Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.6.1
6.1 Het goederenrechtelijke effect van een opvolgende deelverkrijging naar geldend recht
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948307:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. T.H. Sikkema, ‘Zaaksvervanging en vermogensallocatie in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2021/971.
Zie paragraaf 2.2 hiervóór.
Van een verdeling is dan weer wél sprake wanneer er twee deelgenoten zijn en de ene deelgenoot zijn aandeel aan de andere deelgenoot ‘overdraagt’. In dat geval wordt voldaan aan de vereisten die artikel 3:182 BW stelt. Alsdan is sprake van een verdeling, ook al is dat door de deelgenoten niet beoogd. Het staat (dus) niet ter vrije bepaling van partijen of wel of niet sprake is van een verdeling. Zie paragraaf 2.2 hiervóór, onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 3 BW, (TM), p. 611 en Parl. Gesch. Boek 3 BW (MvA II), p. 612.
Zie Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/13. Zie tevens R.E. Brinkman e.a., ‘Zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7198, p. 474 en de conclusie van A-G Rank-Berenschot vóór de uitspraak HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1297, NJ 2015/335, waar zij onder punt 2.13 letterlijk schrijft (onderstreping TS): “Zij [de kwestie of een deelgenoot kan beschikken over zijn aandeel in een bepaald gedeelte van een gemeenschappelijk goed] moet m.i. worden onderscheiden van de vraag of een deelgenoot zelfstandig kan beschikken over een deel van zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed. Zodanige beschikking leidt tot wijziging van het breukdeel bij een gelijkblijvend object. Niet valt in te zien dat art. 3:175 lid 1 op deze vraag niet van toepassing is.” Zie over het onderscheid tussen het beschikken over het aandeel in een bepaald gedeelte van een gemeenschappelijk goed en het beschikken over een gedeelte van een aandeel in een gemeenschappelijk goed, o.a. de noot van Perrick in NJ onder de uitspraak HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1297, NJ 2015/335. Zie ook Asser/Perrick 3-V 2023/39a.
Zie B.E. Reinhartz, ‘Het eenheidsbeginsel bij erfrechtelijke verkrijgingen en giften nader beschouwd’, JBN 2021/9 en T.H. Sikkema, ‘Zaaksvervanging en vermogensallocatie in het huwelijksvermogensrecht. Een heikele kwestie’, WPNR 2021/7351. Vgl. Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 177 en B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR 2) 2011, p. 59-60.
Zie hierover uitvoerig paragraaf 2 van hoofdstuk 8.
Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 869, nr. 3, p. 22: “Deze regel impliceert dat een goed of geheel in de gemeenschap valt of geheel daarbuiten. Mogelijk zou ook zijn geweest dat het goed voor een deel in de gemeenschap valt en voor een deel in het vermogen van de betreffende echtgenoot, naar rato de tegenprestatie ten laste van de gemeenschap respectievelijk het privévermogen komt. Daarvoor is uit het oogpunt van rechtszekerheid niet gekozen.”
Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/175 en 301-302; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 145-148 en R.E. Brinkman e.a., ‘Zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7198, p. 470-471. Zie over het ‘goederenrechtelijk eenheidsbeginsel’ ook noot 34 van de conclusie van A-G Rank-Berenschot vóór HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2274, NJ 2017/437; T.H. Sikkema, ‘Zaaksvervanging bij gezamenlijke verkrijging door echtgenoten’, FTV 2020/28; B. Reinhartz, ‘Het eenheidsbeginsel bij erfrechtelijke verkrijgingen en giften nader beschouwd’, JBN 2021/9 en T.H. Sikkema, ‘Zaaksvervanging en vermogensallocatie in het huwelijksvermogensrecht. Een heikele kwestie’, WPNR 2021/7351. Zie voorts paragraaf 2 van hoofdstuk 8.
Vgl. paragraaf 4.4.2 hiervóór.
Zie anders Wammes, De gemeenschap naar komend recht 1988, p. 124 en Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/13.
Zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/65-67; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/69; Snijders/Rank-Berenschot, Goederenrecht 2022/40 en Struycken, De numerus clausus in het goederenrecht (O&R nr. 37) 2007, p. 791.
Zie paragraaf 2 van hoofdstuk 8.
271. In de inleiding van dit hoofdstuk is reeds aangegeven dat de aard en het karakter van de verdeling voor dit onderzoek relevant zijn, omdat deze (mede) bepalen of de door verdeling verkregen goederen wel of niet krachtens boedelmenging tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren waarin een deelgenoot kan zijn gehuwd. Deze vraag speelt óók wanneer sprake is van de overdracht van een aandeel in een gemeenschappelijk goed door de ene deelgenoot aan de andere deelgenoot, of wanneer de deelgenoten hun gerechtigdheid tot de waarde van het gemeenschappelijke goed wijzigen. Deze beide vormen van overdracht kunnen worden aangeduid met de verzamelterm ‘opvolgende deelverkrijging’.1 Bij een opvolgende deelverkrijging is van een verdeling geen sprake. In dat verband wordt in herinnering geroepen dat op grond van artikel 3:182 BW van een verdeling alleen sprake is wanneer het een rechtshandeling betreft waaraan alle deelgenoten meewerken, en op grond waarvan één of meer van hen één of meer goederen van de gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen.2 Van een verdeling is (dus) géén sprake wanneer een van de deelgenoten aan een van de anderen zijn aandeel in het gemeenschappelijke goed overdraagt, of wanneer de deelgenoten ‘slechts’ de gerechtigdheid tot de waarde van het goed wijzigen.3 Waar bij de verdeling vooral discussie bestaat over het object van de verdeling en levering, en de vraag of de verdeling tot een zelfstandige verkrijging uit handen van de gezamenlijke deelgenoten leidt, is dat bij een opvolgende deelverkrijging niet het probleem. Omdat een aandeel in een gemeenschappelijk goed naar geldend recht als een afzonderlijk goed kwalificeert, is het object van de overdracht dat afzonderlijke aandeel. En gaat het om de wijziging van de gerechtigdheid tot de waarde van het goed zonder dat een deelgenoot zijn aandeel volledig kwijtraakt, dan wordt aangenomen dat dit kan worden bereikt doordat de ene deelgenoot aan de ander een gedeelte van zijn aandeel in het gemeenschappelijke goed aan de andere deelgenoot overdraagt.4 In beide gevallen leidt de overdracht er dus toe dat degene aan wie het (gedeelte van het) aandeel wordt overgedragen een goed verkrijgt in de zin van artikel 3:80 lid 1 BW, te weten (het gedeelte van het) aandeel in het gemeenschappelijke goed van de vervreemder.
272. Het probleem waar het geldend recht mee wordt geconfronteerd, is wat het effect van deze overdracht is. Als de aandelen als afzonderlijke goederen kwalificeren, zou het resultaat van de overdracht moeten zijn dat het aandeel dat de verkrijgende deelgenoot reeds had, en het aandeel dat hij door overdracht verkrijgt, als afzonderlijke goederen in zijn vermogen blijven voortbestaan. Dat is nu eenmaal het gevolg van het zelfstandige goederenrechtelijke karakter van beide aandelen. De deelgenoot die een extra aandeel verkrijgt, heeft dan voortaan twee afzonderlijke aandelen in het gemeenschappelijke goed. In de (huwelijksvermogensrechtelijke) literatuur wordt dit ook wel als uitgangspunt genomen.5 Ervan uitgaande dat een aandeel in een goed als een afzonderlijk goed kwalificeert, stelt een aantal schrijvers dat bij een opvolgende deelverkrijging per afzonderlijke verkrijging beoordeeld moet worden of het bij die verkrijging verkregen aandeel tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren of niet. Het resultaat daarvan kan zijn dat het ene aandeel in de huwelijksgemeenschap valt en het andere aandeel niet.6 Bij toepassing van de regels van zaaksvervanging heeft de wetgever dat vanuit het oogpunt van rechtszekerheid juist niet gewild.7 Anderen vinden dit dan ook niet wenselijk en menen dat telkens voor het totale aandeel beoordeeld moet worden of dit wel of niet tot de huwelijksgemeenschap behoort. Daartoe doen zij dan een beroep op wat zij ‘het goederenrechtelijk eenheidsbeginsel’ noemen. Dat beginsel zou onder meer inhouden dat in het huwelijksvermogensrecht per ‘goed’ beoordeeld dient te worden of het geheel in of buiten de huwelijksgemeenschap valt.8 Daarmee bedoelen zij dan uitdrukkelijk niet de afzonderlijke aandelen in een goed, maar het totaal van alle aandelen in een goed als geheel. Niet duidelijk is of deze schrijvers daarmee bepleiten dat uit het goederenrechtelijk eenheidsbeginsel voortvloeit dat de afzonderlijke aandelen überhaupt niet meer als afzonderlijke goederen bestaan, of dat uit dit beginsel slechts voortvloeit dat het bestaan van die afzonderlijk aandelen alleen genegeerd moet worden bij beantwoording van de vraag of deze in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen of niet.
273. Gaat men uit van het geldend recht, dan dient volgens mij de eerste opvatting gevolgd te worden. Dat betekent dat de verschillende aandelen als afzonderlijke goederen in het vermogen van de verkrijgende deelgenoot blijven voortbestaan.Waar men bij verdeling nog kan aannemen dat de afzonderlijke aandelen door die verdeling tenietgaan, is dat bij een opvolgende deelverkrijging niet mogelijk. Voor een verdeling gelden immers specifieke bepalingen (artikel 3:182 en 3:186 BW) op grond waarvan men kan bepleiten dat de verdeling een figuur van bijzondere aard is. Die ‘bijzondere aard’ brengt dan met zich mee dat de afzonderlijke aandelen door verdeling tenietgaan.9 Voor een opvolgende deelverkrijging zijn echter geen bijzondere bepalingen. Een opvolgende deelverkrijging is in alle opzichten een ‘gewone’ overdracht; het extra aandeel wordt als een afzonderlijk goed krachtens een zelfstandige titel verkregen. Niet valt in te zien op grond waarvan een dergelijke overdracht tot het ontstaan van een nieuw aandeel zou leiden. In paragraaf 4.4.2 is reeds aangegeven dat begrippen als ‘aanwas’, ‘samensmelting’ of ‘vermenging’ geen dienst kunnen bewijzen. Wat in die paragraaf voor verdeling is opgemerkt, geldt in gelijke zin voor een opvolgende deelverkrijging.10 En ook het beroep op het goederenrechtelijk eenheidsbeginsel kan geen uitkomst bieden. Het goederenrechtelijk eenheidsbeginsel houdt immers in dat geen goederenrechtelijke aanspraken kunnen bestaan op de bestanddelen van een zaak die in het recht als één zaak heeft te gelden. Dit brengt met zich mee dat zolang het verband tussen de onderdelen, die een samengestelde zaak vormen, behouden blijft, afzonderlijke goederenrechtelijke aanspraken met betrekking tot die verschillende bestanddelen niet mogelijk zijn.11 Of sprake is van één zaak wordt mede bepaald door de verkeersopvattingen (zie artikel 3:4 BW). Het eenheidsbeginsel heeft dus per saldo te maken met de stoffelijke samenstelling van een zaak en de gevolgen die het recht aan die stoffelijke samenstelling verbindt. Ervan uitgaande dat aandelen in een gemeenschappelijk goed afzonderlijke goederen zijn, behoren die aandelen – als afzonderlijke goederen – tot het vermogen van ieder van de deelgenoten. Een beroep op het goederenrechtelijk eenheidsbeginsel kan er dan niet toe leiden dat deze afzonderlijke goederen in bepaalde gevallen tóch als één goederenrechtelijk geheel moeten worden behandeld. Uit het goederenrechtelijk eenheidsbeginsel vloeit nu juist voort dat, als men op grond van de verkeersopvatting of de wet tot de conclusie komt dat sprake is van afzonderlijke goederen, op die goederen afzonderlijke goederenrechtelijke aanspraken bestaan. Als men vindt dat een aandeel in een goed als een afzonderlijk goed kwalificeert (en dat is het geldend recht), dan is daarmee het bestaan van dat aandeel als afzonderlijk goed gegeven. Men kan die goederenrechtelijke werkelijkheid dan niet negeren, als deze even niet zo goed uitkomt. Dit leidt er immers toe dat het goederenrechtelijk bestaan van de aandelen in bepaalde mate wordt gerelativeerd, welke relativering zich slecht met het absolute karakter van het goederenrecht laat verenigen.
274. Het gevolg van dit alles is dat naar geldend recht een opvolgende deelverkrijging als een overdracht van (een gedeelte van) een aandeel in het gemeenschappelijke goed kwalificeert, welke overdracht er per saldo toe leidt dat de verkrijgende deelgenoot na die overdracht twee afzonderlijke aandelen in het gemeenschappelijk goed heeft. Deze aandelen behoren dan als afzonderlijke goederen tot zijn vermogen, die pas bij de verdeling – vanwege het bijzondere karakter daarvan – als afzonderlijke goederen tenietgaan. Een en ander heeft óók gevolgen voor de samenstelling van de huwelijksgemeenschap waarin de verkrijgende deelgenoot is gehuwd. Welke gevolgen dat zijn, komt in hoofdstuk 8 nog aan de orde.12