Art. 83 RO luidt: “De rechtbanken, de gerechtshoven en de presidenten geven inlichtingen wanneer die door de Hoge Raad voor de behandeling van een zaak noodzakelijk worden geacht.” Op grond van art. 120 lid 2 RO is art. 83 RO van overeenkomstige toepassing op de procureur-generaal bij de Hoge Raad bij de uitvoering van zijn wettelijke taken.
HR, 01-10-2024, nr. 22/03005 U
ECLI:NL:HR:2024:1343
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-10-2024
- Zaaknummer
22/03005 U
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1343, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:685
ECLI:NL:PHR:2024:685, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑06‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1343
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1786
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑08‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0217
NJ 2025/9 met annotatie van N. Jörg
Uitspraak 01‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Tussenarrest HR. Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Turkse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. Opiumwetdelicten. Ontbrekend p-v van zitting. Inwinnen van inlichtingen o.g.v. art. 83 RO. P-v van behandeling van uitleveringsverzoek van 15-6-2022 ontbreekt bij stukken die aan HR zijn gezonden. N.a.v. verzoek dat raadsman o.g.v. art. 4.3.6.3 Procesreglement HR heeft gedaan, is door griffie van HR o.g.v. art. 83 RO bij Rb nadere informatie ingewonnen. O.g.v. die informatie moet worden aangenomen dat geen p-v van behandeling van uitleveringsverzoek van 15-6-2022 is opgemaakt. O.g.v. art. 29.1 UW jo. art. 326.1 Sv houdt griffier p-v van behandeling van uitleveringsverzoek, waarin aantekening geschiedt van vormen die in acht zijn genomen en van al wat m.b.t. zaak op zitting voorvalt. In HR:2021:235 heeft HR opgemerkt dat in art. 83 RO opgenomen bevoegdheid van HR om inlichtingen die voor behandeling van zaak noodzakelijk worden geacht, in te winnen bij o.m. hoven kan worden benut om na te gaan of in dossier ontbrekende stukken zich nog bij hof bevinden en dat deze bevoegdheid er niet toe strekt hof te verzoeken om stukken die niet zijn opgemaakt, alsnog op te maken en in te sturen. In geval dat HR o.g.v. art. 83 RO bij gerecht informeert of zich daar nog ontbrekend stuk bevindt, en dit gerecht laat weten dat dit stuk niet voorhanden is, beoordeelt HR of aan ontbreken rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dat moet zijn. Gerecht mag in informatieverzoek niet aanleiding vinden om (op eigen initiatief) ontbrekend stuk alsnog op te maken. Voorgaande sluit niet mogelijkheid uit dat, als vaststaat dat bepaald stuk ontbreekt of onvolledig is, HR verzoek aan feitenrechter doet om alsnog dat stuk op te maken of aan te vullen. Van die mogelijkheid wordt alleen in bijzondere gevallen gebruikgemaakt. Zo’n geval was aan orde in HR:2016:2838. In die zaak was geluidsopname gemaakt van op zitting afgelegde verklaringen. Die opname was aan p-v van onderzoek ttz. gehecht, maar in dat p-v ontbrak (in strijd met wettelijke eisen) schriftelijke (zakelijke) weergave van betreffende verklaringen. Daarop werden voorzitter en griffier van hof door HR in gelegenheid gesteld om p-v op te maken in overeenstemming met wettelijke eisen. Ook in deze zaak doet zich zo’n bijzonder geval voor. In deze cassatieprocedure wordt als klacht naar voren gebracht dat p-v van behandeling van uitleveringsverzoek van 15-6-2022 ontbreekt en dat daardoor niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, welke verweren door raadsman zijn gevoerd. Bij stukken bevindt zich echter wel p-v van zitting van 20-10-2020. Op die zitting zijn opgeëiste persoon en zijn raadsman, overeenkomstig art. 26.2 UW, in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over uitleveringsverzoek en in verband daarmee te verrichten onderzoek en te nemen beslissingen, waarna behandeling van uitleveringsverzoek uitsluitend is aangehouden om OvJ in gelegenheid te stellen om navraag te doen naar (gewaarmerkt afschrift van) arrestatiebevel. Op nadere zitting is behandeling van uitleveringsverzoek volgens uitspraak voortgezet in stand waarin het zich bevond t.t.v. schorsing op 20-10-2020. Raadsman die aanwezig was op zitting van Rb van 20-10-2020, heeft opgeëiste persoon ook bijgestaan op zitting van 15-6-2022 en treedt nu voor hem op in deze cassatieprocedure. In schriftuur is geen klacht opgenomen over uitspraak van Rb, bijvoorbeeld dat Rb zou hebben verzuimd te reageren op bepaald door raadsman gevoerd verweer. In deze zaak vindt HR aanleiding om Rb in gelegenheid te stellen p-v van behandeling van uitleveringsverzoek van 15-6-2022 in overeenstemming met wettelijke eisen op te maken. Na ontvangst daarvan zal raadsman van opgeëiste persoon in gelegenheid worden gesteld om aanvullende schriftuur met middelen in te dienen. HR stelt Rb in gelegenheid p-v op te maken dat voldoet aan wettelijke eisen. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03005 U
Datum 1 oktober 2024
TUSSENARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2022, nummer UTL-I-2011011340, op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot oproeping van de opgeëiste persoon voor een nader te bepalen zitting van de Hoge Raad teneinde op het verzoek tot zijn uitlevering te worden gehoord.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
2.2.1
De uitspraak van de rechtbank houdt over het procesverloop in:
“De rechtbank heeft op 20 oktober 2020 de opgeëiste persoon, zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. J. Asbroek, ter openbare zitting gehoord.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid na te vragen of een origineel nationaal arrestatiebevel van de Turkse autoriteiten, of een gewaarmerkte kopie daarvan, betreffende de opgeëiste persoon kan worden verkregen. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding met gelijktijdige schorsing ervan bevolen.
De behandeling van het uitleveringsverzoek is op de openbare zitting van 15 juni 2022 voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip van de schorsing op 20 oktober 2020. De opgeëiste persoon, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. M. Diependaal, zijn gehoord.”
De uitspraak van de rechtbank houdt verder onder meer in dat ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, aan alle daarvoor in de Uitleveringswet en de toepasselijke verdragsbepalingen gestelde eisen is voldaan, en dat de gevraagde uitlevering toelaatbaar moet worden verklaard.
2.2.2
Bij de stukken bevindt zich het proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek van 20 oktober 2020. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig was en dat de raadsman van de opgeëiste persoon en de officier van justitie het woord hebben gevoerd over ‑ kort gezegd ‑ (i) de mogelijkheid van inwilliging van het uitleveringsverzoek, mede in het licht van de genoegzaamheid van de stukken, en (ii) de (eventuele) onschuld van de opgeëiste persoon. Uit het proces-verbaal blijkt verder dat de voorzitter aan de orde heeft gesteld dat (een gewaarmerkte kopie van) het originele, nationale arrestatiebevel lijkt te missen. Nadat de raadsman en de officier van justitie zich daarover hebben uitgelaten en de opgeëiste persoon in de gelegenheid was gesteld het laatste woord te voeren, heeft de rechtbank de behandeling van het uitleveringsverzoek voor onbepaalde tijd aangehouden “teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om bij het Ministerie van Justitie na te vragen of een origineel nationaal arrestatiebevel van de Turkse autoriteiten, of een gewaarmerkte kopie daarvan, betreffende de opgeëiste persoon kan worden verkregen”.
2.2.3
Het proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek van 15 juni 2022, waarop het cassatiemiddel doelt, ontbreekt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. Naar aanleiding van een verzoek dat de raadsman op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft gedaan, is door de griffie van de Hoge Raad op grond van artikel 83 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: RO) bij de rechtbank nadere informatie ingewonnen. Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat geen proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek van 15 juni 2022 is opgemaakt.
2.3
Op grond van artikel 29 lid 1 Uitleveringswet in samenhang met artikel 326 lid 1 Sv houdt de griffier het proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek, waarin aantekening geschiedt van de vormen die in acht zijn genomen en van al wat met betrekking tot de zaak op de zitting voorvalt.
2.4.1
In zijn arrest van 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:235, heeft de Hoge Raad overwogen:
“Naar aanleiding van de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal verdient opmerking dat de in artikel 83 van de Wet op de rechterlijke organisatie opgenomen bevoegdheid van de Hoge Raad om inlichtingen die voor de behandeling van een zaak noodzakelijk worden geacht, in te winnen bij onder meer de gerechtshoven kan worden benut om na te gaan of in het dossier ontbrekende stukken zich nog bij het gerechtshof bevinden. Die bevoegdheid strekt er echter niet toe het gerechtshof te verzoeken om stukken die niet zijn opgemaakt, alsnog op te maken en in te sturen.”
2.4.2
In het geval dat de Hoge Raad op grond van artikel 83 RO bij een gerecht informeert of zich daar nog een ontbrekend stuk bevindt, en dit gerecht laat weten dat dit stuk niet voorhanden is, beoordeelt de Hoge Raad of aan het ontbreken een rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dat moet zijn. Het gerecht mag in het informatieverzoek niet aanleiding vinden om ‑ op eigen initiatief ‑ het ontbrekende stuk alsnog op te maken.
2.4.3
Het vorenstaande sluit niet de mogelijkheid uit dat, als vaststaat dat een bepaald stuk ontbreekt of onvolledig is, de Hoge Raad het verzoek aan de feitenrechter doet om alsnog dat stuk op te maken of aan te vullen. Van die mogelijkheid wordt alleen in bijzondere gevallen gebruikgemaakt. Zo’n geval was aan de orde in het arrest van de Hoge Raad van 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2838. In die zaak was een geluidsopname gemaakt van op de zitting afgelegde verklaringen. Die opname was aan het proces-verbaal van het onderzoek op de terechtzitting gehecht, maar in dat proces-verbaal ontbrak ‑ in strijd met de wettelijke eisen ‑ een schriftelijke (zakelijke) weergave van de betreffende verklaringen. Daarop werden de voorzitter en de griffier van het hof door de Hoge Raad in de gelegenheid gesteld om een proces-verbaal op te maken in overeenstemming met de wettelijke eisen.
2.5.1
Ook in deze zaak doet zich zo’n bijzonder geval voor. In deze cassatieprocedure wordt als klacht naar voren gebracht dat het proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek van 15 juni 2022 ontbreekt en dat daardoor niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, welke verweren door de raadsman zijn gevoerd. Bij de stukken bevindt zich echter wel het proces-verbaal van de zitting van 20 oktober 2020. Op die zitting zijn ‑ zoals onder 2.2.2 is weergegeven ‑ de opgeëiste persoon en zijn raadsman, overeenkomstig artikel 26 lid 2 Uitleveringswet, in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over het uitleveringsverzoek en het in verband daarmee te verrichten onderzoek en te nemen beslissingen, waarna de behandeling van het uitleveringsverzoek uitsluitend is aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om, kort gezegd, navraag te doen naar (een gewaarmerkt afschrift van) het arrestatiebevel. Op de nadere zitting is de behandeling van het uitleveringsverzoek volgens de uitspraak voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing op 20 oktober 2020. De raadsman die aanwezig was op de zitting van de rechtbank van 20 oktober 2020, heeft de opgeëiste persoon ook bijgestaan op de zitting van 15 juni 2022 en treedt nu voor hem op in deze cassatieprocedure. In de schriftuur is geen klacht opgenomen over de uitspraak van de rechtbank, bijvoorbeeld dat de rechtbank zou hebben verzuimd te reageren op een bepaald door die raadsman gevoerd verweer.
2.5.2
In deze zaak vindt de Hoge Raad aanleiding om de rechtbank in de gelegenheid te stellen het proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek van 15 juni 2022 in overeenstemming met de wettelijke eisen op te maken. Na ontvangst daarvan zal de raadsman van de opgeëiste persoon in de gelegenheid worden gesteld om een aanvullende schriftuur met cassatiemiddelen in te dienen.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwijst de zaak naar de rol van 3 december 2024;
- bepaalt dat de griffier een afschrift van dit tussenarrest zal zenden aan de rechtbank Amsterdam, met daarbij gevoegd het verzoek om een proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek van 15 juni 2022 op te maken;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2024.
Conclusie 25‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering aan Turkije. P-v van zitting ontbreekt en is blijkens mededeling rechtbank abusievelijk niet opgemaakt. Volgens AG dient dit verzuim tot cassatie te leiden. Conclusie strekt tot vernietiging en oproeping opgeëiste persoon voor nader te bepalen zitting van de HR.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03005 U
Zitting 25 juni 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de opgeëiste persoon.
Inleiding
Bij uitspraak van 29 juni 2022 heeft de rechtbank Amsterdam de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Turkije toelaatbaar verklaard “ter strafvervolging terzake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het document met het opschrift ‘Republiek Türkije, De 11de correctionele rechtbank van Besiktas Istanbul (de macht hebbend op grond van artikel 250 van het wetboek van strafprocedure), dossier nummer 2009/287, Istanbul, 31.11.2010’”.
Namens de opgeëiste persoon heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel bevat de klacht dat de rechtbank van het verhandelde ter zitting geen proces-verbaal heeft opgemaakt, althans dit proces-verbaal in cassatie niet meer beschikbaar is, waardoor niet kenbaar is wat er op de zitting is besproken en welke verweren er zijn gevoerd. Daaraan verbindt hij de consequentie van nietigheid van de bestreden uitspraak.
4. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich niet het proces-verbaal van de zitting van 15 juni 2022. De raadsman van de verdachte heeft conform art. 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden op 23 mei 2024 tijdig het proces-verbaal van deze zitting bij de rolraadsheer opgevraagd. Op diezelfde datum is aan de raadsman van de opgeëiste persoon meegedeeld dat het proces-verbaal zich niet bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt en dat het door de Hoge Raad zal worden opgevraagd bij de rechtbank Amsterdam. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank Amsterdam op 29 mei 2024 het volgende aan de Hoge Raad bericht:
“Naar aanleiding van uw verzoek in de zaak [opgeëiste persoon] (uitlevering; uitspraak 29 juni 2022; UTL-I-201 1011340) deel ik u mee dat van de zitting van 15 juni 2022 abusievelijk geen proces-verbaal is opgemaakt. De griffier die aanwezig was op die zitting is niet meer werkzaam bij de rechtbank.
De rechtbank beschikt nog wel over zittingsaantekeningen in WORD, die de rechtbank desgevraagd zou kunnen verstrekken.”
5. Uit het voorgaande blijkt dat er van de zitting van 15 juni 2022 – in strijd met art. 326 en 327 Sv jo. 29 lid 1 van de Uitleveringswet (hierna: UW) – geen proces-verbaal is opgemaakt en vastgesteld, dat de griffier niet meer werkzaam is bij de rechtbank en dat de rechtbank nog wel beschikt over zittingsaantekeningen in WORD. Dit kan de vraag oproepen of dit verzuim in de huidige stand van de cassatieprocedure niet kan worden hersteld door een verzoek aan de rechtbank om binnen een bepaalde termijn op grond van de nog beschikbare zittingsaantekeningen in WORD alsnog een proces-verbaal van de zitting van 15 juni 2022 op te maken en vast te stellen. Het antwoord op die vraag dient echter ontkennend te luiden omdat het ervoor moet worden gehouden dat art. 83 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: RO) aan een dergelijk verzoek in de weg staat.1.In HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:235, heeft de Hoge Raad opgemerkt dat de in art. 83 RO opgenomen bevoegdheid van de Hoge Raad om inlichtingen die voor de behandeling van een zaak noodzakelijk worden geacht, in te winnen bij onder meer de gerechtshoven kan worden benut om na te gaan of in het dossier ontbrekende stukken zich nog bij het gerechtshof bevinden, maar dat die bevoegdheid er niet toe strekt het gerechtshof te verzoeken om stukken die niet zijn opgemaakt, alsnog op te maken en in te sturen. Op stukken die door het gerecht zijn opgemaakt na inzending van het dossier aan de Hoge Raad zal de Hoge Raad geen acht slaan.2.
6. Nu is gebleken dat (abusievelijk) geen proces-verbaal is opgemaakt van de zitting van 15 juni 2022 en het er op grond van het voorgaande voor moet worden gehouden dat geen bevoegdheid bestaat de rechtbank te verzoeken dat verzuim te herstellen, rijst de vraag welk gevolg hieraan moet worden verbonden.
7. De steller van het middel is van oordeel dat de bestreden uitspraak in cassatie niet in stand kan blijven omdat niet kenbaar is wat er op de zitting is besproken en welke verweren zijn gevoerd.
8. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat een klacht over schending van de wettelijke voorschriften voor het opmaken, vaststellen en ondertekenen van een proces-verbaal van de zitting, zoals neergelegd in de art. 326 en 327 Sv, in de regel leidt tot vernietiging van de bestreden uitspraak.3.Bijzondere omstandigheden van een zaak kunnen echter maken dat het aan zo’n verzuim te verbinden gevolg van nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak achterwege kan blijven.4.In HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:501, werd geklaagd dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet was vastgesteld en ondertekend overeenkomstig art. 327 Sv, maar door de Hoge Raad werden bijzondere omstandigheden aangenomen waardoor de (terechte) klacht niet tot cassatie behoefde te leiden. De Hoge Raad had daarbij het oog op de navolgende omstandigheden:
“2.5. De oorzaak van voornoemd verzuim is, zoals vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3, gelegen in het feit dat de raadsheer die het mondeling arrest heeft gewezen na de terechtzitting in hoger beroep is komen te overlijden.
Blijkens de aantekening mondeling arrest was ter terechtzitting niet de verdachte, maar wel de uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigde raadsman aanwezig. In cassatie zijn, voor zover het gaat om de in acht genomen vormen en al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting is voorgevallen, tegen de inhoud van het door de griffier vastgestelde en ondertekende proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep geen klachten aangevoerd. Dat proces-verbaal houdt in dat de raadsman van de verdachte zich op de terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de bewezenverklaring heeft gerefereerd aan het oordeel van het Hof en alleen een “strafmaatverweer” heeft gevoerd. Ook voor zover het gaat om de in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep vermelde beslissingen ter zake van de bewezenverklaring en de strafoplegging, zijn in cassatie geen klachten aangevoerd. Daarbij is van belang dat de door de voorzitter ondertekende aantekening mondeling arrest als bedoeld in art. 426, eerste lid, Sv (een zogenoemd stempelarrest) geen andersluidende beslissingen omtrent de kwalificatie en de strafoplegging bevat dan zijn vermeld in het bestreden arrest dat op de voet van art. 425, derde lid aanhef en onder c, Sv is aangetekend in het door de griffier vastgestelde en ondertekende proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.
De schriftuur bevat geen toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep. De niet-geconcretiseerde verwijzing in de schriftuur naar “een praktische en effectieve rechtsgang naar de Hoge Raad (mede) op basis van een feitelijk en juridisch deugdelijk proces-verbaal dat is vastgesteld door de rechter die arrest heeft gewezen op basis van het verhandelde ter terechtzitting” en naar de omstandigheid dat het Hof bij de strafoplegging “mede [heeft] gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken”, is daartoe niet toereikend.”
9. In de onderhavige zaak is oorzaak van het verzuim om een proces-verbaal op te maken niet bekend. Wel is pas op 21 juli 2022 – en daarmee geruime tijd ná afloop van de cassatietermijn – een akte instellen rechtsmiddel opgemaakt. Deze akte is voorzien van de opmerking “Hoewel de volmacht per e-mail werd ontvangen op 13 juli 2022, is de akte opgemaakt op 21 juli 2022. Registratiedatum: 13 juli 2022.” Mogelijk heeft onduidelijkheid over het al dan niet tijdig instellen van een rechtsmiddel een rol gespeeld bij het niet uitwerken van het proces-verbaal van 15 juni 2022. Dan de overige omstandigheden. Uit de uitspraak in de voorliggende zaak blijkt dat de opgeëiste persoon en zijn raadsman, S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam (overigens ook de steller van het middel), op de zitting van 15 juni 2022 zijn gehoord. Daaruit volgt dat zij ter zitting aanwezig waren. Uit de uitspraak blijkt verder dat de raadsman van de opgeëiste persoon ter zitting een onschuldverweer heeft gevoerd. De schriftuur en de aanvullende schriftuur bevatten vervolgens geen klacht over de verwerping daarvan en evenmin over de wijze waarop de rechtbank met eventuele andere gevoerde verweren of verzoeken is omgegaan, hetgeen wel zou mogen worden verwacht in een geval als het onderhavige waarin de raadsman van de opgeëiste persoon in cassatie ook degene was die de opgeëiste persoon ten overstaan van de rechtbank heeft bijgestaan.
10. De vraag rijst nu of daarmee ook in de voorliggende zaak voldoende bijzondere omstandigheden zijn vast te stellen om tot de conclusie te komen dat het middel tevergeefs is voorgesteld. Los van de oorzaak van het verzuim, liggen de overige omstandigheden in de huidige zaak redelijk op één lijn met die in de zaak die in 2018 aan de Hoge Raad voorlag, met in ieder geval dit verschil: in de zaak uit 2018 was wel een (zij het gebrekkig) proces-verbaal voorhanden, terwijl in de nu voorliggende zaak uit een (beschikbaar en wel ondertekend) arrest moet worden afgeleid wie ter zitting aanwezig was en welk verweer (in ieder geval) is gevoerd. Een doorslaggevend verschil lijkt mij echter te liggen in de oorzaak van het verzuim. In de zaak uit 2018 lag aan dat verzuim een goede reden ten grondslag: het overlijden van de (enige) raadsheer die het proces-verbaal van de terechtzitting had moeten vaststellen en ondertekenen. In de nu voorliggende zaak is over de oorzaak van het verzuim niet meer vast te stellen dan dat het ‘abusievelijk’ is gebeurd. Bij gebrek aan een goede reden voor het niet opmaken van het proces-verbaal, kom ik in deze zaak – ondanks de overige omstandigheden – tot de conclusie dat de omstandigheden van het geval onvoldoende rechtvaardigen dat het aan het verzuim te verbinden gevolg van nietigheid achterwege kan blijven, zodat het middel tot cassatie moet leiden.
Slotsom
11. Het middel slaagt.
12. Ambtshalve heb ik geen (andere) grond voor vernietiging van de uitspraak van de rechtbank aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot oproeping van de opgeëiste persoon voor een nader te bepalen zitting van de Hoge Raad teneinde op het verzoek tot zijn uitlevering te worden gehoord.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑06‑2024
Vgl. HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:915, HR 11 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:526 en HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1247, r.o. 2.3.4.
Zie recentelijk nog HR 14 mei 2024, ECLI:NLHR:2024:690.
Vgl. HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1605. Uit dit arrest volgt dat de enkele daarvoor onderaan het proces-verbaal vermelde grond dat de betrokken raadsheren en de griffier niet meer werkzaam zijn bij het hof, niet een zodanig bijzondere omstandigheid vormt.
Beroepschrift 12‑08‑2022
De Hoge Raad der Nederlanden
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
In de zaak van [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] 1970, wonende aan het [adres] te [postcode] [woonplaats], in deze procedure woonplaats kiezende op het hierna te noemen kantooradres van zijn advocaat mr. S.J. van der Woude, rekwirant tot cassatie van een hem betreffende uitspraak van de Rechtbank Amsterdam, parketnummer 13-737259-19, gewezen op 29 juni 2022.
Deze schriftuur wordt via het elektronisch portaal ingediend door mr S.J. van der Woude advocaat te Amsterdam, kantoorhoudende aan de Amstel 326 te 1017AR Amsterdam, die verklaart hiertoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Rekwirant tot cassatie stelt het volgende middel van cassatie voor:
Middel:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt of zulke nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen; in het bijzonder zijn de artikelen 326 Sv jo 29 Uitleveringswet geschonden doordat de rechtbank van het verhandelde ter zitting geen proces-verbaal heeft opgemaakt, althans dit proces-verbaal in cassatie niet meer beschikbaar is, waardoor niet kenbaar is wat er op de zitting is besproken en welke verweren er zijn gevoerd.
De bestreden uitspraak lijdt daarom aan nietigheid.
Toelichting
Ik heb geconstateerd dat zich bij de stukken in mijn portaal van de Hoge Raad geen proces-verbaal bevindt van de tweede en laatste zitting van de rechtbank op 15 juni 2022, en heb daarom gevraagd om mij dit stuk alsnog toe te zenden. De griffie heeft mij meegedeeld dat dit proces-verbaal zich niet bevindt in het aan de Hoge Raad toegestuurde dossier en dat het stuk zal worden opgevraagd bij de rechtbank.
Gelet op artikel 31, vierde lid, Uw, heb ik ervoor gekozen om dit middel reeds nu in te dienen met het oog op de aangezegde zitting van 28 mei 2024.
Daarnaast zal ik vragen om een extra termijn voor het indienen van middelen voor het geval het proces-verbaal van 15 juni 2022 alsnog beschikbaar zal komen.
Indien het proces-verbaal in cassatie niet meer beschikbaar zal komen, dan kan de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven in cassatie, omdat niet kenbaar is wat er op de zitting is besproken en welke verweren door rekwirant zijn gevoerd. In dat geval verzoekt rekwirant de Hoge Raad om de uitspraak te vernietigen en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, de oproeping van rekwirant te bevelen voor een nadere zitting van de Hoge Raad waarop het verzoek tot uitlevering alsnog zal worden behandeld en rekwirant zijn verweren zal kunnen voeren tegen het gevorderde toelaatbaar verklaring van de uitlevering.
S.J. van der Woude
raadsman