HR, 20-06-1988, nr. 2226
ECLI:NL:PHR:1988:AD0367
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-06-1988
- Zaaknummer
2226
- LJN
AD0367
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1988:AD0367, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑06‑1988
ECLI:NL:PHR:1988:AD0367, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑06‑1988
ECLI:NL:PHR:1930:5, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑02‑1930
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1930:226
Uitspraak 20‑06‑1988
Dit document is (nog) niet beschikbaar gesteld door de rechtsprekende instantie.
Conclusie 20‑06‑1988
Dit document is (nog) niet beschikbaar gesteld door de rechtsprekende instantie.
Conclusie 06‑02‑1930
Inhoudsindicatie
-
Nº 2226
Aan den Hoogen Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage .
Geeft met verschuldigden eerbied te kennen :
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1890 te [geboorteplaats] , melkhandelaar te [plaats] , [a-straat 1] ( [plaats] ) ;
dat hij op 17 October 1927 door betaling van vijf gulden (f. 5 .- ) vrijwillig voldaan heeft aan de voorwaarde, welke door den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten 's- Gravenhage, Delft, Alphen en Woerden, gesteld was op zijn, toenmaals verdachte's, verzoek ter voorkoming van de strafvervolging wegens een overtreding als bedoeld in artikel 83 lid 1 der Arbeidswet 1919, welke hij op 13 Augustus 1927 gepleegd zou hebben;
dat destijds echter door den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie niet is overwogen :
I. in de eerste plaats, dat artikel 2 van het ook door Nederland, namelijk bij de Wet van 20 Mei 1922 (Staatsblad 369) aanvaarde ontwerp verdrag van Washington betreffende den leeftijd, waarop kinderen mogen worden toegelaten tot het verrichten van arbeid in nijverheidsondernemingen, weliswaar een minimum leeftijd van veertien jaar stelt, echter met een uitzondering voor zaken, waarin uitsluitend leden van eenzelfde familie werkzaam zijn, hetgeen in de onderhavige zaak het geval was;
II. in de tweede plaats, dat een der voorwaarden van de strafbaarheid ingevolge artikel 74 lid 5 der genoemde Arbeidswet ontbrak, te weten, de schriftelijke waarschuwing van het districtshoofd, welke althans door destijds verdachte nooit werd ontvangen;
dat het feit, dat de betrokken Ambtenaar van het Openbaar Ministerie in eene en dezelfde zaak twee verzuimen heeft gepleegd, op zich zelve reeds belang heeft;
dat verzoeker om drie redenen belang heeft bij herziening van de onderhavige zaak;
I. in de eerste plaats, omdat het grievend is beschouwd te worden als schuldig aan een strafbaar feit, terwijl in waarheid geen sprake is van dit door hem gepleegd strafbaar feit;
II. in de tweede plaats, omdat door de plaats gehad hebbende boetebetaling, een tweede, thans nog aanhangige vervolging tegen verzoeker wegens overtreding van de Arbeidswet, als recidive beschouwd wordt, terwijl in waarheid van recidive geen sprake is;
III, in de derde plaats, omdat, wanneer door herziening der eerste zaak verzoeker wordt vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, de kans bestaat, wanneer namelijk verzoeker ook van de thans aanhangige zaak wordt vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging - waarop groote kans bestaat - dat verzoeker wederom een geheel blanco strafregister zal hebben;
Redenen waarom verzoeker zich eerbiediglijk wendt tot Uw geacht College om de zaak van overtreding van 13 Augustus 1927 te herzien en overeenkomstig de wet te handelen.
's-Gravenhage, 23 Januari 1930. 't Welk doende enz.
De Procureur-Generaal;
Overwegende, dat de herziening gevraagd wordt van de vrijwillige voldoening door den verzoeker aan de voorwaarde gesteld door den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten 's Gravenhage, Delft, Alphen en Woerden ter bekoming van verval van het recht van Strafvordering tegen requestrant ter zake van beweerde overtreding van artikel 83 lid 1 der Arbeidswet 1919;
Overwegende, dat echter verzoeker in dat verzoek is niet- ontvankelijk;
Overwegende, dat immers Titel VIII van het Wetboek van Strafvordering wel kent herziening van arresten en vonnissen, doch noch in dien Titel noch elders de mogelijkheid van herziening is gegeven zooals die onderwerpelijk is gevraagd;
Concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker
De Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden
Parket 6 Februari 1930