Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/1.2
1.2 Korte schets van de geschiedenis van het accountantsberoep
1
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS302912:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Er is slechts sprake van een korte schets, voor een uitvoerige weergave van de geschiedenis van het accountantsberoep verwijs ik naar: Bindenga (1973), De Vries (1985) en De Hen, Berendsen & Schoonderbeek (1995).
De Vries (1985), p. 35.
De Vries (1985), p. 36.
Brocheler & Meuwissen (2001), p. 74.
Schilder (2002).
Bindenga (2002).
Bindenga (2002).
NIVRA (2009), p. 26.
NIVRA (2009), p. 26.
NIVRA (2009), p. 26.
Limperg (1932), p. 17-20 en 151-154, 1933, p. 173-177 en 193-197.
Wta, artikel 1 lid 1 onder p.
HR 13 oktober 2006, JOR 2006/296, r.o. 5.4.1 (Vie d’Or). Zie voorts paragraaf 2.5.2.2 inzake de VGBA.
Homan (2007), p. 11.
NIVRA (2010), p 4.
Het accountantsberoep is in Nederland omstreeks 1880 ontstaan. De Pincoffs- affaire lag hieraan ten grondslag. De heer Pincoffs was een koopman en reder, die in Rotterdam tot hoog aanzien was gekomen. Daarnaast was hij een bekend politicus. In een van de ondernemingen van de heer Pincoffs, de N.V. Afrikaansche Handelsvereeniging, vond grootschalige fraude plaats. Nadat dit bekend was geworden, faalden reddingspogingen, sloeg Pincoffs op de vlucht en volgde er een strafproces tot aan de Hoge Raad.2
Lering trekkend uit het gebeurde werd in de N.V. Nieuwe Afrikaansche Handelsvennootschap in 1879 een controleur benoemd; in zekere zin de eerste ‘echte’ accountant.3 Hiermee ontstond het moderne accountantsberoep.4 Een accountant werd indertijd gezien als ‘iemand die zijn beroep maakt van het inrichten, leiden, nazien, controleren en verbeteren van de boekhoudingen en administraties van instellingen of bedrijven’.5
In 1883 werd het ‘Bureel van boekhouding Confidentia’ opgericht. Algemeen wordt deze rechtsvoorganger van Ernst & Young gezien als het eerste Nederlandse accountantskantoor.6 Het Bureel werd opgericht door zes Rotterdamse boekhouders die een gat in de markt zagen na de Pincoffs affaire. Door het ‘Bureel van boekhouding Confidentia’ kon men in het vervolg vertrouwen op een onafhankelijke boekhouder. Hierna volgden meer boekhoudbureaus. De boekhouders werkzaam bij deze boekhoudbureaus ontwikkelden zich later tot de eerste accountants.
De beroepsuitoefening bestond aanvankelijk vooral uit het inrichten en bijhouden van boekhoudingen en administraties en -in een beperkt aantal gevallenhet opmaken van de balans. Eind 19e eeuw was de accountant in Nederland dus primair een boekhouder.7 De functie van controleur van de administratie en de economische huishouding van een bedrijf of instelling met als doel het verkrijgen van een betrouwbaar beeld van de financiële situatie was in die beginjaren een nevenactiviteit.8 In de ruim 130 jaren die volgen tot heden ontwikkelt het accountantsberoep zich in hoog tempo en is het belang van de controlerende functie toegenomen.9 Naast de boekhoudkundige functie en de controlerende functie speelt de adviesfunctie ook een rol. Tegenwoordig wordt met betrekking tot werkzaamheden als hoofdlijn een onderscheid gemaakt tussen het samenstellen van (verantwoordings)informatie (samenstellingsopdrachten) en het toevoegen van een bepaalde mate van zekerheid aan door derden gegeven informatie (assurance opdrachten). Hierover meer in paragraaf 1.4 en 1.5.10
Bij het verrichten van zijn werkzaamheden treedt de accountant volgens de leer van Limperg op als ‘vertrouwensman van het maatschappelijk verkeer’.11 In lijn hiermee wordt de accountantscontrole in de Wet toezicht accountantsorganisaties (‘Wta’) omschreven als ‘een controle van een financiële verantwoording van een onderneming of instelling ten behoeve van het maatschappelijk verkeer.12 De Hoge Raad spreekt in dit verband over: ‘Aldus dient deze taakuitoefening van de accountant mede een wezenlijk publiek belang.’13
In de memorie van toelichting van de Wta14 wordt hierover het volgende opgemerkt: ‘Voor het functioneren van de economie is het objectieve oordeel van de accountant en met name de waarde die in het maatschappelijk verkeer daaraan wordt toegekend van groot belang. Zonder voldoende vertrouwen in de verklaringen van een accountant werkt de kapitaalmarkt niet optimaal. Ook in bredere context bestaat dan teveel onzekerheid in het maatschappelijk verkeer over de juistheid van financiële verantwoordingen. Het is van belang dat marktpartijen bij het nemen van financiële, maar ook niet-financiële beslissingen kunnen vertrouwen op het door ondernemingen of instellingen (hierna ook: ondernemingen) gepresenteerde beeld van de (financiële) positie van die onderneming. Financiële verantwoordingen -waarvoor het ondernemingsbestuur primair verantwoordelijk is- vergezeld van een goedkeurende accountantsverklaring vormen een bron van informatie waaraan in het maatschappelijk verkeer een meer dan gemiddelde waarde wordt toegekend.
Waar de kernfunctie van de accountant het toevoegen van zekerheid in het maatschappelijk verkeer is, verliest deze functie haar waarde door het wegvallen van het in de accountantsverklaring gestelde vertrouwen. Dit is een probleem voor de accountant die zelf in diskrediet zal raken, voor het vertrouwen in de beroepsgroep als geheel, maar nadrukkelijk ook voor het maatschappelijk verkeer (bedrijfsleven, overheid, financiële markten) ten behoeve waarvan de accountant zijn verklaringen afgeeft. Daarmee is het belang van de publieke functie geduid. Uitstralingseffecten van het handelen van externe accountants op de publieke functie van de brede groep van accountants, rechtvaardigen een explicietere (meer in detail tredende) normering vanwege de wetgever’.
Bij de geschiedenis van het accountantsberoep speelt ook een rol dat oorspronkelijk nagenoeg alle wet- en regelgeving betrekking had op de individuele accountant. In 2006 heeft hier een trendbreuk in plaatsgevonden in de vorm van de Wta. Door de Wta is een focus op accountantsorganisaties ontstaan in plaats van op de individuele accountant. Mijns inziens omdat de doelstellingen van de Wta (zie paragraaf 2.4.2) beter en sneller kunnen worden bereikt door verplichtingen neer te leggen bij de accountantsorganisatie en niet alleen bij de individuele accountant. Een en ander zal waarschijnlijk ook samenhangen met het feit dat accountancy in de loop der jaren een zaak van (grote) kantoren is geworden. Wereldwijd is bijvoorbeeld een grote rol weggelegd voor de ‘big 4’ (Deloitte, EY, KPMG en PricewaterhouseCoopers).
Tot slot heeft de internationalisering grote invloed gehad. De Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (‘NBA’) is (actief) lid van de International Federation of Accountants (‘IFAC’). De strategische doelstelling van de IFAC is om een accountantsberoep te ontwikkelen en te bevorderen dat de accountant in staat is op uniforme wijze diensten te verlenen van hoge kwaliteit ten behoeve van het algemeen belang. De NBA onderschrijft deze doelstelling. De invloed van de IFAC blijkt onder andere uit het feit dat de regels die zijn opgesteld door de IFAC als referentiekader voor de Wta fungeren.15 Verder zijn de Nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (‘NV COS’) gebaseerd op de International Standards on Auditing van de IFAC.16