet in de weg staat aan betaling van de koopsom onder de notaris die belast is met het transport van de woning, zulks onder de voorwaarden, cumulatief, dat eisers aan gedaagde, schriftelijk en tenminste vijf werkdagen vóór de betaling van de koopsom en vóór het beoogde transport meedelen: a) de naam van de notaris die opdracht heeft gekregen tot verzorging van de eigendomsoverdracht van de door eisers gekochte woning, en b) de datum waarop deze opdracht aan de notaris is verstrekt, en c) de toezegging dat de daartoe strekkende opdracht aan deze notaris niet zal worden herroepen, en d) de geplande datum van het transport".
Deze uitspraak komt - aldus het oordeel van het hof - neer op een opheffing van het derdenbeslag voor de situatie dat [verweerders] voldoen aan de in het dictum genoemde voorwaarden (zie rov. 4.3.2 van het arrest van het hof).
1.4 [eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof 's-Hertogenbosch met conclusie dat het hof, met vernietiging van het vonnis, de vorderingen van [verweerder 1] alsnog afwijst.
Bij arrest van 25 oktober 2011(11) heeft het hof de uitspraak van de voorzieningenrechter, voor zover deze uitspraak thans in cassatie van belang is, bekrachtigd onder verbetering en aanvulling van gronden.(12)
1.5 [eiser] heeft bij dagvaarding van 20 december 2011 tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. [verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping en hebben hun standpunt vervolgens ook schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft afgezien van schriftelijke toelichting.
2. Beoordeling van het cassatieberoep
2.1 Het cassatiemiddel bevat zes onderdelen, waarvan het eerste onderdeel bestaat uit een drietal subonderdelen. Het middel keert zich tegen de bekrachtiging van de (voorwaardelijke) opheffing van het derdenbeslag, en richt zich daarbij hoofdzakelijk tegen het oordeel van het hof in rov. 4.5.3 van het bestreden arrest. Deze rechtsoverweging luidt:
"4.5.3. Naar tussen partijen niet in geschil is, is met het bepaalde in art. 7:3 lid 3 BW een bescherming beoogd van de koper van een registergoed tegen vervreemding of bezwaring van het desbetreffende registergoed na de Vormerkung. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de uitvoering van een koopovereenkomst als tussen [betrokkene 1 en 2] en [verweerders] gesloten feitelijk onmogelijk kan worden indien de verkoper zijn verplichting uit de koopovereenkomst om het goed vrij van hypotheek en beslagen te leveren slechts zal kunnen nakomen door zijn schulden aan de hypotheekhouder en de pre-Vormerkungsbeslagleggers af te lossen uit de voor het registergoed overeengekomen koopprijs en die koopprijs daarvoor niet kan worden aangewend door een daarop gelegd beslag van een post-Vormerkung beslaglegger/crediteur van de verkoper. Naar het voorlopig oordeel van het hof zou aan de met art. 7:3 lid 3 BW beoogde bescherming van de koper afbreuk worden gedaan indien [eiser], die te kennen heeft gegeven dat ook voor hem voorop staat dat de levering van de woning aan [verweerders] moet doorgaan (pleitaantekeningen eerste aanleg onder 11), die levering feitelijk onmogelijk maakt door vast te houden aan zijn beslag op de koopsom voor dat gedeelte dat niet nodig is voor de aflossing van de hypotheek. Voor zover door dat beslag een patstelling ontstaat die aan een levering als tussen [betrokkene 1 en 2] en [verweerders] overeengekomen in de weg staat, moet het belang van [verweerders] prevaleren boven het belang van [eiser] bij handhaving van dat beslag."
In aansluiting hierop overweegt het hof nog:
"4.7.2. (...) een afweging van de belangen van de koper tegen die van de post-Vormerkung beslaglegger kan leiden tot een beslissing als hiervoor uiteengezet - de beslissing dat het beslag van de post-Vormerkungbeslaglegger op de koopsom moet worden opgeheven voor zover dit aan levering van het registergoed in de weg staat - (...)"
2.2 Het middel klaagt in onderdeel 1.1 dat het oordeel van het hof in rov. 4.5.3 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk gemotiveerd is. Volgens het middel strekt de inschrijving van de koopovereenkomst in de openbare registers er niet toe om de koper te beschermen tegen derdenbeslag op de koopsom, ook niet als dat beslag een hindernis vormt voor de effectuering van het recht van de koper op nakoming van de koopovereenkomst (het middel verwijst in dat verband naar HR 8 oktober 2010, LJN BN1252, NJ 2012/211 m.nt. JH en AIMvM (rov. 3.2.2)). Het hof had het derdenbeslag volgens het middel dan ook niet mogen opheffen op de grond dat dit beslag de nakoming van de in de openbare registers ingeschreven koopovereenkomst feitelijk onmogelijk maakt.
2.3 Met de wettelijke regeling van art. 7:3 BW (de 'Vormerkung') is beoogd de koper van een registergoed te beschermen in zijn recht op daadwerkelijke nakoming van de koopovereenkomst.(13) De wetgever heeft daarbij recht willen doen aan zowel de belangen van de koper als de gerechtvaardigde belangen van derden. De Minister heeft hierover bij de parlementaire behandeling opgemerkt:
"[...] In artikel 7:3 BW wordt naar mijn mening zowel aan de gerechtvaardigde belangen van de koper als aan de gerechtvaardigde belangen van derden voldoende recht gedaan. In dit verband kan worden gewezen op de precieze afbakening in lid 3 van de zakelijke werking van de ingeschreven koop (die dus geen volledige zakelijke werking heeft), en op de beperking van de duur van deze zakelijke werking tot zes maanden, na afloop van welke termijn gedurende zes maanden niet een koop tussen dezelfde partijen met betrekking tot hetzelfde goed kan worden ingeschreven (leden 4 en 5). Voorts dient te worden bedacht dat de inschrijving van de koop het schuldeisers van de verkoper makkelijker maakt om beslag te leggen op de koopprijs onder de koper of de notaris, doordat hij hun namen kan achterhalen als gevolg van die inschrijving. Ook is denkbaar dat de levering niet voor de afloop van de in artikel 7:3 lid 4 bedoelde termijn van zes maanden geschiedt. Met het oog op die mogelijkheid kan een schuldeiser van de verkoper beslag leggen op het verkochte goed, ondanks de inschrijving van de koop. [...]"(14)
2.4 Inmiddels is duidelijk dat het doel dat de wetgever met de regeling van de Vormerkung voor ogen stond bij toepassing van art. 7:3 BW zoals het thans luidt niet altijd ten volle gerealiseerd wordt. Met name in gevallen waarin een schuldeiser van de verkoper van een woning derdenbeslag heeft gelegd onder de particuliere koper, lijkt het resultaat soms onbevredigend.(15) Zolang er een dergelijk derdenbeslag ligt, zal de koopovereenkomst in de regel namelijk niet uitgevoerd kunnen worden. De koper die de koopsom in weerwil van het gelegde beslag betaalt aan de notaris, kan deze betaling immers niet tegenwerpen aan de beslaglegger (art. 475h lid 1 Rv; art. 720 Rv). Het bepaalde in art. 7:3 BW biedt de koper in dat opzicht geen bescherming (zie HR 8 oktober 2010, LJN BN1252, NJ 2012/211 m.nt. JH en AIMvM, rov. 3.3.2 (Van den Berg/Bernhard)(16)).
2.5 Het lijkt er op dat voorzieningenrechters vanwege de mogelijk ingrijpende gevolgen van een derdenbeslag onder de koper na een Vormerkung zeer terughoudend zijn met het verlenen van verlof voor een dergelijk beslag. De Beslagsyllabus (versie augustus 2012) vermeldt zelfs dat het raadzaam is om een dergelijk verlof niet te verlenen. Een van de alternatieve wegen die voorzieningenrechters bewandelen om te voorkomen dat de uitvoering van de koopovereenkomst gefrustreerd wordt, is het verlenen van een 'geclausuleerd' beslagverlof. In andere gevallen wordt een reeds gelegd derdenbeslag opgeheven onder voorwaarden die erop neerkomen dat de schuldeiser in de gelegenheid gesteld wordt om tijdig beslag te leggen onder de notaris die zorg zal dragen voor het transport.(17) Het derdenbeslag onder de notaris treft hier echter enkel het bedrag dat de notaris verschuldigd is aan de verkoper; veelal is dat het bedrag van de koopsom dat resteert na de voldoening van de hypotheekhouder en van eventuele schuldeisers die vóór de Vormerkung beslag hebben gelegd op het verkochte registergoed. Het is deze laatste gang van zaken - opheffing van het derdenbeslag op voorwaarde dat de crediteur de gelegenheid krijgt om beslag te leggen onder de notaris - die in de onderhavige procedure aan de orde is.
2.6 Er bestaat terecht veel aandacht voor de bescherming van het belang van de koper bij een daadwerkelijke nakoming van de koopovereenkomst. De gevolgen van een derdenbeslag onder de koper kunnen immers ingrijpend zijn, zeker wanneer het gaat om een 'particuliere' koper van een woning.(18) Dat neemt echter niet weg dat er ook recht gedaan dient te worden aan de gerechtvaardigde belangen van de crediteur van de verkoper die het verhaal van zijn vordering zeker wenst te stellen. Deze crediteur kan als gevolg van de Vormerkung namelijk in een nadelige positie komen te verkeren. Indien de koopovereenkomst conform art. 7:3 BW is ingeschreven in de openbare registers, zal een beslag op het registergoed de crediteur in de regel immers niet meer baten (zie art. 7:3 lid 3 aanhef en onder f BW). Een dergelijk beslag op het registergoed wordt naar geldend recht niet geconverteerd in een beslag op de verkoopopbrengst (zie HR 6 februari 2009, LJN BG5850, NJ 2009/344 m.nt. AIMvM, rov. 3.4 (ABN AMRO/Notaris)).(19) Indien er geen andere verhaalsobjecten zijn of de aanwezige verhaalsobjecten niet bij de crediteur bekend zijn, zou de betreffende crediteur derhalve met lege handen achter kunnen blijven; en dat terwijl crediteuren van gelijke rang die vóór de Vormerkung beslag hebben gelegd, wél uit de verkoopopbrengst voldaan kunnen worden. Een dergelijk resultaat lijkt moeilijk te rechtvaardigen. Het genoemde resultaat lijkt door de wetgever ook niet aanvaard te zijn; integendeel, beoogd is veeleer om de betreffende schuldeiser de gelegenheid te geven zijn verhaalsbelang te beschermen door het leggen van derdenbeslag onder de koper.(20)
2.7 Uitgangspunt dient mijns inziens dan ook te zijn dat de bescherming van de koper in zijn belang bij daadwerkelijke nakoming van de koopovereenkomst niet ten koste dient te gaan van het recht van een schuldeiser van de verkoper om zijn vordering overeenkomstig haar rang uit het vermogen van de verkoper voldaan te krijgen. Ingeval de schuldeiser van de verkoper bijvoorbeeld reeds over een executoriale titel beschikt, zal er in beginsel slechts aanleiding kunnen bestaan voor opheffing van een reeds gelegd beslag indien er voor de schuldeiser een alternatief verhaalsobject beschikbaar is. Deze situaties laten zich wellicht ook oplossen via de weg van de (mogelijkheid tot) aanvraag van het faillissement van de verkoper.(21) In de meeste gevallen zal de partij die derdenbeslag wenst te leggen of een dergelijk beslag wenst te handhaven, echter (nog) geen vaststaande vordering hebben. In deze gevallen zal een afweging gemaakt dienen te worden waarbij zowel in aanmerking wordt genomen het belang van de koper bij daadwerkelijke uitvoering van de koopovereenkomst, als het belang van de pretense schuldeiser om zijn vordering op de verkoper, indien deze vordering komt vast te staan, overeenkomstig haar rang uit het vermogen van de verkoper voldaan te kunnen krijgen. Daarbij zal er eerder aanleiding zijn voor verlening van het beslagverlof dan wel afwijzing van een vordering tot opheffing van het derdenbeslag, naarmate duidelijker is dat de gepretendeerde vordering op de verkoper gegrond is en er meer aanwijzingen zijn dat de betreffende schuldeiser het verhaal van zijn vordering niet op andere wijze kan veiligstellen.
2.8 Uit het bovenstaande volgt dat het betoog van onderdeel 1.1 juist is. Het hof heeft in het bestreden arrest de opheffing van het onder [verweerders] gelegde derdenbeslag bekrachtigd (opheffing onder voorwaarden die erop neerkomen dat [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld om tijdig derdenbeslag te leggen onder de notaris die zorg zal dragen voor het transport). Voor zover er door het derdenbeslag een patstelling ontstaat die aan de overeengekomen levering van de woning in de weg staat, dient het belang van [verweerders] naar oordeel van het hof namelijk te prevaleren boven het belang van [eiser] bij handhaving van het beslag. Het hof heeft dit oordeel gemotiveerd met de overweging dat "aan de met art. 7:3 lid 3 BW beoogde bescherming van de koper afbreuk [zou] worden gedaan indien [eiser] [...] die levering feitelijk onmogelijk maakt door vast te houden aan zijn beslag op de koopsom voor dat gedeelte dat niet nodig is voor de aflossing van de hypotheek." Indien het hof heeft aangenomen dat het enkele gegeven dat het derdenbeslag onder [verweerders] de levering het registergoed feitelijk onmogelijk maakt, reeds voldoende grond is voor opheffing van het onder [verweerders] gelegde derdenbeslag, dan is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, en het hof derhalve mede de verhaalsbelangen van [eiser] in aanmerking heeft genomen, is het oordeel van het hof in dat opzicht in elk geval onvoldoende gemotiveerd.
2.9 Het middel kan wegens gebrek aan belang evenwel niet tot cassatie leiden. Uit hetgeen [eiser] in feitelijke instanties heeft aangevoerd blijkt dat het onder [verweerders] gelegde derdenbeslag doel heeft getroffen voor wat betreft hetgeen [verweerders] ingevolge de koopovereenkomst aan [betrokkene 1 en 2] verschuldigd waren.(22) [eiser] heeft niet gesteld dat het derdenbeslag ook andere vorderingen heeft getroffen, hetgeen ook anderszins niet gebleken is. [eiser] heeft in hoger beroep verklaard dat de door [verweerders] ingevolge de koopovereenkomst aan [betrokkene 1 en 2] verschuldigde koopsom na de (bij voorraad uitvoerbare) uitspraak in eerste aanleg inmiddels in zijn geheel betaald is aan de notaris en dat de koopovereenkomst inmiddels afgewikkeld is.(23) Dat laatste is door [verweerders] bevestigd.(24) Derhalve moet aangenomen worden dat [eiser] geen belang heeft bij herleving van het beslag. Vernietiging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat strekt tot opheffing van het beslag heeft immers wel tot gevolg dat het beslag herleeft, maar wijzigingen in de rechtstoestand van het beslagen goed in de periode tussen de opheffing en de vernietiging - in casu: het tenietgaan van de vordering - moeten geëerbiedigd worden.(25)
2.10 Overigens betoogt het middel dat een vernietiging van de opheffing van het derdenbeslag zou leiden tot schadeplichtigheid van [verweerders] (zie onderdeel 5). Volgens het middel hebben [verweerders] nadat het derdenbeslag door de voorzieningenrechter bij uitspraak uitvoerbaar bij voorraad was opgeheven, de koopsom 'op eigen risico' betaald. [verweerders] zouden namelijk gebruik hebben gemaakt van een 'aantastbare (processuele) bevoegdheid'. Het middel gaat daarmee echter uit van een onjuiste rechtsopvatting. Opheffing van een beslag bij of ingevolge een bij voorraad uitvoerbaar vonnis strekt er immers toe om de beslagene volledig te herstellen in zijn bevoegdheid om het goed te vervreemden of te bezwaren (HR 26 mei 2000, LJN AA5960, NJ 2001/388 m.nt. HJS, rov. 3.3.2 (Aruba/Boeije), en HR 5 september 2008, LJN BC9351, NJ 2009/154 m.nt. AIMvM, rov. 3.3.3 (Forward/Huber); zie ook HR 23 februari 1996, LJN AD2496, NJ 1996/434, rov. 3.3 (DKHB/KIVO)). Daarmee strookt dat de derde-beslagene door de bij voorraad uitvoerbare opheffing van het derdenbeslag volledig hersteld wordt in zijn bevoegdheid om zijn schulden aan de beslagdebiteur te voldoen. Uitvoerbaarheid bij voorraad van de opheffing van een derdenbeslag zou de derde-beslagene ook weinig baten indien hij in geval van een latere vernietiging van de betreffende uitspraak aansprakelijk zou zijn voor de schade die de beslaglegger lijdt doordat de schuld inmiddels aan de beslagdebiteur voldaan is.(26) Het is uiteraard onbevredigend als de uitvoerbaarheid bij voorraad van het opheffingsvonnis nadien tot onherstelbaar nadeel voor de beslaglegger blijkt te leiden. De inschatting van het betreffende risico en de afweging van de daarbij betrokken belangen van onder meer de beslaglegger, zijn echter juist enkele van de elementen die in een opheffingskortgeding aan de orde dienen te komen.(27)
2.11 Mede omdat het middel wegens gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden, bestaat er geen aanleiding tot bespreking van de overige onderdelen van het middel (onderdelen 1.2.1, 1.2.2 en 2 t/m 6).
3. Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Ontleend aan rov. 4.1.1 van het in cassatie bestreden arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2011.
2 Prod. 4 bij MvG. De in de Koopakte genoemde koopprijs is aangepast tot € 611.000,- bij Aanvulling op de koopakte d.d. 16 januari 2008 (prod. 8 bij MvG).
3 Prod. III bij CvA in hoger beroep.
4 Prod. III bij CvA in hoger beroep.
5 Prod. 7 bij MvG.
6 Prod. 7 bij MvG. Deze vaststelling is niet geheel correct: het herstelexploit bevat niet de onder (f) aangehaalde tekst onder het eerste gedachtestreepje.
7 Prod. 9 bij MvG.
8 Prod. 10 bij MvG.
9 Prod. 11 bij MvG.
10 LJN BD6216, JOR 2008/249 m.nt. S.E. Bartels.
11 LJN BU2159, JOR 2011/385 m.nt. A. Steneker onder JOR 2011/386. Zie ook A.J.H. Pleysier, JBN 2012/3.
12 Ter aanvulling kan nog worden opgemerkt dat [A] Advocaten en Belastingadviseurs een incidentele vordering heeft ingesteld tot (primair) tussenkomst in het geding tussen [verweerders] en [eiser], althans (subsidiair) toelating als gevoegde partij aan de zijde van [verweerders] De voorzieningenrechter heeft de vordering tot tussenkomst toegewezen en de gegeven voorziening mede ten behoeve van [A] Advocaten en Belastingadviseurs uitgesproken. Het hof heeft de incidentele vorderingen van [A] Advocaten en Belastingadviseurs in hoger beroep echter alsnog afgewezen (zie rov. 4.7.1 t/m 4.9.1).
13 Zie HR 6 februari 2009, LJN BG5850, NJ 2009/344, rov. 3.3, met verwijzing naar de in de conclusie voor het arrest (onder 2.3) aangehaalde passages uit Kamerstukken 23 095.
14 Kamerstukken II 2000/01, 23 095, nr. 10, p. 30 (Verslag van een schriftelijk overleg).
15 Zie over de verschillende problemen rond beslag en Vormerkung meer recentelijk onder andere H.W. Heyman en S.E. Bartels, 'De bescherming van de Vormerkung tegen beslag naar geldend en naar wenselijk recht', NTBR 2011, 5, p. 189 e.v.; H. Bounjouh, 'Wetgever aan de slag met de Vormerkung en het beslag!', Vastgoedrecht 2011, 5, p. 99 e.v.; L.P. Broekveldt, Vormerkung, beslag, rangorde en de notaris (serie Ars Notariatus, nr. 144), Deventer: Kluwer 2010, met name p. 83-104; en de bespreking door J.J. Dammingh van de laatstgenoemde publicatie, in WPNR 6899 (2011), p. 744 e.v.
16 Tevens gepubliceerd in JOR 2010/333 m.nt. S.E. Bartels en JBPr 2010/58 m.nt. A. Steneker. Zie naar aanleiding van dit arrest o.m. Heyman en Bartels, NTBR 2011, 5, p. 189 e.v.; Bounjouh, Vastgoedrecht 2011, 5, p. 99 e.v.; L.P. Broekveldt, 'Vormerkung strekt niet tot bescherming tegen beslag 'op de koopsom' onder de koper', WPNR 6873 (2011), p. 101 e.v.; C.A. Kraan, Reactie, WPNR 6907 (2011), p. 953, met Naschrift Broekveldt, p. 957 e.v.; J.C. van Straaten, 'Vormerkung beschermt niet tegen beslag onder de koper', JBN 2011/2; J. de Bie Leuveling Tjeenk, 'Vormerkung en derdenbeslag op de koopsom', MvV 2010, 11, p. 289 e.v.
17 Zie voor een overzicht van de verschillende wijzen waarop voorzieningenrechters omgaan met de kwestie van derdenbeslag onder de koper, de conclusie (onder 2.10 e.v.) voor HR 8 oktober 2010, LJN BN1252, NJ 2012/211. Zie ook Vzr. Rb Haarlem 27 oktober 2011, LJN BU4097, JOR 2011/386 m.nt. A. Steneker.
18 Uiteraard mag niet uit het oog worden verloren dat de regeling van de Vormerkung (art. 7:3 lid 3 BW) ook geldt voor niet-particuliere kopers, en voor aankoop van andere registergoederen dan woningen. Verschil is wel dat niet ten nadele van een consument-koper van een woning kan worden afgeweken van de regel dat de koop ingeschreven kan worden in de openbare registers (zie art. 7:3 lid 1 BW).
19 Bij brief van 20 december 2011 aan de Tweede Kamer heeft de Minister aangekondigd conform de aanbeveling in het Evaluatierapport inzake de Wet koop onroerende zaken voornemens te zijn om over te gaan tot wijziging van art. 507a Rv. Zie Kamerstukken II 2011/12, 32 320, nr. 2, p. 1 en 6-7.
20 Zie Kamerstukken II 1992/93, 23 095, nr. 3. p. 10 (MvT), en de hiervoor reeds geciteerde passage uit Kamerstukken II 2000/01, 23 095, nr. 10, p. 30 (Verslag van een schriftelijk overleg). Zie in dit verband ook HR 6 februari 2009, LJN BG5850, NJ 2009/344, rov. 3.3, 3.4.
21 Indien de verkoper failliet wordt verklaard, zal de bedoelde crediteur als gevolg van het verval van de individuele beslagen (art. 33 lid 2 Fw) weer op gelijke voet komen te staan met de crediteuren die vóór de Vormerkung beslag hadden gelegd. Aangenomen moet worden dat de curator van de verkoper ingevolge art. 7:3 lid 3 aanhef en onder g BW medewerking dient te verlenen aan de uitvoering van de koopovereenkomst. De koper zal de woning dus de woning geleverd dienen te krijgen tegen betaling van de koopprijs zoals die overeengekomen was voor de aanvang van het faillissement. Zie Kamerstukken II 2011/12, 32 320, nr. 2, p. 5, en Kamerstukken II 1992/93, 23 095, nr. 3, p. 10. Zie over de verschillende vragen bij toepassing van art. 7:3 BW in faillissement onder meer F.M.J. Verstijlen en I. Visser, 'Vormerkung en faillissement', TvI 2009/27 (p. 155 e.v.).
22 Zie MvG, p. 3 onder II.3, en p. 5 onder II.11.
23 Zie MvG, p. 5 onder II.11. Vgl. ook de cassatiedagvaarding, p. 8 (par. 5) en p. 10-11 (slotalinea).
24 Zie CvA in hoger beroep, p. 6 onder 3.17. Vgl. ook de s.t. van de zijde van [verweerders], p. 5 (par. 5).
25 Zie onder meer HR 5 september 2008, LJN BC9351, NJ 2009/154 m.nt. AIMvM, rov. 3.3.4, en HR 23 februari 1996, LJN AD2496, NJ 1996/434, rov. 3.3.
26 Daarbij kan worden opgemerkt dat voldoening van de vordering nadat het derdenbeslag bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is opgeheven, uiteraard geen onttrekking aan het beslag oplevert in de zin van art. 198 Sr. Vgl. voorts L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, Deventer: Kluwer 2003, nr. 413 (p. 683). Broekveldt gaat er - mijns inziens ten onrechte - van uit dat de beslagdebiteur die zijn vordering vervreemdt of bezwaart nadat het derdenbeslag bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak is opgeheven, daarbij handelt op eigen risico, zodat hij in beginsel aansprakelijk is jegens de beslaglegger indien die eerdere uitspraak in hoger beroep of cassatie vernietigd wordt.
27 Vgl. onder meer H.J. Snijders in zijn noot (sub 4 en 5) onder HR 26 mei 2000, LJN AA5960, NJ 2001/388. Er kunnen uiteraard bijkomende omstandigheden zijn die meebrengen dat de koper onder wie het nadien opgeheven derdenbeslag was gelegd, wel degelijk aansprakelijk is jegens de beslaglegger. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan het geval dat de derde-beslagene bij zijn vordering tot opheffing van het derdenbeslag de voorzieningenrechter onjuist heeft voorgelicht.
Beroepschrift 20‑12‑2011
Heden, de twintigste december tweeduizendelf, ten verzoeke van [requirant], wonende te [woonplaats], te dezer zake woonplaats kiezende te 's‑Gravenhage aan de Anna van Saksenlaan 30, ten kantore van de maatschap Ekelmans & Meijer Advocaten, van wie de advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden mrs. D. Rijpma en A. van Staden ten Brink in deze zaak door mijn requirant als advocaten worden aangewezen om hem als zodanig te vertegenwoordigen in na te melden geding in cassatie, heb ik:
[Mary-Jane Jacoba Anna Paulina UijtdeHaag, als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van Maria Gesina Helena Langes, gerechtsdeurwaarder in het arrondissement Breda met als vestigingsplaats de gemeente Breda en aldaar kantoorhoudende aan de Stadionstraat 26–28]
AAN:
- 1.
[gerequireerde 1]
- 2.
[gerequireerde 2]
beiden wonende te [woonplaats], mijn exploot doende overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te (4812 GE) Breda aan de Dirk Hartogstraat 203, ten kantore van mr. H.A. Stein (Van Cooth Advocaten) bij wie gerequireerden in de vorige instantie beiden laatstelijk woonplaats hebben gekozen, aldaar sprekende met en voor ieder der gerequireerden afschrift dezes latende aan:
[voormeld adres in gesloten envelop met daarop de vermeldingen als wettelijk voorgeschreven, omdat ik aldaar niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten.]
AANGEZEGD:
dat mijn requirant hierbij beroep in cassatie instelt tegen het arrest in kort geding dat door het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch onder zaaknummer HD 200.076.710 is gewezen tussen enerzijds mijn requirant als appellant en anderzijds gerequireerden als geïntimeerden, en dat is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2011.
Voorts heb ik, deurwaarder, exploterende en relaterende als voormeld, gerequireerden
MET DE AANZEGGINGEN:
dat indien verweerder in cassatie advocaat bij de Hoge Raad stelt maar het hierna te noemen griffierecht niet tijdig betaalt, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, de Hoge Raad verstek tegen verweerder in cassatie verleent, diens gevoerde verweer in cassatie buiten beschouwing blijft en diens recht om in cassatie verweer te voeren dan wel om in cassatie te komen vervalt;
dat bij verschijning in het geding van verweerder sub 1 in cassatie een griffierecht van € 302,00 zal worden geheven, en van verweerder sub 2 een bedrag van € 302,00 aan griffierecht wordt geheven, te voldoen binnen vier weken te rekenen vanaf het tijdstip van verschijning;
dat van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die onvermogend is, eenzelfde griffierecht wordt geheven, namelijk € 302,00, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- 1e.
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel
- 2e.
een verklaring van de raad als bedoeld in artikel 1, onder b, van die wet, waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, bedoeld in artikel 35, derde en vierde lid, telkens onderdelen a tot en met d dan wel in die artikelleden, telkens onderdeel e, van die wet, met dien verstande dat als gevolg van een inmiddels van kracht geworden wijziging van de Wet op de rechtsbijstand nu geldt dat de verklaring wordt verstrekt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 2 van die wet, terwijl de bedragen waaraan het inkomen wordt getoetst zijn vermeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand;
dat indien ten minste één van de verweerders advocaat heeft gesteld en het griffierecht tijdig heeft voldaan, en ten aanzien van de overige verweerder(s) de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, tussen alle partijen één arrest zal worden gewezen, dat als een arrest op tegenspraak wordt beschouwd;
dat van verweerders die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, op basis van artikel 15 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven;
dat indien een natuurlijke persoon en een rechtspersoon bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende conclusie nemen, het griffierecht wordt geheven wat rechtspersonen verschuldigd zijn;
GEDAGVAARD:
om op vrijdag de dertiende (13) januari tweeduizendtwaalf, des voormiddags te 10:00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter openbare terechtzitting van die Raad, welke terechtzitting zal worden gehouden in het gebouw van die Raad aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage;
zulks teneinde tegen het aangevallen arrest te horen aanvoeren het volgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het Gerechtshof heeft overwogen en beslist als vermeld in het arrest waarvan beroep, ten onrechte, om de navolgende, mede in onderling verband en in onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
Feiten en procesverloop
(i)
Verweerders in cassatie (hierna in enkelvoud: ‘[gerequireerde 1]’) hebben op 16 januari 2008 van het echtbaar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (verder in enkelvoud ‘[betrokkene 1]’) een woning aan de [a-straat] [1] te [a-plaats] (‘de woning’) gekocht voor een bedrag van € 611.000,00. De koopovereenkomst bepaalt in artikel 2 onder meer dat de notaris de koopsom na betaling onder zich zal houden totdat zeker is dat de onroerende zaak vrij van hypotheken en beslagen kan worden geleverd.1.
(ii)
De koopovereenkomst is op 23 januari 2008 op de voet van artikel 7:3 BW (‘Vormerkung’) ingeschreven in het kadaster. Ten tijde van de Vormerkung rustten op de woning een hypotheek van € 500.000,00, een conservatoir verhaalsbeslag van ABN AMRO Bank voor een bedrag van € 72.000,00 en een executoriaal verhaalsbeslag van [A] Advocaten voor € 3.000,00.2.
(iii)
Na de Vormerkung is op 22 februari 2008 conservatoir beslag op de woning gelegd door eiser tot cassatie (‘[requirant]’) voor een vordering van € 53.000,00 en op 21 mei 2008 door [betrokkene 3] voor een bedrag van € 65.000,00.3.
(iv)
[requirant] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda op 15 februari 2008 verlof gevraagd om voor € 59.000,00 conservatoir derdenbeslag te mogen leggen ten laste van [betrokkene 1] op de door [gerequireerde 1] bij de levering van de woning verschuldigde koopsom. De voorzieningenrechter heeft het verlof bij beschikking van 18 februari 2008 conform verzoek verleend met bepaling
- (a)
dat het beslag beperkt is tot het deel van de koopsom dat niet is bestemd voor de aflossing van de hypotheek,
- (b)
dat het verlof niet de storting aan de notaris blokkeert mits de notaris aangeeft dat hij het deel van de koopsom dat niet voor de aflossing van de hypotheek is bestemd in depot houdt zolang het beslag loopt en
- (c)
dat het proces-verbaal van beslaglegging die voorwaarden vermeldt.4.
(v)
Op 25 februari 2008 heeft [requirant] conservatoir derdenbeslag ten laste van [betrokkene 1] laten leggen onder [gerequireerde 1]. In het proces-verbaal van beslaglegging was de door de voorzieningenrechter voorgeschreven tekst niet opgenomen.
[requirant] heeft dat verzuim bij exploit van 25 juni 2008 laten herstellen.5.
(vi)
Bij vonnis van 23 april 2008 heeft de rechtbank Breda de vordering van [requirant] tegen [betrokkene 1] toegewezen. [requirant] heeft dat vonnis op 8 mei 2008 aan [betrokkene 1] doen betekenen. Op 16 mei 2008 heeft [requirant] het vonnis aan [gerequireerde 1] laten betekenen. [requirant] heeft [gerequireerde 1] aangezegd dat het onder hem gelegde derdenbeslag executoriaal is geworden.6.
(vii)
[requirant] heeft op 16 mei 2008 tevens executoriaal derdenbeslag ten laste van [betrokkene 1] onder de notaris gelegd. De notaris heeft aangegeven dat hij geen verklaring kon afleggen nu ook de beslagleggers van vóór de Vormerkung uit de koopsom dienden te worden voldaan om de woning te kunnen leveren.7.
(viii)
[gerequireerde 1] heeft [requirant] op 20 juni 2008 in kort geding gedagvaard en (kort gezegd) opheffing van het beslag op de koopsom gevorderd. Bij vonnis van 3 juli 2008 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de notaris zich terecht op het standpunt stelt dat hij de vorderingen van de beslagleggers van vóór de Vormerkung zal moeten voldoen alvorens levering kan plaatsvinden. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het ten behoeve van [requirant] gelegde beslag onder [gerequireerde 1] niet in de weg staat aan betaling van de koopsom onder de notaris die belast is met het transport van de woning. De voorzieningenrechter heeft hieraan (kort gezegd) de voorwaarde verbonden dat [gerequireerde 1] tenminste vijf dagen voor het transport aan [requirant] moet meedelen
- (a)
de naam van de betrokken notaris,
- (b)
de datum van de opdracht aan de notaris,
- (c)
de toezegging dat de opdracht voor het transport aan de notaris niet zal worden herroepen en
- (d)
de geplande datum van het transport.8.
(ix)
Op 8 juli 2008 is de woning aan [gerequireerde 1] geleverd.9.
(x)
[requirant] heeft op 28 juli 2008 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 3 juli 2008. Bij arrest van 25 oktober 2011 heeft het hof Den Bosch het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Daartoe heeft het hof kort gezegd overwogen dat aan de met de Vormerkung beoogde bescherming afbreuk zou worden gedaan als [requirant] die levering feitelijk onmogelijk kan maken door vast te houden aan het beslag op de koopsom. Dat beslag heeft geleid tot een patstelling die aan levering in de weg staat. Onder die omstandigheden prevaleert het belang van [gerequireerde 1] bij levering van de woning boven het belang van [requirant] bij handhaving van het beslag (rov. 4.5.3).
(xi)
Dit cassatieberoep richt zich tegen 's hofs overweging dat handhaving van het beslag aan de levering in de weg staat en derhalve afbreuk zou doen aan de met de Vormerkung beoogde bescherming van de koper en 's hofs daarop gegronde oordeel dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat het executoriale beslag op de koopsom niet aan de betaling van de koopsom in de weg staat de grond.
De cassatieklachten
Inleiding
In rov. 4.5.2–4.5.5, 4.7.2 en 4.9.1–4.9.3 heeft het hof onder meer overwogen als volgt:
4.5.2
Het hof stelt voorop dat een kort geding naar zijn aard niet de weg is om een rechtsoordeel te verkrijgen. (…) De terzake toepasselijke rechtsregels spelen bij die afweging een rol doch zijn voor de beslissing niet allesbepalend. Dit geldt temeer indien over de uitleg van enige rechtsregel in rechtspraak en rechtslitteratuur verschillende opvattingen heersen. (…)
4.5.3
(…) Naar het voorlopig oordeel van het hof zou aan de met art. 7:3 lid 3 BW beoogde bescherming van de koper afbreuk worden gedaan indien [requirant], die te kennen heeft gegeven dat ook voor hem voorop staat dat de levering van de woning aan [gerequireerde 1] c.s. moet doorgaan (pleitaantekeningen eerste aanleg onder 11), die levering feitelijk onmogelijk maakt door vast te houden aan zijn beslag op de koopsom voor dat gedeelte dat niet nodig is voor de aflossing van de hypotheek. Voor zover door dat beslag een patstelling ontstaat die aan een levering als tussen [betrokkene 1] c.s. en [gerequireerde 1] c.s. overeengekomen in de weg staat, moet het belang van [gerequireerde 1] c.s. prevaleren boven het belang van [requirant] bij handhaving van dat beslag.
4.5.4
Het vorenstaande betekent dat reeds daarom de grieven 4, 5, 6 en 9 geen doel treffen. (…) Ook de vraag of de pre-Vormerkungsbeslagleggers al dan niet jegens [requirant] een handelen in strijd met de paritas creditorum zou kunnen worden verweten (…) is een vraag waarvan het antwoord voor de afweging van de belangen van [gerequireerde 1] c.s. in dit kort geding niet van doorslaggevende betekenis is.
4.5.5
Voor voormelde beslissing is evenmin relevant de vraag of de door [betrokkene 1] c.s. met de notaris gemaakte afspraken over de aanwending van de koopsom al dan niet aan de koopsom het karakter ontnemen dat deze aan [betrokkene 1] c.s. is verschuldigd. Gegeven het feit dat de notaris van [betrokkene 1] c.s. de opdracht had gekregen die koopsom aan te wenden ter aflossing van de hypotheekschuld en de schulden van de pre-Vormerkungbeslagleggers, kan de notaris naar het voorlopig oordeel van het hof niet worden verweten dat hij niet bereid was tot afgifte van een verklaring als in het beslagverlof geformuleerd en valt niet in te zien waarom [gerequireerde 1] c.s. het niet willen geven van een dergelijke verklaring door de notaris zou kunnen worden tegengeworpen.
(…)
4.7.2
(…) [E]en afweging van de belangen van de koper tegen die van de post-Vormerkung beslaglegger kan leiden tot een beslissing als hiervoor uiteengezet — de beslissing dat het beslag van de post-Vormerkungbeslaglegger op de koopsom moet worden opgeheven voor zover dit aan levering van het registergoed in de weg staat —(…)
4.9.1
(…) Voor het overige zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd.
4.9.2
[requirant] zal ten aanzien van [gerequireerde 1] c.s. als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen. (…)
4.9.3
De vordering van [requirant] tot terugbetaling van de aan [gerequireerde 1] c.s. betaalde proceskosten van de eerste aanleg zal worden afgewezen.
Klachten
1.1
Met zijn oordeel in rov. 4.5.3 dat het derdenbeslag op de door [gerequireerde 1] bij levering van de woning te betalen koopsom de levering van de woning feitelijk onmogelijk maakt, dat handhaving van het beslag derhalve afbreuk zou doen aan de met artikel 7:3 lid 3 BW beoogde bescherming van de koper en dat het belang van [gerequireerde 1] bij levering om die reden moet prevaleren boven het belang van [requirant] bij handhaving van het beslag, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd. Immers strekt de inschrijving van de koopovereenkomst in het kadaster er — zoals [requirant] heeft gesteld10. — niet toe de koper te beschermen tegen derdenbeslag op de koopsom, ook niet als dit beslag een hindernis vormt voor de effectuering van het recht van de koper op nakoming van de koopovereenkomst.11. Het hof had het derdenbeslag dus niet (relatief) mogen opheffen — dat wil zeggen: bepalen dat het beslag aan betaling van de koopsom aan de notaris niet in de weg staat — op de grond dat dit beslag nakoming van de in het kadaster ingeschreven koopovereenkomst feitelijk onmogelijk maakt.
1.2.1
Mocht aan het oordeel van het hof dat het belang van [gerequireerde 1] bij levering prevaleert boven het belang van [requirant] bij handhaving van het beslag, (mede) ten grondslag liggen dat de toepasselijke rechtsregels voor de uitspraak in kort geding niet allesbepalend zijn (rov. 4.5.2), dan heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of zijn oordeel niet voldoende met redenen omkleed. Immers heeft het hof in dat geval miskend dat de rechter in kort geding zich bij wijze van uitgangspunt moet richten naar de meest waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure.12. Althans is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk op welke grond het hof het derdenbeslag (relatief) heeft opgeheven als die opheffing niet is gegrond op de toepasselijke rechtsregels.
1.2.2
Mocht 's hofs oordeel dat het belang van [gerequireerde 1] moet prevaleren (mede) zijn gegrond op zijn vaststelling dat [requirant] in punt 11 van de pleitnota in eerste aanleg heeft aangegeven dat ook voor hem voorop staat dat de levering van de woning aan [gerequireerde 1] doorgang dient te vinden (rov. 4.5.3), dan berust dat oordeel op een onbegrijpelijke uitleg van de processtukken. Immers heeft [requirant] die stelling blijkens punt 11 van deze pleitnota betrokken in het kader van (de weergave van) zijn voorstel om de opbrengst na voldoening van de hypotheekhouder te verdelen onder alle beslagleggers. In dat licht is onbegrijpelijk 's hofs vaststelling dat [requirant] (onverkort) heeft aangegeven dat de levering doorgang moet vinden. Althans is onbegrijpelijk waarom het hof deze mededeling in het kader van (de weergave van) een voorstel zo zwaar wegend acht dat de belangenafweging in het nadeel van [requirant] uitvalt.
2.
Met zijn oordeel in rov. 4.5.3 dat het derdenbeslag op de koopsom de levering van de woning feitelijk onmogelijk maakt, dat handhaving van het beslag derhalve afbreuk zou doen aan de met artikel 7:3 lid 3 BW beoogde bescherming van de koper en dat het belang van [gerequireerde 1] bij levering om die reden moet prevaleren boven het belang van [requirant] bij handhaving van het beslag, heeft het hof ook anderszins blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd. Immers heeft het hof met dat oordeel miskend dat de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 april 2008 in de zaak tussen [requirant] en [betrokkene 1] naar de eigen vaststelling van het hof in rov. 4.1.1 onder h aan [betrokkene 1] en aan [gerequireerde 1] is betekend onder aanzegging dat het beslag executoriaal is geworden, en dat het conservatoir beslag op de koopsom dus — zoals [requirant] heeft gesteld13. en door [gerequireerde 1] is bevestigd14. — van rechtswege is overgegaan in een executoriaal beslag (artikel 704 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Althans heeft het hof miskend dat een executoriaal beslag alleen (geheel, deels of relatief) kan worden opgeheven als het te executeren vonnis berust op een misslag, het beslag onnodig of vexatoir is, tenuitvoerlegging in een noodtoestand zou resulteren of anderszins misbruik van recht oplevert.15. Het hof mocht het derdenbeslag op de koopsom in dat licht niet (geheel, deels of relatief) opheffen op basis van een afweging van de wederzijdse belangen van [requirant] en [gerequireerde 1].
3.
Mocht het hof zijn oordeel dat het beslag op de koopsom dient te worden opgeheven (impliciet) mede hebben gegrond op het feit dat het beslag is gelegd zonder dat in het proces-verbaal van beslaglegging de in het verlof voorgeschreven tekst was opgenomen, dan heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd. Immers heeft het hof in dat geval miskend dat [requirant] dit verzuim — naar [requirant] onder verwijzing naar het als productie 7 bij memorie van grieven overgelegde herstelexploot heeft aangevoerd16. en het hof in rov. 4.1.1 onder g heeft vastgesteld — bij exploot van 25 juni 2008 heeft laten herstellen. Althans heeft het hof in dat geval miskend dat een gebrek in een beslagexploot in beginsel, althans in de onderhavige omstandigheden, op de voet van artikel 66 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij exploot kan worden hersteld.
4.
Mocht het hof aan zijn oordeel dat het beslag op de door [gerequireerde 1] bij levering van de woning te betalen koopsom dient te worden opgeheven (impliciet) mede ten grondslag hebben gelegd dat de koper de koopsom niet aan de verkoper, maar aan de notaris is verschuldigd, dan heeft het hof eveneens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd. Immers heeft het hof in voorkomend geval met zijn oordeel het betoog van [requirant]17. miskend dat de notaris slechts is aangewezen als het betaaladres.18.
5.
Mocht het hof aan zijn oordeel dat het beslag op de koopsom dient te worden opgeheven (impliciet) mede ten grondslag hebben gelegd dat [requirant] na de levering van de woning geen belang meer heeft bij een vernietiging van de opheffing van het beslag op de koopsom, dan heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd. Immers heeft het hof in dat geval miskend dat de vernietiging van het vonnis, waarbij een beslag uitvoerbaar bij voorraad is opgeheven, bet beslag met terugwerkende kracht doet herleven, en dat dit slechts uitzondering lijdt in het hier niet aan de orde zijnde geval dat er verandering is gebracht in de rechtstoestand van het beslagen goed.19. Althans heeft het hof in dat geval miskend dat de derdebeslagene, die rechtshandelingen verricht met betrekking tot het beslagen goed, gebruik maakt van een aantastbare (processuele) bevoegdheid, derhalve op eigen risico betaalt, en mitsdien jegens de beslaglegger aansprakelijk is voor de schade als de opheffing wordt vernietigd.20. In ieder geval heeft het hof dan miskend dat reeds de veroordeling van [requirant] in de kosten van het geding een voldoende belang oplevert om in appel tegen die opheffing op te komen.21.
6.
's Hofs oordeel in rov. 4.5.4 dat geen sprake is van een doorbreking van de paritas creditorum en dat de grieven geen doel treffen, 's hofs oordeel in rov. 4.5.5 dat de notaris de koopsom mocht aanwenden ter aflossing van de schulden van de pre-vormerkungbeslagleggers en niet de verklaring behoefde af te leggen als in het beslagverlof was geformuleerd, 's hofs overweging in rov. 4.7.2 dat een afweging van de belangen van de koper en de (post-Vormerkung) beslaglegger op de koopsom kan leiden tot opheffing van het beslag voor zover dat beslag aan de levering in de weg staat en 's hofs oordelen in rov. 4.9.1–4.9.3 over de bekrachtiging van het bestreden vonnis en de proceskostenveroordeling, houden op de in onderdelen 1 tot en met 5 genoemde gronden geen stand.
Toelichting
Vooropgesteld moet worden dat inschrijving van de overeenkomst tot koop van een onroerende zaak naar het oordeel van de Hoge Raad niet in de weg staat aan de mogelijkheid om nadien derdenbeslag te leggen op de bij levering te betalen koopsom.
De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 8 oktober 2010 als volgt:22.
‘Met de in art 7:3 BW neergelegde, ook wel als ‘Vormerkung’ aangeduide, rechtsfiguur is beoogd de koper van een registergoed tijdelijk (…) bescherming te bieden in zijn recht op daadwerkelijke nakoming van de koopovereenkomst. De voor de bescherming van het persoonlijk recht van de koper op onbelaste verkrijging noodzakelijk geachte zakelijke werking van de inschrijving van de koop heeft de wetgever nauwkeurig omschreven door in het derde lid van art. 7:3 onder de letters a tot en met g precies te bepalen welke rechtsfeiten niet tegen de koper kunnen worden ingeroepen (…) De daarin gegeven opsomming van rechtsfeiten is limitatief (…). Tot die opsomming behoort niet het hier aan de orde zijnde, blijkens de parlementaire geschiedenis door de wetgever onder ogen geziene geval van derdenbeslag onder de koper op de koopsom. Het middel treft derhalve doel, hoezeer ook in een dergelijk beslag een hindernis gelegen kan zijn voor de effectuering van het recht van de koper op daadwerkelijke nakoming van de koopovereenkomst.’
Broekveldt schreef reeds kort vóór dat arrest dat een beslag op de koopsom niet kan worden opgeheven op de grond dat het beslag niet direct tot verhaal kan leiden:23.
‘Een en ander betekent dat de koper, zolang die onzekerheid of twijfel voortduurt, de koopsom (nog) niet hoeft te betalen, waardoor tevens de verplichting van de verkoper tot levering is opgeschort. Dit alles doet de vraag rijzen of, en zo ja, op welke wijze deze impasse of patstelling kan worden doorbroken. (…) Anders dan Dammingh (…), meen ik echter dat deze patstelling niet zonder meer een grond, voor opheffing van het (conservatoir) beslag onder de koper op de voet van art. 705 lid 2 behoort op te leveren. Immers, de enkele omstandigheid dat het derdenbeslag, dat in beginsel doel heeft getroffen nu het is gelegd op een voor beslag vatbare vordering, niet meteen tot verhaal zal kunnen leiden, vormt (…) rechtens geen of onvoldoende grond voor een dergelijke opheffing. (…) Om een beslag als vexatoir te bestempelen, is veel meer vereist: er moet dan van onrechtmatig misbruik van recht of bevoegdheid aan de zijde van de beslaglegger bij handhaving van het beslag gesproken kunnen worden, wat een vrij zware eis is. (…) Het hier betoogde geldt nog in versterkte mate in het geval van een onder de koper gelegd executoriaal derdenbeslag.’
Vervolgens is van belang dat het verlof voor het beslag op de koopsom in de onderhavige zaak — conform verzoek van [requirant]24. — op een afgewogen wijze is verleend. Het beslag is namelijk beperkt tot het gedeelte van de koopsom dat niet nodig is voor de aflossing van de hypotheek. Naar [requirant] heeft aangevoerd is het beslag net zo ver strekkend als bet beslag in de zaak die leidde tot het arrest van 8 oktober 2010.25. Bepaald is dat het verlof niet de storting aan de notaris blokkeert mits de notaris aangeeft dat hij bet deel van de koopsom dat niet voor de aflossing van de hypotheek is bestemd in depot houdt zolang het beslag loopt. In de onderhavige zaak heeft de notaris deze verklaring echter niet kunnen afleggen. De reden is dat de levering niet conform de koopovereenkomst kon plaatsvinden zonder betaling van de partijen die reeds voor de Vormerkung beslag op de woning hadden gelegd.
In dat licht heeft het hof in de visie van [requirant] ten onrechte overwogen dat handhaving van het beslag afbreuk zou doen aan de met de Vormerkung beoogde bescherming van de koper. Het hof had dus ook niet het vonnis mogen bekrachtigen waarbij de rechtbank bad bepaald dat het (inmiddels executoriale) beslag op de koopsom niet aan de betaling van de koopsom in de weg staat. Het derdenbeslag op de koopsom wordt dan immers opgeheven op de grond dat dit beslag, gelet op de prevormerkungbeslagen op de woning, aan levering in de weg staat. Dat oordeel is onverenigbaar met het oordeel van de Hoge Raad dat derdenbeslag op de koopprijs mogelijk is, hoezeer ook in een dergelijk beslag een hindernis gelegen kan zijn voor de effectuering van het recht van de koper op nakoming van de koopovereenkomst.
Dit geldt temeer nu het derdenbeslag op de koopsom door de betekening aan [betrokkene 1] en [gerequireerde 1] op 8 mei 2008 respectievelijk 16 mei 2008 van het tussen [requirant] en [betrokkene 1] gewezen vonnis executoriaal is geworden. Een executoriaal beslag kan uitsluitend (geheel, deels of relatief) worden opgeheven als de te executeren titel berust op een misslag of als tenuitvoerlegging misbruik van procesrecht op zou leveren. Anders dan bij conservatoir beslag, kan een executoriaal beslag niet op basis van een belangenafweging worden opgeheven. Het hof lijkt dit te hebben miskend.
Op voornoemde gronden meent [requirant] dat de (relatieve) opheffing van het beslag niet in stand kan blijven. De betaling van de koopsom door [gerequireerde 1] kan dan niet aan [requirant] als beslaglegger worden tegengeworpen (artikel 475 h Rv). Met de vernietiging van de opheffing van het beslag zou dat beslag namelijk herleven. Dit lijdt slechts uitzondering als er, bijvoorbeeld door vervreemding, verandering is gebracht in de rechtstoestand van een goed. Die uitzondering doet zich hier niet voor.
In ieder geval heeft [gerequireerde 1] gebruik gemaakt van de aantastbare processuele bevoegdheid om de koopsom aan de notaris te voldoen. [gerequireerde 1] had immers ook een beroep kunnen doen op de opschortingsbevoegdheid ex art 6:37 BW. Mitsdien is [gerequireerde 1] bij vernietiging van de opheffing van het beslag minst genomen schadeplichtig jegens [requirant]. Zou dit anders zijn, dan zou een uitvoerbaar verklaarde opheffing van een derdenbeslag materieel onomkeerbaar zijn, zelfs als die uitspraak
door een hogere rechter wordt vernietigd. Dit is geen juiste en wenselijke uitkomst.
En mitsdien:
Op grond van bovenstaand middel van cassatie te horen vernietigen het arrest waartegen dat middel is gericht, met zodanige verdere uitspraak als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, ook omtrent de kosten van het geding.
De kosten dezes van mij, deurwaarder, zijn | [€ | 76,31 |
€ | 14,50 | |
€ | 90,81] |
[Eiser(es) kan op grond van de Wet Omzetbelasting 1968 de hem / haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet verrekenen, derhalve verklaart ondergetekende opgemelde kosten te hebben verhoogd met een percentage gelijk aan het percentage genoemd in bovengenoemde wet.]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑12‑2011
Arrest hof Den Bosch van 25 oktober 2011, rov. 4.1.1 sub (a) en (c).
Arrest hof Den Bosch van 25 oktober 2011, rov. 4.1.1 sub (d).
Arrest hof Den Bosch van 25 oktober 2011, rov. 4.1.1 sub (e) en (f).
Arrest hof Den Bosch van 25 oktober 2011, rov. 4.1.1 sub (g).
Arrest hof Den Bosch van 25 oktober 2011, rov. 4.1.1 sub (h).
Arrest hof Den Bosch van 25 oktober 2011, rov. 4.1.1 sub (i)en(j).
Arrest hof Den Bosch van 25 oktober 2011, rov. 4.1.4.
Arrest hof Den Bosch van 25 oktober 2011, rov. 4.1.1 sub (k).
Mvg III.13-III.15 (grief 6), III.18 en III.22-III.26 (grief 9); Pleitnota mr. Littooij (hoger beroep), punten II.3, II.8 en II.9.
HR 8 oktober 2010 (Van den Berg/Bernhard), RvdW 2010/1166, rov. 3.3.2.
HR 21 april 1995 (Boehringer/Kirin Amgen), NJ 1996/462, rov. 3.4.
Mvg II.4, onder verwijzing naar: Productie 9 bij mvg: Betekening op 8 mei 2008 van het op 23 april 2008 gewezen vonnis tussen [requirant] en [betrokkene 1] aan [betrokkene 1] en Productie 10 bij mvg: Betekening op 16 mei 2008 van het op 23 april 2008 gewezen vonnis tussen [requirant] en [betrokkene 1] aan [gerequireerde 1] alsmede Mvg III.4 en pleitnota (eerste aanleg) punt 7.
MvA 3.9 en 7.5.
HR 22 april 1983 (Ritzen/Hoekstra), NJ 1984/145, rov. 3.2; HR 30 oktober 1992 (Zegwaard/De Baat), NJ 1993/4, rov. 3.3; HR 5 november 1993 (De Wit/Van den Berg), NJ 1994/154, rov. 33 en Mijnssen/Van Mierlo, Materieel Beslag, Deventer: Kluwer 2009, nr. 1.15 onder b.
Mvg II.3, onder verwijzing naar Productie 7 bij mvg: Herstelexploot van 25 juni 2008.
Mvg III.9 en III.10.
Broekveldt, Vormerkung, beslag, rangorde en de notaris (Ars Notariatus 144), Deventer: Kluwer 2010, nr. 8.2.2 (pagina 93); Dammingh, Beslag na een Vormerkung, WPNR 2010-6825, punt 3 en Conclusie A-G vóór HR 8 oktober 2010 (Van den Berg/Bernhard), RvdW 2010/1166, punten 2.7–2.9.
HR 5 september 2008 (Forward/HuberX), NJ 2009/154, rov. 3.3.4; HR 26 mei 2000 (Aruba/Boeije), NJ 2001/388, rov. 3.3.2; noot Ras onder HR 20 januari 1995 (Smokehouse/Culimer), NJ 1995/413, punt 7 en HR 23 februari 1996 (Kreditbank/KIVO), NJ 1996/434, rov. 3.3.
Broekveldt, Derdenbeslag (diss), Deventer: Kluwer 2003, nr. 413 (pagina 683 onderaan).
HR 22 september 2006 (Aruba/New Millenium Telecom), NJ 2007/188, rov. 3.2.2; HR 14 januari 2000, NJ 2000/188, rov. 3.3 en HR 18 februari 1994, NJ 1994/406, rov. 3.6.
HR 8 oktober 2010 (Van den Berg/Bernhard), RvdW 2010/1166, rov. 3.3.2.
Broekveldt, Vormerkung beslag, rangorde en de notaris (Ars Notariatus 144), Deventer: Kluwer 2010, nr. 8.2.2 en 8.2.3 (pagina 94);
Pleitnota mr. Littooij (eerste aanleg), punt 4 en Pleitnota mr. Littooij (hoger beroep), punt II.6.
Pleitnota mr. Littooij (hoger beroep), punt II.6.