Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/5.5:5.5 Conclusie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/5.5
5.5 Conclusie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS459443:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na deze bespreking van vormen van (al dan niet) op een verdrag gebaseerd vertrouwen kan wederom worden teruggegrepen op het doel van interstatelijke samenwerking in strafzaken: het vergemakkelijken, vervolledigen, eerlijker maken dan wel mogelijk maken van een afgeronde strafrechtelijke procedure in de ene staat door het verlenen van bijstand door de andere staat op één of meer van de hoofdonderdelen van de strafprocedure, te weten de opsporing, de vervolging, de berechting of de tenuitvoerlegging van een sanctie. Waar het gaat om abstract op het verdrag gebaseerd vertrouwen, maar ook om vertrouwen dat besloten ligt in concrete bepalingen van het toepasselijke rechtshulpverdrag, is de inmiddels bekende aan een concrete vorm van rechtshulp inherente taakverdeling cruciaal. Het sluiten van een bepaald verdrag met een andere staat, zoals een uitleverings- of WOTS-verdrag, impliceert de intentie om op die grondslag samen te werken. Uitleveringsverdragen zijn daarin doorgaans dwingender en verplichten tot samenwerking, maar ook WOTS-verdragen, die door de bank genomen geen recht op overdracht voor de veroordeelde noch een plicht tot overdracht c.q. overname door één van beide staten in het leven roepen, impliceren een voornemen in algemene zin om in voorkomende gevallen de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende sanctie over te nemen en, dat is daaraan inherent, het veroordelende vonnis te erkennen.
Het op concrete bepalingen gebaseerde vertrouwen ziet eerder op meer specifieke aspecten, waar het op het enkele bestaan van een verdrag gebaseerde vertrouwen met name de hoofdlijnen en grondtrekken van het rechtshulpinstrument betreft. Deze specifieke aspecten betreffen doorgaans niet zozeer de kern van een bepaald rechtshulpinstrument, maar zien vaak op flankerende bepalingen. Deze flankerende bepalingen, denk aan het specialiteitsbeginsel of een vrijgeleide, kunnen overigens wel cruciaal zijn voor de bereidheid om samen te werken en derhalve het doel daarvan te bewerkstelligen. En zoals eerder is besproken, kunnen ook expliciete bepalingen in het verlengde liggen van de kern van de vorm van rechtshulp dat het verdrag regelt.
Dit is zeker het geval bij het ontbreken van een concrete bepaling houdende bijvoorbeeld een weigeringsgrond. Die variant correspondeert met abstract op het bestaan van het verdrag gebaseerd vertrouwen. Immers door die combinatie, het verdrag is gesloten, terwijl van een bepaalde weigeringsgrond is afgezien, heeft het vertrouwen gestalte gekregen.
Andere verdragen, doorgaans mensenrechtenverdragen, waarop vertrouwen kan worden gebaseerd, zien in beginsel niet op het vergemakkelijken, vervolledigen, eerlijker maken dan wel mogelijk maken van een afgeronde strafrechtelijke procedure in de ene staat door het verlenen van bijstand door de andere staat op één of meer van de hoofdonderdelen van de strafprocedure, te weten de opsporing, de vervolging, de berechting of de tenuitvoerlegging van een sanctie, maar veeleer op de daaraan te koppelen randvoorwaarde dat de samenwerking zo dient te geschieden dat de rechten van de betrokken burger gerespecteerd worden. De gelding van een mensenrechtenverdrag, al dan niet in combinatie met een toezichtmechanisme, onttrekt dit aspect aan het concrete rechtshulpverdrag en plaatst het op een overstijgend niveau. Het bestaan van een toezichtmechanisme is voor het bestaan van deze vorm van vertrouwen als zodanig niet essentieel, maar heeft wel grote betekenis voor de daaraan te verbinden praktische consequenties. Immers, indien een dergelijk mechanisme bestaat, is ook het toezicht op dit aspect in zekere zin gegarandeerd zodat het tot op zekere hoogte kan worden losgelaten door bijvoorbeeld de uitleveringsrechter, terwijl in het andere geval slechts sprake is van een ander juridisch kader, maar niet van een supranationale toezichthouder.
Vertrouwen dat niet is gebaseerd op een verdrag, waarvan een enkel voorbeeld is besproken, vormt vooral door een staat zelf aangenomen vertrouwen dat intern werkt. Het besproken voorbeeld, artikel 552gg Sv, is vooral een vingerwijzing aan de rechter. Zij lijkt, zoals eerder bleek, te zijn ingegeven door de wens om na een bepaalde vorm van rechtshulp, in casu gaat het om overname van strafvervolging, zo effectief mogelijk aan het doel van samenwerking tegemoet te komen.
Door op de in dit hoofdstuk beschreven wijze na te gaan waarop een bepaalde vorm van vertrouwen is gebaseerd, kan worden nagegaan hoe concreet of abstract die vorm wordt voorgeschreven en hoe dwingend zij is. Vloeit de verplichting tot het aannemen van vertrouwen rechtstreeks voort uit concrete bepalingen van een verdrag, dan is duidelijk dat relativering niet mogelijk is. Omgekeerd is het voor de wetgever cruciaal zich rekenschap te geven van de inhoud van een te sluiten en het vertrouwen dat daar wel of niet, impliciet of expliciet uit voortvloeit. Voor zover daar in het internationale en diplomatieke krachtenveld ruimte voor is, kan daarmee bewust de keuze worden gemaakt voor het dwingender of minder dwingend formuleren van verdragsverplichtingen. Het hier gepresenteerde inzicht stelt in een concrete zaak de verdediging in staat expliciet te formuleren waar het verdrag toe dwingt, en welke mate van vertrouwen daardoor wellicht onontkoombaar is, en welke beoordelingsruimte het verdrag biedt. Daarmee is dan niet gezegd dat die ruimte ook zal worden genomen, want ook buiten het beginsel van pacta sunt servanda is een zekere (volkenrechtelijk onverplichte) werking van het vertrouwensbeginsel mogelijk, maar duidelijkheid daarover prent bijvoorbeeld de rechter wel in of hij met handen en voeten is gebonden of juist niet.