Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.2.1
11.2.1 De benadering door de Hoge Raad van mensenrechten en uitlevering
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS450997:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 173 e.v. en H. Sanders, Handboek Uitleverings- en Overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 97-98.
De Hoge Raad kan uitleveringszaken beoordelen als cassatierechter dan wel feitenrechter na het vonnis van de rechtbank als eigenlijke uitleveringsrechter en als civiele cassatierechter in de kortgedingprocedure tegen de beslissing van de minister.
HR 29 mei 1990, NJ 1991, 467; HR 5 maart 1991, NJ 1991, 547; HR 9 april 1991, NJ 1991, 696; HR 7 mei 1996, NJ 1996, 586; HR 16 december 1997, NJ 1998, 388; HR 28 maart 2000, NJ 2000, 367; HR 26 september 2000, NJ 2000, 702.
HR 29 mei 1990, NJ 1991, 467; HR 5 maart 1991, NJ 1991, 547; HR 9 april 1991, NJ 1991, 696; HR 16 december 1997, NJ 1998, 388; HR 28 maart 2000, NJ 2000, 367; HR 26 september 2000, NJ 2000, 702; HR 13 november 2001, NJ 2002, 244; HR 11 maart 2003, NJ 2004, 42; HR 20 mei 2003, NJ 2004, 41; HR 7 september 2004, NJ 2004, 595; HR 25 mei 2004, NJ 2005, 243.
HR 11 maart 2003, NJ 2004, 42 en HR 20 mei 2003, NJ 2004, 41.
EHRM 4 oktober 2007, nr. 12049/06 (Cenaj/Griekenland en Albanië). Zie hierover uitgebreid N. Rozemond, Begrensd vertrouwen, Mensenrechtenbescherming bij uitlevering en overlevering, Preadvies voor de vergadering van de Christen Juristen Vereniging op 15 mei 2009, Zutphen: Paris 2009, m.n. p. 29 e.v.
EHRM 12 april 2005, nr. 36378/02 (Shamayev e.a./Georgië en Rusland). Zie hierover uitgebreid N. Rozemond, Begrensd vertrouwen, Mensenrechtenbescherming bij uitlevering en overlevering, Preadvies voor de vergadering van de Christen Juristen Vereniging op 15 mei 2009, Zutphen: Paris 2009, p. 33 e.v.
HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533.
HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533. Vgl. ook HR 20 mei 2003, NJ 2004, 41.
HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533; HR 17 december 1996, NJ 1997, 534.
HR 26 juni 2007, LJN BA0875, r.o. 3.3.
HR 20 mei 2003, NJ 2004, 41.
Zie EHRM 1 juni 2010 (Gäfgen /Duitsland, zaak 22978/05; NJ 2010, 628 m.nt. Buruma). Het EHRM komt in casu overigens tot de conclusie dat de schending onvoldoende is geredresseerd.
HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533; HR 17 december 1996, NJ 1997, 534.
HR 13 juni 1989, NJ 1990, 84; HR 9 april 1991, NJ 1991, 696; HR 8 juli 1992, NJ 1993, 15; HR 25 mei 2004, NJ 2005, 243.
Zie over de noodzaak van een dergelijke toets, in elk geval bij mogelijke schendingen van art. 3 EVRM: EHRM 15 november 1996, 22414/93 (Chahal/Verenigd Koninkrijk; NJ 1997, 301 m.nt. Boon), r.o. 150-151.
HR 30 maart 1990, NJ 1991, 249, m. nt. A.H.J. Swart (Short).
R.o. 3.3.
R.o. 3.4.
R.o. 3.5.
HR 15 september 2006, LJN AV7387.
Hof Den Haag 20 januari 2005, LJN AS3366.
Vz. Rb. ’s-Gravenhage 8 november 2004, LJN AR5322.
HR 15 september 2006, LJN AV 7387, r.o. 3.3.
R.o. 3.3.
EHRM 15 november 1996, 22414/93 (Chahal/Verenigd Koninkrijk; NJ 1997, 301 m.nt. Boon).
R.o. 3.4.4.
Zie nader: V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 44-47.
HR 15 september 2006, LJN AV7387, r.o. 3.4.2.
Hof Den Haag 28 mei 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:CA0537.
Hof Den Haag 23 juli 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:2690.
HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680.
Deze zaak maakt overigens ook duidelijk dat aan de negatieve uitkomst van de uitleveringsprocedure, zeker in ruime zin, namelijk inclusief de kortgedingprocedure, geen ne bis in idem-werking toekomt. Op grond van een brief van de Amerikaanse autoriteiten van oktober 2014 is K. in november 2014 namelijk opnieuw aangehouden om te worden uitgeleverd. Op 20 januari 2015 heeft de voorzieningenrechter in de Rechtbank Den Haag in kort geding diens uitlevering echter opnieuw verboden omdat deze brief onvoldoende opheldering biedt (ECLI:NL:RBDHA:2015:471).
Bevoegdheidsverdeling rechter en minister
Een goed begrip van de beoordeling door de Hoge Raad van mensenrechtenverweren in het uitleveringsrecht is niet mogelijk zonder zicht te hebben op de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister. Immers, met de door de uitleveringsrechter aangelegde toets is de beoordeling van een uitleveringsverzoek nog niet voltooid. Nadien is namelijk de minister aan zet en kan via een kort geding ook nog de (civiele) rechter worden geadieerd. De beoordeling van de verschillende mensenrechtenverweren die kunnen worden gevoerd, is verdeeld over de verschillende bevoegde autoriteiten en eerst door een volledig beeld van die verdeelde beoordeling ontstaat een integraal beeld van de wijze waarop in het Nederlandse rechtssysteem uitleveringsverzoeken worden getoetst op mensenrechtelijke conformiteit.
De eerste formele beoordeling van een uitleveringsverzoek geschiedt door de uitleveringsrechter. De officier van justitie ontvangt het verzoek van de minister en vordert dat de rechtbank het verzoek in behandeling zal nemen (art. 23 UW). De rechtbank kan vervolgens het verzoek toelaatbaar dan wel ontoelaatbaar achten (art. 28 UW). Is het verzoek toelaatbaar verklaard door de rechtbank, dan stuurt de rechtbank haar advies mee ‘omtrent het aan het verzoek tot uitlevering te geven gevolg’ (art. 30 lid 2 UW). Tegen de uitspraak van de rechtbank staat cassatieberoep open (art. 31 UW). In geval van vernietiging van de uitspraak van de rechtbank beoordeelt de Hoge Raad de zaak zelf en treedt dan dus ook op als feitenrechter. Doorgaans vindt deze beoordeling plaats in een tweede procedure na vernietiging van het vonnis, maar dat is niet noodzakelijk (art. 31 lid 8 UW).
Na deze rechterlijke fase vindt de bestuurlijke fase plaats. De minister beslist na ontvangst van de stukken zo spoedig mogelijk op het uitleveringsverzoek. Indien het verzoek ontoelaatbaar is verklaard, is de minister aan dat oordeel gebonden en kan hij het verzoek slechts afwijzen (art. 33 lid 2 UW), tenzij het enkel om ongenoegzaamheid van de stukken gaat. In dat geval kan de minister zijn beslissing aanhouden, teneinde de autoriteiten van de verzoekende staat in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen (art. 33, derde en vierde lid, UW). Is het verzoek toelaatbaar verklaard, dan kan de minister het verzoek inwilligen of alsnog afwijzen. Tegen de beslissing van de minister staat op grond van de Uitleveringswet geen bezwaar of beroep open. Wel kan de opgeëiste persoon een procedure in kort geding beginnen tegen de staat teneinde een verbod op uitlevering te verkrijgen. Inmiddels is deze kortgedingprocedure in uitleveringszaken in geval van een ingewilligd verzoek uitgegroeid tot een gangbare, en met het oog op artikel 13 EVRM (het recht op een ‘effective remedy’) noodzakelijke, ‘tweede’ rechtsgang.1
De afgebakende bevoegdheid van de uitleveringsrechter (in eerste instantie de rechtbank en in cassatie en eventuele tweede feitelijke instantie de Hoge Raad) enerzijds en de minister (met eventuele toets door de voorzieningenrechter) anderzijds, werkt ook door in de door de uitleveringsrechter respectievelijk minister te beoordelen mensenrechtelijke aspecten van een uitleveringsverzoek. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad als cassatierechter in eigenlijke uitleveringszaken2 is de verantwoordelijkheid af te leiden die de uitleveringsrechter heeft bij de beoordeling van mensenrechtenverweren. Inmiddels is sprake van een bestendige lijn in de rechtspraak van de Hoge Raad.
De Hoge Raad formuleert sinds het arrest-Soering van het EHRM het criterium waaraan de uitleveringsrechter een mensenrechtenverweer moet toetsen als volgt. Voorop moet worden gesteld dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon zal respecteren, aldus de Hoge Raad. Dat beginsel kan uitzondering lijden indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge het EVRM toekomend recht dat de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat.3
Beoordeling door uitleveringsrechter: eerlijk proces
De uitleveringsrechter buigt zich in beginsel slechts over een tweetal categorieën mensenrechtenverweren. De eerste betreft een dreigende flagrante schending van het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces.4 Een uitzondering op het vertrouwensbeginsel moet worden gemaakt indien de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht, dat de verplichting ex artikel 1 EVRM in de weg staat aan nakoming van de uitleveringsverplichting op grond van het uitleveringsverdrag. Aan dat criterium is in 2003 een tweede voorwaarde toegevoegd, namelijk dat daarnaast vast moet komen te staan dat in de verzoekende staat de opgeëiste persoon ter zake van die inbreuk geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste zal staan.5
Eis afwezigheid ‘effective remedy’
Deze eis van afwezigheid van een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM lijkt in overeenstemming te zijn met de eerder besproken benadering van het EHRM, in elk geval waar het om uitlevering aan een verdragspartij bij het EVRM gaat. In het arrest-Cenaj6overweegt het Hof dat in een dergelijk geval het garanderen van de in artikel 6 (en 7) EVRM opgenomen mensenrechten niet de verantwoordelijkheid is van de aangezochte staat, in casu Griekenland, maar van de verzoekende staat, in casu Albanië. Uit de jurisprudentie van het EHRM lijkt op te maken dat dit vertrouwen op de rechter van de andere staat niet kan worden gehanteerd bij dreigende schendingen van artikel 3 EVRM.7 In Nederland is het de minister die daar in beginsel over oordeelt, maar een belangrijke rol is in dergelijke zaken weggelegd voor de rechter in kort geding. Diens benadering komt later nog aan de orde.
Beoordeling door uitleveringsrechter: foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing
De tweede categorie uitleveringsverweren die onderworpen zijn aan het oordeel van de uitleveringsrechter betreft voltooide schending van het verbod van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.8 Het moet dan echter wel gaan om een schending van dat verbod die heeft plaatsgevonden (1) ten aanzien van de opgeëiste persoon9 (2) in het kader van het onderzoek naar de feiten ter zake waarvan de uitlevering is verzocht.10 In latere jurisprudentie heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de uitlevering in elk geval moet worden geweigerd wanneer de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor uitlevering is verzocht door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd.11 Daarmee nam de Hoge Raad de verwarring weg die was ontstaan naar aanleiding van zijn arrest van 20 mei 2003,12 waarin een aangevoerde voltooide schending van artikel 3 EVRM in de sleutel van artikel 6 EVRM werd gezet en de aanvullende eis van afwezigheid van een effectief rechtsmiddel daartegen werd gesteld. Dat de Hoge Raad deze stellige plicht tot weigering beperkt tot de zwaarste schendingen van artikel 3 EVRM is in het licht van de jurisprudentie van het EHRM begrijpelijk; het EHRM ziet immers zelfs ruimte voor een geslaagde strafvervolging tegen een verdachte die in verband met de zaak waarvoor hij wordt vervolgd in strijd met artikel 3 EVRM is onderworpen aan ‘slechts’ een vernederende en onmenselijke behandeling.13 Niettemin zal in dergelijke gevallen bijzondere aandacht moeten worden besteed aan de precieze omstandigheden van het geval en vooral de te verwachten mogelijkheden van redres in de verzoekende staat.
De beoordeling, ten slotte, van andere voltooide schendingen van het verbod van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing14 alsmede dreigende schendingen van dat verbod is en blijft voorbehouden aan de minister.15 De ratio van deze laatste bevoegdheidstoedeling is dat de minister beter in staat is om garanties te bedingen en op die manier de dreiging weg te nemen.
Kort geding tegen beslissing minister
Uitleveringsverweren die in eerste instantie aan de beoordeling van de rechter onttrokken zijn, kunnen nadat de minister heeft getoetst alsnog worden onderworpen aan het oordeel van de rechter en wel via het kort geding tegen de beslissing tot feitelijke uitlevering van de minister. In veel gevallen heeft die rechter in kort geding dus het laatste woord hebben en zal uit die jurisprudentie de uiteindelijke werking van het vertrouwensbeginsel het best blijken.
Met deze rechterlijke toets is gegarandeerd dat er rechterlijk toezicht bestaat op het handelen van het bestuur. Vooral bij mogelijke mensenrechtenschendingen is die toets belangrijk omdat daarmee wordt voorzien in een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM tegen die mogelijke schending.16
De weg van een kort geding tegen een beslissing tot uitlevering van de minister wordt met enige regelmaat bewandeld. Slechts een zeer beperkt aantal van die korte gedingen leidt tot een beslissing in cassatie door de Hoge Raad. Die zaken zijn evenwel van groot belang voor de bespreking van de rol van het vertrouwensbeginsel in kort geding, hetgeen een nadere bespreking rechtvaardigt.
De zaak-Short
De eerste zaak, de zaak-Short17 was een baanbrekend arrest, waarin, nadat het EHRM het arrest-Soering had gewezen, definitief werd erkend dat de verplichting op grond van artikel 1 EVRM om de mensenrechten van een persoon die onder Nederlandse rechtsmacht ressorteert te garanderen aan uitlevering in de weg kan staan. Het betrof immers een verzoek tot uitlevering aan de Verenigde Staten die mogelijk tot voltrekking van een doodvonnis zou leiden. Hoewel het in deze zaak, anders dan in de zaak-Soering, niet om artikel 3 EVRM ging, maar om de doodstraf als zodanig, oordeelt de civiele kamer van de Hoge Raad dat een vergelijkbare bescherming op grond van artikel 1 EVRM dient te worden geboden:
‘Ter zake van art. 2 EVRM, in samenhang met art. 1 van het Zesde Protocol, is immers een vergelijkbare gedachtengang op haar plaats als die welke het EHRM in par. 88 van zijn voormelde uitspraak [het arrest-Soering, TK] heeft gevolgd ten aanzien van art. 3 EVRM in een geval waarin het Zesde Protocol niet van toepassing was.’18
Het Zesde Protocol bij het EVRM, dat de doodstraf in vredestijd verbiedt, was ten tijde van het arrest-Short reeds in werking getreden zodat een vrij duidelijke norm (geen doodstraf) tegenover een vrij duidelijk mogelijk gevolg van uitlevering stond (doodstraf niet uitgesloten). Daarmee was evenwel nog niet alles gezegd, omdat ook dan de ene verdragsrechtelijke verplichting (niet uitleveren op grond van het EVRM) tegenover de andere verdragsrechtelijke verplichting stond (wel uitleveren op basis van het uitleveringsverdrag, in dit geval het NAVO-statusverdrag). De Hoge Raad oordeelde dat de eerste in casu de doorslag gaf:
‘[I]n dit verband [zal het] aankomen op de vraag of, gelet op alle omstandigheden van het geval, bij afweging van de betrokken belangen – waaronder de nationale en internationale belangen die bij de nakoming van beide verdragsverplichtingen betrokken zijn – de betreffende verdragsverplichting voor de Staat een zo zwaarwegend beletsel vormt om aan zijn verplichting jegens de betreffende burger te voldoen, dat nakoming van zijn verplichting jegens die burger van hem niet kan worden gevergd en dus niet kan worden bevolen’.19
‘Gezien het grote gewicht dat moet worden toegekend aan het recht niet de doodstraf te ondergaan, kan de afweging niet anders dan in het voordeel van [de opgeëiste persoon] uitvallen.’20
In de kern komt het erop neer dat de Hoge Raad de verplichting tot uitlevering niet vindt opwegen tegen de schending van, in dit geval, het Zesde Protocol bij het EVRM.
De zaak-Kesbir
Ook na het arrest-Short bleef echter de vraag hoe een mensenrechtenverweer in kort geding zou worden beoordeeld (1) wanneer de dreigende schending minder eenvoudig is vast te stellen en (2) of daarbij onderscheid moet worden gemaakt tussen staten die partij zijn bij het EVRM enerzijds en staten die dat niet zijn anderzijds. In het arrest-Kesbir spelen die beide vragen een rol.
De civiele kamer van de Hoge Raad21 oordeelt in de zaak-Kesbir in cassatie over het arrest in kort geding van het gerechtshof Den Haag.22 Dat had het verbod tot uitlevering van de voorzieningenrechter bekrachtigd.23 In cassatie spitst het geding zich toe op de vrees voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De Hoge Raad gaat ervan uit
‘dat uitlevering een schending kan opleveren van art. 3 EVRM indien de uitgeleverde persoon een reëel gevaar loopt om in het ontvangende land gefolterd te worden of anderszins een onmenselijke of vernederende behandeling te ondergaan’.24
Het criterium is derhalve of de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt. Tegen die dreigende schending moet de aangezochte staat een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM bieden.25 Vervolgens gaat de Hoge Raad in op de verhouding tussen de verplichtingen uit het EVRM en die uit het uitleveringsverdrag. Hij overweegt dienaangaande dat
‘[t]en aanzien van de verhouding tussen deze bepalingen van het EVRM en het op het onderhavige geval van toepassing zijnde Europees Verdrag betreffende uitlevering (…) tot uitgangspunt [dient] te worden genomen dat niet kan worden aanvaard dat het enkele feit dat de Staat zich tot een bepaalde gedraging bij verdrag heeft verplicht, de Nederlandse rechter zou beletten te beoordelen of de Staat door die gedraging inbreuk maakt op een andere verdragsnorm waaraan de burgers rechtstreeks rechten kunnen ontlenen, en aldus of de Staat jegens hen onrechtmatig handelt’
en verwijst daarbij naar de zaak-Short. De belangenafweging tussen enerzijds de verplichting tot uitlevering en anderzijds de verplichting de opgeëiste persoon te behoeden voor schending van zijn in artikel 3 EVRM gegarandeerde rechten, waarop de Hoge Raad in Short nog zeer sterk leunde lijkt nu naar de achtergrond gedrongen. Hoewel de laatst geciteerde overweging van de Hoge Raad er niet zonder meer op neerkomt dat de daarin genoemde beoordeling ook altijd in het voordeel van het EVRM uit moet vallen, lijkt de Hoge Raad toch in wat algemenere zin te aanvaarden dat de uitlevering bij strijd tussen de verplichtingen uit het EVRM en die uit het uitleveringsverdrag verboden dient te worden, althans voor zover het gaat om artikel 3 EVRM. Gelet op het eerder besproken arrest-Short, zal iets soortgelijks ook gelden voor de dreigende oplegging en voltrekking van de doodstraf en mogelijk ook voor de flagrante schending van artikel 6 EVRM. Wel kan hier de kanttekening worden gemaakt dat artikel 3 EVRM, als vertaling van het als jus cogens aan te merken verbod op foltering, deels (namelijk voor zover het foltering verbiedt) van een andere volkenrechtelijke rangorde is dan het verbod op de doodstraf en het recht op een eerlijk proces, welke tot op heden die status nog niet hebben verkregen.
Procedureel is verder belangrijk de overweging van de Hoge Raad waarin hij de omvang van de beoordeling door de rechter in kort geding uiteenzet. Het hof was uitgegaan van een marginale toetsing van het besluit van de minister met de aantekening dat de beleidsvrijheid van de minister is ingeperkt door de verplichtingen uit het EVRM. De Hoge Raad overweegt echter, onder verwijzing naar een in de conclusie van de advocaat-generaal aangehaalde passage uit het (vreemdelingenrechtelijke) arrest-Chahal van het EHRM,26 simpelweg dat
‘indien tegen een beslissing om uitlevering toe te staan wordt opgekomen met de stelling dat uitlevering strijdig is met art. 3 EVRM, de toetsing van die beslissing door de burgerlijke rechter aan dat artikel een volledige dient te zijn’.27
De rechter in kort geding dient bij een verweer gebaseerd op art. 3 EVRM dus zelfstandig te beoordelen of er een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon een met dat artikel strijdige behandeling zal ondergaan. In dit verband is het van belang te onderkennen dat de toets door de kortgedingrechter een andere is dan de toets door de uitleveringsrechter. Hoewel de kortgedingrechter niet mag volstaan met een marginale toets van de beslissing van de minister (althans niet waar het om schending van artikel 3 EVRM gaat), dient de kortgedingrechter eventueel bedongen garanties wel mee te wegen. Omdat het oordeel van de uitleveringsrechter voorafgaat aan de beslissing van de minister, en de garanties die de minister eventueel bedingt op dat moment niet bekend zijn, is de uitleveringsrechter daar niet toe in staat. Juist dit verschil verklaart de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister, en in het verlengde daarvan tussen de uitleveringsrechter en de kortgedingrechter die de beslissing van de minister toetst.28 In het verlengde daarvan ligt het voor de hand dat die beoordeling bovendien ex nunc moet zijn. Alle feiten en omstandigheden moeten bij dat oordeel worden betrokken.
De tussenconclusie is dus zonder meer dat de rechter in kort geding zich indien een daartoe strekkend verweer wordt gevoerd, ten volle dient te buigen over de vraag of er een reëel gevaar is dat de op grond van artikel 3 EVRM aan de opgeëiste persoon toekomende rechten worden geschonden na uitlevering. Indien dat gevaar er is dient de burgerlijke rechter daartegen een effectief rechtsmiddel te bieden, wat erop neerkomt dat in een dergelijk geval de verplichting op grond van het EVRM prevaleert boven die op grond van het uitleveringsverdrag. Het vertrouwensbeginsel houdt derhalve geenszins in dat er zonder meer op wordt vertrouwd dat de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon na uitlevering zullen worden geëerbiedigd, ook niet wanneer de verzoekende staat, zoals in casu Turkije, partij is bij het EVRM.
De vraag blijft dan of het vertrouwensbeginsel toch een zekere rol speelt en zo ja, welke dat is. Aanwijzingen daarvoor zijn te vinden in rechtsoverweging 3.4.2. De Hoge Raad gaat daar in op de klacht dat het Hof onvoldoende betekenis heeft gehecht aan het vertrouwensbeginsel. Dat is volgens de Hoge Raad niet het geval. Van belang daarvoor is de wijze waarop het Hof de Turkse toezeggingen had beoordeeld. Die toezeggingen waren namelijk vrij algemeen van aard en hielden in feite niet meer in dan dat Turkije zijn verplichtingen voortvloeiend uit het EVRM zou nakomen. Het Hof oordeelde dat die toezeggingen niet toereikend waren. Het nam daarbij tot uitgangspunt dat in beginsel op de toezeggingen moet worden vertrouwd. Het Hof ging vervolgens echter in op de vraag of die toezeggingen ook inhoudelijk toereikend waren. Daarbij was van belang dat, hoewel in Turkije veel verbeterd was op het gebied van naleving van de mensenrechten, die verbeteringen niet hadden kunnen verhinderen dat martelingen en vergelijkbare praktijken nog niet tot het verleden behoren. Het respect voor de mensenrechten was, kort en simpel gezegd, nog niet tot in alle overheidslagen doorgedrongen. Het Hof achtte het onvoldoende aannemelijk dat dat was toe te schrijven aan onwil van de Turkse regering en meende dat het eerder het gevolg was van het feit dat de hervormingen van betrekkelijke recente datum waren. Het betekende wel dat de algemene garanties van de Turkse regering niet toereikend waren nu die niet zouden kunnen verhinderen dat de opgeëiste persoon toch een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling ten deel zou vallen. Daarvoor zouden meer concrete waarborgen nodig zijn.
Hoewel de Hoge Raad het onderscheid zelf niet expliciet maakt, lijkt hieruit te kunnen worden afgeleid dat het vertrouwensbeginsel in dit verband de betekenis heeft dat er in beginsel op moet worden vertrouwd dat de verzoekende staat eventuele toezeggingen te goeder trouw doet. Dat vertrouwen is echter niet voldoende. Het is mogelijk dat (de regering van) de verzoekende staat een bepaalde toezegging oprecht doet, maar daarmee de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon nog niet voldoende zijn gewaarborgd. Het hof ging er in de zaak-Kesbir vanuit dat de Turkse regering zijn toezegging oprecht deed, maar dat met die toezegging nog niet was gegarandeerd dat Kesbir niet zou worden gemarteld. Daarvoor waren concretere toezeggingen nodig waaraan de verzoekende staat vervolgens ook zou kunnen worden gehouden. De toezegging zal dan op zijn minst in moeten houden
‘dat en op welke wijze de Turkse autoriteiten er in de praktijk voor zullen zorgdragen dat de justitiële en andere functionarissen met wie [de opgeëiste persoon] tijdens haar detentie en berechting in aanraking zal komen, haar niet zullen martelen of aan enige andere onmenselijke behandeling zullen blootstellen’.29
Het uitgangspunt is dus goede trouw van de verzoekende staat. Dat brengt mee dat het vertrouwensbeginsel sterker werkt naarmate de regering van de verzoekende staat directer invloed uit kan oefenen op het al dan niet plaatsvinden van een schending. In dat geval betekent het vertrouwen op de oprechtheid van de toezeggingen immers dat die toezegging gestand wordt gedaan en, omdat de toezeggende instantie een en ander eenvoudig kan beïnvloeden, er daardoor niet snel sprake is van een reëel gevaar. Is die invloed indirecter dan zal de toezeggende instantie nader moeten specificeren hoe hij zijn oprechte voornemen wil en denkt te kunnen effectueren. De rechter in kort geding zal vervolgens moeten beoordelen of die concrete invulling voldoende is om het reële gevaar weg te nemen.
Bovendien zal eerder sprake zijn van een reëel gevaar naarmate de positie van de opgeëiste persoon een meer bijzondere is (zoals in het geval van Kesbir, die kopstuk was van de PKK, de Koerdische Arbeiderspartij). Daar komt nog bij dat structurele kenmerken van het rechtssysteem van de verzoekende staat in beginsel slechts onder bijzondere omstandigheden geacht moeten worden een reëel gevaar te vormen. Dat vloeit voort uit het feit dat de verzoekende staat partij is bij het EVRM dan wel uit het feit dat met de verzoekende staat een uitleveringsverdrag is gesloten en voortgezet.
De zaak-Sabir K.
Recent draaide het in de zaak-Sabir K. ook om mensenrechtelijke verweren in een uitleveringszaak. In die zaak gaat het om de voorgenomen uitlevering aan en op verzoek van de Verenigde Staten van een opgeëiste persoon met zowel de Nederlandse als de Pakistaanse nationaliteit. K. wordt verdacht van betrokkenheid bij gevechten in Afghanistan voor Al Qaida tegen Amerikaanse militairen. Hij is vanuit Pakistan uitgezet naar Nederland en bij aankomst aangehouden naar aanleiding van een verzoek tot voorlopige aanhouding van de Amerikaanse autoriteiten. Cruciaal is dat in deze procedure als vaststaand wordt aangenomen dat K. in Pakistan door de Pakistaanse geheime dienst is gefolterd. De beoordeling draait om de betrokkenheid van de Verenigde Staten bij de aanhouding van K. in Pakistan en de daaropvolgende foltering. Het gerechtshof Den Haag houdt in kort geding de zaak aan teneinde de Staat in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of de Verenigde Staten (eerst) aan de Pakistaanse autoriteiten hebben verzocht om K. aan te houden.30 Als dat het geval is, moet de uitlevering volgens het hof worden verboden omdat de Amerikaanse autoriteiten dan de foltering van K. hebben bewerkstelligd doordat zij wisten of hadden moeten weten dat foltering het onvermijdelijke gevolg van de aanhouding van K. zou zijn. Dat onderzoek kan volgens het hof gelet op het vertrouwensbeginsel tussen beide staten beperkt blijven tot de vraag aan de Amerikaanse autoriteiten of zij, voorafgaand aan de feitelijke aanhouding van K. in Pakistan, aan de Pakistaanse autoriteiten hebben verzocht om hem aan te houden. De Staat stelt zich echter principieel op en voert het genoemde onderzoek niet uit omdat hij het niet eens is met het tussenarrest van het hof. Maar ook het hof houdt voet bij stuk, weigert op de beslissing in het tussenarrest terug te komen en verbiedt de uitlevering van K.31
Uiteindelijk heeft ook de Hoge Raad zich over de zaak gebogen.32 De Hoge Raad verwerpt het beroep en laat het verbod op uitlevering van K. in stand. Ingewikkeld aan deze zaak is dat gelet op de taakverdeling tussen uitleveringsrechter en minister de beoordeling van een schending als de onderhavige in beginsel is opgedragen aan de uitleveringsrechter. Het gaat immers om het geval dat wordt aangevoerd dat de opgeëiste persoon is gefolterd door of mede door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat in verband met de zaak waarvoor uitlevering wordt gevraagd. De Hoge Raad gaat aan dat punt echter voorbij. Hij benadrukt dat wanneer de foltering in kort geding moet worden aangenomen het besluit van de minister om tot uitlevering over te gaan dan wel de tenuitvoerlegging daarvan, vanwege het absolute karakter van het folterverbod ‘zonder meer’ onrechtmatig is. De Hoge Raad komt uiteindelijk tot de slotsom dat het hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat de Staat nader onderzoek had behoren te doen.33
Conclusie
De conclusie uit het voorgaande kan als volgt luiden. Een schending van mensenrechten kan alleen in de weg staan aan uitlevering wanneer de afweging tussen enerzijds de verplichting tot uitlevering uit het uitleveringsverdrag en anderzijds de verplichting ingevolge artikel 1 EVRM om de fundamentele rechten van eenieder binnen de jurisdictie van Nederland te waarborgen uitvalt in het voordeel van die laatste. In zoverre geldt een vertrouwensbeginsel dat niet veel meer is dan het in beginsel naleven van de uitleveringsverplichtingen. In elk geval wanneer sprake is van een reëel gevaar voor een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling staat die verplichting ex artikel 1 EVRM aan uitlevering in de weg. Ook voltooide schendingen van artikel 3 EVRM en dreigende flagrante schendingen van artikel 6 EVRM kunnen aan de uitleveringsverplichting in de weg staan. Minder met het vertrouwensbeginsel en meer met de interne, uit de UW afgeleide bevoegdheidsverdeling tussen rechter en bestuur te maken heeft het feit dat bepaalde mensenrechtenverweren door de uitleveringsrechter en andere door de minister worden beoordeeld. Die laatste categorie wordt echter door de rechter in kort geding alsnog volledig getoetst. In die zin speelt de beoordeling van de minister een tamelijk ondergeschikte rol. Wel van belang zijn de eventueel via hem verkregen garanties en toezeggingen.