Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/8.2.2
8.2.2 De gevolgen van natrekking voor het recht van reclame
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS91001:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Onder het oude recht was dit mogelijk anders. Zie hierover Fikkers 1992, p. 145-148; Schelhaas 2012, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:41 BW, aant. 1.
Fikkers 1992, p. 147-148; Asser/Hijma 7-I* 2013/603. Bij natrekking neemt Fikkers echter aan dat sprake is van een originaire wijze van eigendomsverkrijging, waardoor het recht van reclame vervalt. Naar mijn mening is in geval van art. 5:14 lid 1 BW geen sprake van een originaire eigendomsverkrijging.
Fikkers 1992, p. 147-149; Asser/Hijma 7-I* 2013/603.
Art. 7:41 BW bepaalt dat het recht van reclame niet meer kan worden uitgeoefend indien de geleverde zaak zich niet meer in dezelfde staat bevindt.
In dit kader kan gedacht worden aan drie verschillende casus: (1) de geleverde zaak trekt een andere zaak na als hoofdzaak; (2) de door de leverancier geleverde zaak wordt een bestanddeel van een hoofdzaak of nieuwe zaak of; (3) de geleverde zaak is in waarde gedaald als gevolg van afscheiding.
In de eerste situatie wordt de geleverde zaak aangemerkt als de hoofdzaak. Zaken van derden worden bestanddelen van de zaak die de leverancier heeft geleverd. Naar mijn mening leidt dit niet tot het verlies van het recht van reclame voor de leverancier. De geleverde zaak bevindt zich nog steeds in dezelfde staat in de zin van art. 7:41 BW, omdat goederenrechtelijk gezien nog steeds sprake is van dezelfde zaak.1 Dit neemt niet weg dat de zaak in waarde kan zijn vermeerderd door de natrekking. De leverancier reclameert dan een zaak met een hogere waarde en wordt hierdoor verrijkt. De koper kan vervolgens deze verrijking ongedaan maken met een beroep op ongerechtvaardigde verrijking of een vordering op grond van art. 3:123 jo. art . 6:275 jo. art. 7:39 lid 1 BW.2
In de tweede situatie is de zaak waarvoor de leverancier het recht van reclame kon uitoefenen een bestanddeel geworden van een hoofdzaak van een derde (art. 5:14 lid 1 BW) of een bestanddeel van een nieuwe zaak (art. 5:14 lid 2 BW). In beide gevallen is het evident dat het recht van reclame niet meer kan worden uitgeoefend. De zaak bestaat namelijk juridisch gezien niet meer. In dit geval is art. 7:41 BW eigenlijk overbodig, omdat de algemene goederenrechtelijke bepalingen dezelfde gevolgen meebrengen. Wat overblijft is een verbintenis tot ongedaanmaking evenals bij de gewone ontbinding.
Ten derde kan de zaak in waarde zijn gedaald als gevolg van afscheiding van een bestanddeel van de zaak. De leverancier behoudt het recht van reclame met betrekking tot de geleverde zaak. Ten eerste is in goederenrechtelijk opzicht sprake van dezelfde zaak, ook al is de zaak fysiek gewijzigd en minder waard geworden.3 Ten tweede wordt op deze wijze voorkomen dat de koper het recht van de leverancier eenvoudig kan frustreren. Zou het recht van reclame vervallen door afscheiding, dan kan de koper het recht van reclame eenvoudig aan de kant schuiven.
Kortom, voor de toepassing van art. 7:41 BW moet worden aangesloten bij de algemene goederenrechtelijke bepalingen in boek 5 BW over natrekking. De voorrangspositie vervalt dus als de geleverde zaak een bestanddeel wordt van een hoofdzaak (5:14 lid 1) of van een nieuwe zaak (art. 5:14 lid 2 BW).