Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.4.3.1
10.4.3.1 Jegens de bevoegde persoon
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS588341:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervóór nr. 68 en 70. Volmacht vormt een belangrijke uitzondering.
Zie hiervóór nr. 82.
Tussen de vordering van de schuldenaar jegens de inningsbevoegde derde om een kwitantie te krijgen, en de vordering ten aanzien waarvan de derde inningsbevoegd is, bestaat voldoende samenhang als bedoeld in art. 6:52 BW. Voor opschorting is wederkerig schuldeiserschap geen vereiste. Zie hiervóór nr. 530 en 532.
Zie hiervóór nr. 468-469 en 472-473.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 162; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 208; Losbladige Verbintenissenrecht 2008 (R.M.Ch.M. Koot), art. 6:33, aant. 1.
Zie o.a. Rb. Arnhem 13 mei 2009, JOR 2009/305; Reehuis 1987, p. 239-240; Loesberg 2001, p. 247; Biemans 2004, p. 536, nt. 48. Anders: Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.A. Stein), art. 3:239, aant. 37; H. Stein 1992, p. 235-236; Rank-Berenschot 1994, p. 143.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 657.
Zie B.M.E.M. Schols 2007, p. 237.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 657.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 589.
Vgl. HR 18 maart 1994, NJ 1995,410, m.nt. WMK.
Vgl. hierover o.a. Faber 2009, p. 491-492.
Zie N.E.D. Faber in zijn noot onder HR 12 juli 2002, JOR 2002/180 (Rabobank/Knol q.q.); Van Mierlo 2003, p. 43. Vgl. HR 22 april 1999, NJ 2000, 30 (NIB/Sisal), m.nt. HJS, waarin het – naar in cassatie veronderstellenderwijs moest worden aangenomen – ging om een stil verpande vordering.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 213; en de conclusie van A-G Strikwerda vóór HR 26 januari 2007, RvdW 2007, 132. In de literatuur bestaat hierover geen eenstemmigheid, vgl. o.a. Losbladige Verbintenissenrecht 2008 (R.M.Ch.M. Koot), art. 6:33, aant. 7.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 162.
Zoals een notaris bij de koop van registergoederen. Vgl. o.a. Hof Amsterdam 18 januari 2007, JBPr 2007/78, en Rb. Roermond 13 juli 1989, NJ 1990,556. Zie ook Biemans 2009g, par. 4.4.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 162; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 138 en 212.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 657.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 657; vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 128.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 128.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 672.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 128. Art. 3:218 BW en art. 3:245 BW bevatten voor vruchtgebruik en pand vergelijkbare regels. Indien de pandhouder of de vruchtgebruiker niet in het rechtsgeding wordt opgeroepen of in het kader van een dergelijke procedure een schikking plaatsvindt zonder dat de ander daaraan zijn toestemming geeft, is de pandgever respectievelijk de hoofdgerechtigde door de uitkomst van de procedure of de schikking niet gebonden. Zie voor pand M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 770; en voor vruchtgebruik M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 672. Vgl. ook art. 477b lid 3 Rv. Zie hiervoor nr. 497.
579. Om de betekenis van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW voor de rechtspositie van de schuldenaar te achterhalen, dient te worden vastgesteld wat de positie van de schuldenaar zou zijn geweest zonder deze bepaling. Het is de vraag in hoeverre de toekenning van de inningsbevoegdheid aan de stille cedent van invloed is op de bevoegdheden van de schuldenaar. Deze deelvraag wordt beantwoord aan de hand van een analyse van de vergelijkbare rechtsfiguren waarbij een derde inningsbevoegd is ten aanzien van andermans vordering.
De bevoegdheden van de schuldenaar ten aanzien van de vordering veranderen als zodanig niet als een derde bevoegd wordt ten aanzien van de vordering. De schuldenaar blijft bijvoorbeeld bevoegd om te betalen, zijn schuld te wijzigen, zijn schuld te laten overnemen en zijn schuld te vernieuwen. De bevoegde persoon aan de kant van de schuldeiser, die bij deze rechtshandelingen betrokken dient te zijn, kan evenwel verschillen. Jegens welke persoon- de schuldeiser of de inningsbevoegde derde- de schuldenaar de desbetreffende rechtshandeling dient te verrichten, kan per rechtsfiguur en per rechtshandeling verschillen.
Bijvoorbeeld, de inningsbevoegde derde is bij de meeste rechtsfiguren exclusief bevoegd om betalingen in ontvangst te nemen.1 Op hem rust ook de verplichting om de kwitantie af te geven; hij is daartoe ook bevoegd.2 De schuldenaar dient derhalve te betalen aan de (exclusief) inningsbevoegde derde. Vindt inning plaats door de derde, dan dient de schuldenaar ook zijn opschortingsbevoegdheid op grond van art. 6:48 lid 3 BW (afgeven kwitantie) uit te oefenen jegens de inningsbevoegde derde. Opschorting ex art. 6:48 lid 3 BW dient derhalve niet plaats te vinden jegens de inningsonbevoegde schuldeiser.3 Is de schuldenaar voornemens om betaling te weigeren, dan dient hij zijn mededeling zoals bedoeld in art. 6:80 lid 1 sub b en 6:83 sub BW te richten tot de persoon die nakoming eist.4 De beheersbevoegde derde is bevoegd om de overige rechtshandelingen te verrichten, zoals het doen van afstand, het wijzigen van de vordering en het verlenen van toestemming aan schuldoverneming, als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering.5 Een algemene regel zoals bij de overgang van vorderingen is hier niet te geven.
580. Aan de desbetreffende rechtshandeling komt alleen het gewenste rechtsgevolg toe als deze door de schuldenaar met of jegens de bevoegde persoon is verricht.
De schuldenaar dient zich te vergewissen of de persoon die nakoming eist, ook bevoegd is om betalingen in ontvangst te nemen. Alleen door een betaling aan de inningsbevoegde gaat de vordering in beginsel teniet en kan de schuldenaar de betaling als verweermiddel inroepen jegens een ieder die nakoming vordert.
Betaalt de schuldenaar aan een inningsonbevoegde derde, dan betaalt hij in beginsel niet bevrijdend, en kan de inningsbevoegde schuldeiser of derde alsnog nakoming eisen. De schuldenaar heeft jegens de inningsonbevoegde derde een vordering uit hoofde van de onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW).
Betaalt de schuldenaar aan een inningsonbevoegde schuldeiser, dan voldoet hij weliswaar zijn schuld aan zijn schuldeiser, maar is de betaling alleen jegens zijn schuldeiser bevrijdend.6 De inningsbevoegde derde kan nog steeds nakoming vorderen van de vordering. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de schuldenaar aan zijn openbaar pandgever7 of aan de hoofdgerechtigde8 betaalt, of aan de erfgenamen, terwijl een executeur is aangesteld.9 De openbaar pandhouder, de vruchtgebruiker en de executeur kunnen alsnog nakoming eisen. De schuldenaar heeft geen keuzerecht om bijvoorbeeld óf aan de vruchtgebruiker óf aan de hoofdgerechtigde te betalen.10 Als de schuldenaar aan een der deelgenoten afzonderlijk heeft betaald, terwijl de deelgenoten gezamenlijk bevoegd zijn om betalingen in ontvangst te nemen, betaalt hij niet bevrijdend, 11 en kunnen de gezamenlijke deelgenoten alsnog betaling vorderen.12 Bij derdenbeslag blijft de schuldeiser (de geëxecuteerde) bevoegd om betalingen in ontvangst te nemen, maar bepaalt art. 475h Rv dat een betaling die is gedaan in weerwil van het beslag, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen. De betaling is jegens de geëxecuteerde bevrijdend, maar niet jegens de beslaglegger.13 Betaalt de schuldenaar aan (de deurwaarder van) een beslaglegger die beslag heeft laten leggen op een openbaar verpande vordering, dan betaalt de schuldenaar niet bevrijdend en dient hij nogmaals aan de openbaar pandhouder te betalen.14
Heeft de schuldenaar aan een inningsonbevoegde schuldeiser betaald, dan kan hij het betaalde van de schuldeiser niet terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW). Wordt hij echter genoodzaakt om alsnog aan de inningsbevoegde te betalen, dan kan hij het aan de schuldeiser betaalde op grond van ongerechtvaardigde verrijking terugvorderen. Art. 6:33 BW bepaalt dat als een betaling is gedaan in weerwil van een beslag of terwijl de schuldeiser wegens een beperkt recht, een bewind of een soortgelijk beletsel onbevoegd was haar te ontvangen, en de schuldenaar deswege genoodzaakt wordt om opnieuw te betalen, hij verhaal heeft op de schuldeiser. De bepaling is een uitwerking van de ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW).15 Onder' een soortgelijk beletsel' worden begrepen alle andere gevallen waarin de schuldeiser inningsonbevoegd is. Blijkens de parlementaire geschiedenis valt onder art. 6:33 BW ook een betaling aan de gezamenlijke deelgenoten in het geval dat één der deelgenoten op grond van een beheersregeling met uitsluiting van de andere deelgenoten inningsbevoegd is; een betaling aan de gezamenlijke erfgenamen van een nalatenschap ten aanzien waarvan een vereffenaar of executeur is aangesteld; en een betaling aan de gefailleerde.16 Naar mijn mening valt hieronder ook een betaling aan de lastgever die aan de lasthebber een privatieve last tot inning heeft verstrekt, en een betaling aan de schuldeiser in het geval dat door de schuldeiser en schuldenaar een derde is aangewezen die exclusief tot het in ontvangst nemen van betalingen bevoegd is.17 Als de schuldenaar aan een der deelgenoten afzonderlijk heeft betaald, kan de schuldenaar, indien tot betaling aangesproken door de gezamenlijke deelgenoten, het betaalde aan de deelgenoot terugvorderen op grond van art. 6:203 BW én art. 6:33 BW.18
581. Voor de andere rechtshandelingen geldt hetzelfde: aan de rechtshandeling komt alleen het gewenste rechtsgevolg toe als deze door de schuldenaar met of jegens de bevoegde persoon is verricht. Heeft bijvoorbeeld de vruchtgebruiker de vordering kwijtgescholden, terwijl deze beschikkingshandeling op grond van art. 3:207 lid 2 BW gezamenlijk met de hoofdgerechtigde had moeten worden verricht, dan is de hoofdgerechtigde hieraan niet gebonden. Hij kan de schuldenaar alsnog voor het gehele bedrag van de vordering aanspreken.19 Het omgekeerde geldt ook. Is de kwijtschelding alleen door de hoofdgerechtigde verricht, dan is de vruchtgebruiker daaraan niet gebonden en kan hij de schuldenaar alsnog voor het gehele bedrag van de vordering aanspreken.20 Hetzelfde geldt als een deelgenoot de vordering kwijtscheldt, terwijl deze beschikkingshandeling op grond van art. 3:170 lid 3 BW door de deelgenoten gezamenlijk had moeten worden verricht.21 Blijkens de parlementaire geschiedenis geldt hetzelfde voorts voor een schikking, 22 alsmede voor schuldvernieuwing, schuldwijziging, inbetalinggeving en uitstel van betaling.23