Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.6:IV.6 Afsluiting
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.6
IV.6 Afsluiting
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593966:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie is aanleiding tot principiële verwarring en conceptuele misverstanden. Dientengevolge is deze dimensie niet alleen uiteenlopend gewaardeerd, maar wordt zij ook op sterk uiteenlopende wijze in stelling gebracht in literatuur en rechtspraktijk. Dat lokt uit tot vage of onscherpe discussies, waarin de behandelingsdimensie wel ten tonele verschijnt, maar onduidelijk blijft of niet consequent wordt doordacht wat de aard en betekenis daarvan nu precies zijn. In dit hoofdstuk zijn de verschillende interpretatiemogelijkheden geïdentificeerd en onderzocht. Daarbij zijn verschillende benaderingen verworpen. Geconstateerd is dat de behandelingsdimensie niets anders kan inhouden dan een normatieve verbodsnorm om een niet-veroordeelde als schuldige aan een strafbaar feit te bejegenen. Dat verbod reikt aanzienlijk minder ver dan wel wordt aangenomen. De tegen die bredere interpretatie van de behandelingsdimensie bestaande bezwaren, neemt die restrictievere uitleg weg.
Wel heeft de behandelingsdimensie zo begrepen op het eerste gezicht een tamelijk hoog common sense-gehalte: een niet-veroordeelde mag niet als veroordeelde worden bejegend. Inderdaad bleken diverse gronden voor een dergelijk verbod aanwijsbaar (zie § 3). Daarbij onderscheidde ik tussen gronden die de exclusiviteit van de strafprocedure als het forum voor schuldvaststelling waarborgen enerzijds, en gronden die de openheid en daarmee het procedurele karakter van dat strafproces beschermen anderzijds. Die belangen dienen verschillende subdoelen. Daarvan moet evenwel worden vastgesteld dat de onschuldpresumptie ze slechts ten dele behartigt. Vooral het in het oog springende belang van de verdachte om niet voorbarig met de gevolgen van straf te worden geconfronteerd, beschermt de onschuldpresumptie slechts in beperkte mate en zelfs tamelijk selectief. Ofschoon sinds Beccaria de onschuldpresumptie als bejegeningsrecht vooral ook in stelling werd gebracht tegen materieel aan straf gelijkstaande bejegening als tortuur en voorlopige hechtenis, blijkt een dergelijk ruim en materieel strafbegrip niet handzaam. Voor de vraag of iets een behandeling als schuldige behelst, zijn de gevolgen voor het individu nauwelijks bepalend, zo bleek in paragraaf 4.
In die paragraaf besprak ik verschillende reikwijdtekwesties. De reikwijdte van het verbod op behandeling als schuldige is verre van evident. Uitvoerig is stilgestaan bij de vraag wanneer van bejegening als schuldige sprake is. Daaruit kwam onder meer naar voren dat een en ander voor verbale bejegening aanzienlijk eenvoudiger is vast te stellen dan voor non-verbale. Voor non-verbale bejegening is niet zozeer het gevolg, maar zijn eerder het achterliggende doel en de gevolgde redenering beslissend. Ook is stilgestaan bij de vragen waaraan iemand niet als schuldige behandeld mag worden, wanneer iemand niet als schuldige mag worden behandeld en wie door de onschuldpresumptie worden gebonden. Met name tegen die laatste twee vragen kan zeer verschillend worden aangekeken.
Ten slotte is in paragraaf 5 vastgesteld dat de behandelingsdimensie ondanks de restrictieve uitleg en het common sense-gehalte daarvan op gespannen voet kan staan met op zijn minst vier andere belangen, te weten de wens onmiddellijk en doeltreffend op te treden tegen strafwaardig gedrag, de wens de maatschappij te beschermen tegen toekomstig gevaar, het belang dat overheidsbeslissingen waarachtig en uitgebreid worden gemotiveerd en de vrijheid van meningsuiting en nieuwsgaring. Verdedigd is dat de behandelingsdimensie weinig ruimte biedt zich te laten afwegen tegen deze belangen, maar dat deze belangen daar waar de grondslagen van de onschuldpresumptie niet in de kern worden geraakt voor de context waarbinnen bejegeningswijzen dienen te worden beoordeeld wel relevant kunnen zijn. De volgende hoofdstukken richten zich op de wijze waarop met uitleg van de diverse mensenrechtendocumenten belaste organen met de in dit hoofdstuk en het vorige besproken kwesties omgaan.