De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.7:7 Conclusie
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.7
7 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948241:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
278. In dit hoofdstuk is ingegaan op het karakter van de verdeling. Gebleken is dat er twee opvattingen over de aard en het karakter van de verdeling bestaan. Het verschil tussen beide opvattingen is gelegen in het antwoord op de vraag of de verdeling als een verkrijging uit handen van de gemeenschappelijke rechtsvoorganger van de deelgenoten kwalificeert, of dat de verdeling een verkrijging uit handen van de gemeenschappelijke deelgenoten is. De eerste opvatting kan als de ‘declaratieve’ opvatting worden aangeduid en de tweede opvatting als de ‘translatieve’ opvatting. In dit hoofdstuk is vervolgens uitgewerkt dat vanwege de huidige goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap de declaratieve opvatting niet goed meer te verdedigen is en dat deze ook niet uit artikel 3:186 lid 2 BW valt af te leiden. De declaratieve opvatting hangt direct samen met het uitgangspunt dat de deelgenoten vóór de verdeling niet gerechtigd zijn tot de afzonderlijke goederen van de gemeenschap, maar slechts een aandeel hebben in die gemeenschap als geheel. Titel 3.7 BW gaat er echter van uit dat de deelgenoten vóór de verdeling wél gerechtigd zijn tot de afzonderlijke goederen van de gemeenschap. Dat geldt voor alle gemeenschappen, dus óók voor die gemeenschappen die als bijzondere gemeenschap kwalificeren (waar dat onder de werking van het oud BW niethet geval was). Om die reden ontkomt men er niet aan om de verdeling als een verkrijging uit handen van de gemeenschappelijke deelgenoten zélf te kwalificeren. Een verdeling is daarmee vergelijkbaar met een overdracht. De verdelingshandeling (artikel 3:182 BW) vormt daarbij de titel voor levering (artikel 3:186 lid 1 BW) en de verdeling kwalificeert als een geheel zelfstandige verkrijging krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’. Naar geldend recht is het daarbij wel een probleem dat de aandelen als afzonderlijke goederen kwalificeren. Daarvan uitgaande zijn die aandelen immers niet alleen het object van de verdeling en levering, maar zouden zij na de verdeling ook als afzonderlijke goederen moeten blijven voortbestaan. Ook in de translatieve opvatting wordt echter als uitgangspunt genomen dat het eindresultaat van de verdeling is dat ieder goed als geheel wordt verkregen. Een systematisch goede grondslag is daar echter moeilijk voor te vinden.
279. Om die reden is in dit hoofdstuk de figuur van de verdeling ook in het licht van de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap bekeken. In die alternatieve visie is een aandeel geen afzonderlijk goed, maar de aanduiding van het exclusieve/absolute effect van de verkrijging van ieder goed (i.e. iedere zaak of vermogensrecht) per afzonderlijke deelgenoot. Daarmee behoort iedere zaak en/of ieder vermogensrecht reeds vóór de verdeling als zodanig (‘als geheel’) tot het vermogen van ieder van de deelgenoten. Gaat men daar vanuit, dan is het object van een verdeling en levering óók iedere zaak of ieder vermogensrecht als zodanig (‘als geheel’). Bij een verdeling dragen de deelgenoten dan iedere zaak of ieder vermogensrecht als zodanig (‘als geheel’) aan één of meer van hen over. De verdeling (artikel 3:182 BW) vormt daarbij de titel voor levering (artikel 3:186 lid 1 BW). Het gevolg van die overdracht is dat het effect van de verkrijging bij één of meer deelgenoten wordt beëindigd en bij één of meer van hen opnieuw tot stand komt. Aldus ontstaat een nieuwe verbinding tussen rechtssubject en goed, die uitdrukt dat voortaan degene(n) die het goed heeft herverkregen, met uitsluiting van ieder ander (en dus ook de overige deelgenoten), over het betreffende goed mag beschikken en de bevoegdheden mag uitoefenen die in de aard/inhoud van dat goed besloten liggen. Volgt men de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap, dan hoeven bij een verdeling de aandelen in het gemeenschappelijke goed dus niet langer ‘weggemoffeld’ te worden om het gewenste resultaat te bereiken (i.e. dat het goed per saldo als geheel wordt verkregen). Een verdeling leidt in dat geval tot een herverkrijging van goederen krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’
280. In het laatste deel van dit hoofdstuk is ingegaan op die gevallen waarin de ene deelgenoot een (gedeelte van zijn) aandeel aan een andere deelgenoot overdraagt zónder dat van een verdeling sprake is. Deze situaties zijn aangeduid met de verzamelterm ‘opvolgende deelverkrijging’. Gaat men uit van het geldend recht dan is bij een opvolgende deelverkrijging sprake van een overdracht van (een gedeelte van) een aandeel in het gemeenschappelijke goed, welke overdracht er per saldo toe leidt dat de verkrijgende deelgenoot na die overdracht twee afzonderlijke aandelen in het gemeenschappelijk goed heeft. De beide aandelen behoren dan als afzonderlijke goederen tot het vermogen van de betreffende deelgenoot en gaan pas bij de verdeling als afzonderlijke goederen teniet. Dit is het directe gevolg van de goederenrechtelijke zelfstandigheid die naar geldend recht aan de aandelen in een gemeenschappelijk goed wordt gegeven. In de alternatieve visie op de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap ligt dit anders. In die opvatting hebben de deelgenoten iedere zaak en ieder vermogensrecht reeds vóór de verdeling als zodanig (‘als geheel’) verkregen. Een aandeel is geen afzonderlijk goed, maar de aanduiding van het absolute/exclusieve effect van de verkrijging van ieder goed per afzonderlijke deelgenoot. Gaat men daar vanuit, dan wordt bij een opvolgende deelverkrijging geen goed (her)verkregen, maar wijzigt slechts het effect van de eerdere verkrijging van het gemeenschappelijke goed bij degene die (een gedeelte van) een aandeel van een andere deelgenoot verkrijgt. Daarmee is bij een opvolgende deelverkrijging van een ‘echte’ overdracht geen sprake: er worden geen goederen (her)verkregen, maar er vindt slechts een wijziging van het eerdere absolute effect van de verkrijging plaats.