HR, 18-04-2006, nr. 00459/05 E
ECLI:NL:HR:2006:AU8112
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
18-04-2006
- Zaaknummer
00459/05 E
- LJN
AU8112
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2006:AU8112, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 18‑04‑2006
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AU8112
ECLI:NL:HR:2006:AU8112, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 18‑04‑2006; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU8112
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑05‑2005
- Wetingang
art. 82 Wet toezicht kredietwezen 1992
- Vindplaatsen
JOR 2006/155
JOR 2006/155
Conclusie 18‑04‑2006
Inhoudsindicatie
1. Art. 82 Wtk 1992 richt zich tot eenieder. 2. Vordering benadeelde partij niet van eenvoudige aard. Ad 1. De klacht dat het hof niet uitdrukkelijk heeft beslist op het verweer dat het overtreden voorschrift niet is gericht tot een persoon als verdachte die in haar positie van werknemer heeft gehandeld, faalt omdat het hof het verweer slechts had kunnen verwerpen aangezien art. 82 Wtk 1992 zich tot eenieder richt. Ad 2. Het hof heeft overwogen dat t.a.v. de vorderingen van de benadeelde partijen vragen rijzen over o.m. de causaliteit, de hoogte van de vorderingen en de mogelijke eigen schuld van de benadeelden. In het licht daarvan is ‘s hofs oordeel onjuist noch onbegrijpelijk dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering aangezien die vorderingen niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding.
Nr. 00459/05 E
Mr. Machielse
Zitting: 6 december 2005
Conclusie inzake:
[verdachte] (1)
1. Verdachte is op 16 juni 2004 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82, eerste lid van de Wet toezicht kredietwezen 1992, terwijl dit feit opzettelijk wordt begaan, veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof bepaald dat de door de benadeelde partijen en de door de verdachte in verband met de vorderingen van de benadeelde partijen gemaakte kosten worden gecompenseerd in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.(2)
2. Namens de verdachte heeft Mr. F.L.L. Vermeeren, advocaat te 's-Hertogenbosch, cassatie ingesteld en vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3. Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft Mr. P.J. Thie, advocaat te Rotterdam één middel van cassatie voorgesteld.
4. Hieronder behandel ik eerst de namens de verdachte voorgestelde middelen, daarna het middel van de benadeelde partij.
5. Het eerste middel klaagt dat het beroep op nietigheid van de dagvaarding ten onrechte is verworpen. Gelet op de omvang van het dossier had het Openbaar Ministerie het verwijt nader moeten specificeren. De tenlastelegging is onvoldoende feitelijk nu er te veel kwalificatieve termen in zijn gebruikt. De dagvaarding is ook nietig omdat zij niet inhoudt waarom de feiten strafbaar zouden zijn.
6. Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg, tenlastegelegd dat:
"zij in of omstreeks de periode van 16 september 1997 tot en met 14 september 1999 in het/de arrondissement(en) Roermond en/of Maastricht en/of 's-Hertogenbosch en/of Breda en/of elders in Nederland en/of in Maasmechelen en/of elders in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk bedrijfsmatig op termijn opvorderbare gelden van [benadeelde partij 8] (AG/221, AG/266) en/of [benadeelde partij 9] (AG/195) en/of [benadeelde partij 10] (AG/65) en/of [benadeelde partij 11] (AG/89) en/of [benadeelde partij 12] (AG/109) en/of [benadeelde partij 13] (AG/176) en/of [benadeelde partij 3] en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en), in elk geval van het publiek, heeft aangetrokken en/of ter beschikking heeft verkregen en/of ter beschikking heeft gehad
en/of
opzettelijk in enigerlei vorm heeft bemiddeld terzake van het bedrijfsmatig van [benadeelde partij 8] (AG/221, AG/266) en/of [benadeelde partij 9] (AG/195) en/of [benadeelde partij 10] (AG/65) en/of [benadeelde partij 11] (AG/89) en/of [benadeelde partij 12] (AG/109) en/of [benadeelde partij 13] (AG/176) en/of [benadeelde partij 3] en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en), in elk geval van het publiek, aantrekken en/of ter beschikking verkrijgen van op termijn opvorderbare gelden."
7. In zijn overwegingen omtrent de geldigheid van de inleidende dagvaarding, heeft het Hof het verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman van verdachte heeft, op de gronden als vermeld in de pleitnota, kort samengevat aangevoerd, dat nu in de tenlastelegging niet duidelijk is omschreven waaruit het beweerdelijk strafbaar handelen van verdachte heeft bestaan, doch wordt volstaan met de kwalificatieve termen van artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, de dagvaarding nietig dient te worden verklaard.
Het hof verwerpt dit verweer.
De in de tenlastelegging gebruikte termen "gelden ter beschikking krijgen" en "gelden ter beschikking hebben" zijn voldoende feitelijk en lenen zich ook nauwelijks voor verdere specificatie. De uitdrukking "gelden aantrekken" had wellicht nader kunnen worden toegespitst, maar is op zichzelf naar het oordeel van het hof eveneens voldoende feitelijk. Ook de uitdrukking "in enigerlei vorm bemiddelen" is niet louter kwalificatief, maar naar het oordeel van het hof wel onwenselijk vaag. Ofschoon iedere vorm van bemiddeling gelijkelijk strafbaar is, kan het hof zich voorstellen dat wanneer -zoals in de bestreden tenlastelegging- louter deze wettelijke term wordt gebruikt, aan de verdachte onvoldoende duidelijk zou kunnen worden waarin de haar verweten gedraging precies heeft bestaan. Uit de door en namens de verdachte gevoerde verdediging blijkt dat zich echter niet te hebben voorgedaan. Zij en haar raadsman hebben goed begrepen welk verwijt haar werd gemaakt. Het hof acht daarom de formulering van de tenlastelegging, ofschoon niet onberispelijk, toch voldoende feitelijk."
8. Verder houdt de bestreden uitspraak voorzover hier van belang in:
"Uitleq van de tenlastelegging
(...)
Tot het "aantrekken van geld" moet naar het oordeel van het hof worden gerekend ieder gedrag dat rechtstreeks gericht is op het gedurende enige tijd ter beschikking verkrijgen van geld -ook wanneer het gestelde doel niet wordt bereikt. De norm is niet slechts gericht tot degene die in het maatschappelijk verkeer als functionaris optreedt, doch tevens tot degene die feitelijk geld aantrekt, activiteiten ontplooit die rechtstreeks gericht zijn op het ter beschikking verkrijgen van geld. Artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 maakt duidelijk dat "aantrekken" en "bemiddelen terzake van het aantrekken" te onderscheiden activiteiten zijn. Het onderscheid tussen aantrekken en bemiddelen zit hierin, dat de bemiddelaar het geld niet aantrekt om daarover enige tijd de beschikking te verwerven, maar om het door te geven, of in elk geval te doen toekomen, aan een achterliggende partij. Het is daarvoor niet nodig dat de bemiddelaar zelf het aangetrokken geld in handen krijgt; ook het aanbrengen van inleggers bij de achterliggende partij valt onder "bemiddelen".
Tevens vallen naar het oordeel van het hof onder "aantrekken" en "bemiddelen" activiteiten die gericht zijn op het (hernieuwd) aangaan van een overeenkomst van geldleen nadat de afloopterrnijn van een eerdere overeenkomst is verstreken, ook al vindt daarbij geen feitelijke overdracht van een geldbedrag plaats."
9. De grief dat het OM het verwijt nader had moeten specificeren gelet op de omvang van het dossier gaat eraan voorbij dat de tenlastelegging aangeeft op welke onderdelen van het dossier het verwijt berust. Ook zijn de namen genoemd van personen van wie geld zou zijn aangetrokken. Door deze verwijzingen moet het voor verdachte mogelijk zijn geweest zich een voldoende helder beeld te vormen van wat aan haar is verweten.
10. Het middel keert zich voorts tegen het oordeel dat de in de tenlastelegging opgenomen en kennelijk aan de wet ontleende termen "gelden ter beschikking krijgen", "gelden ter beschikking hebben", "gelden aantrekken" en "bemiddelen" voldoende feitelijk zijn.
11. Art. 82 lid 1 Wet Toezicht Kredietwezen 1992 heeft de volgende inhoud:
1. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben dan wel in enigerlei vorm te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden.
Het tweede lid bevat een opsomming van gevallen waarin het verbod niet van toepassing is, het derde lid een regeling van vrijstelling of ontheffing.
12. De wetgever omschrijft soms met een zekere vaagheid, bestaande in het bezigen van algemene termen, delicten om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van de delictsomschrijving vallen. Die vaagheid kan onvermijdelijk zijn, omdat niet altijd te voorzien is op welke wijze de te beschermen belangen in de toekomst zullen worden geschonden en omdat, indien dit wel is te voorzien, delictsomschrijvingen anders te verfijnd worden met als gevolg dat de overzichtelijkheid wegvalt en daarmee het belang van de algemene duidelijkheid van de wetgeving schade lijdt. Zeker in het economische strafrecht zal dit het geval zijn.(3) Onder dergelijke omstandigheden is het onredelijk aan de tenlastelegging de eis te stellen dat het strafbare feit geen gebruik mag maken van dergelijke "kwalificaties".(4)
13. De wetsgeschiedenis van art. 82 lid 1 Wet Toezicht Kredietwezen 1992 bevat geen aanwijzing dat de wetgever onder omschrijvingen als "gelden ter beschikking krijgen", "gelden ter beschikking hebben", "gelden aantrekken" en "bemiddelen" iets anders wilde verstaan dan wat het algemeen spraakgebruik eronder begrijpt. De Hoge Raad heeft zelf nog nooit een tenlastelegging die van deze wettelijke termen gebruik maakt afgewezen.(5)
14. Het oordeel van het Hof dat aan de hiervoor genoemde termen in de tenlastelegging mede een feitelijke betekenis toekomt, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat niet onbegrijpelijke oordeel is in cassatie niet verder toetsbaar.(6)
15. Voor wat betreft de in de tenlastelegging genoemde "bemiddeling in enigerlei vorm" kan het middel overigens al bij gebrek aan redelijk belang niet slagen. Dat deel van de tenlastelegging is niet bewezenverklaard. Ten overvloede merk ik op dat die klacht ook geen kans van slagen heeft.(7) Ook hiervoor geldt immers dat het Hof heeft kunnen oordelen dat de term voldoende feitelijke betekenis heeft en dat het voor de verdediging niet twijfelachtig was waartegen zij zich teweer moest stellen.
16. Als met de klacht dat de telastelegging niet inhoudt waarom de feiten strafbaar zouden zijn, wordt bedoeld dat het voor verdachte niet duidelijk was welk wettelijk voorschrift zou zijn overtreden faalt ook dit onderdeel. De inleidende dagvaarding verwijst met zoveel woorden naar art. 82 Wet toezicht kredietwezen1992. Het pleidooi maakte het Hof voorts onmiskenbaar duidelijk dat er over de strafbepaling waarop de tenlastelegging betrekking had juist geen misverstand bestond.(8)
17. Het middel faalt.
18. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen schending van de redelijke termijn heeft aangenomen. Het Openbaar Ministerie had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden wegens een ernstige schending van de redelijke termijn.
19. In zijn overwegingen omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, heeft het Hof het verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Van de zijde van de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging om kort gezegd de volgende redenen:
a. Het in artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden. Dit verweer is, zakelijk weergegeven, toegelicht met het argument dat de rol van verdachte reeds duidelijk was in mei 2000. In haar zaak is pas in april 2003 een dagvaarding uitgebracht tegen de zitting van 12 mei 2003. Voorts heeft verdachte slechts een marginale rol gespeeld.
b. (...)
c. (...)
Het hof verwerpt voormelde verweren en overweegt dienaangaande als volgt.
ad a. De zaak tegen de verdachte hangt nauw samen met een reeks zaken tegen andere verdachten. Zij kon niet op verantwoorde wijze worden beoordeeld voordat ook in die zaken het opsporingsonderzoek was voltooid. Dat onderzoek was zowel feitelijk als juridisch zeer ingewikkeld en hoogst bewerkelijk. Honderden getuigen zijn, schriftelijk dan wel mondeling, gehoord, vele rechtshulpverzoeken zijn uitgegaan, waarvan het resultaat moest worden afgewacht, en uiteindelijk zijn vele duizenden pagina's proces-verbaal opgemaakt. Tallozen gaven te kennen zich als benadeelde partij te willen voegen. De officier van justitie heeft zich daaromtrent een mening moeten vormen. Vervolgens heeft zij er, naar het oordeel van het hof op goede gronden, voor gekozen om alle strafzaken nagenoeg gelijktijdig te doen behandelen, dit opnieuw wegens de nauwe onderlinge samenhang. Deze samenhang werd benadrukt doordat vrijwel alle verdachten een of meer medeverdachten aanwezen als "de ware schuldigen". Nadat op 30 juli 2003 vonnis was gewezen, heeft de behandeling in hoger beroep al plaatsgevonden op 2 juni 2004 en heden wordt in hoger beroep uitspraak gedaan. Een en ander heeft er toe geleid dat de vervolging lang, maar naar het oordeel van het hof niet onredelijk lang, heeft geduurd.
Ten overvloede merkt het hof hierbij op dat het Openbaar Ministerie de slachtoffers van de begane delicten tegemoet heeft willen komen en daarom heeft gekozen voor een wijze van ten laste leggen die een vlotte afwikkeling niet ten goede kwam en uiteindelijk ook niet heeft geleid tot het beoogde resultaat: de toewijzing van de door de benadeelde partijen ingediende vorderingen. Het mag in dezen weliswaar autonoom handelen, maar de zo veroorzaakte vertraging behoort naar het inzicht van het hof bij het beoordelen van de redelijkheid van de vervolgingsduur wel mede in aanmerking te worden genomen. Deze vertraging was naar het oordeel van het hof echter niet van dien aard dat zij de duur van de vervolging tot een onredelijke maakte."
20. Het Hof is er kennelijk van uitgegaan dat het begin van het tijdsverloop, waarvan de verdediging stelde dat dit een schending van de redelijke termijn opleverde, gelegen was in mei 2000.
21. In zijn standaardarrest van 3 oktober 2000 overweegt de Hoge Raad:
"3.13. De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:
a. De ingewikkeldheid van de zaak.
Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.
b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop.
Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.
c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.
3.14. Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13 vermeld."(9)
22. Bij zijn beoordeling van de redelijkheid van het tijdsverloop heeft het Hof duidelijk de ingewikkeldheid van de zaak laten meewegen en de wijze waarop deze door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Het stelt voorop dat de onderhavige zaak dusdanig met de andere zaken samenhangt dat een verantwoorde beoordeling door de Officier van Justitie pas mogelijk is geweest na de afronding van het gehele opsporingsonderzoek.
23. Tegen deze achtergrond geeft het bestreden oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, ondanks het feit dat de zaak niet binnen twee jaar met een eindvonnis in eerste aanleg maar grofweg één jaar en twee maanden later is afgerond nog geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat niet onbegrijpelijk. De overweging van het Hof dat, nadat op 30 juli 2003 vonnis was gewezen door de Rechtbank, de behandeling in hoger beroep al plaats heeft gevonden op 2 juni 2004 en op 16 juni 2004, begrijp ik aldus dat het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat ook de totale duur van de behandeling van de strafzaak niet onredelijk lang is geweest. Dat het OM heeft gekozen voor een wijze van tenlasteleggen die een vlotte afwikkeling van de strafzaak niet ten goede is gekomen is een omstandigheid die het Hof in zijn beoordeling heeft meegewogen, maar waaraan het Hof niet dusdanig gewicht heeft toegekend dat schending van de redelijke termijn aan de orde was.
24. Voor een verdere toetsing van dit oordeel is in cassatie geen plaats nu dit oordeel sterk verweven is met waarderingen van feitelijk aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.(10)
25. Het middel faalt.
26. Het derde middel klaagt dat het Openbaar Ministerie wegens schending van het gelijkheidsbeginsel niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden in zijn vervolging.
27. In zijn overwegingen omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, heeft het Hof het verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Van de zijde van de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging om kort gezegd de volgende redenen:
a. (...)
b. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden, nu verdachte wel wordt vervolgd, maar [betrokkene 16], die vergelijkbare werkzaamheden heeft verricht binnen de onderneming van [medeverdachte 1], niet.
c. (...)
Het hof verwerpt voormelde verweren en overweegt dienaangaande als volgt.
(...)
ad b. Het in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel wordt beperkt door de werking van de beginselen van een goede procesorde, waartoe ook het gelijkheidsbeginsel behoort. Dit gelijkheidsbeginsel is van belang wanneer in verschillende, met elkaar te vergelijken zaken, zonder aanwijsbare reden(en), door het Openbaar Ministerie in de ene zaak wel en in de andere niet tot vervolging wordt overgegaan. In casu is echter daarvan, noch van willekeur, sprake. [Betrokkene 16] heeft immers andere werkzaamheden verricht dan verdachte. Het Openbaar Ministerie kan op bewijstechnische gronden tot het besluit zijn gekomen dat vervolging van [betrokkene 16] niet geindiceerd was. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie in gelijksoortige gevallen verschillende vervolgingsbeslissingen heeft genomen."
28. De steller van het middel keert zich in wezen tegen de constatering van het Hof dat [betrokkene 16] andere werkzaamheden heeft verricht dan verdachte, omdat die constatering in het dossier geen steun zou vinden.
29. Vooropgesteld dient te worden dat art. 167 lid 1 Sv aan de Officier van Justitie een zelfstandige beslissingsbevoegdheid toekent met betrekking tot de vraag of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Hij is bevoegd op gronden aan het algemeen belang ontleend van vervolging af te zien. Indien hij tot vervolging overgaat, staat die beslissing in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter tenzij de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsbepalingen of met beginselen van een goede procesorde, waaronder het gelijkheidsbeginsel. In dat geval kan het recht tot strafvordering vervallen. Indien de Officier van Justitie op grond van het opportuniteitsbeginsel de beslissing heeft genomen tot vervolging over te gaan, dient de rechter die beleidsvrijheid te respecteren. In het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging van de verdachte mag de rechter die beslissing evenwel ten volle toetsen aan beginselen van een goede procesorde.(11)
30. Bestendige rechtspraak van de Hoge Raad houdt evenwel in dat enkel de aangevoerde omstandigheid dat vergelijkbare derden niet zijn vervolgd geen niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging tegen de verdachte kan meebrengen.(12) Meer in het bijzonder brengt enkel de aangevoerde omstandigheid dat de verdachte wel en een mede-verdachte (althans een bij hetzelfde feit betrokken verdachte) niet is vervolgd, op zichzelf geen schending van het gelijkheidsbeginsel mee en staat dat niet aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging in de weg.(13)
31. In dit licht kan middel reeds niet slagen omdat het berust op de enkele stelling dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van de onderhavige verdachte dient te worden verklaard indien een medeverdachte ([betrokkene 16]) die vergelijkbare handelingen heeft verricht, desondanks niet is vervolgd. Het Hof heeft het verweer derhalve terecht verworpen.(14)
32. Ter terechtzitting van 2 juni 2004 in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat [betrokkene 16] de boekhouding deed op het kantoor van [medeverdachte 1]. Verder zou zij dezelfde werkzaamheden hebben verricht als verdachte. In dezelfde verklaring heeft verdachte uitgelegd dat haar werkzaamheden op kantoor administratief van aard waren. Kennelijk heeft het Hof aangenomen dat [betrokkene 16] inderdaad slechts de boekhouding heeft gedaan en administratieve werkzaamheden heeft verricht, maar, gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, dat verdachte een belangrijkere rol had. Tevens heeft het Hof aan die verklaring kunnen ontlenen dat [betrokkene 16] haar ontslag heeft gekregen wegens onenigheid met verdachte, die naar eigen zeggen vertrouwen bleef houden in [medeverdachte 1].
Tegen deze achtergrond vindt de betwiste overweging van Hof reeds voldoende steun in de eigen verklaring van verdachte.
33. Het middel faalt.
34. Het vierde middel stelt dat het Hof ten onrechte niet op een verweer heeft beslist terwijl toch uitdrukkelijk een beroep is gedaan op een strafuitsluitingsgrond.
35. De steller van het middel doelt op het in de pleitnotities van de terechtzitting van 2 juni 2004 neergelegde betoog dat art. 82 Wet toezicht kredietwezen 1992 zich slechts richt tot ondernemingen of degenen die aan ondernemingen leiding geven. Het Hof heeft inderdaad hierop niet uitdrukkelijk gerespondeerd.
36. Het verweer dat een bepaalde delictsomschrijving niet voor verdachte is geschreven vertaalt zich doorgaans in een bewijsverweer, bijvoorbeeld omdat verdachte niet de vereiste kwaliteit bezit, of omdat een bepaald delictsbestanddeel op een beperkte manier dient te worden uitgelegd.(15) Indien de delictsomschrijving voor zo een beperkte uitleg geen aanknopingspunten biedt wordt soms teruggegrepen naar een exceptie als het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.(16)
Het is onduidelijk waarop de advocaat in zijn pleitnota doelde. Door te stellen dat de vraag naar de normadressaat voorafgaat aan de vraag naar de bewezenverklaring lijkt de pleitnota uit te sluiten dat een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid bedoeld is. Omdat de vraag voorafgaat aan de bewijsvraag ligt het ook niet voor de hand het aangevoerde als een bewijsverweer op te vatten. In feitelijke aanleg is ook niet aangewezen voor welk onderdeel het bewijs zou ontbreken. Ik houd het ervoor dat bedoeld is een beroep te doen op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.
37. In dat verband zijn de arresten HR 29 juni 1936, NJ 1937, 9 (m.nt. WP) en HR 22 juni 1954, NJ 1954, 477 (m.nt. BVAR) niet relevant te achten.
Die uitspraken handelen over de kwestie of "bouwen" in de zin van de Woningwet respectievelijk "vervoer" van stenen in de zin van de Wet Gebruik Vervoermiddelen 1939 bewezen kon worden. De desbetreffende verboden keerden zich tegen het bouwen en vervoeren zonder vergunning en betreffen volgens de Hoge Raad in elk geval degene die globaal gezegd gerechtigde is tot datgene wat wordt gebouwd of vervoerd en daarover kan beschikken en op wiens naam de vergunning had moeten of kunnen worden gesteld. Het ging er de Hoge Raad dus om in deze gevallen tot een functioneel daderschap te komen, en niet om het daderschap van de natuurlijk persoon/uitvoerder uit te sluiten.
De stelling dat art. 82 lid 1 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 zich slechts richt tot ondernemingen of in ondernemingen werkzaam zijn de leidinggevenden vindt geen steun in tekst of geschiedenis van de bepaling.
38. Ten tijde van het bewezenverklaarde feit hield art. 82 lid 1 Wet Toezicht Kredietwezen 1992 in:
1. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben dan wel in enigerlei vorm te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden.
39. De memorie van toelichting bij de zojuist aangehaalde bepaling(17) houdt onder meer in:(18)
"5.10 Verbod op het ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van het publiek
5.145 Het sluitstuk van het in de Wet toezicht kredietwezen 1992 geïncorporeerde verbodstelsel is - zoals reeds in subparagraaf 3.3 werd gesteld het verbod in artikel 78, eerste lid, Wtk 1992. Het is een ieder - behoudens vanzelfsprekend geregistreerde kredietinstellingen - verboden om bedrijfsmatig, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben dan wel in enigerlei vorm to bemiddelen tor zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden. Dit verbod beoogt hetzefde doel en komt derhalve sterk overeen met het verbod ex artikel 42, eerste lid, Wtk 1978. Daarenboven wordt met het verbod ook uitvoering gegeven aan artikel 3 Tcr."
40. Het eerste lid wijst dus "een ieder" aan als geadresseerde van de verbod. Dit betekent dat het aan ieder ander dan degene op wie de uitzonderingsbepalingen van het tweede en derde lid van toepassing zijn, is verboden om zich tot het publiek te wenden of te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig aantrekken van gelden.(19) De raadsman gaat daaraan in het pleidooi voorbij door slechts te beweren dat de delictsomschrijving (verder) "ziet op een in bedrijfsmatig verband/professioneel binnen een ondernemingsverband te plegen delict." Ook de wetsgeschiedenis is op dit punt helder: geregistreerde kredietinstellingen mogen deze handelingen bedrijfsmatig verrichten, verder niemand anders. Het Hof had het verweer, begrepen als het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid, derhalve slechts kunnen verwerpen.
41. Het middel faalt.
42. Het vijfde middel klaagt dat het Hof een beroep op de afwezigheid van alle schuld niet of ontoereikend heeft beantwoord. Dat zou ook onbegrijpelijk zijn omdat het Hof in zijn arrest zelf heeft overwogen er niet aan te twijfelen dat verdachte niet te kwader trouw heeft gehandeld.
43. In zijn overwegingen omtrent de strafbaarheid van de verdachte heeft het Hof het verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Door en namens de verdachte is betoogd dat het thans door het hof bewezen verklaarde gedrag haar niet kan worden verweten, aangezien zij er op mocht vertrouwen dat haar werkgever, [B] N.V, over de daartoe vereiste vergunningen beschikte. De vergelijking werd getrokken met een bekende Nederlandse bank; wie daar werkt, behoeft toch ook niet na te gaan of alle papieren in orde zijn?
Deze vergelijking gaat naar het oordeel van het hof mank. Het moet de verdachte al spoedig nadat zij haar werkzaamheden in Maasmechelen aanving, duidelijk zijn geworden dat geen sprake was van een regulier bedrijf, dat vergelijkbaar was met een gewone bank. Het was weliswaar gevestigd in een imposant bedrijfspand, maar een behoorlijke boekhouding werd niet gevoerd. Zaken werden vrijwel geheel cash afgedaan; [medeverdachte 1] nam des avonds de voorhanden, soms zeer grote, hoeveelheden contant geld mee naar huis, waarna zij uit het zicht verdwenen. De in het kantoorpand aanwezige grote kluis werd (in tegenstelling tot het in het kantoor van de verdachte aanwezige kleinere kluis) nauwelijks gebruikt. Afgezien van het ontvangen van cliëntèle, het aannemen van geld en de verstrekking van certificaten gebeurde er binnen het bedrijfspand vrijwel niets; het was niet veel meer dan een façade. Vaak hadden de verdachte en haar collega('s) nagenoeg niets om handen. Anderzijds werd veel geld uitgegeven aan vertoon (schilderijen, dure auto's, ook voor verdachte en haar collega's) en aan geschenken. Deze gang van zaken moet verdachte reeds ernstig te denken hebben gegeven.
Vervolgens heeft verdachte, naar zij zelf erkent, kennis genomen van een mededeling van de STE dat de onderneming, naar het oordeel van de STE, zonder de vereiste vergunning en daarom in strijd met de wet opereerde. Naar het oordeel van het hof had zij er in ieder geval vanaf dat moment niet meer blind op mogen vertrouwen dat de vereiste vergunningen voorhanden waren. Zij had zich daaromtrent door een gezaghebbende persoon of instelling moeten laten informeren; dat zij dat heeft gedaan is noch gebleken, noch anderszins gebleken."
44. De redengeving van de op te leggen straf of maatregel houdt onder meer in:
"Het hof twijfelt er niet aan dat verdachte niet te kwader trouw heeft gehandeld. Verdachte heeft echter door haar lichtzinnig optreden er toe bijgedragen dat geldgevers een omvangrijke schade werd toegebracht. Het hof rekent haar dit ernstig aan; het door haar geschonden voorschrift van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is immers juist in het leven geroepen om het publiek te beschermen tegen malafide praktijken."
45. De steller van het middel stelt weliswaar dat in de pleitnota in hoger beroep een beroep is gedaan op avas in de vorm van dwaling ten aanzien van de feiten en van het recht, maar ik veronderstel dat bedoeld is enkel een beroep te doen op rechtdwaling, welke rechtsdwaling dan wordt gebaseerd op bepaalde feitelijke stellingen. Voor een zelfstandig beroep op feitelijke dwaling vind ik in ieder geval geen steun in de pleitnota. Het aangevoerde kan redelijkerwijs niet anders worden verstaan dan dat er voor verdachte geen aanleiding was te twijfelen aan de geoorloofdheid van de handelwijze van [medeverdachte 1] c.s.
46. Voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde feit, is vereist dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging.(20) Van een zodanige onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte daadwerkelijk en verontschuldigbaar ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde, dat zijn gedrag niet ongeoorloofd was.(21)
47. De enkele onbewustheid bij een verdachte van de ongeoorloofdheid van zijn gedrag volstaat niet om zich met succes op afwezigheid van alle schuld te kunnen beroepen. Een geslaagd beroep dient ook een normatieve toets te doorstaan of verdachte de nodige zorgvuldigheid heeft betracht die van hem kan worden gevergd om de ongeoorloofdheid van zijn gedrag te vermijden. (22) Anders gesteld: heeft de verdachte te dien einde gedaan wat hij heeft kunnen of behoeven/behoren te doen.
48. Tegen deze achtergrond heeft het Hof het verweer op goede gronden verworpen. Het hield niet meer in dan dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden een dergelijke onderzoeksplicht niet had.
In zijn hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof de omstandigheden aangewezen die verdachte spoedig na de aanvang van haar werkzaamheden in Maasmechelen in 1997 hadden moeten doen twijfelen aan de rechtmatigheid van de gang van zaken. Vanaf het moment dat de verdachte zelf kennis kreeg van de mededeling van de STE dat de onderneming zonder de vereiste vergunning en dus in strijd met de wet opereerde, kon de verdachte in ieder geval niet meer zeggen erop te hebben kunnen vertrouwen dat de vereiste vergunningen voorhanden waren. Dat [medeverdachte 1] zelf verdachte wist te overtuigen van het ongelijk van hen die hem beschuldigden maakt de dwaling van verdachte niet verontschuldigbaar, omdat [medeverdachte 1] juist niet de persoon of instantie was aan wie zodanig gezag viel toe te kennen dat verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van diens mededelingen over zijn eigen positie mocht afgaan.
49. Voorzover het middel nog klaagt dat de verwerping van het beroep onbegrijpelijk is omdat het Hof in zijn overwegingen omtrent de op te leggen straf heeft opgenomen dat het de verdachte "niet te kwader trouw" acht, faalt het middel eveneens. Dat iemand niet te kwader trouw heeft gehandeld, wil nog niet zeggen dat dús geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Het Hof heeftin de strafmotivering op de aangehaalde woorden meteen laten volgen dat verdachte wel zo lichtzinning geweest dat geldgevers door haar toedoen een omvangrijke schade is toegebracht.
50. Het middel faalt.
Beoordeling van het middel van de benadeelde partij
51. Het middel klaagt dat het Hof de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ten onrechte niet-ontvankelijk in de vordering heeft verklaard.
52. In het proces-verbaal van terechtzitting van 2 juni 2004 is terzake de volgende beslissing opgenomen:
"Bij monde van de voorzitter brengt het hof ten aanzien van de benadeelde partijen aanstonds het volgende naar voren.
In de strafzaak van verdachte hebben zich in eerste aanleg voornoemde personen als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend die strekt tot vergoeding van beweerdelijk geleden schade. De Rechtbank Roermond heeft de benadeelde partijen bij vonnis d.d. 30 juli 2003 niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Het hof is van oordeel, dat al bij eerste kennisneming de vorderingen niet van zo eenvoudige aard blijken te zijn, dat zij zich lenen voor afdoening binnen het kader van het strafproces. Er rijzen vragen, onder meer over de causale relatie tussen de tenlastegelegde gedraging en de geclaimde schade, de hoogte van de vorderingen en de mogelijke eigen schuld van de benadeelden, waaromtrent niet op eenvoudige wijze duidelijkheid kan worden verkregen. Het hof acht de benadeelde partijen dan ook kennelijk niet-ontvankelijk in hun vorderingen en spreekt thans zonder nader onderzoek van de zaak op de voet van het bepaalde in artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering hun niet-ontvankelijkheid uit, met bepaling dat zij hun vorderingen slechts bij de civiele rechter kunnen aanbrengen.
Over de verwijzing in de kosten door de benadeelde partijen en de verdachte gemaakt zal het hof bij eindarrest beslissen."
53. Bij eindarrest heeft het Hof bepaald dat de door de benadeelde partijen en de verdachte in verband met de vorderingen van de benadeelde partijen gemaakte kosten worden gecompenseerd in dier voege, dat ieder de eigen kosten draagt. De benadeelde partijen waren al eerder niet ontvankelijk verklaard. Waarschijnlijk heeft de verdediging niet bedoeld om in cassatie op te komen tegen de beslissingen van het Hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen. Als de rechter, zoals art. 335 Sv het verwoordt, gelijktijdig met de einduitspraak over de vordering van de benadeelde partij uitspraak doet is de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in cassatie geen probleem. Maar wat indien verdachte geen cassatie tegen tussenbeslissingen instelt en geacht moet worden daarin niet ontvankelijk te zijn, of, zoals in deze zaak, geacht mag worden het eens te zijn met de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij?
54. Het komt mij voor dat het enkele feit dat de rechter niet tegelijkertijd met de einduitspraak zich over de vordering van de benadeelde partij uitspreekt geen belemmering mag vormen voor een bespreking van een door de benadeelde partij ingediend cassatiemiddel. Dat cassatieberoep is ontvankelijk als - in het algemeen gesproken - ook de verdachte of het OM in zijn cassatieberoep wordt ontvangen ter zake van het feit dat beweerdelijk de schade heeft veroorzaakt waarvan de benadeelde partij vergoeding vraagt.(23) Ware dit anders dan zou de verdachte die in cassatie gaat de benadeelde partij kunnen uitsluiten enkel en alleen door geen cassatie in te stellen tegen de beslissing op de voet van art. 333 Sv door de feitenrechter genomen. En omdat een verdachte er geen belang bij heeft tegen zo een niet ontvankelijkverklaring in cassatie te gaan zou de weg naar de cassatierechter voor de benadeelde partij praktisch gezien totaal zijn afgesneden. Dat gaat mij te ver.
55. 's Hofs oordeel dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering wordt aldus gedragen doordat de vorderingen niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor afdoening binnen het kader van het strafproces. Er rijzen vragen, onder meer over de causaliteit, de hoogte van de vorderingen en de mogelijke eigen schuld van de benadeelden, waaromtrent niet op eenvoudige wijze duidelijkheid kan worden verkregen.
56. Art. 361, derde lid, Sv luidt als volgt:
"Indien de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat zij in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen."
57. De ratio van die bepaling is dat de behandeling ter terechtzitting in de eerste plaats is gericht op het onderzoek van de strafzaak en dat, mede gelet op de geboden voortvarendheid bij de afdoening daarvan, geen plaats is voor de behandeling van gecompliceerde civiele vorderingen van de benadeelde partij.(24)
58. Art. 333 Sv luidt als volgt:
"Indien naar het oordeel van de rechtbank de benadeelde partij kennelijk niet ontvankelijk is, kan zij zonder nader onderzoek van de zaak de niet ontvankelijkheid van de benadeelde partij uitspreken."
59. Aldus heeft het Hof voor de niet-ontvankelijkverklaring het juiste 'eenvoud'-criterium gehanteerd. Ik versta het oordeel van het Hof aldus dat het Hof bij kennisneming van iedere vordering problemen heeft ontwaard bij de waardering ervan. Vervolgens dient te worden onderzocht of hantering van dat criterium ook een voldoende begrijpelijk oordeel oplevert.(25)
60. Het Hof heeft geoordeeld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet van eenvoudige aard zijn aangezien er onder meer vragen rijzen over de causaliteit, de hoogte van de vorderingen en de mogelijke eigen schuld van de benadeelden. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Met name de weging van de invloed van de eigen schuld is complex, omdat daarbij alle omstandigheden van het geval betrokken kunnen zijn. Hetgeen de steller van het middel aanvoert over het oordeel van de Rechtbank in de zaak van verdachte [medeverdachte 1] kan hieraan niet afdoen, nu het in de onderhavige zaak niet gaat om het aandeel van verdachte [medeverdachte 1], maar om het aandeel van requirante in cassatie. De afwegingen van het Hof zijn van feitelijke aard en het oordeel van de feitenrechter kan in cassatie maar in beperkte mate worden getoetst. De klacht dat in een geheel andere zaak de vorderingen van honderden benadeelde partijen wel zijn toegewezen ziet eraan voorbij dat het hof zijn beslissing over de vordering van de benadeelde partijen in de onderhavige zaak niet heeft gegrond op het grote aantal van benadeelden dat zich gevoegd heeft. Het argument dat de wetgever met de Wet Terwee heeft beoogd de positie van het slachtoffer in het strafproces te verbeteren kan mij evenmin overtuigen, nu uitdrukkelijk ook de bedoeling van de wetgever was dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij ondergeschikt moest zijn aan de strafrechtelijke beslissingen.
61. Het middel dat zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring faalt derhalve.
62. De middelen namens verdachte en de benadeelde partij voorgesteld falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
63. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Deze zaak hangt samen met de zaken nummers 00447/05 E tot en met 00458/05 P, 00460/05 P en 00461/05 E waarin ik ook heden concludeer.
2 Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat het Hof de benadeelde partijen reeds in zijn beslissing op de terechtzitting van 2 juni 2004 in de ingediende vorderingen niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zoals daar aangekondigd bevat het eindarrest voor wat hen betreft alleen de beslissing over de verwijzing in de kosten.
3 Zie bijv. HR 31 oktober 2000, NJ 2001, 14 rov. 3.4.
4 J. Boksem, Op den grondslag der telastlegging (diss. Nijmegen), Nijmegen: Ars Aequi Libri 1996, p. 181.
5 HR 26 september 1993, NJ 1993, 768; HR 19 januari 1999, NJ 1999, 293; HR 29 juni 1999, NJB 1999, blz. 1435, nr. 116; HR 27 maart 2001, LJN AB0740; HR 5 juni 2001, NJB 2001, blz. 1439, nr. 129.
6 HR 11 november 1986, NJ 1987, 536.
7 In HR 28 september 1993, NJ 1993, 768 dat handelde over "bemiddeling" in art. 42 (oud) Wet Toezicht Kredietwezen, is de onderhavige kwestie overigens niet aan bod gekomen.
8 Vide p. 3 van de pleitnotities: "De dagvaarding omhelst niet meer en niet minder dan een weergave van artikel 82 Wet toezicht kredietwezen."
9 De door de Hoge Raad genoemde uitzonderingen op de regel dat de zaak binnen 2 jaar met een eindvonnis wordt afgerond (rov. 3.15), kunnen hier buiten beschouwing blijven.
10 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 (m.nt. JdH), rov. 3.7.
11 HR 13 januari 1998, NJ 1998, 407.
12 HR 18 december 2001, NJ 2002, 318 en HR 16 april 1996, NJ 1996, 527.
13 HR 18 mei 1999, NJ 1999, 578, HR 27 mei 1986, NJ 1987, 29, HR 3 februari 1987, NJ 1987, 731 en HR 26 juni 1984, NJ 1985, 75.
14 HR 26 juni 1984, NJ 1985, 75.
15 Vgl. HR 22 juni 2004, LJN AO8801.
16 Bijv. HR 21 oktober 1986, NJ 1987, 607.
17 In het ontwerp nog art. 78.
18 Kamerstukken II 1991/92, 22 665, nr. 3, p. 72-74 (MvT).
19 HR 27 maart 2001, LJN AB0740. rov. 2.5.
20 HR 23 mei 1995, NJ 1995, 631.
21 Zie o.a. HR 9 maart 2004, NJ 2004, 675.
22 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2003, p. 362-366.G.A.M. Strijards, Strafuitsluitingsgronden, Zwolle: Tjeenk Willink 1987, p. 105-106. W.H. Vellinga, Schuld in spiegelbeeld; afwezigheid van alle schuld (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint B.V. 1982, p. 181-190.
23 HR 26 februari 2002, NJ 2003, 557; HR 25 maart 2003, NJ 2003, 329.
24 HR 19 april 2005, LJN: AS9314.
25 De rechter hoeft niet te motiveren waarom hij de vordering van een benadeelde partij van eenvoudige aard acht, ook niet als dat betwist wordt (HR 17 juni 1997, DD 97.301, LJN: ZD0758, nr. 103.926). Hetzelfde lijkt mij dan ook op te gaan voor het tegenovergestelde oordeel, dat de vordering niét eenvoudig van aard is.
Uitspraak 18‑04‑2006
Inhoudsindicatie
1. Art. 82 Wtk 1992 richt zich tot eenieder. 2. Vordering benadeelde partij niet van eenvoudige aard. Ad 1. De klacht dat het hof niet uitdrukkelijk heeft beslist op het verweer dat het overtreden voorschrift niet is gericht tot een persoon als verdachte die in haar positie van werknemer heeft gehandeld, faalt omdat het hof het verweer slechts had kunnen verwerpen aangezien art. 82 Wtk 1992 zich tot eenieder richt. Ad 2. Het hof heeft overwogen dat t.a.v. de vorderingen van de benadeelde partijen vragen rijzen over o.m. de causaliteit, de hoogte van de vorderingen en de mogelijke eigen schuld van de benadeelden. In het licht daarvan is ‘s hofs oordeel onjuist noch onbegrijpelijk dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering aangezien die vorderingen niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding.
18 april 2006
Strafkamer
nr. 00459/05 E
AGJ/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 16 juni 2004, nummer 20/000089-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende in [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Kamer in de Rechtbank te Roermond van 30 juli 2003 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82, eerste lid van de Wet toezicht kredietwezen 1992, terwijl dit feit opzettelijk wordt begaan" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van éénhonderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof bepaald dat de door de benadeelde partijen en de door de verdachte in verband met de vorderingen van de benadeelde partijen gemaakte kosten worden gecompenseerd in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.L.L. Vermeeren, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 3], heeft mr. P.J. Thie, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.3. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.4. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman van de verdachte op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het vierde middel van de verdachte
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof niet uitdrukkelijk heeft beslist op het verweer dat het overtreden voorschrift niet is gericht tot een persoon als de verdachte die in haar positie van werknemer heeft gehandeld.
3.2 Het middel klaagt terecht dat het Hof heeft nagelaten op dat verweer uitdrukkelijk te beslissen. Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu het Hof dat verweer slechts had kunnen verwerpen aangezien art. 82 Wtk 1992 zich tot een ieder richt.
4. Beoordeling van de overige middelen van de verdachte
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beoordeling van het middel van de benadeelde partij
5.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de benadeelde partij ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering.
5.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 2004 houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:
"Bij monde van de voorzitter brengt het hof ten aanzien van de benadeelde partijen aanstonds het volgende naar voren.
In de strafzaak van verdachte hebben zich in eerste aanleg een aantal personen als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend die strekt tot vergoeding van beweerdelijk geleden schade. De Rechtbank Roermond heeft de benadeelde partijen bij vonnis d.d. 30 juli 2003 niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Het hof is van oordeel, dat al bij eerste kennisneming de vorderingen niet van zo eenvoudige aard blijken te zijn, dat zij zich lenen voor afdoening binnen het kader van het strafproces. Er rijzen vragen, onder meer over de causale relatie tussen de tenlastegelegde gedraging en de geclaimde schade, de hoogte van de vorderingen en de mogelijke eigen schuld van de benadeelden, waaromtrent niet op eenvoudige wijze duidelijkheid kan worden verkregen. Het hof acht de benadeelde partijen dan ook kennelijk niet-ontvankelijk in hun vorderingen en spreekt thans zonder nader onderzoek van de zaak op de voet van het bepaalde in artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering hun niet-ontvankelijkheid uit, met bepaling dat zij hun vorderingen slechts bij de civiele rechter kunnen aanbrengen.
Over de verwijzing in de kosten door de benadeelde partijen en de verdachte gemaakt zal het hof bij eindarrest beslissen."
5.3. Het Hof heeft overwogen dat ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen vragen rijzen over onder meer de causaliteit, de hoogte van de vorderingen en de mogelijke eigen schuld van de benadeelden. In het licht daarvan getuigt het oordeel van het Hof dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering aangezien die vorderingen niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding, niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.
5.4. Het middel faalt dus.
6. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 18 april 2006.
Beroepschrift 20‑05‑2005
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDEL VAN CASSATIE
in de zaak van:
[naam]
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats]
wonende aan de [adres]
[woonplaats] (België)
requirante van cassatie van een te
harer aanzien gewezen arrest van
het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch,
met parketnummer: 20.000089.04/4
uitgesproken op 16 juni 2004
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, Mr F.L.L. Vermeeren, advocaat te 5211 EA 's‑Hertogenbosch, kantoorhoudende aldaar aan de Postelstraat 40, die verklaart tot ondertekening en indiening van deze schriftuur bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirante van cassatie, heeft de eer aan Uw Hoge Raad voor te dragen de navolgende
MIDDELEN VAN CASSATIE
Middel I
Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven op de navolgende gronden. Requirante is in eerste instantie ten laste gelegd dat:
‘Zij in of omstreeks de periode van 16 september 1997 tot en met 14 september 1999 in het/de arrondissement(en) Roermond en/of Maastricht en/of 's‑Hertogenbosch en/of Breda en/of elders in Nederland en/of Maasmechelen en/of elders in België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk bedrijfsmatig op termijn opvorderbare gelden van
[naam 1] (AG/221, AG/266) en/of
[naam 2] (AG/195) en/of
[naam 3] (AG/65) en/of
[naam 4] (AG/89) en/of
[naam 5] (AG/109) en/of
[naam 6] (AG/176)
en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en), in elk geval van het publiek, heeft aangetrokken en/of ter beschikking heeft verkregen en/of ter beschikking heeft gehad’
en/of
‘opzettelijk in enigerlei vorm heeft bemiddeld terzake van het bedrijfsmatig van
[naam 1] (AG/221, AG/266) en/of
[naam 2] (AG/195) en/of
[naam 3] (AG/65) en/of
[naam 4] (AG/89) en/of
[naam 5] (AG/109) en/of
[naam 6] (AG/176)
en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en), in elk geval van het publiek, aantrekken en/of ter beschikking verkrijgen van op termijn opvorderbare gelden;’
Geldigheid van de dagvaarding
In deze zaak is allereerst bepleit, dat door het Openbaar Ministerie niet voldaan is aan het vereiste van artikel 261 Wetboek van Strafvordering. Dit artikel stelt tot eis, dat de dagvaarding een opgave bevat van de verweten gedraging, met vermelding van plaats en tijdstip (lid 1). Meer specifiek stelt lid 2, van artikel 261 Wetboek van Strafvordering, als eis, dat met betrekking tot de verweten gedraging tevens vermelding plaatsvindt van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.
Het gaat hier om een belangrijk wetsartikel. In dit wetsartikel zijn minimum eisen gesteld, waaraan een dagvaarding heeft te voldoen. Voldoet de dagvaarding niet aan deze eisen, dan moet deze nietig worden verklaard. Aan de dagvaarding worden deze eisen gesteld, omdat de tenlastelegging immers fungeert als grondslag voor een terechtzitting. Het gaat anders gezegd, om het fundament van de terechtzitting. Zonder een juiste fundering zou zich de situatie kunnen voordoen, dat iemand nooit te weten komt, waar hij eigenlijk van wordt verdacht, terwijl hij wel het risico loopt, te worden veroordeeld. Dit spookbeeld heeft de wetgever dan ook bewust en terecht buiten de zitting willen houden. De vraag is echter, of dat in deze zaak ook afdoende is gebeurd. Namens requirante is bepleit, dat zulks niet het geval is geweest.
Het Hof heeft het specifiek op dit punt opgeworpen verweer, verworpen. Hierbij wordt, in het verlengde van de vorige vraag, ter discussie gesteld, of het Hof op juiste gronden dit verweer met betrekking tot (de) nietigheid van de dagvaarding heeft verworpen.
Wat is immers het geval. Het betreft hier een zaak waarin requirante in een zaak met tegelijkertijd vele medeverdachten is gedagvaard. Allereerst voor de meervoudige economische kamer van de Rechtbank Roermond. In deze zaak is door het Openbaar Ministerie een enorm omvangrijk procesdossier gevormd, waarvan Rechtbank, Hof en verdediging uiteindelijk hebben kunnen kennisnemen. Een procesdossier, waarvan het Openbaar Ministerie in eerste instantie heeft opgemerkt, dat het qua omvang resulteerde in de grootste strafzaak van Nederland.
Tegen de achtergrond van de hiervoor gerelateerde feiten en omstandigheden, is het onjuist, althans onbegrijpelijk (gemotiveerd), indien (niettemin) geoordeeld wordt, dat het hier, ofschoon niet onberispelijk, een geldige dagvaarding betreft, omdat requirante en haar raadsman klaarblijkelijk goed begrepen hebben welk verwijt haar, requirante, werd gemaakt. Dat is dan echter immers pas na lezing van vele tienduizenden pagina's dossier, waarin door de bomen het bos niet meer is te zien.
Deze stellingname van achtereenvolgens Rechtbank en Hof, met betrekking tot geldigheid van de dagvaarding, gaat uit van de presumtie, dat eerst lezing en bestudering van het dossier door requirante mag worden verondersteld, alvorens te beoordelen of deze requirante (na lezing van het dossier en daaruit verkregen wetenschap), de tegen haar uitgebrachte dagvaarding wel voldoende heeft begrepen. Dit oordeel, hierna nog eens te citeren, van het Hof en Rechtbank is onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, strookt niet met het uitgangspunt van de wetgever en is evenmin in overeenstemming met de jurisprudentie.
‘Het hof verwerpt dit verweer.
De in de tenlastelegging gebruikte termen ‘gelden ter beschikking krijgen’ en ‘gelden ter beschikking hebben’ zijn voldoende feitelijk en lenen zich ook nauwelijks voor verdere specificatie. De uitdrukking ‘gelden aantrekken’ had wellicht nader kunnen worden toegespitst, maar is op zich naar het oordeel van het hof eveneens voldoende feitelijk. Ook de uitdrukking ‘in enigerlei vorm bemiddelen’ is niet louter kwalificatief, maar naar het oordeel van het hofwel onwenselijk vaag. Ofschoon iedere vorm van bemiddeling gelijkelijk strafbaar is, kan het hof zich voorstellen dat wanneer — zoals in de bestreden tenlastelegging — louter deze wettelijke term wordt gebruikt, aan de verdachte onvoldoende duidelijk zou kunnen worden waarin de haar verweten gedraging precies heeft bestaan. Uit de door en namens de verdachte gevoerde verdediging blijkt dat zich echter niet te hebben voorgedaan. Zij en haar raadsman hebben goed begrepen welk verwijt haar werd gemaakt. Het hof acht daarom de tenlastelegging, ofschoon niet onberispelijk, toch voldoende feitelijk.’
Zeker in deze zaak doet zich het feit voor, dat gezien de gigantische omvang van het dossier, waarbij dus niet in redelijkheid de verwachting mag worden gekoesterd, dat requirante zich de inhoud daarvan, voorafgaand aan lezing van de dagvaarding (en zitting), eigen heeft gemaakt, komt het er dus juist extra op aan, om als Openbaar Ministerie, aan iedere individuele verdachte, meer in het bijzonder aan een niet hoofdverdachte, als requirante, zo precies mogelijk, gedetailleerd, in de tenlastelegging te verwoorden, waaruit dan wel de haar verweten strafbare gedragingen hebben bestaan.
Requirante acht het oordeel van het Hof omtrent geldigheid van de dagvaarding ook op grond van het navolgende onjuist.
Gelden ter beschikking hebben en/of hebben verkregen, is geen vanzelfsprekende situatie. Dat geldt ook voor de uitdrukking, ‘gelden aantrekken’ en in enigerlei vorm bemiddelen, zoals door het Hof voor wat betreft deze laatste twee varianten wordt toegegeven.
In de dagvaarding had behoorlijk omschreven moeten zijn, hoe, door welke handelwijze, requirante dan deze gelden zou hebben aangetrokken en/of hebben verkregen en/of ter beschikking hebben gehad en/of opzettelijk in enigerlei vorm bemiddeld zou hebben terzake van ...
De dagvaarding heeft, wat in de literatuur genoemd wordt, een dubbele verwijzingsfunctie. De dagvaarding behoort enerzijds historische gebeuren te relateren en anderzijds te verduidelijken dat dit historisch gebeuren ongeoorloofd is, gelet op een strafrechtelijke delictsomschrijving. Het gaat dan om het descriptieve aspect en het normatieve aspect van de dagvaarding. Deze dubbele verwijzingsfunctie, waaraan de dagvaarding heeft te voldoen, is dermate fundamenteel, dat zij ook een plaats heeft gekregen in respectievelijk artikel 6 lid 3 sub a EVRM, alsook artikel 14 lid 3 sub a IVBPR. In deze bepalingen is te lezen, dat degene die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft onverwijld in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden te worden ingelicht over de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Daarbij merkt Corstens op, dat het bij de reden van de beschuldiging gaat om de feitelijke gronden en bij de aard daarvan om de rechtsgronden van de beschuldigingen. De ECRM brengt deze eisen in verband met het in artikel 6 lid 3 EVRM verwoorde recht op voldoende tijd en faciliteiten nodig voor de voorbereiding van de verdachte (op de zitting). Dat ligt aldus Corstens voor de hand, omdat de verdediging pas goed kan geschieden als men tijdig op de hoogte is van de aard en de reden van de beschuldiging. Aan de hiervoor genoemde criteria van onverwijldheid en tijdigheid, is bij de hier in deze zaak uitgebrachte bekritiseerde dagvaarding niet voldaan.
Bezien we de dagvaarding nog eens nader, dan valt het volgende op. Requirant kan uit deze tenlastelegging in het geheel niet opmaken, allereerst wat haar nu precies verweten wordt, wat zij in het verleden kennelijk zou hebben gedaan en wat haar thans als strafbaar feit wordt verweten. Ook vindt in deze tenlastelegging geen explicatie plaats, van waarom de bewuste verweten gedragingen, als strafbare feiten zijn aan te merken. Twee belangrijke pijlers ontbreken dus aan deze tenlastelegging. Allereerst ontbreekt dus, duidelijke, begrijpelijke uitleg/feitelijke omschrijving van gedragingen, die zij heeft gepleegd en niet zou hebben mogen plegen, (omdat zij als strafbaar zijn te duiden).
Ten tweede ontbreekt dan, in deze dagvaarding — dat zou dan in ieder geval nog enige verheldering hebben geboden — waarom deze verweten gedragingen strafbaar zijn. Requirante heeft voorafgaand aan de zitting in eerste instantie, maar ook vervolgens gedurende het verder verloop van deze zaak in eerste instantie en hoger beroep, steeds in ongeloof verkeerd, niet begrepen wat zij nu strafrechtelijk bezien fout zou hebben gedaan. Daaraan is in ieder geval de uitgebrachte dagvaarding in belangrijke mate debet, omdat deze, op de gronden als voormeld, niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 Wetboek van Strafvordering.
De dagvaarding dient er juist voor, om, zeker in zaken die ingewikkeld en omvangrijk zijn, licht in de duisternis te brengen en op voorhand, vóórdat, het gehele dossier door de raadsman is bestudeerd en vele zittingen nadien zijn gevolgd, de verdachte, in dit geval requirante, afdoende te verduidelijken wat zij in de optiek van het Openbaar Ministerie strafrechtelijk bezien ‘fout’ heeft gedaan.
Josef K. kwam dit nimmer te weten.
Voor requirante duurde dat in ieder geval veel en veel te lang. Blijkens haar laatste woord, zou dat zelfs op dat moment nog steeds niet het geval zijn.
Wellicht ten overvloede en voor wat betreft dit middel tot slot de bewezenverklaring hierbij te citeren:
‘Zij in de periode van 16 september 1997 tot en met 14 september 1999 in Nederland en België opzettelijk bedrijfsmatig op termijn opvorderbare gelden van [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4] en [naam 5] en [naam 6] en [naam 7], in elk geval van het publiek heeft aangetrokken en ter beschikking heeft verkregen en ter beschikking heeft gehad.’
Uit deze bewezenverklaring blijkt van een zeer hoog, onder de gegeven omstandigheden te hoog abstractiegehalte. Onduidelijk blijft wat requirante hier nu in deze zaak precies strafbaar heeft misdaan. Hieraan ligt, ten onrechte, ten grondslag, zoals hiervoor betoogd, de onvoldoende duidelijke dagvaarding.
Middel II
Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven op de navolgende gronden.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Allereerst de kwestie van de vervolging binnen een redelijke termijn.
Ook in hoger beroep is van de zijde van de verdediging namens requirante geconcludeerd, dat sprake is van schending van de redelijke termijn waarbinnen vervolging in haar zaak had moeten zijn afgewikkeld. Blijkens de pleitnotities is daarover het volgende opgemerkt.
‘Dan de belangrijke vraag af het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk geacht kan worden.
Voor cliënte staat daarbij voorop, dat zij tot de dag van vandaag toe, niet begrijpt, in ieder geval onjuist acht, dat zij voor deze feiten die door haar zouden zijn gepleegd in de periode 16 september 1997 tot en met 14 september 1999 nu nog wordt vervolgd.
Beroep op artikel 6 EVRM — Schending van de redelijke termijn waarbinnen een vervolging moet zijn afgewikkeld.
De rol van cliënte was reeds duidelijk in 1999. Zij heeft toentertijd uitvoerig verklaard. Voor haar was de zaak destijds al als voldoende in beeld gebracht te beschouwen. Al het onderzoek nadien heeft voor wat betreft de rol/positie van cliënte geen ander/nieuw gezichtspunt opgeleverd. Het was aldus zeer wel mogelijk geweest om cliënte destijds te vervolgen, indien daarvoor aanleiding bestond. Het Openbaar Ministerie heeft de keuze gemaakt — ten detrimente van cliënte — de zaak zodanig aan te pakken dat pas april 2003 is gedagvaard tegen de zitting van 12 mei 2003.
Mede gelet op de marginale rol van cliënte, het beperkte ‘gewicht’ van haar zaak, is het niet te rechtvaardigen dat zij onder deze gegeven omstandigheden, zolang heeft moeten wachten. Niet gezegd kan worden, dat cliënte binnen een redelijke termijn is vervolgd. Deze grove schending van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, behoort tot gevolg te hebben de niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie.
De argumentatie van de Rechtbank onder 5.1.1 en 5.1.2. snijdt geen hout. Onder met name 5.1.1, is niets te lezen dat specifiek op de zaak van cliënte betrekking heeft. Uit niets volgt, dat in de zaak van cliënte — het gaat toch immers niet om gevoegde zaken — niet eerder, bijvoorbeeld in 2001 is gedagvaard. Het enige waar het om gaat, is dat de zaak van cliënte in een relatief vroeg stadium, bijna drie jaar voordat gedagvaard werd, voldoende tot klaarheid was gebracht om te dagvaarden.
Onder 5.1.2. verliest de Rechtbank uit het oog, dat zij niet de procespartij is die dagvaardt. Waar het om gaat is dat niet tijdig door het Openbaar Ministerie is gedagvaard in specifiek de zaak van Heesterbeek. Dat de Rechtbank in de zomer van 2003 oordeelt, dat het toch moeilijk is te bepalen wiens zaak voorrang heeft bij behandeling, doet daaraan niet af. Ook op dit punt verliest de Rechtbank uit het oog, dat het hier primair om een taak gaat die toebehoort aan het Openbaar Ministerie. De Officier van Justitie had in ieder geval de eenvoudige zaak van Heesterbeek tijdig, dat wil zeggen vele jaren eerder, gewoon moeten aanbrengen. Dat is dus ten onrechte niet gebeurd.
Nogmaals kan niet gezegd worden, dat cliënte binnen een redelijke termijn is vervolgd. Deze grove schending van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, behoort tot gevolg te hebben de niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie.’
Het Hof concludeert naar aanleiding van dit hiervoor geciteerd opgeworpen verweer, dat de vervolging lang, maar niet onredelijk lang, heeft geduurd. De vraag is of dit oordeel onder de gegeven omstandigheden juist en als voldoende begrijpelijk is aan te merken. Met name wordt in dit verband extra aandacht gevraagd voor, het namens requirante gestelde, hiervoor reeds geciteerd, maar voor alle helderheid nogmaals:
‘De rol van cliënte was reeds duidelijk in mei 2000. Zij heeft toentertijd uitvoerig verklaard. Voor haar was de zaak destijds al als voldoende in beeld gebracht te beschouwen. Al het onderzoek nadien heeft voor wat betreft de rol/positie van cliënte geen ander/nieuw gezichtspunt opgeleverd. Het was aldus zeer wel mogelijk geweest om cliënte destijds te vervolgen, indien daarvoor aanleiding bestond. Het Openbaar Ministerie heeft de keuze gemaakt — ten detrimente van cliënte — de zaak zodanig aan te pakken dat pas april 2003 is gedagvaard tegen de zitting van 12 mei 2003.’
Door het Hof, noch van de zijde van het Openbaar Ministerie, is betwist en zeker niet gemotiveerd, dat de rol van requirante inderdaad reeds duidelijk was in mei 2000 en dat haar zaak destijds als voldoende in beeld gebracht was te beschouwen, om op dat moment te dagvaarden. Wanneer dan, zoals door het Hof ook wordt erkend, door het Openbaar Ministerie wordt gekozen voor een wijze van tenlastelegging die een vlotte afwikkeling niet ten goede komt (en uiteindelijk ook niet heeft geleid tot …) dan mag en kan dit in de visie van requirante niet met zich brengen, dat het Openbaar Ministerie desondanks ontvankelijk wordt verklaard, terwijl requirante vanaf mei 2000 als verdachte is aan te merken, haar zaak vanaf dat moment reeds voldoende tot klaarheid gebracht was te beschouwen en het dan niettemin tot april 2003 duurt alvorens wordt gedagvaard tegen de zitting van 12 mei 2003, voor feiten die dateren uit de periode 16 september 1997 tot en met 14 september 1999.
Wellicht ten overvloede wordt namen requirante in dit verband nog het volgende opgemerkt. Het is niet ongewoon, zeker niet onmogelijk en vaak juist wel wenselijk, dat door het Openbaar Ministerie wordt gekozen voor het separaat aanbrengen van zaken tegen verschillende medeverdachten. Het is misschien nog wel te begrijpen, dat het Openbaar Ministerie in deze zaak niet voor deze optie heeft gekozen, maar dat doet er dan toch niet aan af, dat het Openbaar Ministerie zich rekenschap heeft te geven van c.q. geconfronteerd kan worden met juridische consequenties, verbonden aan deze keuze voor het pas heel laat c.q. te laat dagvaarden van requirante.
Middel III
Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven op de navolgende gronden.
Het Hof heeft onjuist, althans onbegrijpelijk, geoordeeld op het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel, dat aan ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in deze zaak in de weg staat. Onder B. bladzijde 5 van de pleitnotities in Hoger Beroep is te lezen, dat requirante van oordeel is, dat dit gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat in deze zaak geen sprake is van ‘gelijke monniken gelijke kappen’. Meer precies wordt door requirante strijd met handelen conform dit gelijkheidsbeginsel, ingeroepen, omdat volgens requirante onjuist is dat zij wel vervolgd wordt en haar oud collega [naam 8] ongemoeid is gelaten, dit terwijl uit het dossier blijkt, dat het doen en laten van [naam 8] in deze zaak, vrijwel (volledig) overeenstemt met dat van haar. Voor requirante is het onbegrijpelijk, en zij oordeelt het ook als onjuist, dat [naam 8] niet is vervolgd, terwijl deze [naam 8] toch ook: ‘heeft bemiddeld, certificaten heeft uitgeschreven, provisie heeft ontvangen over aangebrachte klanten en ook naast haar gewone salaris sieraden en dergelijke heeft gekregen als beloning.’
Het Openbaar Ministerie heeft hierop eerder, op het in eerste beroep opgeworpen verweer, geen enkele reactie gegeven.
Requirante is door de Voorzitter tijdens de terechtzitting van 2 juni 2004 ondervraagd. Ook op nadien gestelde vragen van de Advocaat-generaal heeft requirante antwoord gegeven.
Tot slot heeft de raadsman van requirante vragen gesteld en daarop heeft requirante als volgt geantwoord (bladzijde 4 proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 2004 3e alinea).
‘[naam 8] deed de boekhouding op kantoor. Verder deed zij hetzelfde als [naam 9] en ik. Daar was geen verschil tussen. Zij is op een gegeven moment ontslagen naar aanleiding van een vervelende ontwikkeling die plaatsvond tussen haar en mij. Ik ben vertrouwen blijven houden in [naam 10]. Dat kwam onder meer door het enorme luxe kantoor van hem. Er kwamen mensen over de vloer, waarvan je dacht dat die niet over een nacht ijs gingen. Dat waren mensen die grote bedrijven hadden en accountants. Ik heb nooit gevraagd of de papieren van mijn baas in orde wren. Dat was in het geheel niet aan de orde. Op het laatst werden grote bedragen niet uitbetaald. Dat zou echter worden opgelost.’
‘Bovendien was er ook nog een kantoor in Maastricht. [naam 11] zei ook da alles goed zou komen. Mijn ouders zijn op het laatst nog overgehaald door [naam 10] om grote bedragen in te leggen. Er is bij mij nooit enige twijfel geweest. Ook niet door het bericht van de STE. Niemand bleef daardoor weg of stelde vragen. Mijn baas zei dat het een grote vergissing was. Dan kan ik toch geen vragen meer stellen.’
Gelet op het bovenstaande, gelet op de inhoud van het dossier, is het onjuist, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed, indien het Hof oordeelt, dat het Openbaar Ministerie niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, door requirante wel en Mevrouw [naam 8] niet te vervolgen, omdat Mevrouw [naam 8] immers andere werkzaamheden heeft verricht. Daarvan is niet gebleken uit het dossier, integendeel. Het Hof heeft nagelaten afdoende te motiveren hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. Zulks is nu, ten onrechte, niet het geval.
Middel IV
Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven op de navolgende gronden.
Vragen van 350 Strafvordering
Bij pleidooi zijn van artikel 350 Wetboek van Strafvordering een aantal te beantwoorden materiële vragen aan de orde gesteld. Allereerst is echter de vraag geformuleerd, of de norm opgenomen in artikel 82 Wet Toezicht Kredietwezen, zich wel richt tot requirante. Namens requirante is het bij pleidooi als volgt verwoord.
‘Allereerst is dan te beantwoorden de vraag of bewezen is te verklaren dat cliënte het haar ten laste gelegde feit heeft begaan. Aan deze vraag gaat echter een andere vraag vooraf. Het gaat hier dan om de vraag, tot wie is de wettelijke norm gericht. Anders geformuleerd, het gaat hier om de vraag, of de norm opgenomen in artikel 82 Wet Toezicht Kredietwezen zich wel richt tot cliënte. Voor beantwoording van deze (voor)vraag, is het volgende van belang om onder ogen te zien. Het gaat hier om een economisch delict. Het gaat hier immers om wat genoemd wordt het opzettelijk bedrijfsmatig van het publiek aantrekken van op termijn opvorderbare gelden. Duidelijk is dus ook dat de delictsomschrijving ziet op een in bedrijfsmatig verband/professioneel binnen een ondernemingsverband te plegen delict. Uit de wet volgt nu ook, dat het verbod van artikel 82 lid 1 WTK 1992 niet geldt, voor degene op wie van toepassing is de vrijstelling of ontheffing van het tweede of het derde lid. Duidelijk is dat zowel de norm van 82, als de mogelijkheid van het verkrijgen van een vrijstelling, is gericht tot ondernemingen althans tot leidinggevenden van ondernemingen, (die bedrijfsmatig op termijn opvorderbare gelden van het publiek aantrekken).’
‘Naar opvatting van cliënte, kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest, dat zij, in haar positie van werknemer die te goeder trouw in opdracht handelt van haar werkgever, aangesproken kan worden op overtreding van deze bepaling van artikel 82 Wet Toezicht Kredietwezen. Met cliënte ben ik van opvatting, dat hier slechts als pleger zou kunnen worden aangemerkt, hij die binnen een ondernemingsverband leiding heeft gegeven aan deze handelingen en/of ze feitelijk ook heeft uitgevoerd op basis van zijn positie binnen het bedrijf c.q. als leidinggevende een vrijstellingsvergunning had moeten verkrijgen.’
‘De wetgever van 1881 was van opvatting dat een rechtspersoon geen strafbaar feit kon begaan. Later is de wetgever daar anders over gaan denken en is onder meer de regeling van artikel 15 van de WED ingevoerd. Juist echter omdat de tijd steeds meer duidelijk werd dat ondernemers steeds vaker hun activiteiten onderbrachten in rechtspersonen is ook buiten de WED de economische delicten in het Wetboek van Strafrecht een regeling opgenomen teneinde bestraffing van een rechtspersoon voor het gehele strafrecht mogelijk te maken. Daarom is dus artikel 51 in 1976 in het Wetboek van Strafrecht opgenomen. Artikel 51 maakt duidelijk, dat indien strafbare feiten worden begaan door een rechtspersoon — dat is in casu ook de verdenking — dan kan de strafvervolging worden ingesteld tegen:
- 1.
de rechtspersoon
- 2.
tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, danwel tegen de onder 1 en 2 genoemden tezamen.
De wetgever en de jurisprudentie sluiten niet uit, dat in bijzondere gevallen ook vervolging van een natuurlijke persoon plaats vindt — naast vervolging van de rechtspersoon —, maar grondregel is dit toch niet (zie Hazewinkel-Suringa Inleiding tot de studie van het Nederlands Strafrecht, 12e druk, bladzijde 124 en volgende).’
‘Cliënte voldoet niet aan de vereisten die in de jurisprudentie zijn terug te vinden, om in een zaak als deze, als rechtssubject te worden aangewezen. Evenmin als de chauffeur die in opdracht van zijn leidinggevende vervoerde, of de feitelijke bouwers van het boothuis, die in opdracht van de eigenaars bouwden, is cliënte niet strafbaar te houden c.q. aan te merken als degene die door de wet in artikel 82 WTK wordt aangesproken. (vergelijk Hoge Raad N.J. 1954, 477 en de Hoge Raad N.J. 1937, 9.’
Het Hof heeft, blijkens het arrest van 16 juni 2004, niet uitdrukkelijk beslist, op het hiervoor besproken verweer. Het betreft hier echter wel een uitdrukkelijk beroep op een strafuitsluitingsgrond, waarop ingevolge het bepaalde in artikel 358 lid 3 Wetboek van Strafvordering, expliciet een beslissing dient te volgen.
Middel V
Het Hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven op de navolgende gronden.
Blijkens het gestelde op pagina 9 tot en met 12 van de pleitnotities in hoger beroep, heeft requirante een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld — in de vorm van dwaling ten aanzien van de feiten en het recht —.
Het Hof heeft op dit beroep op avas niet, althans onvoldoende, expliciet en gemotiveerd gerespondeerd. Het Hof heeft slechts in vrij algemene bewoordingen (zie daarvoor pagina 5 van het arrest) aangegeven waarom requirante bedenkingen moest hebben bij het doen en laten van (het kantoor van) [naam 10].
Het Hof verduidelijkt echter niet, althans onvoldoende, gemotiveerd, waarom het opgeworpen verweer niet opgaat, voor wat betreft de requirante zelf verweten gedragingen. Dat requirante immers wellicht na verloop van tijd vragen diende te stellen ten aanzien van het functioneren van [naam 10] en het kantoor, impliceert nog niet, dat haar gedragingen van reeds enige jaren daarvoor, strafbaar zijn en door haar ook als zodanig moesten worden beschouwd.
Zulks klemt temeer, nu het Hof op pagina 6 van het arrest, de 2e alinea, overweegt, er niet aan te twijfelen dat zij niet te kwader trouw heeft gehandeld.
's‑Hertogenbosch, 20 mei 2005