Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.7:VIII.7 Afsluiting
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.7
VIII.7 Afsluiting
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599817:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ter beantwoording van de vraag of en hoe het Nederlandse strafproces aan de behandelingsdimensie invulling geeft, is in dit hoofdstuk uitvoerig stilgestaan bij een vijftal grote deelgebieden van het Nederlandse strafprocesrecht. Die thema’s zijn gekozen omdat zij op voorhand problemen in verband met de behandelingsdimensie mee leken te brengen. Dat vermoeden is in zoverre bevestigd dat in alle vijf de deelgebieden de onschuldpresumptie niet volmaakt wordt nageleefd, maar steeds spanning met het beginsel is geconstateerd.
Toch moet eerst en vooral worden geconcludeerd dat het Nederlandse strafproces op hoofdlijnen met de behandelingsdimensie overeenstemt. Fundamentele uitgangspunten die met een verbod op bejegening als schuldige innig samenhangen, vormen tevens het fundament van het Nederlandse strafprocesrecht. Zo dient in de fase van het voorbereidend onderzoek de verdachte niet meer dan noodzakelijk in zijn vrijheden te worden beperkt, mag eerst bij de oplegging van sancties aan hem doelbewust leed worden toegebracht, berusten sancties in beginsel steeds op een bewezenverklaring en mag pas na het onherroepelijk worden van de strafrechtelijke veroordeling tot executie van die sancties worden overgegaan. Ook het in artikel 271 lid 2 Sv neergelegde verbod aan de rechter om uitdrukking te geven aan overtuiging van schuld of onschuld, dat in hoofdstuk VII. reeds aan bod kwam, kan in dit verband nog worden genoemd. Al deze elementaire aspecten van ons strafrecht zijn met het onschuldvermoeden verbonden.
De behandelingsdimensie en de daardoor gearticuleerde belangen staan in het Nederlandse strafproces wel onder druk. De inmiddels eeuwenoude discussie over schadevergoeding voor door gewezen verdachten ondergane dwangmiddelen, laat zien dat die druk op zichzelf niet nieuw is. Niettemin valt op dat op de besproken terreinen voornamelijk ontwikkelingen in de tamelijk recente geschiedenis die spanning hebben opgewekt of fors hebben vergroot.
De invoering van de ernstige geschoktheid van de rechtsorde als grond voor voorlopige hechtenis kan als eerste ijkpunt in die ontwikkeling worden aangemerkt. Daarmee werd voor het eerst een dwangmiddel toelaatbaar, waarvoor niet meer altijd een duidelijk met dat dwangmiddel beoogd en van de schuld van de verdachte niet afhankelijk doel aanwijsbaar was. De recentere invoering van een ‘snelrechtgrond’ voor voorlopige hechtenis ligt in het verlengde daarvan. De voorlopige tenuitvoerlegging van voorwaardelijke sancties heeft daarmee eveneens gemeen dat consequenties worden verbonden aan het begaan van een strafbaar feit, voordat schuld daaraan is vastgesteld en zonder dat daarmee een buiten die schuld gelegen doel is gediend, waartegen de belangen van de betrokkene worden afgewogen. Het ‘weekendje weg’ illustreert het resultaat van deze langzame kentering in het denken over dwangmiddelen vermoedelijk het best. De uitbreiding van de grondslag voor de ontnemingsvordering naar feiten waarvoor de betrokkene niet is veroordeeld, vormde een belangrijke breuk met het basisprincipe dat sancties bewijs vereisen van de delicten die eraan ten grondslag liggen. De dadelijke tenuitvoerlegging van sancties is een noviteit van het laatste decennium. En hoewel moeilijk empirisch vast te stellen, lijkt ook publieke aandacht voor strafzaken toegenomen, waarbij de gezaghebbende rol van de strafrechtelijke instanties als meest toegeruste en bekwame instituties om tot vaststelling van strafrechtelijke schuld te komen, niet altijd wordt onderkend.
Deze ontwikkelingen zijn mijns inziens niet het gevolg van een gebrek aan aandacht voor of bekendheid met de onschuldpresumptie. Over het algemeen ontkent men het belang en de betekenis daarvan voor het Nederlandse strafprocesrecht niet. De strafrechtspleging en de actoren daaromheen lijden niet aan ongevoeligheid voor het beginsel.
Aan de Hoge Raad zijn de beschreven ontwikkelingen mijns inziens nauwelijks toe te schrijven. Door in 2004 aan de feitenrechter te verbieden schuld aan een ander strafbaar feit te betrekken in de straftoemeting, wanneer de verdachte voor die feiten niet-onherroepelijk is veroordeeld, liep de Hoge Raad bijvoorbeeld voor de Straatsburgse troepen uit. Ook heeft de Hoge Raad zich principieel verzet tegen toepassing van dwangmiddelen waarbij de generale preventie als argument werd opgevoerd en heeft hij het ‘weekendje weg’ onrechtmatig geoordeeld. In andere gevallen heeft de Hoge Raad het binnen de grenzen die het EHRM stelt veelal te doen met de duidelijke en de onschuldpresumptie niet gunstig gezinde keuzes van de wetgever.
Het is op het werkterrein van de wetgever dat de ontwikkelingen die de spanning met de onschuldpresumptie hebben vergroot grotendeels plaatsvonden. De presumptie van onschuld is daarbij niet vergeten, maar steeds aan de kant gezet. Al toen in de jaren ’70 van de vorige eeuw de ernstige geschoktheid van de rechtsorde als grond voor voorlopige hechtenis werd overwogen, is erop gewezen dat dit voorstel met het onschuldvermoeden niet strookte. Bij de nadien gevolgde wetswijzigingen is de onschuldpresumptie dan wel in de politiek, dan wel in de doctrine, dan wel in beide, te berde gebracht en is de spanning met dat beginsel derhalve tot op zekere hoogte onder ogen gezien.
Uitzondering op deze constatering is de toepassingspraktijk van de vrijheidsbenemende dwangmiddelen. Met het door de wetgever gecreëerde wettelijk dwangmiddelenstelsel is in elk geval tot de jaren ’70 van de vorige eeuw niet beoogd punitieve vrijheidsbeneming mogelijk te maken. De voorlopige hechtenis werd aan duidelijke en tamelijk strikte voorwaarden verbonden, juist om de toepassing daarvan te beperken. Die voorwaarden zoals ernstige bezwaren, verdenking van een ernstig strafbaar feit en de verwachting dat een gevangenisstraf van minimaal gelijke duur zal worden opgelegd, zijn ten gunste van de verdachte bedoeld, maar lijken vandaag de dag ook wel te worden gebruikt als rechtvaardiging om in concrete gevallen van de discretionaire bevoegdheid tot het bevelen van de voorlopige hechtenis juist gebruik te maken en zo de straf alvast te doen ondergaan. De verplichte aftrek van het voorarrest draagt verder bij aan dat gevaar. Daarbij helpt niet dat alternatieven voor voorarrest weinig gangbaar zijn en dat de (voorwaardelijke) schorsing eerst in aanmerking komt na oplegging van het voorarrest, terwijl die schorsing bovendien niet dwingend aan de feitenrechter is voorgeschreven. Derhalve is het weliswaar in de eerste plaats de feitenrechter die de onschuldpresumptie soms onvoldoende in acht neemt, maar zou de wetgever aan het beëindigen daarvan wel kunnen bijdragen. Van het enthousiasme waarmee het apert onrechtmatige weekendje weg werd onderschreven en de retoriek waarmee bewindslieden zich over voorlopige hechtenis plegen uit te laten, gaat in die richting echter geen stimulans uit. Des te markanter is dat binnen de rechtspraak zelf de aandacht voor terugdringing van het voorarrest desondanks lijkt te groeien.
Uit het voorgaande komt naar voren dat de onschuldpresumptie weliswaar onder ogen wordt gezien, maar dat niettemin keuzes worden gemaakt waarmee de grenzen van en het conflict met het beginsel worden opgezocht. Kennelijk wegen andere belangen zwaarder. Die met de onschuldpresumptie schurende belangen zijn mijns inziens in drie categorieën te scheiden.
De eerste categorie argumenten zijn te beschouwen als een uiting van de klassieke rechtvaardigheidsgedachte dat ‘ieder het zijne’ verdient.1 Eenieder dient precies te krijgen wat hem toekomt. Niet minder, maar – en dat wringt soms met de onschuldpresumptie – zeker ook niet meer. Deze gedachte uit zich hoofdzakelijk in de wens misdadigers niet te laten profiteren van hun daden, ook niet in gevallen waarin een strafbaar feit niet tot een strafrechtelijke veroordeling leidt, om welke reden dan ook. De ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot andere feiten en de weigering van schadevergoeding aan niet-veroordeelden zijn daarvan de belangrijkste exponenten.
Daarnaast staan argumenten die met elkaar gemeen hebben dat zij waarde hechten aan de snelheid van het strafproces. Het verlangen om in een eerder stadium over te gaan tot vergelding en direct een krachtige, gezagbevestigende en crimineel gedrag ontmoedigende reactie te geven, botst veelvuldig met de onschuldpresumptie. De gronden en toepassingswijzen van de voorlopige hechtenis, het weekendje weg, de dadelijke tenuitvoerlegging van sancties en de voorlopige tenuitvoerlegging van voorwaardelijke sancties zijn alle in belangrijke mate door dat verlangen ingegeven. De wetgever presenteert de daarmee te winnen vermindering in tijd tussen constatering en afstraffing van een strafbaar feit als een noodzakelijke voorwaarde voor de ‘geloofwaardigheid van het strafrecht’. De onschuldpresumptie behartigt die geloofwaardigheid eveneens, maar nu juist door aan te dringen op bedachtzaamheid, voorzichtigheid en zorgvuldigheid. Tegen een kortere doorlooptijd door middel van de ZSM-aanpak, de strafbeschikking en snelrechtzittingen, verzet de onschuldpresumptie zich op zichzelf niet, maar vooruitlopen op de uitkomst van de procedure verdraagt het beginsel slecht.
De dilemma’s die publiciteit over lopende strafzaken met zich brengt, staan ten opzichte van de andere twee categorieën tamelijk op zichzelf. In deze context is het vooral het belang van een open en vrije samenleving waarin iedereen zich vrij voelt over onderwerpen die hem interesseren zijn mening te articuleren en onverbloemde informatie te ontvangen, waartegen de onschuldpresumptie het aflegt. Van de ruimte die het EVRM aan lidstaten laat om de vrijheid van meningsuiting te beperken ten behoeve van het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht, wordt geen gebruik gemaakt.
De behandelingsdimensie legt het in het Nederlandse strafprocesrecht bij tijd en wijlen af tegen deze andere belangen. Het beginsel wordt kennelijk niet als absoluut beschouwd, maar is in elk geval onder omstandigheden onderhevig aan een evenredigheidsafweging. In een concrete situatie lijkt dat aansprekend, maar het herbergt ook op zijn minst één gevaar. De behandelingsdimensie is als gezien belichaamd in verschillende uitgangspunten van ons strafprocesrecht. Door uitzonderingen op een uitgangspunt te aanvaarden, verliest op den duur dat uitgangspunt zelf aan kracht en vanzelfsprekendheid. Uitzonderingen kunnen eraan bijdragen dat het uitgangspunt als zodanig erodeert. In de argumentatie over met de onschuldpresumptie botsende belangen is een dergelijke erosie nu en dan te herkennen.
De ontwikkelingen met betrekking tot dadelijke tenuitvoerlegging van sancties illustreren dit. Dadelijke tenuitvoerlegging van sanctiebeslissingen was tot 2010 exceptioneel. In 2010 is de dadelijke tenuitvoerlegging van TBS met voorwaarden ingevoerd. Kritische Kamerleden stemden toch met het voorstel in, onder meer omdat het alternatief zou zijn dat na veroordeling in eerste aanleg de voorlopige hechtenis zou worden voortgezet met het oog op de maatschappelijke veiligheid.2 Nadien volgden wetsvoorstellen waarin was voorzien in dadelijke tenuitvoerlegging elkaar relatief snel op. Ter pare-ring van op de onschuldpresumptie gebaseerde kritiek, wees de minister nu naar de eerder ingevoerde dadelijke tenuitvoerlegging van de TBS met voorwaarden.
In dit voorbeeld onderkennen Kamerleden onvolmaakte naleving van de onschuldpresumptie in de wetgeving over voorlopige hechtenis. Een dwangmiddelensysteem waarin niet meer dan strikt noodzakelijk mensen van hun vrijheid worden beroofd, voorziet immers in de nodige subsidiaire dwangmiddelen. De maatschappelijke veiligheid die de TBS met voorwaarden bewerkstelligt zou ook door middel van iets als voorwaardelijke voorlopige hechtenis of een vrijheidsbeperkend dwangmiddel moeten kunnen worden bereikt. Nu daartoe mogelijkheden ontbreken en/of niet worden benut, wordt de onschuldpresumptie ‘opgeofferd’. Dat wil zeggen: met goede bedoelingen jegens het verdachte individu wordt een sanctie toegepast in plaats van een dwangmiddel. Die keuze wordt een paar jaar later gezien als een argument om verdergaande afwijkingen van het in artikel 557 Sv besloten liggende uitgangspunt te rechtvaardigen.
Op deze manier ontstaat het gevaar dat met de onschuldpresumptie corresponderende Nederlandse stelselkenmerken langzaam afbrokkelen. Slechts de naleving van de (minimum)voorwaarden van het internationale recht blijft dan verzekerd.