Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/9.2.2.1
9.2.2.1 Geen nevenrechten
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587131:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 528: 'De automatische overgang geldt voorts voor 'andere aan de vordering verbonden nevenrechten'. Hiertoe behoren onder andere het keuzerecht bij een altematieve verbintenis en het recht om een vordering opeisbaar te maken; niet daarentegen de bevoegdheid tot opzegging van een huur of tot ontbinding wegens wanprestatie, omdat deze rechten niet aan de vordering doch a an de gehele rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de oorspronkelijke schuldeiser zijn verbonden.' Zie ook T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 584 en p. 585-586.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 584 en p. 585-586.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 261; Asser/Mijnssen & DeHaan 3-I 2006, nr. 283 en 285; Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:142, aant. 19, 20 en 21; Wiarda 1937, p. 328-329; Van Achterberg 1999, nr. 12; Wibier 2009a, nr. 20; Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 228; Verdaas 2008a, nr. 339. Vgl. HR 12 juni 1970, NJ 1971, 203; en r.o. 3.3.2, HR 12 november 1999, NJ 2000, 222 (Heijmans/Staat), m.nt. ARB.
Zie o.a. Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 228; Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 283 en 285; Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:142, aant. 20; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 261; Fikkers 1992, p. 118-119; Wibier 2009a, nr. 20. Anders: J.H. Beekhuis in zijn noot onder HR 19 juni 1964, NJ 1965, 341, die verdedigt dat de bevoegdheid voor cessie vatbaar is; en Perrick 1996, p. 247, die verdedigt dat de bevoegdheid tot vernietiging voor cessie vatbaar is.
Vgl. Wiarda 1937, p. 329.
507. De bevoegdheid tot ontbinding en de bevoegdheid tot opzegging gaan blijkens de parlementaire geschiedenis niet van rechtswege als nevenrechten met de vordering over. Zij zijn niet aan de vordering, maar aan de rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de oorspronkelijke schuldeiser verbonden.1 Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid tot vemietiging, 2 en voor de bevoegdheden tot gedeeltelijke ontbinding (art. 6:265 jo 6:270 BW), de bevoegdheid tot ontbinding en prijsvermindering bij consumentenkoop (art. 7:22 lid 1 BW) en het recht van reclame (art. 7:39 BW). Ook in de literatuur wordt algemeen aangenomen dat deze bevoegdheden niet als nevenrecht met de vordering overgaan.3
De bevoegdheden tot ontbinding, opzegging en vernietiging zijn niet voor overdracht vatbaar.4 Art. 3:84 lid 1 jo 3:94 BW zien alleen op de overdracht van tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen vermogensrechten. De genoemde bevoegdheden zijn wettelijke bevoegdheden, maar geen subjectieve rechten in de zin van art. 3:6 BW, en daarmee ook geen vermogensrechten. Zelfs indien deze bevoegdheden als vermogensrechten zouden moeten worden beschouwd, hetgeen niet het geval is, verzet hun afhankelijke karakter zich tegen een afzonderlijke overdracht. De oude schuldeiser kan aan de nieuwe schuldeiser wel een last geven of een volmacht verlenen om de overeenkomst te ontbinden, op te zeggen of te vernietigen.5