HR, 07-02-2025, nr. 23/01068
ECLI:NL:HR:2025:185
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-02-2025
- Zaaknummer
23/01068
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑02‑2025
ECLI:NL:HR:2025:185, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑02‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:257
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/218
Viditax (FutD) 2025020702
FutD 2025-0275
NTFR 2025/298 met annotatie van mr. R.C.H. Graves
V-N 2025/8.23 met annotatie van Redactie
NLF 2025/0377 met annotatie van Nicoline Bergman
Belastingblad 2025/107 met annotatie van Redactie
AB 2025/171 met annotatie van J.M.J.F. Jansen, L.M. Koenraad
Beroepschrift 07‑02‑2025
Hoge Raad
T.a.v.: Sector Bestuursrecht
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
Onderwerp: aanvulling beroep in cassatie
Ons kenmerk: […]
Procedurenummer: HR 23/01068
Edelhoogachtbare,
Namens mijn cliënt, [X], werd bij brief d.d. 16-3-2023 beroep in cassatie aangetekend onder aanvoering van een aantal cassatiemiddelen. In reactie op dit beroepschrift in cassatie, is door u bij brief d.d. 24 maart 2023 een termijn gegeven de toelichting op deze cassatiemiddelen aan te vullen. De cassatiemiddelen zullen hieronder kort worden herhaald en voorts per stuk van een toelichting worden voorzien.
Cassatiemiddelen:
Er is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen, omdat:
- 1.
Het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat niet in strijd met artikel 40 Wet WOZ zou zijn gehandeld;
- 2.
Het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende niet zou zijn benadeeld door een eventuele schending van artikel 7:4 Awb of artikel 40 Wet WOZ;
- 3.
Het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende in de bezwaarfase over de waarde al een gefundeerd oordeel had kunnen vormen en ook zou hebben gevormd;
- 4.
Het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het op de weg van belanghebbende zou liggen een informatieverzoek te herhalen ter hoorzitting;
- 5.
Het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat ook bij toepassing van artikel 6:22 Awb geen reden zou bestaan de heffingsambtenaarte veroordelen in de proceskosten van belanghebbende;
- 6.
Het hof ten onrechte lijkt te miskennen dat belanghebbende het recht heeft een, in zijn optiek onjuist, (rechts)oordeel voor te leggen aan een hoger rechtscollege;
- 7.
Het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of er in beroep sprake was van een schending van artikel 8:42 Awb omdat belanghebbende hoe dan ook niet benadeeld zou zijn omdat hij zich heeft neergelegd bij het oordeel van de rechtbank over de waarde;
- 8.
Het hof ten onrechte oordeelde dat de uitspraak op bezwaar geen motivedngsgebrek leed;
- 9.
Het hof ten onrechte een deel van de aangevoerde argumenten in zijn geheel onbesproken heeft gelaten in de uitspraak.
Standpunt belanghebbende:
Met de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam kan mijn cliënt zich niet verenigen, om de hierboven, onder ‘cassatiemiddelen’ verkort weergegeven redenen. Hierna zullen de cassatiemiddelen alsmede de toelichting daarop uiteen worden gezet.
Cassatiemiddel I
Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat niet in strijd met artikel 40 Wet WOZ zou zijn gehandeld.
Toelichting
Onder verwijzing naar het Black Box arrest en de recente conclusie van A-G Ijzerman (ECLI:NL:PH R:2023:130) staat vast dat hof Amsterdam is uitgegaan van een te enge interpretatie van artikel 40 Wet WOZ. Het hof vindt geen steun van de A-G en eerder al van uw college door te oordelen dat onder de term ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ in het kader van artikel 40 enkel wordt gedoeld op het taxatieverslag. In onderhavige zaak zijn in de bezwaarfase niet de gevraagde grondstaffel, indexeringspercentages en KOUDVgegevens verstrekt. Voorts zijn in beroep opnieuw niet alle gegevens waarover de heffingsambtenaar bleekte beschikking (zoals het inlichtingenformulier) in afschrift verstrekt, terwijl juist uitdrukkelijk is verzocht dergelijke gegevens te verstrekken. Hiermee staat de schending van artikel 40 Wet WOZ vast.
Cassatiemiddel II
Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende niet zou zijn benadeeld door een eventuele schending van artikel 7:4 Awb of artikel 40 Wet WOZ.
Toelichting
Het hof lijkt onder punt 4.2.1 van de uitspraak te zeggen dat de door verweerder vastgestelde waarde altijd een juiste is omdat hem bij het vaststellen van deze waarde geen beleidsvrijheid toekomt. Een volstrekt onjuiste rechtsopvatting. Ook aan een schending van het inzagerecht van artikel 7:4 Awb kan op deze grond voorbij worden gegaan, aldus het hof. De voorschriften uit de Awb over de beschikbaarstelling van de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de belanghebbende vormen een belangrijke waarborg dat een geschil over een door het bestuursorgaan genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan dat bestuursorgaan ter beschikking staan en hebben gestaan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beslissing rekening kan houden (bijv. HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672, rechtsoverweging 3.4.1, maar dit volgt ook uit de wetsgeschiedenis).
Verder miskent het hof dat het er niet om gaat dat de waarde in hoger beroep niet meer in geschil is. Het gaat er juist om dat belanghebbende ook in de bezwaarfase de gegevens waarop het besluit gebaseerd is moet kunnen controleren. Als de gegevens niet in bezwaar worden verstrekt kan belanghebbende toch ook pas in beroep constateren of de initiële waarde een juiste is? Als de waarde in beroep de juiste blijkt kan daarmee achteraf niet de schending in de bezwaarfase worden gerepareerd. Als gegevens in strijd met artikel 40 Wet WOZ niet worden verstrekt, is er altijd sprake van benadeling van belastingplichtige omdat deze zich dan niet in de gewenste fase van de procedure hierover kan uitlaten. Er moeten dan kosten voor een beroepsprocedure worden gemaakt die in de huidige praktijk nog te vaak voor rekening van belastingplichtige zelf komen omdat de waarde in beroep toch de juiste blijkt te zijn. De kosten voor het voeren van de beroepsprocedure hadden niet gemaakt hoeven worden als het bestuursorgaan conform de wettelijk plicht de gegevens eerder had verstrekt, dus is belanghebbende in zijn belangen geschaad.
Cassatiemiddel III
Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende in de bezwaarfase over de waarde al een gefundeerd oordeel had kunnen vormen en ook zou hebben gevormd.
Toelichting
Dat ik als gemachtigde over meer informatie kan beschikken dan de meeste belastingplichtigen zelf, doet niets af aan het feit dat belastingplichtige recht heeft om de door de heffingsambtenaar gebruikte gegevens op juistheid te controleren. Je moet iets kunnen vinden van het besluit zoals het door de heffingsambtenaar is genomen en niet vanuitje eventueel eigen gedane onderzoek. Verder wil ik opmerken dat ik de overwegingen van het hof onder 4.2.2. stuitend vindt. Het hof lijkt hiermee van oordeel te zijn dat een schending van artikel 40 niet meer aan de orde gesteld dient te worden als de waarde in beroep toch een juiste is gebleken. Dit zijn echter twee verschillende dingen. Cliënt wil, overigens zeer terecht, de kosten vergoed zien die hij onnodig en door toedoen van de werkwijze van de heffingsambtenaar in de beroepsfase heeft moeten maken. Als dit recht op vergoeding door de rechtbank niet erkend wordt, dan rest belanghebbende niets anders dan het instellen van hoger beroep.
Cassatiemiddel IV
Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat het op de weg van belanghebbende zou liggen een informatieverzoek te herhalen ter hoorzitting.
Toelichting
Deze opvatting van het hof vindt nergens steun in de wet en het recht. Een burger kan niet verplicht worden het bestuursorgaan een rappelmogelijkheid te bieden. Een verstrekte machtiging is in beginsel ook doorlopend totdat ze door de volmachtgever wordt ingetrokken. Op welke grond mag een bestuursorgaan het eerder gedane verzoek tot gegevensverstrekking negeren als dit niet nogmaals herhaald is tijdens de hoorzitting? Hetzelfde geldt voor de opvatting dat er daarna in beroep geen beroep meer op de schending mag worden gedaan. Ook voor deze opvatting is geen steun in de wet en het recht te vinden.
Cassatiemiddel V
Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat ook bij toepassing van artikel 6:22 Awb geen reden zou bestaan de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.
Toelichting
De schending van artikel 40 wet WOZ vormt, net als de schending van artikel 7:4 Awb, een niet passeerbare schending van een vormvoorschrift. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:22 van de Awb (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 14) is niet de aard van het geschonden voorschrift beslissend voor de beantwoording van de vraag of een gebrek in een besluit kan worden gepasseerd, maar uitsluitend het antwoord op de vraag of door de schending iemand is benadeeld. Toepassing van artikel 6:22 van de Awb is mogelijk indien aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. Een gebrek dat herstel behoeft, leent zich in beginsel niet voor toepassing van deze bepaling. In gevallen waarin van het bestuursorgaan een bepaalde actie is vereist om het gebrek weg te nemen, kan er immers niet zonder meer van worden uitgegaan dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. Alleen indien evident is dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld, kan bij het bestaan van een dergelijk gebrek toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb (ABRvS 20 april 2022, nr. 202101957, ECLI:NL:RVS:2022:1137). Hetgeen in r.o. 4.2.2 en 4.2.3 is overwogen maakt dit alles niet anders. Indien een bestuursorgaan een vormvoorschrift schendt en een belanghebbende daardoor wordt benadeeld, kan dit niet zonder gevolg voor het bestuursorgaan worden gepasseerd. Wat heeft een dergelijk vormvoorschrift anders voorzin?
Cassatiemiddel VI
Het hof lijkt in r.o. 4.3 ten onrechte te miskennen dat belanghebbende het recht heeft een, in zijn optiek onjuist, (rechts)oordeel voor te leggen aan een hoger rechtscollege.
Toelichting
Dat het oordeel van het betreffende hoger rechtscollege al bekend is, neemt niet weg dat het instellen van hoger beroep in een dergelijk geval de enige weg is die belanghebbende kan bewandelen om de rechtsvraag uiteindelijk te kunnen voorleggen aan de daaropvolgende instantie, in dit geval uw Raad. Dat een soortgelijke kwestie reeds bij u aanhangig is, doet hieraan niet af: feit is dat in de korte periode dat hoger beroep open staat, uw Raad geen uitsluitsel gaf over dit standpunt. Belanghebbende zelf kan in een dergelijk geval enkel recht ‘halen’ door een rechtsmiddel aan te wenden.
Cassatiemiddel VII
Het hof heeft ten onrechte niet beoordeeld of er in beroep sprake was van een schending van artikel 8:42 Awb omdat belanghebbende hoe dan ook niet benadeeld zou zijn omdat hij zich heeft neergelegd bij het oordeel van de rechtbank over de waarde.
Toelichting
Zoals al in eerdere middelen is betoogd, speelt de omstandigheid dat belanghebbende zich in hoger beroep heeft neergelegd bij het oordeel van de rechtbank over de waarde, geen enkele rol bij de beoordeling of er sprake is van schending van artikel 8:42. Indien een dergelijk vormvoorschrift wordt geschonden, moet ongeacht of belanghebbende al dan niet — en om welke reden dan ook — gronden aanvoert tegen andere overwegingen, worden beoordeeld of belanghebbende is benadeeld door de schending van het vormvoorschrift. Uit de omstandigheid dat belanghebbende, bij gebrek aan informatievoorziening, op andere wijze tot een bepaald inzicht is gekomen, kan en mag niet worden afgeleid dat belanghebbende niet is benadeeld. In beroep stond de waarde immers nog ter discussie.
Cassatiemiddel VIII
Het hof oordeelde ten onrechte dat de uitspraak op bezwaar geen motiveringsgebrek leed.
Toelichting
Het motiveringsgebrek is gelegen in de omstandigheid dat in de uitspraak op bezwaar niet alle gegevens zijn opgenomen die nodig zijn voor belanghebbende om een weloverwogen keuze te maken of er beroep moest worden ingesteld.
Cassatiemiddel IX
Het hof heeft ten onrechte een deel van de aangevoerde argumenten in zijn geheel onbesproken gelaten in de uitspraak.
Toelichting
In de aanvulling beroepschrift d.d. 27 juni 2022 is, onder punt 14, het volgende aangevoerd:
‘Daarbij komt dat de rechtbank in het oordeel betreffende de informatievoorziening in de bezwaarfase, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de stand van zaken m.b.t. de coronapandemie ten tijde van de hoorzitting en de daaraan voorafgaande geboden mogelijkheid tot (fysieke) inzage. De rechtbank oordeelt slechts dat men gelegenheid tot inzage heeft geboden en daarmee heeft voldaan aan de in de bezwaarfase geldende informatieverplichting. Er wordt voorbijgegaan aan de omstandigheden op dat moment, waarbij enerzijds de digitale mogelijkheden in een rap tempo (vanwege de pandemie) waren uitgebreid en anderzijds de risico's op besmetting en de daarmee gepaard gaande (grote) gevolgen geenszins verleden tijd waren. Gelet op die specifieke omstandigheden, kon men op dat moment juist niet volstaan met het enkel aanbieden van een mogelijkheid tot fysieke inzage. En wat de tijdgeest betreft, dient daarbij ook het volgende nog een ogenschouw te worden genomen: Onmiskenbaar is dat er sprake is van beschadigd vertrouwen in de overheid, met name waar het gaat om belasting. Dit vertrouwen kan enkel worden hersteld wanneer de overheid zich inspant daar waar het ook maar even mogelijk is, transparant te zijn op het gebied van gevoerd beleid en totstandkoming van keuzes. Waar het uitermate eenvoudig is stukken (digitaal) te verstrekken, is het — mede gelet op het herstel van vertrouwen — onbegrijpelijk wanneer men, zelfs in tijden van Corona (!), enkel door fysiek naar een inzage te gaan de benodigde transparantie kan verkrijgen.’
Het hof is in de uitspraak geheel aan dit standpunt voorbij gegaan. Uitermate opmerkelijk is de omstandigheid dat ter zitting bij het hof meerdere vragen zijn gesteld aan partijen, waarbij de schijn is gewekt dat men de argumenten in de hierboven geciteerde passage onderzocht (verwezen wordt naar het proces-verbaal van de zitting) en dat er voorts in de uitspraak met geen woord over wordt gerept.
Conclusie
Op basis van de bovenstaande cassatiemiddelen verzoek ik u:
- 1.
Het beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- 2.
De uitspraak van het gerechtshof, de rechtbank en de heffingsambtenaar — voor zover vereist — te vernietigen;
- 3.
Het geding zo nodig terug te wijzen, dan wel — zo mogelijk — zelf af te doen;
- 4.
Verweerder te veroordelen tot een proceskostenvergoeding voor de kosten zoals gemaakt in de bezwaarfase op grond van art. 7:15 Awb;
- 5.
Verweerder te veroordelen tot een proceskostenvergoeding voor de kosten zoals gemaakt in de (hoger-) beroepsfase en in cassatie, op grond van artikel 8:75 Awb en conform het arrest van de Hoge Raad d.d. 27 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:752).
Hoogachtend,
Uitspraak 07‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Wet waardering onroerende zaken; artikel 40 Wet WOZ; artikel 6:22 Awb, proceskostenvergoeding.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/01068
Datum 7 februari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE SCHAGEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 31 januari 2023, nr. 22/002671., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/5771) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar van de gemeente Schagen (hierna: de heffingsambtenaar) heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) een beschikking gegeven waarbij de waarde van de woning van belanghebbende (hierna: de woning) voor het jaar 2020 is vastgesteld. Daarbij is ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.
2.2
In de bezwaarfase heeft de heffingsambtenaar een taxatieverslag verstrekt aan belanghebbende. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar, eveneens in de bezwaarfase, verzocht om bij niet-volledig tegemoetkomen aan het bezwaar nadere gegevens te verstrekken. Dat betreft onder meer een grondstaffel en een taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren. De heffingsambtenaar is in de bezwaarfase niet tegemoetgekomen aan dat verzoek.
2.3
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. De oordelen van het Hof
3.1
In hoger beroep was de waarde van de woning niet langer in geschil. Wel was voor het Hof in geschil of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding omdat de heffingsambtenaar niet volledig heeft voldaan aan het hiervoor in 2.2 bedoelde verzoek.
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar niet in strijd met artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft gehandeld door in de bezwaarfase niet te voldoen aan het verzoek van belanghebbende de grondstaffel en een taxatiekaart met KOUDV- en liggingsfactoren van de woning toe te sturen. Het Hof heeft daartoe verwezen naar zijn uitspraak van 22 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:499, waarin is beslist dat de heffingsambtenaar aan zijn verplichting op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft voldaan indien hij op verzoek een taxatieverslag verstrekt dat is vastgesteld in overeenstemming met een modeltaxatieverslag als bedoeld in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.
3.3.1
Ook indien anders zou moeten worden geoordeeld, brengt het nalaten van het toezenden door de heffingsambtenaar volgens het Hof niet mee dat de uitspraak op bezwaar en de uitspraak in beroep moeten worden vernietigd, of dat de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar of beroep moet worden veroordeeld, of dat betaald griffierecht aan belanghebbende moet worden vergoed.
3.3.2
Het Hof heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat tussen partijen uiteindelijk geen verschil van opvatting bestaat over de voor de woning vastgestelde waarde en dat de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de waarde en de daarop gebaseerde aanslag in de onroerendezaakbelastingen geen beleidsvrijheid toekomt. Belanghebbende is daarom naar het oordeel van het Hof niet benadeeld door een eventuele schending van artikel 40 van de Wet WOZ. In die omstandigheid kan de uitspraak op bezwaar, en daarmee ook de uitspraak van de Rechtbank, gelet op artikel 6:22 Awb hoe dan ook in stand blijven, aldus het Hof.
3.3.3
In de tweede plaats heeft het Hof overwogen dat belanghebbende vooral erop uit is een schending van informatieverplichtingen in beroep aan de orde te stellen en daarmee de kans te vergroten op een gegrond beroep en daarmee samenhangende nevenbeslissingen.
3.3.4
Daarnaast heeft het Hof in aanmerking genomen dat belanghebbende zich over de waarde van de woning in de bezwaarfase al een gefundeerd oordeel heeft kunnen vormen en ook heeft gevormd. Om die reden kan een eventueel verband tussen het niet-toezenden van stukken in de bezwaarfase en het instellen van beroep door belanghebbende in deze procedure niet worden onderkend.
3.3.5
Bovendien had het naar het oordeel van het Hof in de gegeven omstandigheden op de weg van belanghebbende gelegen om tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase (nogmaals) het informatieverzoek aan de orde te stellen.
3.3.6
Gelet op de hiervoor in 3.3.3 tot en met 3.3.5 genoemde omstandigheden, bestaat naar het oordeel van het Hof, ook bij toepassing van artikel 6:22 Awb, geen reden de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar of beroep, of hem op te dragen betaald griffierecht te vergoeden aan belanghebbende.
3.3.7
In aanvulling daarop heeft het Hof geoordeeld dat het belang van het instellen en doorzetten van dit hoger beroep slechts is gelegen in het verkrijgen van een proceskostenvergoeding om redenen van formele aard, terwijl het standpunt van het Hof over de reikwijdte van de verplichting stukken in de bezwaarfase toe te zenden bij belanghebbendes gemachtigde uit diverse uitspraken bekend is. Het belang van het desalniettemin instellen van hoger beroep kan daarom naar het oordeel van het Hof niet bestaan uit het creëren van de mogelijkheid de juistheid van het standpunt van het Hof ter zake te kunnen voorleggen aan de Hoge Raad, omdat – zoals de gemachtigde van belanghebbende weet – die kwestie al in andere in cassatie aanhangige zaken aan de orde is gesteld.
4. Beoordeling van de middelen
4.1
Middel I klaagt over het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat de heffingsambtenaar aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft voldaan. Het middel slaagt. De Hoge Raad verwijst daarvoor naar zijn arrest van 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3.
4.2
Middel IV, dat zich richt tegen het hiervoor in 3.3.5 vermelde oordeel van het Hof, slaagt eveneens. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 4.3.2 van zijn arrest van 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106.
4.3
Middel III is gericht tegen het hiervoor in 3.3.4 vermelde oordeel van het Hof, en slaagt ook. Middel V, dat is gericht tegen het hiervoor in 3.3.6 vermelde oordeel van het Hof, slaagt eveneens voor zover dit middel betrekking heeft op de vergoeding van proceskosten en het griffierecht in beroep. In geval van schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ dient in de regel een vergoeding van daarvoor in aanmerking komende proceskosten te worden toegekend, ook indien aan die schending met toepassing van artikel 6:22 Awb wordt voorbijgegaan. Dat is alleen anders indien bijzondere omstandigheden aan die vergoeding in de weg staan. Ook leidt een geslaagd beroep op een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ tot vergoeding van het griffierecht, tenzij aan dat verzuim met toepassing van artikel 6:22 Awb voorbij wordt gegaan en zich bovendien bijzondere omstandigheden voordoen die aan een vergoeding van het griffierecht in de weg staan. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 4.5.3 van zijn arrest van 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106. De omstandigheid dat de belanghebbende zich over de waarde van de woning in de bezwaarfase al een gefundeerd oordeel heeft kunnen vormen en ook heeft gevormd, kan in dit verband niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.
4.4
Middel VI richt zich tegen het hiervoor in 3.3.7 vermelde oordeel. Ook dit middel slaagt. Het betoogt terecht dat belanghebbende het recht heeft een, in zijn optiek onjuist, rechtsoordeel voor te leggen aan een hoger rechtscollege. De omstandigheid dat die rechtsvraag al in andere zaken aan de hogere rechter is voorgelegd en dat de belanghebbende daarvan op de hoogte is, vormt ook geen bijzondere omstandigheid als hiervoor in 4.3 bedoeld die aan vergoeding van proceskosten en griffierecht in de weg staat.
4.5
De Hoge Raad heeft ook de klacht van middel VIII over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Slotsom
5.1
Hetgeen hiervoor in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De middelen II, VII en IX behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
5.2
Uit de stukken van het geding blijkt niet van omstandigheden die, gelet op hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen, het achterwege blijven van een proceskostenvergoeding in geval van toepassing van artikel 6:22 Awb kunnen rechtvaardigen. Of in dit geval aanleiding bestond artikel 6:22 Awb toe te passen, kan daarom in het midden blijven.
5.3
Op grond van het voorgaande had het Hof de heffingsambtenaar vanwege de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ moeten veroordelen in de proceskosten. Hetzelfde geldt voor de vergoeding van het bij de Rechtbank betaalde griffierecht.
5.4
Aan belanghebbende dient daarom alsnog een vergoeding van griffierecht en van proceskosten te worden toegekend voor de gedingen voor het Hof en voor de Rechtbank.
6. Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van de gedingen voor het Hof en voor de Rechtbank.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissing inzake proceskosten en het ontbreken van een beslissing inzake het griffierecht,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Schagen op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 48,
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Schagen in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑02‑2025