Op basis van zijn stelbrief gestuurd terzake te verlenen rechtsbijstand bij de bezwaarprocedure tegen inhouding van het rijbewijs, moest de raadsman ook als zodanig worden aangemerkt voor de procedure voor de Politierechter: HR 18 februari 1997, NJ 1997, 517. Het ging daar echter wel om procedures die allebei bij dezelfde instantie liepen (rechtbank).
HR, 19-02-2008, nr. 02760/06
ECLI:NL:PHR:2008:BC2333
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
19-02-2008
- Zaaknummer
02760/06
- LJN
BC2333
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2008:BC2333, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 19‑02‑2008; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC2333
ECLI:NL:PHR:2008:BC2333, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 19‑02‑2008
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC2333
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑04‑2007
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑02‑2008
Inhoudsindicatie
Art. 51 Sv. Aangenomen moet worden dat de na het vonnis in EA en het instellen van hoger beroep ingezonden brieven van de rm, gericht aan de Rb, zich bij de stukken van het geding gevoegd zijn en naar het Hof zijn verzonden, zodat het Hof t.t.v. de behandeling van de zaak kennis heeft kunnen dragen van deze brieven. De 1e brief is een stelbrief, de 2e brief een verzoek om een kopie van het vonnis. Noch uit mededelingen gesteld op het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep, noch uit enig ander aan de HR gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan de rm is gezonden. Blijkens het pv van de ttz. in HB is aldaar noch verdachte noch diens rm verschenen. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat een rm in EA als zodanig behoort te worden erkend indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een rm. Uit de brieven blijkt dat verdachte was voorzien van rechtsbijstand, zodat het ernstige vermoeden rijst dat t.a.v. de dagvaarding in HB het voorschrift vervat in art. 51 Sv niet is nageleefd. HR herhaalt verder HR LJN BC0838.
19 februari 2008
Strafkamer
nr. 02760/06
CAW/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 januari 2002, nummer 22/001550-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Middelburg van 20 februari 2001 - de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van negenhonderd euro, subsidiair achttien dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, die de Hoge Raad kan verminderen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat in hoger beroep het voorschrift van art. 51 Sv niet is nageleefd.
3.2. Bij de stukken van het geding bevinden zich:
(i) een proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank te Middelburg van 20 februari 2001 met daarin de aantekening van het door de Politierechter gegeven mondeling vonnis. Het vonnis van de Politierechter is bij verstek gewezen.
(ii) een akte rechtsmiddel inhoudende dat de verdachte op 22 februari 2001 hoger beroep instelt tegen voormeld vonnis.
(iii) een brief van mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat te Terneuzen, gericht aan de "Unit Strafzaken" van de Rechtbank te Middelburg, die voor zover hier van belang inhoudt:
"Datum: 27 februari 2001
Ons kenmerk: 17516
Parketnr. : 12/006270-00
Zitting: 20 februari 2001 te 11.00 uur
Edelachtbare heer/vrouwe,
Bij deze stel ik mij als raadsman van [verdachte], die is opgeroepen voor bovengenoemde terechtzitting.
Ik verzoek U vriendelijk i.v.m. het adviseren van cliënt over het doorzetten van hoger beroep, afschriften te zenden van het dossier."
Blijkens het daarop geplaatste stempel is deze brief op 28 februari 2001 ter griffie van de Rechtbank ingekomen.
(iv) een brief van mr. R.W. van Voorst Vader gericht aan de "Unit Strafzaken" van de Rechtbank te Middelburg, die, voor zover hier van belang, inhoudt:
"Datum: 29 maart 2001
Ons kenmerk: 17516
Parketnummer: 12/006270-00
Zitting: 20 februari 2001 te 11.00 uur
Edelachtbare heer/vrouwe,
Hierbij verzoek ik U als raadsman van [verdachte], mij nog kopie van het vonnis van de Politierechter te doen toekomen."
Blijkens het daarop geplaatste stempel is deze brief op 30 maart 2001 ter griffie van de Rechtbank ingekomen.
3.3.1. Aangenomen moet worden dat deze brieven gevoegd zijn bij de stukken van het geding zoals deze op 25 juni 2001 door de Rechtbank aan het Hof zijn verzonden en dat het Hof ten tijde van de behandeling van de zaak kennis heeft kunnen dragen van deze brieven.
3.3.2. Bij de stukken bevindt zich het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep. Noch uit mededelingen gesteld op dat dubbel noch uit enig ander aan de Hoge Raad gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan de raadsman is gezonden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch de verdachte noch diens raadsman verschenen.
3.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat een raadsman in enige aanleg als zodanig behoort te worden erkend indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman.
3.5. Uit de onder 3.2 sub (iii) en (iv) weergegeven stukken blijkt dat de verdachte sedert 27 februari 2001 voorzien was van rechtsbijstand door een raadsman, zodat het ernstige vermoeden rijst dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 Sv niet is nageleefd.
Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan. Dit is slechts anders indien de rechter voor wie de zaak is aangebracht in redelijkheid mag aannemen dat de verdachte geen prijs erop heeft gesteld, hetzij ter terechtzitting te verschijnen en aldaar door zijn raadsman te worden bijgestaan hetzij in zijn afwezigheid door zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsman het woord ter verdediging te laten voeren.
Een goede procesorde brengt voorts mee dat wanneer - zoals in het onderhavige geval - reden bestaat tot twijfel omtrent het nageleefd zijn van voormeld voorschrift, de rechter, alvorens nadat de zaak is uitgeroepen het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, zich ervan vergewist, dat hetzij voormeld voorschrift is nageleefd hetzij één der voormelde uitzonderingsgevallen zich voordoet.
Noch uit het bestreden arrest noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt echter dat het een of het ander is geschied (vgl. HR 15 januari 2008, LJN BC0838).
3.6. Het middel is dus terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 19 februari 2008.
Conclusie 19‑02‑2008
Inhoudsindicatie
Art. 51 Sv. Aangenomen moet worden dat de na het vonnis in EA en het instellen van hoger beroep ingezonden brieven van de rm, gericht aan de Rb, zich bij de stukken van het geding gevoegd zijn en naar het Hof zijn verzonden, zodat het Hof t.t.v. de behandeling van de zaak kennis heeft kunnen dragen van deze brieven. De 1e brief is een stelbrief, de 2e brief een verzoek om een kopie van het vonnis. Noch uit mededelingen gesteld op het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep, noch uit enig ander aan de HR gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan de rm is gezonden. Blijkens het pv van de ttz. in HB is aldaar noch verdachte noch diens rm verschenen. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat een rm in EA als zodanig behoort te worden erkend indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een rm. Uit de brieven blijkt dat verdachte was voorzien van rechtsbijstand, zodat het ernstige vermoeden rijst dat t.a.v. de dagvaarding in HB het voorschrift vervat in art. 51 Sv niet is nageleefd. HR herhaalt verder HR LJN BC0838.
Nr. 02760/06
Mr. Vellinga
Zitting: 27 november 2007
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een geldboete van € 900,00, subsidiair 18 dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het bepaalde in art. 51 Sv is geschonden omdat geen afschrift van de appeldagvaarding aan verdachtes raadsman is gezonden.
4. De verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld door de Politierechter van de Rechtbank te Middelburg op 20 februari 2001 (parketnr. 12/006270-00). Op 22 februari 2001 stelde mr. F.J.I. van den Branden, advocaat te Terneuzen, namens de verdachte hoger beroep in tegen dit vonnis. De dagvaarding in hoger beroep kon op het GBA-adres van de verdachte niet worden uitgereikt omdat aldaar niemand werd aangetroffen. Toen de dagvaarding ook niet werd opgehaald op het in het bericht van aankomst vermelde adres, is de dagvaarding uitgereikt aan de griffier en heeft deze de dagvaarding bij brief gezonden naar verdachtes GBA-adres. Uit de stukken valt niet op te maken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan een raadsman is verstrekt. Ter terechtzitting in hoger beroep van 3 januari 2002 verscheen noch verdachte noch een raadsman. Vervolgens heeft het Hof de zaak bij verstek behandeld. Op 17 januari 2002 wees het Hof bovengenoemd arrest.
5. In de toelichting op het middel wordt ten betoge dat zich namens de verdachte in hoger beroep een raadsman had gesteld een beroep gedaan op een brief die verdachtes toenmalige raadsman had gezonden aan de strafgriffie van de Rechtbank. Deze brief, blijkens een daarop gesteld stempel binnengekomen bij de Rechtbank op 28 februari 2001, luidt:
Datum: 27 februari 2001
Ons kenmerk: 17516
Parketnr. : 12/006270-00
Zitting: 20 februari 2001 te 11.00 uur
Edelachtbare heer/vrouwe
Bij deze stel ik mij als raadsman van [verdachte], die is opgeroepen voor bovengenoemde terechtzitting.
Ik verzoek U vriendelijk i.v.m. het adviseren van cliënt over het doorzettend van hoger beroep, afschriften te zenden van het dossier.
Hoogachtend,
(w.g. R.W. Van Voorst Vader)
Volgens de toelichting op het middel kon met deze stelbrief, hoewel ten onrechte gezonden aan de Rechtbank, slechts zijn bedoeld dat mr. Van Voorst Vader zich voor de verdachte stelde in hoger beroep. Daartoe wordt erop gewezen dat de stelbrief werd verzonden na het veroordelend vonnis van de Politierechter en nadat hoger beroep was ingesteld terwijl voorts in de brief tot uitdrukking wordt gebracht dat verdachtes raadsman de verdachte adviseerde in verband met het doorzetten van het hoger beroep.
6. Bij de stukken die door de griffier van het Hof op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de griffier van de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich vorengenoemde brief. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat ook het Hof ten tijde van de berechting in hoger beroep over deze brief beschikte.
7. In HR 19 december 2000, NJ 2001, 161 werd overwogen:
"3.2.2. Ingevolge art. 39, eerste lid, Sv geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier of, als dat nog niet het geval is, aan de betrokken hulpofficier. De regeling van art. 39 Sv moet worden beschouwd als een ordemaatregel en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend."
8. Zou het Hof de brief op de in de toelichting op het middel aangevoerde gronden als een stelbrief voor de procedure in hoger beroep hebben gezien, dan zou ik dat oordeel niet onbegrijpelijk hebben geacht. Maar ook de kennelijke opvatting van het Hof dat uit de onderhavige brief niet volgt dat de raadsman zich voor de verdachte in de procedure in hoger beroep heeft gesteld, acht ik niet onbegrijpelijk.(1) Het stellen voor een zitting die al geweest is, lijkt een slag in de lucht. Voor adviseren over het doorzetten van hoger beroep is niet vereist dat de raadsman zich stelt, terwijl stellen zinloos is als het hoger beroep niet wordt doorgezet en dus heel wel kan worden verondersteld dat de uitkomst van het aangekondigde beraad bepaalt of verdachtes raadsman zich in hoger beroep stelt of niet. Een verzoek om inlichtingen, zoals vervat in de onderhavige brief, behoeft niet te worden opgevat als mededeling van de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig.(2) Daar komt nog bij dat de brief niet is gezonden aan de griffier van het Hof maar aan de Rechtbank dus niet aan de griffier van het college waarbij de raadsman als zodanig zou willen optreden.
9. De omstandigheid dat mr. Van Voorst Vader bij brief van 29 maart 2001 "als raadsman van [verdachte]" aan de Rechtbank toezending van het vonnis van de Politierechter verzoekt maakt het voorgaande niet anders.(3) Hij kan zich immers heel wel afficheren als raadsman van de verdachte zonder dat hij zich gesteld heeft. In zekere zin ligt de brief van verdachtes raadsman in het verlengde van het optreden van een raadsman als degene die namens de verdachte appel instelt. Zoals in HR 19 december 2000, NJ 2001, 161 is bepaald betekent het instellen van hoger beroep niet dat de raadsman zich heeft gesteld.
10. Blijft nog de vraag of deze warrige, voor meerderlei uitleg vatbare, als stelbrief onjuist geadresseerde brief het Hof noopte tot nader onderzoek naar de vraag of zich namens de verdachte een raadsman had gesteld of niet. Ik neig er naar deze vraag ontkennend te beantwoorden. Het Hof mocht ervan uitgaan dat een raadsman zo hij zich wilde stellen, dit min of meer ondubbelzinnig tot uitdrukking bracht. Natuurlijk kan er best eens iets misgaan en zou een rechter daar ook in moeten voorzien, maar deze brief is te gebrekkig - warrig, voor meerderlei uitleg vatbaar, als stelbrief onjuist geadresseerd - om de rechter te noodzaken een onderzoek te doen naar de vraag of zich namens de verdachte de raadsman, van wie de brief afkomstig was, heeft willen stellen. Het Hof heeft mogen veronderstellen dat als de verdachte het hoger beroep inderdaad had willen doorzetten, hij zich voor justitie bereikbaar had gehouden(4) en/of dat verdachtes raadsman zich tot het Hof zou hebben gewend wanneer zijn cliënt het hoger beroep inderdaad met zijn bijstand had willen doorzetten. Gelet op het bepaalde in art. 39 Sv mag er toch wel van worden uitgegaan dat verdachtes raadsman zoveel inzicht in de werking van het strafproces had dat hij in dat geval met het oog op de belangen van zijn cliënt(5) het Hof van de door hem beoogde bijstand op de hoogte zou stellen.
11. Het middel faalt.
12. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn is geschonden door het tijdsverloop tussen het arrest van het Hof en de betekening van de mededeling uitspraak aan de verdachte in persoon op 10 augustus 2006.
13. In zijn arrest van HR 3 oktober 2000, LJN AA7309 NJ 2000, 721, m. nt. JdH overwoog de Hoge Raad met betrekking tot de redelijke termijn in een geval waarin de verstekmededeling aan de verdachte dient te worden betekend zoals ingevolge art. 366 Sv in het onderhavige geval:
3.19. Van overschrijding van de redelijke termijn kan eveneens sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.
Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:
a. Indien de verstekmededeling binnen 1 jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend
1. hetzij aan de verdachte in persoon,
In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.
b. Indien de verstekmededeling binnen 1 jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, en indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv.
14. Van rechtsgeldige betekening van de verstekmededeling binnen 1 jaar na uitspraak blijkt uit het dossier niet. De verstekmededeling is pas op 12 april 2005 rechtsgeldig betekend nadat daartoe op 31 juli 2002 en 24 maart 2005 pogingen zijn ondernomen. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden.
15. Het middel slaagt.
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Anders HR 25 februari 2003, LJN AF3097, maar toen ging het om een aan de strafgriffie van het Hof gerichte brief waarin de raadsman aankondigde een toevoeging te zullen vragen om de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ter zijde te kunnen staan.
2 HR 18 februari 1997, NJ 1997, 516:
3 Zie wederom HR 18 februari 1997, NJ 1997, 516: een verzoek om inlichtingen behoeft niet te worden opgevat als mededeling van de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig.
4 Zie voor het belang van verdachtes proceshouding voor de vraag of hij beoogde dat de raadsman die zich voor de verdachte had gesteld, hem zou bijstaan HR 18 februari 1997, NJ 1997, 517, m. nt. Sch
5 Aldus E.Ph.R Sutorius, Handboek strafzaken, Kluwer, Deventer, 1.3.4.
Beroepschrift 05‑04‑2007
Griffienummer: 02760/06
Schriftuur houdende middelen van cassatie in de zaak van [verdachte], rekwirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof Den Haag, uitgesproken op 17 januari 2002.
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven, in het bijzonder zijn de artikelen 51 Sv en artikel 6 lid 3 EVRM geschonden doordien het Gerechtshof de zaak inhoudelijk heeft beoordeeld zonder dat afschrift van de oproeping voor de zitting van het hof van 3 januari 2002 aan de raadsman van rekwirant was verzonden, althans doordien het hof niet heeft onderzocht of de raadsman was opgeroepen voor bovenbedoelde zitting.
Toelichting:
Op 20 februari 2001 werd rekwirant bij verstek door de Politierechter Middelburg veroordeeld in verband met het aanwezig hebben van een hoeveelheid softdrugs. Op 22 februari 2001 werd door mr F.J.I. van den Branden hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Op 27 februari van dat jaar stelt zich, bij de griffie van de rechtbank Middelburg, mr R.W. van Voorst Vader als raadsman van rekwirant, kantoorgenoot van mw. mr van den Branden. In de stelbrief schrijft de raadsman: ‘Ik verzoek U vriendelijk i.v.m. het adviseren van cliënt over het doorzetten van hoger beroep, afschriften te zenden van het dossier.’ Op 29 maart 2001 stuurt mr van Voorst Vader nog een brief naar de strafgriffie van de rechtbank met verzoek om toezending van een kopie van het vonnis. Op 3 januari 2002 volgt de inhoudelijke behandeling door het hof. Op 17 januari 2002 wordt rekwirant, opnieuw bij verstek, veroordeeld.
In het dossier waarover Uw Raad thans beschikt bevinden zich de twee voornoemde brieven. Een daarvan is een stelbrief. Indien de stelbrief naar de strafgriffie van het gerechtshof was gestuurd, en aldaar was ontvangen, had dit normaal gesproken en in de gegeven omstandigheden moeten leiden tot een nader onderzoek door het hof of de raadsman wel op de hoogte was gesteld van de zittingsdatum. De raadsman had zich evenwel niet bij het hof, maar bij de Rechtbank gesteld.
Vraag is of het bovenstaande het hof niettemin, gelet op het bepaalde in artikel 51 Sv, verplichtte tot onderzoek of een afschrift van de oproeping voor de zitting van het Gerechtshof was verzonden aan mr van Voorst Vader.
Problematisch is het gegeven dat de stelbrief werd verzonden aan de griffie van de rechtbank en niet aan die van het hof. Op het eerste gezicht zal verzending van een stelbrief naar de verkeerde instantie niet zomaar tot bovenbedoelde verplichting leiden.1.
Niettemin meent rekwirant, op basis van het volgende, dat er ruimte is voor het oordeel dat het hof nader onderzoek had moeten verrichten. Een raadsman stelt zich per aanleg. Onder aanleg moet worden verstaan ‘de gehele periode dat de vervolging bij een instantie aanhangig is (HR 18 mei 1993, nr 93 998, NJB 1993, nr. 160).’ Volgens de Hoge Raad ‘eindigt’ die aanleg wanneer de desbetreffende uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan dan wel daartegen een gewoon rechtsmiddel is ingesteld.2. De stelbrief kon slechts zijn bedoeld — nu hoger beroep reeds was ingesteld — op bijstand terzake het kort daarvoor ingestelde hoger beroep. De raadsman stelt in zijn brief van 27 februari ook uitdrukkelijk dat hij zijn cliënt bijstaat terzake (advisering over het voortzetten van) hoger beroep. De rechtsbijstand betreft derhalve het hoger beroep.
Dan resteert het bezwaar dat de brief niet gericht is aan de juiste griffie. In uw arrest gepubliceerd in NJ 2001, 161 hanteert Uw raad als criterium dat uit enig in het dossier aanwezig stuk moet blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbij stand door een raadsman. Voorts blijkt uit deze uitspraak dat de keuze van een raadsman geldt voor de gehele aanleg, behoudens in het geval van voortijdige beëindiging.3. Genoemde brieven bevinden zich in het dossier en zullen — gelet op de datering — het hof bekend zijn geweest. De raadsman heeft niet laten blijken van beëindiging van zijn bijstand. Langs deze weg had het hof bekend kunnen zijn en nader moeten informeren naar de bijstand van mr van Voorst Vader.
Wanneer reden bestaat tot twijfel omtrent het nageleefd zijn van het voorschrift van art. 51 Sv dient de rechter zich te vergwissen of voormeld voorschrift is nageleefd.4. Nu het hof geen blijk heeft gegeven bovenbedoeld onderzoek te hebben gedaan en uit het dossier ook niet blijkt dat mr van Voorst Vader door het hof is opgeroepen voor de inhoudelijke behandeling bij het hof, leidt dit tot nietigheid van de behandeling.5.Verzocht wordt het arrest te vernietigen.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven, in het bijzonder is artikel 6 lid 1 EVRM geschonden omdat de berechting van deze zaak niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.
Toelichting:
De processuele gang van zaken — voor zover ten deze relevant — is als volgt.
Op 15 juni 2000 werd bij een onderzoek in een woning aan de [a-straat] [1] te [a-plaats] een hoeveelheid softdrugs gevonden. Op 28 juni 2000 is rekwirant door de politie over deze vondst gehoord. Op 20 februari 2001 werd rekwirant bij verstek door de Politierechter Middelburg in verband met het aanwezig hebben van de aangetroffen hoeveelheid veroordeeld tot een geldboete.
Tegen dit vonnis wordt namens rekwirant geappelleerd. Het Hof Den Haag doet vervolgens op 17 januari 2002 einduitspraak en veroordeelt rekwirant wegens overtreding van de Opiumwet tot een geldboete van € 900,-.
Op 26 juli 2002 wordt gepoogd de uitspraak aan rewirant te betekenen. Voorzover rekwirant kon nagaan is deze betekening niet geslaagd (geen akte uitreiking). Op 24 maart 2005 wordt nog eens geprobeerd de uitspraak te betekenen. Op 12 april 2005 wordt de uitspraak als gewone brief aan rekwirant verzonden. Op 10 augustus 2006 werd de uitspraak rekwirant in persoon betekend.
Rekwirant is van mening dat in deze zaak het vereiste van een berechting binnen een redelijke termijn niet is nageleefd. Het gaat daarbij in het bijzonder om de tijd die is verstreken sinds de aanvang van de redelijke termijn tot de uiteindelijke afdoening door Uw Raad, alsmede om de tijd die verstreek tussen de uitspraak in appel en de betekening van de uitspraak aan rekwirant.
— Tijdsverloop tussen arrest en betekening aan rekwirant:
Tussen de beslissing van het hof de dato 17 januari 2002 en de uiteindelijke betekening op 10 augustus 2006 verstreek een periode van 4 jaar en (bijna) 7 maanden. Rekwirant stond steeds ingeschreven bij het GBA op het adres [b-straat] [2] in [b-plaats]. Na een eerste niet succesvolle poging de uitspraak te betekenen op 26 juli 2002 werd 2 jaar en 8 maanden gewacht met de volgende poging. De uitspraak is derhalve niet binnen een jaar rechtsgeldig aan rekwirant betekend. Evenmin blijkt dat jaarlijks is geprobeerd de verstekmededeling alsnog te betekenen.
Zoals gezegd is pas 2 jaar en 8 maanden later een volgende poging ondernomen. Rekwirant is niet bekend of — en zo ja, wanneer — rekwirant werd ingeschreven in het opsporingsregister. Pas 4 jaar en 7 maanden na de uitspraak van het Hof werd de uitspraak aan rekwirant betekend. Niet gezegd kan worden dat het OM de nodige voortvarendheid heeft betracht bij de betekening van de uitspraak (vgl. HR NJ 2000, 721 en HR NJB 2004, no. 5, p. 244).
— Totale duur van het geding:
De gehele afdoening overstijgt, op het moment van het indienen van deze schriftuur, in ieder geval — als aanvangspunt van de redelijke termijn wordt uitgegaan van juni 2000 (doorzoeking en eerste verhoor) — een periode van 6 jaar en 9 maanden. Na conclusie van het Openbaar Ministerie en arrest van Uw Raad zal die periode kunnen oplopen tot een periode van 7 jaar. Het betreft een niet complexe strafzaak met een bekennende verdachte. Een goede rechtvaardiging voor de bovengenoemde vertraging kan niet worden gevonden. Ook om deze reden is niet voldaan aan het vereiste van afdoening binnen een redelijke termijn als geformuleerd in artikel 6 EVRM.
Concluderende:
Om de hierboven uiteengezette redenen verzoekt rekwirant Uw Raad het arrest van het hof te vernietigen dan wel het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging c.q. de opgelegde straf te matigen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr M.W. Stoet, advocaat te Den Haag, kantoorhoudende aan de Zoutmanstraat 23-j (2518 GL), die bij deze verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Raadsman
Den Haag, 5 april 2007
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 05‑04‑2007
Zie HR 1998, 784, no. 4.2 alsmede de aan de uitspraak voorafgaande conclusie van mr Fokkens, met verwijzing naar rechtspraak en literatuur.
Hoge Raad 19 december 2000, NJ 2001, 161.
Zie HR 21 april 1998, NJ 1998, 696.
Zie o.m. HR 23 juni 1998, NJ 1998, 772.