Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.2.4.2
IV.2.4.2 … maar een verbod op behandeling als schuldige
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595131:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook de nauwkeurige formulering van art. 27 van de Italiaanse constitutie: “L'imputato non è considerato colpevole sino alla condanna definitiva.” Ook de Hoge Raad overweegt bijv. in HR 28 februari 1989, NJ 1989, 687 “dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld, [...] de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken”.
Uit de geciteerde overweging van het CRM blijkt dat niet. Diens abstractere instructienorm blijkt in de toepassing evenwel niet wezenlijk af te wijken van een verbod op behandeling als schuldige.
Voor zover mij bekend reikte het onschuldvermoeden alleen in het werk van Letrosne ogenschijnlijk verder, zie § II.6.4.
Lippke (2016, i.h.b. hoofdstuk 6), die zich naar eigen zeggen tot doel stelt de onschuldpresumptie te ‘temmen’ en bepleit dat een onschuldpresumptie buiten de context van de terechtzitting niet bestaat, erkent wel een nonpresumption of guilt. Die naam sluit inderdaad beter aan op wat de behandelingsdimensie feitelijk inhoudt. Zijn claim dat van een onschuldpresumptie geen sprake is, lijkt mij gezien de hierboven geciteerde overwegingen van mensenrechtenorganen in positiefrechtelijke zin onjuist. Normatief is het niet zo heel erg interessant, nu hij de inhoud van die onschuldpresumptie niet betwist, maar enkel de naam. Zijn kritiek op een gebod de verdachte als onschuldige te bejegenen werd hiervoor onderschreven, maar gaat uit van een verkeerd begrip van de onschuldpresumptie in het mensenrechtendiscours.
Zie hiervoor § IV.2.1. Vgl. ook Mevis 1993, p. 34.
Zie daarover nader § IV.5.
Zie op die manier Hirsch Ballin 2008, p. 149; Duff 2013a, p. 174 e.v.; Galetta 2013; DeAngelis 2014; Hildebrandt 2016, p. 191 e.v. Een ‘beginsel’ van geen behandeling als verdachte zonder (rationele) verdenking lijkt mij common sense, maar de vraag welke behandeling een verdenking impliceert laat zich niet eenvoudig beantwoorden.
De hierboven geciteerde mensenrechtenorganen kiezen dan ook terecht een andere benadering.1 Zij schrijven in hun meest algemene overwegingen geen van alle voor de verdachte te behandelen als onschuldige en nemen daarmee enige afstand van de gebruikelijke en in de verdragen ook gebruikte formulering waarin de verdachte ‘presumed innocent’ is. In plaats daarvan verbieden zij eensgezind aan de verdachte te refereren of hem te behandelen als schuldige.2 Daarmee blijven zij trouw aan de historische wortels van de behandelingsdimensie. Die liggen weliswaar in de beperking van al te knellende dwangmiddelen, maar de kritiek daarop behelsde vanaf de Verlichting nagenoeg telkens dat de toepassing van die dwangmiddelen neerkwam op bestraffing, dat de verdachte met een veroordeelde werd gelijkgesteld of dat werd geanticipeerd op een mogelijke schuldigverklaring.3
Een verbod de verdachte als schuldige te behandelen, is een beduidend beperktere instructie dan de verplichting de verdachte als onschuldige te bejegenen.4 Iemand niet als volstrekt onschuldige behandelen, resulteert niet noodzakelijk in behandeling als schuldige. De onschuldpresumptie staat alleen in de weg aan die bejegeningen die de schuld van de verdachte als een gegeven beschouwen en tot uitgangspunt nemen. De spanning tussen verdenking enerzijds en behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie anderzijds is zo beschouwd aanzienlijk minder groot. In de verdenking ligt immers besloten dat deze ook onjuist kan blijken.5
Zo zijn de vele dwangmiddelen waaraan verdachten worden onderworpen niet zo snel met de behandelingsdimensie in strijd. Zij zijn niet exemplarisch voor een behandeling als onschuldige, want zij komen veelal pas in beeld bij onderzoek naar de betrokkenheid van de verdachte bij een strafbaar feit. Dat betekent evenwel niet dat met hun toepassing ook steeds een voorlopig of voortijdig oordeel over de schuld van de verdachte wordt uitgesproken. Vooral bij de vele onderzoeksdwangmiddelen gaat het veeleer om een zelfstandig maatschappelijk belang de waarheid omtrent het gepleegde of te plegen feit te achterhalen, waarvan de behartiging ten koste gaat van de betrokkene.
Deze beperkte, maar strikte interpretatie van de behandelingsdimensie als verbod op behandeling als schuldige pareert tevens de kritiek dat de behandelingsdimensie al te vaag en ruim zou zijn. Niet elke strafvorderlijke procedure maakt op dat verbod een inbreuk die vervolgens op enigerlei wijze moet worden gerechtvaardigd. In plaats daarvan betreft het één afgebakende norm waarop niet onvermijdelijk inbreuk wordt gemaakt en waarop inbreuken zich doorgaans ook moeilijk laten rechtvaardigen.6 Bijgevolg is de behandelingsdimensie zo begrepen als grondslag voor verdedigingsrechten als het zwijgrecht en het recht op rechtsbijstand echter wel ongeschikt. Niet goed valt in te zien waarom die rechten voort zouden vloeien uit een verbod op behandeling als schuldige. Zij hebben echter – onafhankelijk van het vermoeden van onschuld – voldoende zelfstandige bestaansreden, zoals de betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen en de autonomie van het individu.
Voorts schrijft deze uitleg van de behandelingsdimensie geen bepaald verdenkingsvereiste voor. Hiervoor bleek reeds dat aan een verdenkingafhankelijk begrip van het beginsel belangrijke conceptuele nadelen kleven. De behandelingsdimensie als verbod op bejegening als schuldige kent die nadelen niet. Zij schrijft niet voor dat zonder verdenking geen behandeling als verdachte mag plaatsvinden of dat naarmate dwangmiddelen ingrijpender zijn altijd een hogere mate van verdenking is vereist. Pogingen om met een beroep op de onschuldpresumptie actuele ontwikkelingen op het gebied van (de toepassing van) opsporingsmethoden te bestrijden, zoals de opkomst van – in goed Nederlands – racial profiling, data mining en de surveillance-maatschappij, stuiten op deze beperking af.7 Dat in een steeds vroeger stadium op grond van een steeds lagere graad van verdenking toch door middel van inbreuken op grondrechten relevante informatie strafvorderlijk wordt verkregen, signaleert (mensenrechtelijke) problemen, maar de behandelingsdimensie kan mijns inziens aan de oplossing daarvan niet bijdragen.