Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.4.2
6.4.2 Art. 25 Rv: ambtshalve aanvullen van rechtsgronden
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581905:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Burgerlijke Rechtsvordering (Asser), art. 48 Rv (oud), aant. 2; Vriesendorp 1970, nr. 1.
Aldus HR 22 oktober 1993 (Van Schijndel/SPF), N] 1994, 94 (r.o. 3.4.3.3). Zie ook Smith 2004, p. 21-39; Snijders & Wendels 2003, nrs. 240-249; Burgerlijke Rechtsvordering (Asser), art. 48 Rv (oud), aant. 7; Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 45; Tjong Tjin Tai 2002, p. 30-32; Vriesendorp 1970, nrs. 35-45.
Zie hierover Snijders & Wendels 2003, nr. 248; Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 45.
Zie hierover Burgerlijke Rechtsvordering (Asser), art. 48 Rv (oud), aant. 3.
Zie Burgerlijke Rechtsvordering (Asser), art. 48 Rv (oud), aant. 3; Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 44.
Zie Snijders & Wendels 2003, nrs. 217-218; Ras/Hammerstein 2001, nr. 16 e.v.; Burgerlijke Rechtsvordering (Asser), art. 48 Rv (oud), aant. 10.
Vgl. Ras/Hammerstein 2001, nrs. 44-54 en Veegens/Korthals Altes & Groen 1989, nr. 154; zie voor een ruimere opvatting Pels Rijcken 1983, p. 176-179.
Zie Burgerlijke Rechtsvordering (Asser), art. 48 Rv (oud), aant. 10; Ras/Hammerstein 2001, nrs. 42 en 84; Veegens/Korthals Altes & Groen 1989, nr. 154; Vriesendorp 1970, nr. 158.
Vgl. Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 47; Smith 2004, p. 59-61; Vriesendorp 1970, nr. 108.
Zie hierover Snijders & Wendels 2003, nr. 234; Burgerlijke Rechtsvordering (Asser), art. 48 Rv (oud), aant. 9; Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 47; Ras/Hammerstein 2001, nrs. 57-60; Pels Rijcken 1983, p. 178-179.
Zoals al eerder werd opgemerkt, verplicht art. 25 Rv de rechter (zo nodig) ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. De achtergrond van deze verplichting wordt weergegeven door het adagium ius curia novit: de rechter kent het recht, of wordt althans geacht dit te kennen.1 Procespartijen behoeven dus niet zelf te stellen en, zo nodig, te bewijzen hoe het toepasselijke recht luidt. Dit betekent bijvoorbeeld dat de rechter een vordering ook zal kunnen toewijzen wanneer een partij zich daarvoor niet op de juiste rechtsgrondslag heeft beroepen.
De verplichting tot het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden is echter in meerdere opzichten begrensd. In de eerste plaats is het de rechter verboden de feiten aan te vullen: hij mag zijn beslissing niet baseren op andere feiten dan door de partij te wier behoeve ambtshalve aanvulling moet plaatsvinden, aan haar vordering of verzoek ten grondslag zijn gelegd.2 Dit verbod tot aanvulling van feitelijke gronden kent enkele uitzonderingen. Allereerst mag de rechter feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels wél (ambtshalve) aanvullen (vgl. art. 149 lid 2 Rv). Voorts is het de rechter toegestaan ook andere ten processe gebleken feiten aan zijn beslissing ten grondslag te leggen, indien het daarbij gaat om de toepassing van een rechtsgrond die van 'openbare orde' is.3
De tweede beperking aan de plicht tot ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden, is dat deze slechts bestaat binnen de 'grenzen van de rechts-strijd'. Het beginsel van partij-autonomie brengt immers met zich dat partijen zelf de omvang van hun geschil bepalen.4 De rechter mag hier niet buiten treden. Waar de grenzen van de rechtsstrijd precies liggen, is voornamelijk een kwestie van uitleg van de vordering of het verzoek van eiser, het verweer van gedaagde en het verder tijdens de procedure gevoerde debat.5 In appèl en cassatie worden de grenzen van de rechtsstrijd (verder) afgebakend door de aangevoerde grieven respectievelijk cassatiemiddelen.6 Ook dan zal door uitleg daarvan bepaald moeten worden in welke omvang de aangevallen uitspraak aan het oordeel van de hogere rechter onderworpen wordt. Binnen de aldus vastgestelde grenzen is de ruimte voor ambtshalve aanvulling van rechtsgronden in het algemeen (zeer) beperkt.7 Wél is het zowel de appèlals de cassatierechter toegestaan de bestreden beslissing op ambtshalve bijgebrachte gronden te bekrachtigen.8
Ook de tweede begrenzing op de verplichting tot het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden kent weer een uitzondering. Het betreft hier de zojuist al genoemde rechtsregels die van 'openbare orde' zijn. Wanneer een rechtsregel van openbare orde is, is niet in zijn algemeenheid te zeggen. In elk geval gaat het om regels die leiden tot rechtsgevolgen die niet ter vrije bepaling van partijen staan en bij de handhaving waarvan het 'algemeen belang' betrokken is.9 Rechtsgronden die in deze zin van openbare orde zijn, moet de rechter ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd aanvullen.10