Hof ’s-Hertogenbosch 13 november 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4389.
HR, 03-06-2025, nr. 23/04421
ECLI:NL:HR:2025:826
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-06-2025
- Zaaknummer
23/04421
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:826, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑06‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:176
ECLI:NL:PHR:2025:176, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:826
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑05‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0199
NJ 2025/278 met annotatie van W.H. Vellinga
Uitspraak 03‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Kan uit bewijsmiddelen volgen dat besluit tot ongeldigverklaring aan verdachte bekend is gemaakt, dat verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard en dat na ongeldigverklaring van rijbewijs aan verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1146 m.b.t. vereisten om tot bewezenverklaring van op art. 9.2 WVW 1994 toegesneden tll. te komen. Aan overwegingen HR in HR:2019:1146 (waarin weliswaar niet is uitgesloten dat bewijs dat is voldaan aan daarin als eerste en tweede genoemde vereisten op andere manier kan worden geleverd) ligt gedachte ten grondslag dat het sterk aanbeveling verdient dat in zaken van dit type bij die vereisten genoemde stukken deel uitmaken van processtukken: (a) mededeling van CBR aan verdachte met besluit tot ongeldigverklaring, (b) aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en (c) gegevens uit rijbewijsregister. OM is ervoor verantwoordelijk dat deze stukken, voordat zaak op tz. wordt behandeld, bij processtukken worden gevoegd (vgl. art. 149a.1 Sv), zo nodig door daartoe deze stukken (alsnog) op te vragen bij CBR. In voorkomend geval kan rechter (desnoods door aanhouding van behandeling van zaak) bewerkstelligen dat stukken alsnog bij processtukken worden gevoegd. Daarmee wordt over vereisten op eenvoudige en gestandaardiseerde wijze tijdig duidelijkheid geboden, wat doelmatige behandeling en beoordeling van zaken van dit type ten goede komt. Ook wordt daarmee voorkomen dat strafproces wordt belast met (bewerkelijke) vraag of uit ander samenstel van feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat aan genoemde vereisten is voldaan, wat in dit type zaken met oog op zinvolle aanwending van capaciteit in strafrechtspleging vermeden zou moeten worden. Indien bewijs dat is voldaan aan als eerste en tweede genoemde vereisten toch op andere manier door rechter wordt aangenomen, vergt dat in beginsel in zaken waarin verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd een nadere motivering waarin wordt uiteengezet hoe uit gebruikte b.m. is afgeleid dat aan vereisten is voldaan. Gelet op bewijsvoering hof moet worden aangenomen dat van processtukken geen deel uitmaakt aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van mededeling van CBR aan verdachte dat rijbewijs ongeldig is verklaard daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, en ook geen uitdraai van gegevens uit rijbewijsregister aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat na ongeldigverklaring van rijbewijs van verdachte aan hem geen nieuw rijbewijs is afgegeven. Hof heeft bewijs dat verdachte ervan wetenschap had dat rijbewijs ongeldig was verklaard en bewijs dat aan hem geen nieuw rijbewijs was afgegeven, afgeleid uit samenstel van uit gebruikte b.m. blijkende f&o en uit de door verdachte afgelegde verklaringen. Oordeel hof dat verdachte op 22-6-2021 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (met vrijspraak van onderdeel van tll. dat verdachte dat “redelijkerwijs moest weten”) is ontoereikend gemotiveerd. Door hof voor bewijs gebruikte verklaring van verdachte (“Maar dat ik niets meer gehoord van CBR daar sta ik van te kijken. Ik heb toen alles afgerond. Ik heb cursus gevolgd. Ik heb alles betaald. Ik heb alles gehaald en gedaan wat aan mij is gevraagd. En dan laten niet meer weten wat er met mijn rijbewijs gebeurd”), laat mogelijkheid open dat verdachte door hof in bewijsvoering opgenomen brief van 11-9-2020 niet heeft ontvangen en hij dus op 22-6-2021 niet wist dat rijbewijs nog steeds ongeldig was verklaard. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04421
Datum 3 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 november 2023, nummer 20-000927-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten T.J.N. Hameleers en M. Draaijers bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’sHertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte bekend is gemaakt en dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, en omdat een uitdraai uit het rijbewijsregister geen deel uitmaakt van de bewijsmiddelen.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 22 juni 2021 te [plaats] , terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De aangetekende brief namens de algemeen directeur van het CBR, namens deze, [betrokkene 1] , Teammanager Vorderingen, divisie Rijgeschiktheid d.d. 22 januari 2020 (pagina’s 5 en 6 van de CBR stukken), inhoudende zakelijk weergegeven:
AANGETEKENDDe [verdachte][b-straat 1][b-straat 1] [plaats]
Datum: 22 januari 2020
Onderwerp
Besluit: rijbewijs ongeldig
Geachte [verdachte] ,
Op 5 november 2019 hebben we u een brief gestuurd. In die brief stond dat u een onderzoek naar uw alcoholgebruik moest laten doen. Helaas heeft u dit onderzoek niet, of niet op tijd betaald. U bent dus ook niet onderzocht. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 29 januari 2020. En mag u niet meer rijden.
Waarom is uw rijbewijs ongeldig?
U bent verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Dat betekent om te beginnen dat u de kosten van het onderzoek op tijd betaalt. U heeft niet, of niet op tijd betaald en bent dus ook niet onderzocht. Volgens de regelgeving moeten wij dan uw rijbewijs ongeldig verklaren.
2. De brief namens de algemeen directeur van het CBR, namens deze, [betrokkene 1] , Teammanager Vorderingen, divisie Rijgeschiktheid, d.d. 23 april 2020 (dossierpagina 17) inhoudende:
De [verdachte]
[b-straat 1]
[plaats]
Onderwerp: Ontvangstbevestiging rijbewijs
Geachte [verdachte] ,
Wij hebben uw rijbewijs met [rijbewijs nummer] van Politie Eenheid Limburg ontvangen.
3. De aangetekende brief namens de algemeen directeur van het CBR, namens deze, [betrokkene 4] , Teammanager Vorderingen, divisie Rijgeschiktheid d.d. 11 september 2020 (pagina’s 8 en 9 van de CBR stukken), inhoudende zakelijk weergegeven:
AANGETEKEND
De [verdachte]
[b-straat 1]
[plaats]
Datum: 11 september 2020
Onderwerp
Uitslag onderzoek, besluit: rijbewijs blijft ongeldig
Geachte [verdachte] ,
U heeft een onderzoek naar uw alcoholgebruik gehad. De uitslag van het onderzoek is dat u niet geschikt bent om te rijden. Daarom blijft uw rijbewijs ongeldig.
Waarom blijft uw rijbewijs ongeldig?Uit het onderzoek blijkt dat er bij u sprake is van alcoholmisbruik. Volgens de regelgeving bent u dan niet geschikt om te rijden. En u blijft ongeschikt, totdat u bent gestopt met het alcoholmisbruik én dat een jaar volhoudt.
4. Het proces-verbaal ter zake artikel 9 WVW 1994 (proces-verbaalnummer 080820200159128424) d.d. 23 september 2021 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] (dossierpagina 4 en 5), inhoudende zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 22 juni 2021 om 17:45 uur zagen wij dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een motorrijtuig reed op genoemde weg/locatie (het hof begrijpt: de [a-straat] , [plaats] . Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften hebben wij het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1970
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Adres: [b-straat 1]
Postcode plaats: [plaats]
Ongeldig verklaard rijbewijs (Artikel 9, lid 2 Wegenverkeerswet 1994)Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2021 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] (dossierpagina 6), inhoudende zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 22 juni 2021 reden wij in [plaats] over de [a-straat] . Ik, [verbalisant] , zag een grijze Volkswagen Golf rijden met het Nederlandse [kenteken] . Het was mij bekend dat het rijbewijs van de ten naam gestelde ongeldig was verklaard. Ten naam gestelde betrof [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] .
De grijze Volkswagen Golf kwam tot stilstand in een parkeervak op de [a-straat] . De bestuurder werd staande gehouden. Het betrof ten naam gestelde [verdachte] . Hij legitimeerde zich met een geldig Nederlandse identiteitskaart met [kenteken] . Op de vraag of hij zijn rijbewijs kon tonen gaf hij aan deze niet te hebben.
6. Het proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding d.d. 22 juni 2021 opgemaakt en ondertekend door hulpofficier van justitie [betrokkene 2] (dossierpagina 10), inhoudende zakelijk weergeven:
Verklaring verdachte
De verdachte verklaarde dat hij begrijpt waarvoor hij is aangehouden en dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Hij geeft aan te weten dat hij niet mag rijden. Hij heeft geruime tijd niet gereden maar moest voor zijn zieke moeder even boodschappen doen. Hij geeft aan dat hij erkent te hebben gereden en zeer dom is geweest.
7. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 juni 2021 (dossierpagina 11 t/m 13), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
V: Klopt het dat mijn collega's jou zagen rijden op de [a-straat] in [plaats] vandaagA: Ja. dat was tegen sluitingstijd.
V: Je erkent dat je de bestuurder was van deze auto?A: Ja dat geef ik toe. Het heeft geen zin om daar over te liegen.A: Ik heb bijna een jaar lang niet in de auto gereden. Ik heb het zo lang vol gehouden. Vandaag ben ik toch overstag gegaan. Mijn moeder voelde zich niet lekker. Ik besloot om wat lekkers voor haar te halen om wat aan te sterken.
V: Je loopt het risico dat deze keer jouw auto ook verbeurd wordt verklaard.A: Ik ben gewoon fout Jeroen. Het is zoals het is. Maar dat ik niets meer gehoord van het CBR daar sta ik van te kijken. Ik heb toen alles afgerond. Ik heb de cursus gevolgd. Ik heb alles betaald. Ik heb alles gehaald en gedaan wat aan mij is gevraagd. En dan laten niet meer weten wat er met mijn rijbewijs gebeurd.
V: Waar is jouw rijbewijs nu?A: Weet ik niet.”
2.2.3
Het hof heeft verder overwogen:
“De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Tevens is volgens de raadsman, onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2019:1146 niet voldaan aan de door de Hoge Raad gestelde vereisten.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte op 22 juni 2021 als bestuurder van een personenauto op de [a-straat] te [plaats] staande is gehouden. Het was de verbalisant bekend dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig was verklaard. Toen de verbalisant vroeg of de verdachte een rijbewijs kon tonen, gaf de verdachte aan deze niet te hebben. Bij besluit van 22 januari 2020 (aangetekend verstuurd naar het adres van de verdachte zijnde [b-straat 1] in [plaats] ) van het CBR blijkt dat het rijbewijs van de verdachte per 29 januari 2020 ongeldig is verklaard. Het CBR heeft het rijbewijs van de verdachte in april 2020 van de Politie Limburg ontvangen. Op 11 september 2020 heeft de verdachte nog een aangetekende brief van het CBR ontvangen waarin staat dat zijn rijbewijs ongeldig blijft. Bij gelegenheid van zijn verhoor voor het onderhavige feit heeft de verdachte op 22 juni 2021 op het politiebureau verklaard: “Ik ben gewoon fout [betrokkene 3] . Het is zoals het is. Maar dat ik niets meer gehoord van het CBR daar sta ik van te kijken. Ik heb toen alles afgerond. Ik heb de cursus gevolgd. Ik heb alles betaald. Ik heb alles gehaald en gedaan wat aan mij is gevraagd. En dan laten niet meer weten wat er met mijn rijbewijs gebeurd.” Tevens heeft de verdachte in dit verhoor aangegeven dat hij niet wist waar zijn rijbewijs zich bevond. Het hof maakt hieruit op dat de verdachte op 22 juni 2021 wel degelijk wetenschap had van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat hem geen ander rijbewijs was afgegeven. Tevens heeft de verdachte op 22 juni 2021 tijdens de voorgeleiding in verband met de aanhouding ten overstaan van de hulpofficier van justitie verklaard dat hij goed wist dat hij niet mocht rijden en dat hij al geruime tijd niet had gereden, maar dat hij heeft gereden omdat hij voor zijn zieke moeder boodschappen ging doen.
Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte op 22 juni 2021 wel degelijk wetenschap had van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij niet in de veronderstelling was dat hij niet mocht rijden, is daarmee in strijd en acht het hof ongeloofwaardig. Evenmin leidt het overlegde retourlabel met het nummer 3SR RC13794028 met [postcode] geplakt op een envelop van het CBR tot een ander oordeel. Op het retourlabel is namelijk de datum 22-11-2019 van het niet afhalen van de envelop te zien. Aangezien het besluit van het ongeldig verklaren van het rijbewijs op 22 januari 2020 is opgemaakt, ziet het betreffende retourlabel niet op de brief met dit besluit.
In tegenstelling tot wat de raadsman heeft betoogd, is derhalve aan alle vereisten neergelegd in ECLI:NL:HR:2019:1146 voldaan.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 22 juni 2021 schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.”
2.3.1
Overtreding van artikel 9 lid 2, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is op grond van artikel 176 lid 2 en artikel 178 lid 1 WVW 1994 een misdrijf dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie.Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering allereerst blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het betreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. artikel 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel 124 lid 3 en 132 lid 4 WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. Opmerking verdient dat een tegen dat besluit door of namens de verdachte ingesteld administratief bezwaar of beroep niet leidt tot schorsing van het besluit tot ongeldigverklaring. Wel kan een geslaagd bezwaar of beroep meebrengen dat achteraf bezien de ongeldigverklaring nooit heeft gegolden.In de tweede plaats moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte.
In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat artikel 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van artikel 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daarover niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, en ook niet uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. artikel 124 lid 4 en artikel 132 lid 5 WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146.)
2.3.2
Aan de overwegingen van de Hoge Raad in dit arrest van 9 juli 2019 – waarin weliswaar niet is uitgesloten dat het bewijs dat is voldaan aan de daarin als eerste en tweede genoemde vereisten op een andere manier kan worden geleverd – ligt de gedachte ten grondslag dat het sterk aanbeveling verdient dat in zaken van dit type de bij die vereisten genoemde stukken deel uitmaken van de processtukken: te weten, (a) een mededeling van het CBR aan de verdachte met het besluit tot ongeldigverklaring, (b) een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en (c) gegevens uit het rijbewijsregister. Het openbaar ministerie is ervoor verantwoordelijk dat deze stukken, voordat de zaak op de terechtzitting wordt behandeld, bij de processtukken worden gevoegd (vgl. artikel 149a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering), zo nodig door daartoe deze stukken (alsnog) op te vragen bij het CBR. In voorkomend geval kan de rechter – desnoods door aanhouding van de behandeling van de zaak – bewerkstelligen dat die stukken alsnog bij de processtukken worden gevoegd. Daarmee wordt over die vereisten op eenvoudige en gestandaardiseerde wijze tijdig duidelijkheid geboden, wat een doelmatige behandeling en beoordeling van zaken van dit type ten goede komt. Ook wordt daarmee voorkomen dat het strafproces wordt belast met de (bewerkelijke) vraag of uit een ander samenstel van feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat aan de genoemde vereisten is voldaan, wat in dit type zaken met het oog op een zinvolle aanwending van capaciteit in de strafrechtspleging vermeden zou moeten worden. Indien het bewijs dat is voldaan aan de als eerste en tweede genoemde vereisten toch op een andere manier door de rechter wordt aangenomen, vergt dat in beginsel in zaken waarin de verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd een nadere motivering waarin wordt uiteengezet hoe uit de gebruikte bewijsmiddelen is afgeleid dat aan die vereisten is voldaan.
2.4.1
Gelet op de bewijsvoering van het hof moet worden aangenomen dat van de processtukken geen deel uitmaakt een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van de mededeling van het CBR aan de verdachte dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, en ook geen uitdraai van gegevens uit het rijbewijsregister aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat na ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan hem geen nieuw rijbewijs is afgegeven.
2.4.2
Het hof heeft het bewijs dat de verdachte ervan wetenschap had dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en het bewijs dat aan hem geen nieuw rijbewijs was afgegeven, afgeleid uit een samenstel van uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden en uit de door de verdachte afgelegde verklaringen. Het oordeel van het hof dat de verdachte op 22 juni 2021 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard – met vrijspraak van het onderdeel van de tenlastelegging dat de verdachte dat “redelijkerwijs moest weten” – is ontoereikend gemotiveerd. De door het hof voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte voor zover deze inhoudt “Maar dat ik niets meer gehoord van het CBR daar sta ik van te kijken. Ik heb toen alles afgerond. Ik heb de cursus gevolgd. Ik heb alles betaald. Ik heb alles gehaald en gedaan wat aan mij is gevraagd. En dan laten niet meer weten wat er met mijn rijbewijs gebeurd”, laat de mogelijkheid open dat de verdachte de door het hof in zijn bewijsvoering opgenomen brief van 11 september 2020 niet heeft ontvangen en hij dus op 22 juni 2021 niet wist dat zijn rijbewijs nog steeds ongeldig was verklaard.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, A.L.J. van Strien, C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2025.
Conclusie 18‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Art. 9 lid 2 WVW 1994. Slagende bewijsklachten over rijden met ongeldig verklaard rijbewijs. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04421
Zitting 18 februari 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 13 november 2023 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft daarnaast een inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven auto verbeurdverklaard en de tenuitvoerlegging bevolen van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.1.
1.2
Namens de verdachte hebben T.J.N. Hameleers en M. Draaijers, beiden advocaat in Roermond, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering niet volgt dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig was verklaard, dat de verdachte dit wist en dat aan de verdachte geen ander rijbewijs was afgegeven.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 22 juni 2021 te Maasbracht, gemeente Maasgouw, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [b-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd”.
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De aangetekende brief namens de algemeen directeur van het CBR, namens deze, [naam 1] , Teammanager Vorderingen, divisie Rijgeschiktheid d.d. 22 januari 2020 (pagina’s 5 en 6 van de CBR stukken), inhoudende zakelijk weergegeven:
AANGETEKEND
[verdachte]
[a-straat 1]
[plaats]
Datum: 22 januari 2020
Onderwerp
Besluit: rijbewijs ongeldig
Geachte [verdachte] ,
Op 5 november 2019 hebben we u een brief gestuurd. In die briefstond dat u een onderzoek naar uw alcoholgebruik moest laten doen. Helaas heef u dit onderzoek niet, of niet op tijd betaald. U bent dus ook niet onderzocht. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 29 januari 2020. En mag u niet meer rijden.
Waarom is uw rijbewijs ongeldig?
U bent verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Dat betekent om te beginnen dat u de kosten van het onderzoek op tijd betaalt. U heeft niet, of niet op tijd betaald en bent dus ook niet onderzocht. Volgens de regelgeving moeten wij dan uw rijbewijs ongeldig verklaren.
2. De brief namens de algemeen directeur van het CBR, namens deze, [naam 1] , Teammanager Vorderingen, divisie Rijgeschiktheid, d.d. 23 april 2020 (dossierpagina 17) inhoudende:
[verdachte]
[a-straat 1]
[plaats]
Onderwerp: Ontvangstbevestiging rijbewijs
Geachte [verdachte] ,
Wij hebben uw rijbewijs met nummer [0001] van Politie Eenheid Limburg ontvangen.
3. De aangetekende brief namens de algemeen directeur van het CBR, namens deze, [naam 2] , Teammanager Vorderingen, divisie Rijgeschiktheid d.d. 11 september 2020 (pagina’s 8en 9 van de CBR stukken), inhoudende zakelijk weergegeven:
AANGETEKEND
[verdachte]
[a-straat 1]
[plaats]
Datum: 11 september 2020
Onderwerp
Uitslag onderzoek, besluit: rijbewijs blijft ongeldig
Geachte [verdachte] ,
U heeft een onderzoek naar uw alcoholgebruik gehad. De uitslag van het onderzoek is dat u niet geschikt bent om te rijden. Daarom blijft uw rijbewijs ongeldig.
Waarom blijft uw rijbewijs ongeldig?
Uit het onderzoek blijkt dat er bij u sprake is van alcoholmisbruik. Volgens de regelgeving bent u dan niet geschikt om te rijden. En u blijft ongeschikt, totdat u bent gestopt met het alcoholmisbruik én dat een jaar volhoudt.
4. Het proces-verbaal ter zake artikel 9 WVW 1994 (proces-verbaalnummer 080820200159128424) d.d. 23 september 2021 opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] (dossierpagina 4 en 5), inhoudende zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 22 juni 2021 om 17:45 uur zagen wij dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een motorrijtuig reed op genoemde weg/locatie (het hof begrijpt: de [b-straat], binnen de gemeente Maasgouw).
Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften hebben wij het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [...]
Geboren: [geboortedatum] 1970
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Adres: [a-straat 1]
Postcode plaats: [plaats]
Ongeldig verklaard rijbewijs (Artikel 9, lid 2 Wegenverkeerswet 1994)
Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2021 opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] (dossierpagina 6), inhoudende zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 22 juni 2021 reden wij in Maasbracht over de [b-straat] . Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag een grijze Volkswagen Golf rijden met het Nederlandse kenteken [kenteken] . Het was mij bekend dat het rijbewijs van de ten naam gestelde ongeldig was verklaard. Ten naam gestelde betrof [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] .
De grijze Volkswagen Golf kwam tot stilstand in een parkeervak op de [b-straat] . De bestuurder werd staande gehouden. Het betrof ten naam gestelde [verdachte] . Hij legitimeerde zich met een geldig Nederlandse identiteitskaart met nummer [0002] . Op de vraag of hij zijn rijbewijs kon tonen gaf hij aan deze niet te hebben.
6. Het proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding d.d. 22 juni 2021 opgemaakt en ondertekend door hulpofficier van justitie [naam 3] (dossierpagina 10), inhoudende zakelijk weergeven:
Verklaring verdachte
De verdachte verklaarde dat hij begrijpt waarvoor hij is aangehouden en dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Hij geeft aan te weten dat hij niet mag rijden. Hij heeft geruime tijd niet gereden maar moest voor zijn zieke moeder even boodschappen doen. Hij geeft aan dat hij erkent te hebben gereden en zeer dom is geweest.
7. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 juni 2021 (dossierpagina 11 t/m 13), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
V: Klopt het dat mijn collega's jou zagen rijden op de [b-straat] in Maasbracht vandaag
A: Ja. dat was tegen sluitingstijd.
V: Je erkent dat je de bestuurder was van deze auto?
A: Ja dat geef ik toe. Het heeft geen zin om daar over te liegen.
A: Ik heb bijna een jaar lang niet in de auto gereden. Ik heb het zo lang vol gehouden. Vandaag ben ik toch overstag gegaan. Mijn moeder voelde zich niet lekker. Ik besloot om wat lekkers voor haar te halen om wat aan te sterken.
V: Je loopt het risico dat deze keer jouw auto ook verbeurd wordt verklaard.
A: Ik ben gewoon fout [...] . Het is zoals het is. Maar dat ik niets meer gehoord van het CBR daar sta ik van te kijken. Ik heb toen alles afgerond. Ik heb de cursus gevolgd. Ik heb alles betaald. Ik heb alles gehaald en gedaan wat aan mij is gevraagd. En dan laten niet meer weten wat er met mijn rijbewijs gebeurd.
V: Waar is jouw rijbewijs u?
A: Weet ik niet.”
2.4
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Tevens is volgens de raadsman, onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2019:1146 niet voldaan aan de door de Hoge Raad gestelde vereisten .
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte op 22 juni 2021 als bestuurder van een personenauto op de [b-straat] te Maasbracht staande is gehouden. Het was de verbalisant bekend dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig was verklaard. Toen de verbalisant vroeg of de verdachte een rijbewijs kon tonen, gaf de verdachte aan deze niet te hebben. Bij besluit van 22 januari 2020 (op aangetekend verstuurd naar het adres van de verdachte zijnde [a-straat 1] [plaats] ) van het CBR blijkt dat het rijbewijs van de verdachte per 29 januari 2020 ongeldig is verklaard. Het CBR heeft het rijbewijs van de verdachte in april 2020 van de Politie Limburg ontvangen. Op 11 september 2020 heeft de verdachte nog een aangetekende brief van het CBR ontvangen waarin staat dat zijn rijbewijs ongeldig blijft. Bij gelegenheid van zijn verhoor voor het onderhavige feit heeft de verdachte op 22 juni 2021 op het politiebureau verklaard: “Ik ben gewoon fout [...] . Het is zoals het is. Maar dat ik niets meer gehoord van het CBR daar sta ik van te kijken. Ik heb toen alles afgerond. Ik heb de cursus gevolgd. Ik heb alles betaald. Ik heb alles gehaald en gedaan wat aan mij is gevraagd. En dan laten niet meer weten wat er met mijn rijbewijs gebeurd.” Tevens heeft de verdachte in dit verhoor aangeven dat hij niet wist waar zijn rijbewijs zich bevond. Het hof maakt hieruit op dat de verdachte op 22 juni 2021 wel degelijk wetenschap had van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat hem geen ander rijbewijs was afgegeven. Tevens heeft de verdachte op 22 juni 2021 tijdens de voorgeleiding in verband met de aanhouding ten overstaan van de hulpofficier van justitie verklaard dat hij goed wist dat hij niet mocht rijden en dat hij al geruime tijd niet had gereden, maar dat hij heeft gereden omdat hij voor zijn zieke moeder boodschappen ging doen.
Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte op 22 juni 2021 wel degelijk wetenschap had van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij niet in de veronderstelling was dat hij niet mocht rijden, is daarmee in strijd en acht het hof ongeloofwaardig. Evenmin leidt het overlegde retourlabel met het nummer [...] met postcode [...] geplakt op een envelop van het CBR tot een ander oordeel. Op het retourlabel is namelijk de datum 22 11-2019 van het niet afhalen van de envelop te zien. Aangezien het besluit van het ongeldig verklaren van het rijbewijs op 22 januari 2020 is opgemaakt, ziet het betreffende retourlabel niet op de brief met dit besluit.
In tegenstelling tot wat de raadsman heeft betoogd, is derhalve aan alle vereisten neergelegd in ECLI:NL:HR:2019:1146 voldaan
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 22 juni 2021 schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.”
2.5
Art. 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994 luidt:
“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.”
2.6
De Hoge Raad heeft over de toepassing van deze bepaling overwogen:
“Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering allereerst blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het betreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. artikel 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel 124 lid 3 en 132 lid 4 WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. […]
In de tweede plaats moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte.
In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat artikel 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van artikel 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daarover niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, en ook niet uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. artikel 124 lid 4 en artikel 132 lid 5 WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden.”2.
2.7
De stellers van het middel voeren aan dat het hof niet heeft vastgesteld dat de brieven van het CBR ook daadwerkelijk aan de verdachte zijn verzonden, dat de verdachte deze heeft ontvangen en dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daarvoor zou onvoldoende zijn dat de verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij fout was, dat hij niets meer had gehoord van het CBR ondanks dat hij alles heeft gedaan wat hem was gevraagd, en dat hij wist dat hij niet mocht rijden. Verder zou uit de bewijsmiddelen en het procesdossier niet volgen dat de in het dossier gevoegde stukken van het CBR aan de verdachte zijn verzonden. Bovendien ontbreekt een uitdraai van het rijbewijsregister waaruit blijkt dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig was verklaard en dat aan de verdachte geen nieuw rijbewijs was afgegeven. Tot slot heeft de verdediging volgens de stellers van het middel aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat het besluit aan de verdachte is bekendgemaakt, dat aan hem geen ander rijbewijs is afgegeven en dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, terwijl het hof deze verweren onvoldoende heeft weerlegd.
2.8
Het middel lijkt mij gegrond. Met betrekking tot de eerste door de Hoge Raad gestelde eis blijkt uit de bewijsvoering niet dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte is bekendgemaakt. De bewijsvoering bevat wel een mededeling van het CBR aan de verdachte (waarover het hof in de bewijsoverweging heeft vastgesteld dat deze “op aangetekend verstuurd naar het adres van de verdachte” is), maar bevat geen aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling aan de verdachte heeft plaatsgevonden. Uit de bewijsvoering blijkt dus niet dat de verdachte deze mededeling heeft ontvangen en daarmee ook niet dat het besluit van kracht is geworden doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking. Met betrekking tot de tweede door de Hoge Raad gestelde eis blijkt uit de bewijsvoering niet dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven, bijvoorbeeld aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister. Tot slot volgt met betrekking tot de derde door de Hoge Raad gestelde eis niet uit de bewijsvoering dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Bewijsmiddel 5, 6 en 7 houden weliswaar verklaringen van de verdachte in dat hij geen rijbewijs had, dat hij wist dat hij niet mocht rijden en dat hij niet wist waar zijn rijbewijs was, maar daaruit volgt niet dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dat kan immers ook een andere oorzaak hebben. De bewezenverklaring is dus ontoereikend gemotiveerd.
2.9
Het middel slaagt.
3. Het tweede middel
Het tweede middel klaagt over de strafoplegging. Omdat het eerste middel slaagt, hoeft het tweede middel niet te worden besproken.
4. Slotsom
4.1
Het eerste middel slaagt. Het tweede middel hoeft niet te worden besproken.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑02‑2025
HR 28 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:108, r.o. 2.3. Daarin wordt verwezen naar HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454 m.nt. W.H. Vellinga.
Beroepschrift 27‑05‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
in Den Haag
Griffienummer: 23/04421
Betekening aanzegging: 23 april 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
verdachte,
advocaten: mr. T.J.N. Hameleers en mr. M. Draaijers
dossiernummer: 231034
Edelhoogachtbaar College,
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, mr. T.J.N. Hameleers en mr. M. Draaijers, advocaten in Roermond, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 13 november 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van het beslag en ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Vanwege de leesbaarheid van de schriftuur zullen hieronder in één middel meerdere klachten naar voren worden gebracht.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder artikel 9 WVW en de artikelen 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Het hof heeft het aan verdachte ten laste gelegde bewezen verklaard, te weten dat verdachte (verkort en zakelijk weergegeven) op 22 juni 2021 in [b-plaats], terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van die categorie(ën) was afgegeven op de [b-straat] als bestuurder een personenauto van die categorie(ën) heeft bestuurd. Hiertoe heeft het hof (beknopt weergegeven) overwogen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat het rijbewijs van verdachte met ingang van 29 januari 2020 ongeldig is verklaard, dat verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat aan hem geen ander rijbewijs was afgegeven.
Het oordeel van het hof dat uit het besluit van het CBR van 22 januari 2020 volgt dat het rijbewijs van verdachte met ingang van 29 januari 2020 ongeldig was verklaard, dat verdachte dit wist en dat aan verdachte geen ander rijbewijs was afgegeven, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk nu het hof niet, althans niet voldoende gemotiveerd, heeft vastgesteld dat de brieven van het CBR ook daadwerkelijk aan verdachte zijn verzonden, dat verdachte deze ook daadwerkelijk heeft ontvangen en dat verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De enkele verklaringen van verdachte dat hij wist dat hij fout was, dat hij niets meer had gehoord van het CBR, ondanks dat hij alles heeft gedaan wat hem was gevraagd en dat hij wist dat hij niet mocht rijden, zijn daarvoor onvoldoende. Verder blijkt uit de door het hof tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, maar ook uit de inhoud van het procesdossier, niet dat de in het dossier gevoegde stukken van het CBR ook daadwerkelijk aan verdachte zijn verzonden. Bovendien ontbreekt een uitdraai van het rijbewijsregister waaruit blijkt dat het rijbewijs van verdachte daadwerkelijk ongeldig was verklaard en dat aan verdachte geen nieuw rijbewijs was afgegeven. De verdediging heeft verder, onder verwijzing naar het arrest van Uw Raad van 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat het besluit aan verdachte bekend is gemaakt, niet blijkt dat aan hem geen ander rijbewijs is afgegeven en niet blijkt dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Deze verweren zijn door het hof onvoldoende gemotiveerd weerlegd.
Het arrest/de verwerping van de verweren/de bewezenverklaring is/zijn dan ook onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
‘hij op of omstreeks 22 juni 2021 te [b-plaats], gemeente Maasgouw, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B en T, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [b-straat], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd; ’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2023 is onder meer gerelateerd dat mr. T.J.N. Hameleers, advocaat in Roermond, het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Hierbij is onder meer aangevoerd:
‘De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1146) met betrekking tot — kort
gezegd — het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs overwogen:
‘2.4.2.
Om tot een bewezenverklaring van een op art. 9, tweede lid, eerste volzin WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, zal uit de bewijsvoering allereerst moeten blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. art. 3:40 en 3:41 Awb respectievelijk art. 124, derde lid, en 132, vierde lid, WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan, kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. ’
(…)
2.4.3.
In de tweede plaats moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte.
2.4.4.
In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. ’
Het dossier voldoet niet aan de eisen omtrent de bewijsvoering die de Hoge Raad stelt. De relevante stukken ontbreken. Zo is niet gebleken dat het besluit (op de juiste wijze) aan cliënt bekend is gemaakt (voorwaarde 1); blijkt niet dat hem geen ander rijbewijs is afgegeven (voorwaarde 2); blijkt voorts niet dat verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (voorwaarde 3).
(Zie in dat kader ook de conclusie van A-G Spronken (ECLI:NL:PHR:2022:118))
In het dossier lees ik geen expliciete ondubbelzinnige verklaring van cliënt dat hij wist van het besluit tot ongeldigverklaring, zoals zich dat thans in het dossier bevindt.
De politie heeft ook niet de vraag gesteld of cliënt wist van het besluit tot ongeldigverklaring.
De data die de politie noemt op pagina 6 van het dossier zie ik niet terug in de justitiële documentatie. Wat ik wel terugzie in de documentatie dat cliënt voor soortgelijke zaken eerder ook is vrijgesproken
(…)
Er is in ieder geval twijfel.
ECLI:NL:HR:2022:470, ECLI:NL:PHR:2019:349, HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3703, HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:259, HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:991 en HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2064, ECLI:NL:PHR:2022:118 (eerdere veroordelingen voor art. 9 WVW zijn niet voldoende voor wetenschap ongeldig zijn rijbewijs):
De overwegingen van het hof ten aanzien van de wetenschap van de verdachte dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, zijn ook niet zonder meer begrijpelijk. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat die wetenschap niet, zoals het hof heeft overwogen, uit eerdere veroordelingen voor overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994 kan worden afgeleid. Ook de omstandigheid dat het besluit in het register staat vermeld of dat niet gebleken is dat de verdachte een rijbewijs in bezit heeft, is onvoldoende om die wetenschap aan te kunnen nemen.
Ik verzoek u daarom ook om cliënt vrij te spreken. ’
1.3
Het hof heeft het tenlastegelegde als volgt bewezen verklaard:
‘hij op 22 juni 2021 te [b-plaats], gemeente Maasgouw, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [b-straat], als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd. ’
1.4
Het hof heeft daaraan (onder meer) de navolgende bewijsoverwegingen gewijd:
‘Bewijsoverwegingen
(…)
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Tevens is volgens de raadsman, onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2019:1146 niet voldaan aan de door de Hoge Raad gestelde vereisten .
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte op 22 juni 2021 als bestuurder van een personenauto op de [b-straat] te [b-plaats] staande is gehouden. Het was de verbalisant bekend dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig was verklaard. Toen de verbalisant vroeg of de verdachte een rijbewijs kon tonen, gaf de verdachte aan deze niet te hebben. Bij besluit van 22 januari 2020 (op aangetekend verstuurd naar het adres van de verdachte zijnde [a-straat 01] [postcode 01] in [a-plaats]) van het CBR blijkt dat het rijbewijs van de verdachte per 29 januari 2020 ongeldig is verklaard. Het CBR heeft het rijbewijs van de verdachte in april 2020 van de Politie Limburg ontvangen. Op 11 september 2020 heeft de verdachte nog een aangetekende brief van het CBR ontvangen waarin staat dat zijn rijbewijs ongeldig blijft. Bij gelegenheid van zijn verhoor voor het onderhavige feit heeft de verdachte op 22 juni 2021 op het politiebureau verklaard: ‘Ik ben gewoon fout [betrokkene 3]. Het is zoals het is. Maar dat ik niets meer gehoord van het CBR daar sta ik van te kijken. Ik heb toen alles afgerond. Ik heb de cursus gevolgd. Ik heb alles betaald. Ik heb alles gehaald en gedaan wat aan mij is gevraagd. En dan laten niet meer weten wat er met mijn rijbewijs gebeurd. ’ Tevens heeft de verdachte in dit verhoor aangeven dat hij niet wist waar zijn rijbewijs zich bevond. Het hof maakt hieruit op dat de verdachte op 22 juni 2021 wel degelijk wetenschap had van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat hem geen ander rijbewijs was afgegeven. Tevens heeft de verdachte op 22 juni 2021 tijdens de voorgeleiding in verband met de aanhouding ten overstaan van de hulpofficier van justitie verklaard dat hij goed wist dat hij niet mocht rijden en dat hij al geruime tijd niet had gereden, maar dat hij heeft gereden omdat hij voor zijn zieke moeder boodschappen ging doen.
Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte op 22 juni 2021 wel degelijk wetenschap had van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij niet in de veronderstelling was dat hij niet mocht rijden, is daarmee in strijd en acht het hof ongeloofwaardig. Evenmin leidt het overlegde retourlabel met het nummer 3SR RC13794028 met postcode [postcode 2] geplakt op een envelop van het CBR tot een ander oordeel. Op het retourlabel is namelijk de datum 22-11-2019 van het niet afhalen van de envelop te zien. Aangezien het besluit van het ongeldig verklaren van het rijbewijs op 22 januari 2020 is opgemaakt, ziet het betreffende retourlabel niet op de brief met dit besluit.
In tegenstelling tot wat de raadsman heeft betoogd, is derhalve aan alle vereisten neergelegd in ECLI:NL:HR:2019:1146 voldaan
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 22 juni 2021 schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.’
1.5
Om tot een bewezenverklaring van een op art. 9, tweede lid, eerste volzin WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, zal uit de bewijsvoering allereerst moeten blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. art. 3:40 en 3:41 Awb respectievelijk art. 124, derde lid, en 132, vierde lid, WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. Opmerking verdient dat een tegen dat besluit door of namens de verdachte ingesteld administratief bezwaar of beroep niet leidt tot schorsing van het besluit tot ongeldigverklaring. Wel kan een geslaagd bezwaar of beroep meebrengen dat achteraf bezien de ongeldigverklaring nooit heeft gegolden.
In de tweede plaats moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte.
In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat art. 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; een dergelijk vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van art. 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. art. 124, vierde lid, onderscheidenlijk art. 132, vijfde lid, WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden (vgl. Hoge Raad 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146).
1.6
In het arrest heeft het hof met betrekking tot het eerste vereiste uit voornoemd arrest van Uw Raad overwogen dat het de verbalisant die verdachte staande hield bekend was dat het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard. Verder heeft het hof overwogen dat uit het besluit van het CBR van 22 januari 2020, dat aangetekend zou zijn verstuurd naar het adres van verdachte, blijkt dat het rijbewijs van verdachte met ingang van 29 januari 2020 ongeldig is verklaard. Het CBR heeft het rijbewijs van verdachte in april 2020 van de politie Limburg ontvangen. Op 11 september 2020 zou verdachte nog een aangetekende brief van het CBR hebben ontvangen waarin staat dat zijn rijbewijs ongeldig blijft. Dit oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk.
Uit de door het hof tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen blijkt niet dat het rijbewijs van belanghebbende daadwerkelijk ongeldig was verklaard. Weliswaar heeft het hof overwogen dat het de verbalisant die verdachte staande hield bekend was dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, maar uit de bewijsmiddelen in het dossier blijkt niet dat dit ook daadwerkelijk het geval was. Zo ontbreekt een uitdraai uit het rijbewijsregister of enig ander objectief bewijsmiddel op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het rijbewijs van verdachte daadwerkelijk ongeldig was verklaard en nog steeds ongeldig was.
Uit de door het hof tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen blijkt bovendien niet dat de hiervoor genoemde brieven van het CBR ook daadwerkelijk aan verdachte zijn verzonden. Op de brieven staan weliswaar de naam en adresgegevens van verdachte vermeld, evenals — in voorkomend geval — het woord ‘AANGETEKEND’, maar uit niets blijkt dat de brieven ook daadwerkelijk (aangetekend) zijn verzonden en zo ja, wanneer (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9260). Een mededeling van het CBR, inhoudende dat de brieven al dan niet (aangetekend) zijn verzonden en al dan niet retour zijn gekomen, zoals in de meeste soortgelijke dossiers te vinden is, ontbreekt. Dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de betreffende brieven daadwerkelijk zijn verzonden, geldt niet alleen voor de door het hof tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, maar ook voor de inhoud van het dossier in het algemeen. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt derhalve niet dat het rijbewijs van verdachte ongeldig is verklaard en dat het desbetreffende besluit aan hem bekend is gemaakt. Immers blijkt niet dat, wanneer en op welke wijze de besluiten aan verdachte zijn verzonden. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de brieven aan verdachte zijn verzonden c.q. door verdachte zijn ontvangen, is dit oordeel onbegrijpelijk, nu dit niet uit de bewijsmiddelen blijkt. Verdachte heeft ook niet ondubbelzinnig verklaard de betreffende brieven te hebben ontvangen. Dat hij heeft verklaard dat hij wist dat hij fout was, dat hij niets meer heeft gehoord van het CBR, dat hij ‘toen’ alles heeft afgerond, dat hij de cursus heeft gevolgd, dat hij alles heeft betaald en dat hij alles heeft gehaald en gedaan wat aan hem is gevraagd, maar dat het CBR hem niet meer heeft laten weten wat er met zijn rijbewijs is gebeurd, doet daaraan niet af. Op grond hiervan kan niet worden vastgesteld dat specifiek de brieven van 22 januari 2020, 23 april 2020 en 11 september 2020 verdachte hebben bereikt. Het andersluidende oordeel van het hof is onbegrijpelijk. Het arrest, althans de bewezenverklaring, is derhalve onvoldoende met redenen omkleed.
1.7
In het arrest heeft het hof met betrekking tot het tweede vereiste uit voornoemd arrest van Uw Raad overwogen dat het de verbalisant die verdachte staande hield bekend was dat het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard. Verdachte kon geen rijbewijs tonen en gaf aan deze niet te hebben. Verder heeft verdachte verklaard dat het CBR hem niet meer heeft laten weten wat er met zijn rijbewijs was gebeurd en dat hij niet wist waar zijn rijbewijs zich bevond. Dit oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk.
Uit de bewijsvoering dient te blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte. Deze gegevens ontbreken in de door het hof tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, maar ook in het dossier. Uit de bekendheid van de verbalisant met de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte en uit de verklaringen van verdachte kan niet zonder meer worden afgeleid dat aan verdachte geen ander rijbewijs was afgegeven. Evenmin kan dit uit de overige door het hof tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. De verbalisanten hebben hier ook niet over gerelateerd. Het hof heeft verder niet specifiek overwogen dat het heeft vastgesteld dat aan verdachte geen ander rijbewijs was afgegeven, terwijl de verdediging hierop wel verweer heeft gevoerd. In zoverre is/zijn het arrest/de verwerping van het verweer/de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
1.8
In het arrest heeft het hof met betrekking tot het derde vereiste uit voornoemd arrest van Uw Raad overwogen dat — naast de omstandigheden dat de brieven van het CBR van 22 januari 2020, 23 april 2020 en 11 september 2020 aan verdachte zijn verzonden, quod non (zie onder 1.6 van deze schriftuur) — verdachte heeft verklaard dat hij fout was, dat hij niets meer heeft gehoord van het CBR, dat hij ‘toen’ alles heeft afgerond, dat hij de cursus heeft gevolgd, dat hij alles heeft betaald, dat hij alles heeft gehaald en gedaan wat aan hem is gevraagd en dat het CBR niet meer heeft laten weten wat er met zijn rijbewijs is gebeurd. Daarnaast kon verdachte geen rijbewijs tonen en heeft hij verklaard niet te weten waar zijn rijbewijs zich bevond en dat hij wist dat hij niet mocht rijden en al geruime tijd niet had gereden, maar toch reed omdat hij voor zijn zieke moeder boodschappen ging doen. Dit oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk.
Niet alleen blijkt uit de door het hof tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen niet dat de brieven van het CBR daadwerkelijk zijn verzonden c.q. verdachte hebben bereikt (zie onder 1.6 van deze schriftuur), maar ook kan uit de verklaringen van verdachte niet worden afgeleid dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (voor zover dat al zo was, zie wederom onder 1.6 van deze schriftuur). Zoals de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat het dossier geen expliciete ondubbelzinnige verklaring van verdachte dat hij wist van het besluit tot ongeldigverklaring dat zich in het dossier bevindt. Dit is door de politie ook niet nadrukkelijk en expliciet aan hem gevraagd. Uw Raad heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte dat hij ‘daar fout in zit’ (vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146) of dat ‘bepaalde dingen natuurlijk niet klopten’ (vgl. HR 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:393) onvoldoende is om vast te stellen dat de verdachte weet dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. Er moet sprake zijn van een verklaring waaruit ondubbelzinnig de wetenschap van de ongeldigverklaring van het rijbewijs volgt, wil op grond van deze verklaring de wetenschap van de verdachte vastgesteld kunnen worden. Een dergelijke verklaring ontbreekt in de onderhavige zaak. Verdachte heeft niet nadrukkelijk verklaard dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte dit bovendien ontkend en daarnaast heeft de verdediging nadrukkelijk verweer gevoerd op deze wetenschap. Het hof heeft verder geen omstandigheden vastgesteld op grond waarvan de wetenschap van verdachte kan worden vastgesteld, waarbij volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de omstandigheid dat het CBR kennelijk het rijbewijs van de politie heeft ontvangen evenmin duidt op deze wetenschap (vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:786). Het arrest/de verwerping van het verweer/de bewezenverklaring is/zijn dan ook onvoldoende met redenen omkleed.
1.9
Gelet op het voorgaande is/zijn het arrest/de verwerping van de verweren/de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed zodat het arrest niet in stand kan blijven.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artikelen 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Het hof heeft het aan verdachte ten laste gelegde bewezen verklaard en verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft het hof de aan verdachte toebehorende auto verbeurd verklaard en de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf in de zaak met parketnummer 20/001349-19 toegewezen.
Met betrekking tot de opgelegde straf heeft het hof (beknopt weergegeven) in het arrest overwogen dat verdachte er blijk van heeft gegeven zich niets gelegen te laten liggen aan de beslissing van het CBR. Daarnaast is verdachte veelvuldig onherroepelijk voor verkeersdelicten veroordeeld. Het hof heeft aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn voorts niet van zodanig gewicht dat dit een strafmatigend effect dient te hebben.
De strafmotivering van het hof bevat, in strijd met art. 359 lid 6 Sv geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Het hof heeft immers niet uitdrukkelijk laten blijken dat in dit geval alleen een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Dit terwijl de verdediging in hoger beroep het verweer heeft gevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet goed voor verdachte zou zijn en dat, gelet op het tijdsverloop van de zaak, een taakstraf passend zou kunnen zijn.
Het arrest/de verwerping van het verweer/de strafmotivering is/zijn dan ook onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
2.1
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2023 is onder meer gerelateerd dat mr. T.J.N. Hameleers, advocaat in Roermond, het woord tot de verdediging heeft gevoerd en daarbij onder meer het volgende heeft aangevoerd:
‘Het is lastig voor mijn cliënt om met zijn justitiële documentatie werk te vinden. Mijn cliënt probeert wat van zijn leven te maken op dit moment. Als mijn cliënt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken opgelegd zou krijgen, zou dat niet goed voor hem zijn. Gelet op de tijdsverloop van de zaak zou een taakstraf passend kunnen zijn. Mijn cliënt zou de taakstraf ook daadwerkelijk uitvoeren. ’
2.2
Het hof heeft aan verdachte de volgende straf opgelegd:
‘Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken].’
2.3
Het hof heeft daaraan de navolgende strafmotivering gewijd:
‘Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven zich niets gelegen te laten liggen aan de beslissing van het CBR tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 september 2023, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder veelvuldig onherroepelijk voor verkeersdelicten is veroordeeld.
Het hof sluit voor de bepaling van de straf aan bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden en bij straffen die door dit hof in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Genoemde oriëntatiepunten indiceren in een geval als het onderhavige een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in het bijzonder naar voren gebracht dat hij zorgt voor zijn zieke moeder en dat hij de rest van zijn tijd doorbrengt met zijn kinderen. Deze persoonlijke omstandigheden acht het hof echter niet van zodanig gewicht dat dit een strafmatigend effect dient te hebben.
Alles afvegende, en in het bijzonder gelet op de recidive van de verdachte, acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. ’
2.4
In het arrest van 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, heeft Uw Raad het volgende overwogen:
‘4.3.1.
Art. 359, zesde lid eerste volzin, Sv luidt:
‘Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. ’
4.3.2.
Aan de wetsgeschiedenis kan, voor zover hier van belang, onder meer het volgende worden ontleend:
‘Evenals het zesde lid vormt het zevende lid een uitwerking van de gedachte dat juist vrijheidsstraffen en enkele voor de veroordeelde als zeer belastend te beschouwen bijkomende straffen aan hoge eisen van motivering moeten voldoen. Worden dergelijke straffen geheel of gedeeltelijk onvoorwaardelijk opgelegd, dan moet worden gemotiveerd waarom niet met een voorwaardelijke straf kon worden volstaan. (…) De leden 6 en 7 vormen een signaal van de wetgever dat de nadruk op vermogensstraffen behoort te vallen. Acht de rechter desondanks een vrijheidsstraf (dan wel ontzettings- of ontzeggingsstraf) op zijn plaats, dan dient hij zo duidelijk mogelijk te maken op welke gronden die overtuiging steunt.’
(Kamerstukken II 1977/78, 15 012, nr. 3, p. 54–55)
alsmede:
‘De in de nota van wijzigingen voorgestelde tekst van artikel 359, zesde lid, strekt ertoe de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf steeds tot een punt van aparte en nadere afweging door de rechter te maken.’
4.3.3.
In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het in 4.3.1 weergegeven vereiste aldus ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo'n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen. ’
Wanneer de strafmotivering van het hof, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen bevat die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf, leidt dit verzuim krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid (vgl. HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:619).
2.5
In het arrest heeft het hof overwogen dat verdachte eerder veelvuldig onherroepelijk voor verkeersdelicten is veroordeeld. Daarnaast heeft het hof aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, die in een geval als het onderhavige een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken indiceren. Nu de persoonlijke omstandigheden van verdachte naar het oordeel van het hof niet van zodanig gewicht zijn dat dit een strafmatigend effect dient te hebben, heeft het hof aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar opgelegd.
De strafmotivering van het hof bevat, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. De enkele verwijzing naar de landelijke oriëntatiepunten is daarvoor onvoldoende (onder andere blijkens het hierboven aangehaalde arrest van 16 april 2019). Daar komt nog bij dat de verdediging zich nadrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat een taakstraf, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en gelet op het tijdsverloop, passend zou kunnen zijn. Het hof heeft in het geheel niet op dit verweer gerespondeerd.
2.6
Gelet op het voorgaande is/zijn het arrest/de verwerping van het verweer/de strafmotivering onvoldoende met redenen omkleed zodat het arrest niet in stand kan blijven.
Dat
op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemeld arrest te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Roermond, 27 mei 2024
Advocaten
mr. T.J.N. Hameleers
mr. M. Draaijers