Hof Amsterdam, 23-06-2022, nr. 200.291.171/01 OK
ECLI:NL:GHAMS:2022:1911
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
23-06-2022
- Zaaknummer
200.291.171/01 OK
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2022:1911, Uitspraak, Hof Amsterdam, 23‑06‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2022:1235, Uitspraak, Hof Amsterdam, 22‑04‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2022:1234, Uitspraak, Hof Amsterdam, 20‑04‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2022:1019, Uitspraak, Hof Amsterdam, 06‑04‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2022:839, Uitspraak, Hof Amsterdam, 09‑03‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2022:689, Uitspraak, Hof Amsterdam, 08‑03‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2022:214, Uitspraak, Hof Amsterdam, 11‑01‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2021:3789, Uitspraak, Hof Amsterdam, 15‑11‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2021:1548, Uitspraak, Hof Amsterdam, 28‑05‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2021:1255, Uitspraak, Hof Amsterdam, 28‑04‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2021:1147, Uitspraak, Hof Amsterdam, 26‑04‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
OR-Updates.nl 2022-0099
JOR 2022/283 met annotatie van Bartman, S.M.
OR-Updates.nl 2022-0083
JOR 2022/119 met annotatie van Broere, P.H.M.
OR-Updates.nl 2021-0379
JOR 2022/91 met annotatie van Hermans, R.M.
OR-Updates.nl 2021-0194
Ondernemingsrecht 2021/112 met annotatie van M. Holtzer
Uitspraak 23‑06‑2022
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; Bepaling vergoeding onderzoeker
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.291.171/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 23 juni 2022
inzake
de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
gevestigd te Maastricht,
VERZOEKSTER,
advocaat: thans zonder advocaat, voorheen mr. R.A.J.C. Huijs en mr. M.J. Huisman, beiden kantoorhoudende te Eindhoven,
t e g e n
1. de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TELEVISIEBEDRIJF LIMBURG B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OMROEPBEDRIJF LIMBURG B.V.,
4. de vennootschap onder firma
RECLAMEMAATSCHAPPIJ L1 V.O.F.,
alle gevestigd te Maastricht,
VERWEERSTERS,
advocaat: thans zonder advocaat, voorheen mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
e n t e g e n
1. deONDERNEMINGSRAAD L1,
gevestigd te Maastricht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,
2. [A] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
3. [B] ,
BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen.
4. J.A. VAN DER HAVE in zijn hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijk bestuurder van Stichting Omroep Limburg,
kantoorhoudende te Breda,
5. B.M.A. VAN HUSSEN in haar hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijk commissaris van Stichting Omroep Limburg,
kantoorhoudende te Amsterdam,
BELANGHEBBENDEN,
advocaat: mr. D.J. Rutgers, kantoorhoudende te Amsterdam.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
- -
Stichting Omroep Limburg als SOL;
- -
Televisiebedrijf Limburg B.V. als Televisiebedrijf;
- -
Omroepbedrijf Limburg B.V. als Omroepbedrijf;
- -
Reclamemaatschappij L1 v.o.f. als Reclamemaatschappij;
- -
SOL, Televisiebedrijf, Omroepbedrijf en
Reclamemaatschappij samen als L1;
- -
Ondernemingsraad L1 als de ondernemingsraad;
- -
[A] als [A] ;
- -
J.M. Blanco Fernández als de onderzoeker;
- -
J.A. van der Have als de OK-bestuurder;
- -
B.M.A. van Hussen als de OK-commissaris;
- -
De OK-bestuurder en de OK-commissaris
gezamenlijk ook als de OK-functionarissen.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 26 en 28 april 2021, 28 mei 2021, 2 maart 2022, 6 april 2022, 20 april 2022 en 22 april 2022, de beschikkingen van de raadsheer-commissaris in deze zaak van 15 november 2021, 11 januari 2022, 9 maart 2022 en 6 april 2022 en de beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer in deze zaak van 11 januari 2022.
1.2
Bij de beschikkingen van 26 en 28 april 2021 en 28 mei 2021 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van SOL, Televisiebedrijf en Omroepbedrijf over de periode vanaf 1 juli 2019 en de onderzoeker benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 70.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. Ook heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding, voor zover nodig in afwijking van de statuten van SOL, de OK-bestuurder en de OK-commissaris benoemd als bestuurder respectievelijk commissaris van SOL.
1.3
Bij de beschikking van 15 november 2021 heeft de raadsheer-commissaris de onderzoeker op diens verzoek een aanwijzing gegeven met betrekking tot het inzien van de e-mailboxen van drie medewerkers van L1.
1.4
Bij de beschikking van 11 januari 2022 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer het verzoek van mr. Jansberg namens [A] om hem machtiging te verlenen mededelingen te mogen doen uit de inhoud van het conceptverslag van het onderzoek afgewezen.
1.5
Bij de beschikking van eveneens 11 januari 2022 heeft de raadsheer-commissaris het verzoek van mr. Jansberg namens [A] om aan de onderzoeker een aanwijzing te geven het onderzoek op te schorten afgewezen.
1.6
Bij de beschikking van 8 maart 2022 heeft de Ondernemingskamer de beloning van de OK-functionarissen ten laste van SOL vastgesteld op € 275 per uur exclusief btw. Bij diezelfde beschikking heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het bevolen onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 115.606 exclusief btw.
1.7
Bij de beschikking van de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van 9 maart 2022 heeft de raadsheer-commissaris de onderzoeker de aanwijzing gegeven niet tot toezending van het eindverslag aan de Ondernemingskamer over te gaan totdat de raadsheer-commissaris (definitief) op het namens [A] gedane verzoek op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW zal hebben beslist.
1.8
Bij de beschikking van 6 april 2022 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [A] om de onderzoeker uit zijn functie te ontheffen en een andere onderzoeker te benoemen afgewezen.
1.9
Bij de beschikking van de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van eveneens 6 april 2022 heeft de raadsheer-commissaris het verzoek van [A] om op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW een aanwijzing te geven aan de onderzoeker afgewezen.
1.10
Bij de beschikking van 20 april 2022 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het bevolen onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 130.606 exclusief btw.
1.11
Op 21 april 2022 heeft de onderzoeker het verslag met bijlagen van voormeld onderzoek, gedateerd op 21 april 2022, aan de Ondernemingskamer doen toekomen. Bij de beschikking van 22 april 2022 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het hiervoor genoemde verslag en de bijlagen ter inzage liggen voor belanghebbenden en dat het verslag zonder bijlagen ter inzage ligt voor een ieder.
1.12
De onderzoeker heeft de Ondernemingskamer desgevraagd bevestigd dat zijn vergoeding kan worden bepaald op € 130.606 exclusief btw. Bij e-mail van 1 juni 2022 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door de Ondernemingskamer te bepalen vergoeding van de onderzoeker.
1.13
Bij e-mails van 2 juni 2022 hebben de OK-functionarissen de Ondernemingskamer bericht akkoord te zijn met bepaling van de vergoeding van de onderzoeker op € 130.606 exclusief btw.
1.14
Bij e-mail van 7 juni 2022 heeft mr. Huijs namens de voormalige raad van commissarissen zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
2. De gronden van de beslissing
2.1
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich over de door de onderzoeker opgestelde specificatie uit te laten. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen bepaling van de vergoeding van de onderzoeker op € 130.606 exclusief btw. Dit bedrag komt de Ondernemingskamer in het licht van de aard en de omvang van de verrichte werkzaamheden ook niet onredelijk voor. De Ondernemingskamer zal de vergoeding van de onderzoeker overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW dan ook bepalen als hierna te vermelden.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 130.606, de daarover verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. C.C. Meijer, raadsheren, en drs. V.G. Moolenaar en prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2022.
Uitspraak 22‑04‑2022
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; Verslag ter inzage van griffie
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.291.171/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 22 april 2022
inzake
de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
gevestigd te Maastricht,
VERZOEKSTER,
advocaat: thans zonder advocaat, voorheen mr. R.A.J.C. Huijs en mr. M.J. Huisman, beiden kantoorhoudende te Eindhoven,
t e g e n
1. de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TELEVISIEBEDRIJF LIMBURG B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OMROEPBEDRIJF LIMBURG B.V.,
4. de vennootschap onder firma
RECLAMEMAATSCHAPPIJ L1 V.O.F.,
alle gevestigd te Maastricht,
VERWEERSTERS,
advocaat: thans zonder advocaat, voorheen mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
e n t e g e n
1. deONDERNEMINGSRAAD L1,
gevestigd te Maastricht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,
2. [A] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
3. [B] ,
BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen.
4. J.A. VAN DER HAVE in zijn hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijk bestuurder van Stichting Omroep Limburg,
kantoorhoudende te Breda,
5. B.M.A. VAN HUSSEN in haar hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijk commissaris van Stichting Omroep Limburg,
kantoorhoudende te Amsterdam,
BELANGHEBBENDEN,
advocaat: mr. D.J. Rutgers, kantoorhoudende te Amsterdam.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
- -
Stichting Omroep Limburg als SOL;
- -
Televisiebedrijf Limburg B.V. als Televisiebedrijf;
- -
Omroepbedrijf Limburg B.V. als Omroepbedrijf;
- -
Reclamemaatschappij L1 v.o.f. als Reclamemaatschappij;
- -
SOL, Televisiebedrijf, Omroepbedrijf en
Reclamemaatschappij samen als L1;
- -
Ondernemingsraad L1 als de ondernemingsraad;
- -
[A] als [A] ;
- -
J.M. Blanco Fernández als de onderzoeker;
- -
J.A. van der Have als de OK-bestuurder;
- -
B.M.A. van Hussen als de OK-commissaris;
- -
De OK-bestuurder en de OK-commissaris
gezamenlijk ook als de OK-functionarissen.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 26 en 28 april 2021, 28 mei 2021, 2 maart 2022, 6 april 2022 en 20 april 2022, de beschikkingen van de raadsheer-commissaris in deze zaak van 15 november 2021, 11 januari 2022, 9 maart 2022 en 6 april 2022 en de beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer in deze zaak van 11 januari 2022.
1.2
Bij de beschikkingen van 26 en 28 april 2021 en 28 mei 2021 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van SOL, Televisiebedrijf en Omroepbedrijf over de periode vanaf 1 juli 2019 en de onderzoeker benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 70.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. Ook heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding, voor zover nodig in afwijking van de statuten van SOL, de OK-bestuurder en de OK-commissaris benoemd als bestuurder respectievelijk commissaris van SOL.
1.3
Bij de beschikking van 15 november 2021 heeft de raadsheer-commissaris de onderzoeker op diens verzoek een aanwijzing gegeven met betrekking tot het inzien van de e-mailboxen van drie medewerkers van L1.
1.4
Bij de beschikking van 11 januari 2022 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer het verzoek van mr. Jansberg namens [A] om hem machtiging te verlenen mededelingen te mogen doen uit de inhoud van het conceptverslag van het onderzoek afgewezen.
1.5
Bij de beschikking van eveneens 11 januari 2022 heeft de raadsheer-commissaris het verzoek van mr. Jansberg namens [A] om aan de onderzoeker een aanwijzing te geven het onderzoek op te schorten afgewezen.
1.6
Bij de beschikking van 8 maart 2022 heeft de Ondernemingskamer de beloning van de OK-functionarissen ten laste van SOL vastgesteld op € 275 per uur exclusief btw. Bij diezelfde beschikking heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het bevolen onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 115.606 exclusief btw.
1.7
Bij de beschikking van de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van 9 maart 2022 heeft de raadsheer-commissaris de onderzoeker de aanwijzing gegeven niet tot toezending van het eindverslag aan de Ondernemingskamer over te gaan totdat de raadsheer-commissaris (definitief) op het namens [A] gedane verzoek op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW zal hebben beslist.
1.8
Bij de beschikking van 6 april 2022 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [A] om de onderzoeker uit zijn functie te ontheffen en een andere onderzoeker te benoemen afgewezen.
1.9
Bij de beschikking van de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van eveneens 6 april 2022 heeft de raadsheer-commissaris het verzoek van [A] om op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW een aanwijzing te geven aan de onderzoeker afgewezen.
1.10
Bij de beschikking van 20 april 2022 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het bevolen onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 130.606 exclusief btw
1.11
Op 21 april 2022 heeft de onderzoeker het verslag met bijlagen van voormeld onderzoek, gedateerd op 21 april 2022, aan de Ondernemingskamer doen toekomen. De griffier heeft het verslag met bijlagen heden ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd.
2. De gronden van de beslissing
De Ondernemingskamer heeft kennis genomen van het verslag van het onderzoek en de bijlagen. Gelet op de inhoud daarvan en op de overigens in deze zaak betrokken belangen acht de Ondernemingskamer termen aanwezig om op voet van artikel 2:353 lid 2 BW te bepalen dat het verslag met de bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt als hierna te vermelden.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt dat het verslag en de bijlagen van het bij de beschikking van 26 april 2021 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Stichting Omroep Limburg, Televisiebedrijf Limburg B.V. en Omroepbedrijf Limburg B.V. ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage liggen voor belanghebbenden;
bepaalt dat het verslag zonder de bijlagen van het bij de beschikking van 26 april 2021 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Stichting Omroep Limburg, Televisiebedrijf Limburg B.V. en Omroepbedrijf Limburg B.V. ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor een ieder.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. C.C. Meijer, raadsheren, en drs. V.G. Moolenaar en prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2022.
Uitspraak 20‑04‑2022
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; Verhoging onderzoeksbudget
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.291.171/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 20 april 2022
inzake
de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
gevestigd te Maastricht,
VERZOEKSTER,
advocaat: thans zonder advocaat, voorheen mr. R.A.J.C. Huijs en mr. M.J. Huisman, beiden kantoorhoudende te Eindhoven,
t e g e n
1. de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TELEVISIEBEDRIJF LIMBURG B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OMROEPBEDRIJF LIMBURG B.V.,
4. de vennootschap onder firma
RECLAMEMAATSCHAPPIJ L1 V.O.F.,
alle gevestigd te Maastricht,
VERWEERSTERS,
advocaat: thans zonder advocaat, voorheen mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
e n t e g e n
1. deONDERNEMINGSRAAD L1,
gevestigd te Maastricht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,
2. [A] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
3. [B] ,
BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen,
4. J.M. BLANCO FERNÁNDEZ in zijn hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde onderzoeker,
kantoorhoudende te Amsterdam,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. P.D. Olden, kantoorhoudende te Amsterdam,
5. J.A. VAN DER HAVE in zijn hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijk bestuurder van Stichting Omroep Limburg,
kantoorhoudende te Breda,
6. B.M.A. VAN HUSSEN in haar hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijk commissaris van Stichting Omroep Limburg,
kantoorhoudende te Amsterdam,
BELANGHEBBENDEN,
advocaat: mr. D.J. Rutgers, kantoorhoudende te Amsterdam.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
- -
Stichting Omroep Limburg als SOL;
- -
Televisiebedrijf Limburg B.V. als Televisiebedrijf;
- -
Omroepbedrijf Limburg B.V. als Omroepbedrijf;
- -
Reclamemaatschappij L1 v.o.f. als Reclamemaatschappij;
- -
SOL, Televisiebedrijf, Omroepbedrijf en
Reclamemaatschappij samen als L1;
- -
Ondernemingsraad L1 als de ondernemingsraad;
- -
[A] als [A] ;
- -
J.M. Blanco Fernández als de onderzoeker;
- -
J.A. van der Have als de OK-bestuurder;
- -
B.M.A. van Hussen als de OK-commissaris;
- -
De OK-bestuurder en de OK-commissaris
gezamenlijk ook als de OK-functionarissen.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 26 en 28 april 2021, 28 mei 2021, 2 maart 2022 en 6 april 2022, de beschikkingen van de raadsheer-commissaris in deze zaak van 15 november 2021, 11 januari 2022, 9 maart 2022 en 6 april 2022 en de beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer in deze zaak van 11 januari 2022.
1.2
Bij de beschikkingen van 26 en 28 april 2021 en 28 mei 2021 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van SOL, Televisiebedrijf en Omroepbedrijf over de periode vanaf 1 juli 2019 en de onderzoeker benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 70.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. Ook heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding, voor zover nodig in afwijking van de statuten van SOL, de OK-bestuurder en de OK-commissaris benoemd als bestuurder respectievelijk commissaris van SOL.
1.3
Bij de beschikking van 15 november 2021 heeft de raadsheer-commissaris de onderzoeker op diens verzoek een aanwijzing gegeven met betrekking tot het inzien van de e-mailboxen van drie medewerkers van L1.
1.4
Bij de beschikking van 11 januari 2022 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer het verzoek van mr. Jansberg namens [A] om hem machtiging te verlenen mededelingen te mogen doen uit de inhoud van het conceptverslag van het onderzoek afgewezen.
1.5
Bij de beschikking van eveneens 11 januari 2022 heeft de raadsheer-commissaris het verzoek van mr. Jansberg namens [A] om aan de onderzoeker een aanwijzing te geven het onderzoek op te schorten afgewezen.
1.6
Bij de beschikking van 8 maart 2022 heeft de Ondernemingskamer de beloning van de OK-functionarissen ten laste van SOL vastgesteld op € 275 per uur exclusief btw. Bij diezelfde beschikking heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het bevolen onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 115.606 exclusief btw.
1.7
Bij beschikking van de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van 9 maart 2022 heeft de raadsheer-commissaris de onderzoeker de aanwijzing gegeven niet tot toezending van het eindverslag aan de Ondernemingskamer over te gaan totdat de raadsheer-commissaris (definitief) op het namens [A] gedane verzoek op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW zal hebben beslist.
1.8
Bij beschikking van 6 april 2022 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [A] om de onderzoeker uit zijn functie te ontheffen en een andere onderzoeker te benoemen afgewezen.
1.9
Bij beschikking van de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van eveneens 6 april 2022 heeft de raadsheer-commissaris het verzoek van [A] om op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW een aanwijzing te geven aan de onderzoeker afgewezen.
1.10
Bij e-mail van 7 april 2022 heeft de onderzoeker de Ondernemingskamer verzocht op de voet van artikel 2:350 lid 3 BW het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten te verhogen tot € 130.606 exclusief btw.
1.11
De secretaris van de Ondernemingskamer heeft partijen bij e-mail van 11 april 2022 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het in 1.10 genoemde verzoek van de onderzoeker.
1.12
Bij e-mail van 11 april 2022 heeft mr. Rutgers zich namens de OK-functionarissen gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer op dit punt.
1.13
Bij e-mail van 12 april 2022 heeft mr. Huijs zich namens de inmiddels teruggetreden raad van commissarissen van L1 gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer op dit punt.
1.14
Bij e-mail van 13 april 2022 heeft mr. Sprengers de Ondernemingskamer namens de ondernemingsraad verzocht het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget af te wijzen.
1.15
Bij e-mail van 19 april 2022 heeft mr. Jansberg zich – onder het maken van een kanttekening – namens [A] gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
2. De gronden van de beslissing
2.1
De onderzoeker heeft aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd. [A] heeft op 8 maart 2022 een verzoek ingediend om de onderzoeker uit zijn functie te ontheffen en een andere onderzoeker te benoemen. De Ondernemingskamer heeft dit verzoek bij beschikking van 6 april 2022 afgewezen (zie 1.8). In verband met het verzoek van [A] heeft de onderzoeker zich genoodzaakt gezien rechtsbijstand van een gespecialiseerd kantoor in te schakelen. De kosten die daarmee gepaard gingen waren nodig om het onderzoek tot een einde te kunnen brengen en moeten als onderzoekskosten worden beschouwd. Een deel van deze kosten kan ten laste van het reeds toegekende budget worden gebracht. Het verzoek strekt tot verhoging van de kosten van het onderzoek voor het resterende deel, namelijk € 15.000, exclusief btw. De onderzoeker heeft declaraties voor de door hem ingeschakelde rechtsbijstand overgelegd. Naast de kosten van rechtsbijstand heeft het verzoek van [A] tot een extra tijdsbelasting bij de onderzoeker geleid. De onderzoeker heeft de afronding van het onderzoek aangehouden totdat zeker was dat hij als onderzoeker het onderzoek zou kunnen afronden. Dit heeft meegebracht dat de afronding van het onderzoek meer tijd vergt. Daarnaast heeft de onderzoeker tijd aan zijn verdediging besteed. De tijd die de onderzoeker aan deze extra werkzaamheden heeft besteed brengt hij niet in rekening.
2.2
De ondernemingsraad heeft gesteld dat het middel van enquête door de toenmalige raad van commissarissen te lichtvaardig is ingezet en dat L1, grotendeels gefinancierd met publieke middelen, daardoor onverantwoord zwaar financieel wordt belast. De ondernemingsraad benadrukt dat dit een principieel punt is dat niet wordt ingegeven door de wijze waarop de onderzoeker uitvoering geeft aan het onderzoek.
2.3
[A] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer, maar plaatst de volgende kanttekening bij het verzoek van de onderzoeker. In haar beschikking van 6 april 2022, waarin de Ondernemingskamer het verzoek van [A] tot ontheffing van de onderzoeker uit functie heeft afgewezen, heeft de Ondernemingskamer geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om een proceskostenveroordeling uit te spreken. Het verzoek van de onderzoeker, waarmee hij tracht de door hem gemaakte kosten alsnog vergoed te krijgen, verhoudt zich daar niet mee. De keuze rechtsbijstand in te schakelen behoort tot het ondernemersrisico van de onderzoeker en verondersteld mag worden dat dergelijke kosten in de tarifering zijn verdisconteerd.
2.4
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. De redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten die de onderzoeker heeft gemaakt om zijn standpunten kenbaar te maken in het kader van het verzoek van [A] tot ontheffing van de onderzoeker uit zijn functie moeten, gelet op hun aard en gelet op de aard van de benoemingen in het kader van een enquêteprocedure, aangemerkt worden als kosten verbonden aan het uitoefenen van de functie van onderzoeker die in beginsel ten laste van de onderneming behoren te komen. De redelijkheid van de aard en omvang van de door de onderzoeker opgegeven kosten zijn op zichzelf niet betwist. In de beschikking van 8 maart 2022 (r.0. 2.11) heeft de Ondernemingskamer met betrekking tot een eerder verzoek van de onderzoeker tot verhoging van het onderzoeksbudget geoordeeld dat zij in het bezwaar van de ondernemingsraad dat de onderzoekskosten zwaar drukken op de financiële situatie van L1 per saldo onvoldoende grond ziet het verzoek van de onderzoeker af te wijzen. Dit oordeel geldt onverkort. Dat de Ondernemingskamer in haar beschikking van 6 april 2022 heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om, zoals door de onderzoeker was verzocht, ten laste van [A] een proceskostenveroordeling uit te spreken, laat onverlet dat de door de onderzoeker ter zake van het verzoek tot ontheffing gemaakte redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten ten laste van de onderneming gebracht dienen te worden, dit naar analogie met het bepaalde in artikel 2:350 lid 3 BW. Nu tegen het verzoek voor het overige geen bezwaren zijn aangevoerd en het verzoek van de onderzoeker de Ondernemingskamer ook overigens niet onredelijk voorkomt, zal zij het onderzoeksbudget verhogen tot het door de onderzoeker verzochte bedrag.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
verhoogt het bedrag dat het bij beschikking van 26 april 2021 bevolen onderzoek ten hoogste mag kosten tot € 130.606, exclusief btw;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. C.C. Meijer, raadsheren, en drs. V.G. Moolenaar en prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2022.
Uitspraak 06‑04‑2022
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; Afwijzing verzoek tot ontheffing onderzoeker
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.291.171/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 6 april 2022
inzake
de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
gevestigd te Maastricht,
VERZOEKSTER,
advocaat: thans zonder advocaat, voorheen mr. R.A.J.C. Huijs en mr. M.J. Huisman, beiden kantoorhoudende te Eindhoven,
t e g e n
1. de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TELEVISIEBEDRIJF LIMBURG B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OMROEPBEDRIJF LIMBURG B.V.,
4. de vennootschap onder firma
RECLAMEMAATSCHAPPIJ L1 V.O.F.,
alle gevestigd te Maastricht,
VERWEERSTERS,
advocaat: thans zonder advocaat, voorheen mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
e n t e g e n
1. deONDERNEMINGSRAAD L1,
gevestigd te Maastricht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,
2. [A] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
3. [B] ,
BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen,
4. J.M. BLANCO FERNÁNDEZ in zijn hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde onderzoeker,
kantoorhoudende te Amsterdam,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. P.D. Olden, kantoorhoudende te Amsterdam,
5. J.A. VAN DER HAVE in zijn hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijk bestuurder van Stichting Omroep Limburg,
kantoorhoudende te Breda,
6. B.M.A. VAN HUSSEN in haar hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijk commissaris van Stichting Omroep Limburg,
kantoorhoudende te Amsterdam,
BELANGHEBBENDEN,
advocaat: mr. D.J. Rutgers, kantoorhoudende te Amsterdam.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
- -
Stichting Omroep Limburg als SOL;
- -
Televisiebedrijf Limburg B.V. als Televisiebedrijf;
- -
Omroepbedrijf Limburg B.V. als Omroepbedrijf;
- -
Reclamemaatschappij L1 v.o.f. als Reclamemaatschappij;
- -
SOL, Televisiebedrijf, Omroepbedrijf en
Reclamemaatschappij samen als L1;
- -
Ondernemingsraad L1 als de ondernemingsraad;
- -
[A] als [A] ;
- -
[B] als [B] ;
- -
J.M. Blanco Fernández als de onderzoeker;
- -
J.A. van der Have als de OK-bestuurder;
- -
B.M.A. van Hussen als de OK-commissaris;
- -
De OK-bestuurder en de OK-commissaris
gezamenlijk ook als de OK-functionarissen.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 26 en 28 april 2021, 28 mei 2021 en 2 maart 2022, de beschikkingen van de raadsheer-commissaris in deze zaak van 15 november 2021, 11 januari 2022 en 9 maart 2022 en de beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer in deze zaak van 11 januari 2022.
1.2
Bij de beschikkingen van 26 en 28 april 2021 en 28 mei 2021 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van SOL, Televisiebedrijf en Omroepbedrijf over de periode vanaf 1 juli 2019 en de onderzoeker benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 70.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. Voorts heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding, voor zover nodig in afwijking van de statuten van SOL, de OK-bestuurder en de OK-commissaris benoemd als bestuurder respectievelijk commissaris van SOL.
1.3
Bij de beschikking van 15 november 2021 heeft de raadsheer-commissaris de onderzoeker op diens verzoek een aanwijzing gegeven met betrekking tot het inzien van de e-mailboxen van drie medewerkers van L1.
1.4
Bij de beschikking van 11 januari 2022 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer het verzoek van mr. Jansberg namens [A] om hem machtiging te verlenen mededelingen te mogen doen uit de inhoud van het conceptverslag van het onderzoek afgewezen.
1.5
Bij de beschikking van eveneens 11 januari 2022 heeft de raadsheer-commissaris het verzoek van mr. Jansberg namens [A] om aan de onderzoeker een aanwijzing te geven het onderzoek op te schorten afgewezen.
1.6
Bij de beschikking van 8 maart 2022 heeft de Ondernemingskamer de beloning van de OK-functionarissen ten laste van SOL vastgesteld op € 275 per uur exclusief btw. Bij diezelfde beschikking heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het bevolen onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 115.606 exclusief btw.
1.7
Op 8 maart 2022 heeft mr. Jansberg namens [A] de Ondernemingskamer verzocht de onderzoeker uit zijn functie te ontheffen en een andere onderzoeker te benoemen. Bij brief diezelfde datum heeft mr. Jansberg namens [A] de raadsheer-commissaris verzocht op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW aan de onderzoeker een aanwijzing te geven om inzending van het definitieve verslag achterwege te laten totdat de behandeling van het verzoek tot ontheffing van de onderzoeker uit zijn functie en benoeming van een andere onderzoeker zal zijn afgerond.
1.8
Bij beschikking van de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van 9 maart 2022 heeft de raadsheer-commissaris de onderzoeker de aanwijzing gegeven niet tot toezending van het eindverslag aan de Ondernemingskamer over te gaan totdat de raadsheer-commissaris (definitief) op het namens [A] gedane verzoek op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW zal hebben beslist.
1.9
De ondernemingsraad heeft bij verweerschrift van 16 maart 2022 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van [A] om de onderzoeker uit zijn functie te ontheffen en een andere onderzoeker te benoemen af te wijzen.
1.10
De onderzoeker heeft bij verweerschrift van 17 maart 2022 de Ondernemingskamer verzocht [A] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans het verzoek van [A] af te wijzen en [A] te veroordelen in de kosten van de procedure.
1.11
De OK-functionarissen hebben bij verweerschrift van 17 maart 2022 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van [A] af te wijzen.
1.12
Het verzoek van mr. Jansberg namens [A] om de onderzoeker uit zijn functie te ontheffen en een andere onderzoeker te benoemen is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 24 maart 2022. Mrs. F.G.K. Overkleeft en J.K.G. Meijer, kantoorgenoten van mr. Olden, namens de onderzoeker en voor het overige de op het voorblad vermelde advocaten hebben toen de standpunten van partijen toegelicht, wat mr. Jansberg, mrs. Overkleeft en Meijer, mr. Rutgers en mr. Sprengers betreft aan de hand van pleitnotities en wat mr. Jansberg betreft eveneens aan de hand van een tevoren toegezonden nadere productie. Namens de voormalige leden van de raad van commissarissen heeft mr. R.A.J.C. Huijs, advocaat te Eindhoven, zich aangesloten bij wat is aangevoerd door mr. Rutgers. De advocaten hebben ook de standpunten van partijen toegelicht met betrekking tot het in 1.7 vermelde verzoek van mr. Jansberg namens [A] aan de raadsheer-commissaris. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. Ter terechtzitting heeft mr. Jansberg namens [A] de Ondernemingskamer verzocht hem toe te staan afschrift van paragraaf 38 van het conceptverslag van de onderzoeker in het geding te brengen en daartoe ontheven te worden uit zijn geheimhoudingsplicht. De Ondernemingskamer heeft dit verzoek ter terechtzitting afgewezen.
2. De feiten
2.1
De Ondernemingskamer verwijst naar de feiten zoals die zijn weergegeven in haar eerdere beschikkingen (zie 1.1). Nadat de Ondernemingskamer bij beschikking van 28 mei 2021 het onderzoeksbudget heeft vastgesteld heeft de onderzoeker zijn werkzaamheden aangevangen. Nadien hebben zich de volgende feiten voorgedaan.
2.2
Op 3 en 4 juni 2021 heeft de onderzoeker op locatie bij L1 gesprekken gevoerd met leden van de ondernemingsraad, [B] , het managementteam, de redactieraad en enkele andere medewerkers. Ook heeft de onderzoeker een bijeenkomst bijgewoond waar werd aangekondigd dat [A] en [B] samen aan een strategie- en cultuurplan zouden gaan werken met het oog op het herstel van de verhoudingen en de toekomst van L1. Bij die bijeenkomst waren ook de OK-functionarissen aanwezig.
2.3
De onderzoeker heeft de OK-functionarissen op 5 juni 2021 bericht dat hij informatie had die mogelijk van belang zou zijn voor de werkzaamheden van de OK-functionarissen. De onderzoeker heeft de OK-functionarissen daarbij gevraagd of zij deze informatie wilden ontvangen en dat als zij ervoor zouden kiezen de informatie te ontvangen, zij aan geheimhouding zouden zijn gebonden.
2.4
Eveneens op 5 juni 2021 hebben de OK-functionarissen de onderzoeker bericht dat zij kennis wilden nemen van de informatie voor zover die relevant zou zijn voor hun werkzaamheden. Zij hebben toegezegd de informatie vertrouwelijk te zullen behandelen.
2.5
Op 7 juni 2021 heeft de onderzoeker de informatie met de OK-functionarissen gedeeld. Het betrof diverse WhatsApp-berichten in een WhatsApp-groep waarin onder andere leden van de hoofdredactie blijk gaven van vijandigheid jegens [A] en waarin gesproken werd over het verspreiden van een spotprent van [A] .
2.6
Op 22 juni 2021 heeft, op initiatief van de onderzoeker, telefonisch overleg plaatsgevonden tussen de onderzoeker en de OK-functionarissen. De onderzoeker heeft tijdens dit gesprek aan de OK-functionarissen bericht dat verdere gesprekken en inmiddels door hem bestudeerde stukken erop wezen dat sprake was van een diep geworteld gebrek aan draagvlak voor [A] binnen L1 en dat het de vraag was of de breuk tussen [A] en L1 nog te herstellen was.
2.7
Op 29 juni 2021 hebben de OK-commissaris en een ander lid van de raad van commissarissen met [A] gesproken. Daarbij is [A] op non-actief gesteld en is aan hem een uitnodiging overhandigd voor een vergadering van de raad van commissarissen te houden op 7 juli 2021. Op de agenda van die vergadering stond een voorstel tot ontslag van [A] .
2.8
Bij brief van 1 juli 2021 heeft de advocaat van de raad van commissarissen het besluit tot non-actiefstelling schriftelijk toegelicht aan mr. Jansberg:
“Cliënt heeft uw cliënt gisteren per direct op non-actief gesteld. Directe aanleiding daarvoor was de inhoud van zijn memo “looplijntjes 30 juni 2021” en de mededeling op eigen initiatief van de onafhankelijke onderzoeker van de Ondernemingskamer aan [de OK-commissaris], dat uw cliënt nauwelijks tot geen draagvlak meer heeft in de organisatie
(…)
Dat uw cliënt nauwelijks tot geen draagvlak meer heeft in de organisatie was [de OK-bestuurder] en de RvC ook zelf reeds duidelijk. (…)
(…) Duidelijk voor cliënten was ook dat uw cliënt met zijn leiderschapsstijl in deze organisatie de noodzakelijke cultuurverandering niet tot stand zou kunnen gaan brengen.
(…)”
2.9
Op 9 juli 2021 hebben [A] en SOL een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij [A] per direct is teruggetreden als bestuurder van SOL.
2.10
Bij e-mail van 8 augustus 2021 heeft mr. Jansberg namens [A] aan de onderzoeker onder meer bericht:
“Tot slot zal het u bekend zijn dat cliënt inmiddels geen bestuurder meer is van L1. Cliënt is in dat kader voorgehouden dat u aan de OK-commissaris (…) op “eigen initiatief” zou hebben medegedeeld dat cliënt “nauwelijks tot geen draagvlak heeft in de organisatie”.
Cliënt zou graag van u vernemen of en, zo ja, wanneer die mededeling heeft plaatsgevonden, of het klopt dat het initiatief bij u lag en wat er al dan niet (exact) door u aan [de OK-commissaris] is medegedeeld.”
2.11
Op 11 augustus 2021 heeft de onderzoeker aan mr. Jansberg geantwoord:
“Over uw vraag over wat ik met [de OK-commissaris] heb besproken, stel ik voorop dat ik niet gehouden ben daar antwoord op te geven. Ik wil wel bevestigen dat ik met [de OK-commissaris] heb gesproken en dat ik haar bij wijze van voorlopige bevinding heb bericht dat ik in de organisatie nauwelijks draagvlak voor dhr. [A] als bestuurder heb gevonden.”
2.12
Bij e-mail van 8 september 2021 heeft mr. Jansberg onder meer geschreven:
“Cliënt verzoekt u dan ook uitdrukkelijk de hele gang van zaken rondom het gedwongen vertrek van cliënt in uw onderzoek mee te nemen. (…) De vraag kan overigens worden gesteld of u in de (onafhankelijke) positie bent om het onderzoek over die (laatste) periode zelf uit te voeren. Uw contact met de OK-commissaris en terugkoppeling aan haar van uw voorlopige bevinding, ten aanzien waarvan diverse vragen opkomen (zie hierna), heeft immers een belangrijke rol gespeeld bij de exit van cliënt. In uw reactie geeft u aan dat u inderdaad contact heeft gehad met de OK-commissaris. U antwoordt echter nog niet op mijn vraag bij wie het initiatief lag. Graag ontvang ik alsnog antwoord op de vraag of het initiatief bij u lag. Verder vraagt cliënt zich af wat uw motief was om een dergelijke, zoals u het noemt, “voorlopige bevinding” te delen? Wat wilde u hiermee precies bereiken? Wat was de reden om daar separaat over te rapporteren? Dat er niet of nauwelijks draagvlak was voor client kan bezwaarlijk als voorlopige resultante van uw onderzoek worden aangemerkt, aangezien dit gegeven al van meet af aan bekend was.”
2.13
Bij e-mail van 9 september 2021 heeft de onderzoeker aan mr. Jansberg geantwoord dat hij in zijn onderzoek ook aandacht zal besteden aan het vertrek van [A] en de rol die de OK-functionarissen en de onderzoeker daarbij hebben gespeeld en dat hij het voor het overige niet in het belang van het onderzoek acht om op de vragen van mr. Jansberg in te gaan. Daarbij heeft de onderzoeker geschreven:
“Het lijk mij in het belang van het onderzoek dat als dhr. [A] aan mijn onafhankelijkheid twijfelt, hij dit op de kortst mogelijke termijn aan de Ondernemingskamer voorlegt.”
2.14
Op 14 oktober 2021 heeft de onderzoeker [A] aanvullend geïnterviewd.
2.15
Bij e-mail van 25 november 2021 heeft de onderzoeker aan mr. Jansberg bericht:
“In uw e-mail van 8 september schrijft u: “De vraag kan overigens worden gesteld of u in de (onafhankelijke positie) bent om het onderzoek over die (laatste) periode zelf uit te voeren.” Tijdens het gesprek op uw kantoor op 14 oktober heeft de heer [A] gezegd geen twijfel aan mijn onafhankelijkheid te hebben geuit. Kunt u mij laten weten wat het standpunt van uw cliënt in dezen is?”
2.16
Op 29 november 2021 heeft mr. Jansberg namens [A] aan de onderzoeker bericht dat [A] op dat moment niet twijfelt aan de onafhankelijkheid van de onderzoeker. Daarbij heeft mr. Jansberg bericht:
“Dit doet natuurlijk niets af aan het feit dat cliënt, als nader toegelicht, grote moeite heeft met de gang van zaken rondom zijn ontslag. U berichtte in uw mail van 9 september jl. (…) desgevraagd dat het onderzoek ook aandacht zal besteden aan het vertrek van cliënt en de rol die de OK-bestuurder, de OK-commissaris en uw persoon daarbij hebben gehad. Cliënt wacht de concept rapportage met belangstelling af. Deze zal cliënt vanzelfsprekend onverminderd kritisch (mogen) beoordelen, ook waar deze ziet op uw (eventuele) rol bij het vertrek van cliënt.”
2.17
Op 6 december 2021 heeft de onderzoeker het conceptverslag aan partijen en de OK-functionarissen toegestuurd. De onderzoeker heeft partijen en de OK-functionarissen in de gelegenheid gesteld op het concept te reageren en hen bericht dat hij op één aspect, het journalistiek handelen, nog zal terugkomen.
2.18
Op 16 december 2021 heeft de onderzoeker aan partijen en de OK-functionarissen bericht:
“Ik had me voorgenomen vóór het einde van het jaar het gedeelte over journalistiek handelen te sturen (…), maar ik vrees dat ik het niet ga halen. (…)
Ik verwacht niet dat dat stuk een wezenlijke invloed zal hebben op het concept. Anders zou ik het concept niet hebben verzonden. U hoeft uw commentaar op het concept niet te laten ophouden door dat stuk. In ieder geval zal er gelegenheid zijn om ook op dat gedeelte te reageren.”
2.19
Op 26 januari 2022 heeft de onderzoeker het gedeelte van het onderzoek over journalistiek handelen aan partijen en de OK-functionarissen toegestuurd en hen in de gelegenheid gesteld uiterlijk 10 februari 2022 op het conceptverslag te reageren.
2.20
Op 7 maart 2022 heeft de onderzoeker aan partijen en de OK-functionarissen bericht dat hij verwachtte het verslag op 10 maart 2022 aan de griffie van de Ondernemingskamer te zullen sturen.
2.21
Eveneens op 7 maart 2022 heeft de onderzoeker aan mr. Jansberg bericht dat hij het (concept)verslag, anders dan door mr. Jansberg verzocht, niet nogmaals aan partijen zal voorleggen.
2.22
Gelet op de beschikking van de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van 9 maart 2022 (zie 1.8) heeft de onderzoeker het definitieve verslag niet aan de Ondernemingskamer toegezonden.
3. De gronden van de beslissing
3.1
[A] heeft aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd.
a. De onderzoeker heeft onvoldoende afstand gehouden van het geschil.
De onderzoeker heeft ook de gang van zaken met betrekking tot het ontslag van [A] tot onderwerp van het onderzoek gerekend. De onderzoeker heeft aan de OK-functionarissen bij wijze van ‘voorlopige bevinding’ bericht dat [A] binnen de organisatie nauwelijks draagvlak had, waarna de raad van commissarissen het ontslag van [A] heeft aangekondigd. De betrokkenheid van de onderzoeker bij die gang van zaken beïnvloedt de wijze waarop de onderzoeker tegen de feiten en omstandigheden in de onderzoeksperiode aankijkt (hindsight bias) en geeft de onderzoeker een motief om de feiten en omstandigheden zo te presenteren dat zijn eigen handelen goedgepraat wordt. De onderzoeker verliest daardoor zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
Pas na kennisneming van het conceptverslag heeft [A] het inzicht verkregen dat de door de onderzoeker aan hem gedane mededeling over het contact met de OK -commissaris zodanig selectief is voor wat betreft de aard, inhoud en het verloop van die contacten, dat deze ronduit misleidend is. De gang van zaken is funest geweest voor [A] .
De onderzoeker heeft zijn geheimhoudingsplicht geschonden.
Door zijn bevindingen te delen met de OK-functionarissen heeft de onderzoeker gehandeld in strijd met artikel 2:351 lid 3 BW. Dit maakt de positie van de onderzoeker onhoudbaar.
De onderzoeker is niet onpartijdig.
De onderzoeker heeft bij het aanbieden van het eerste deel van zijn conceptverslag bericht dat hij op één aspect, namelijk het journalistiek handelen, nog zou terugkomen. Door dit belangrijke onderwerp eerst weg te laten, geeft de onderzoeker openlijk blijk van vooringenomenheid, aangezien dit onderwerp kennelijk bij voorbaat en ten onrechte door hem niet van belang is geacht voor de rest van het conceptverslag. Dit klemt temeer nu de onderzoeker op voorhand heeft aangegeven dat hij niet verwacht dat het ontbrekende stuk van wezenlijke invloed zou zijn op het conceptverslag.
3.2
De onderzoeker heeft onder meer het volgende naar voren gebracht.
- a.
[A] was er sinds 29 juni 2021 mee bekend dat de onderzoeker de mededeling over het draagvlak van [A] binnen de organisatie aan de OK-functionarissen had gedaan (zie 2. 7). Op 1 juli 2021 ontving hij de bevestiging hiervan op schrift (zie 2.8). De onderzoeker heeft [A] gevraagd of [A] aan zijn onafhankelijkheid twijfelde (zie 2.15). Op 29 november 2021 heeft [A] bevestigd dat dit niet het geval is (zie 2.16). Pas nadat [A] had kennisgenomen van het conceptverslag heeft hij de onafhankelijkheid van de onderzoeker in twijfel getrokken. Dat is te laat. [A] is daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
- b.
De geheimhoudingsplicht van de onderzoeker is niet absoluut. Indien een onderzoeker weet van een voorgenomen beslissing van OK-functionarissen en hij stuit op informatie die voor het nemen van die beslissing relevant is, dan kan een behoorlijke vervulling van zijn opdracht meebrengen dat hij die informatie deelt. Dat ligt in het verlengde van zijn opdracht en artikel 2:351 BW staat dat toe. De onderzoeker heeft een zorgvuldige afweging gemaakt en gemeend dat het delen van de informatie met de OK-functionarissen binnen zijn opdracht viel, mede gelet op wat de Ondernemingskamer in haar beschikking van 26 april 2021 in r.o. 3.39 heeft overwogen. De beslissing om de informatie te delen werd ingegeven door de wens om [A] een eerlijke kans te geven. De ‘lijmpoging’ waartoe de OK-functionarissen zich wilden inspannen liep namelijk het gevaar te mislukken als daarin slechts [A] en [B] zouden worden betrokken. De onderzoeker heeft aan [A] bevestigd dat hij met de OK-commissaris had gesproken en dat hij had gezegd dat hij in de organisatie nauwelijks draagvlak voor [A] als bestuurder had gevonden. Van misleiding is geen sprake.
- c.
Het staat de onderzoeker vrij om het onderzoek naar eigen inzicht in te richten. Gelet op de wens van partijen heeft de onderzoeker de keuze gemaakt het eerste deel van het conceptverslag alvast voor wederhoor voor te leggen. Partijen hebben gelegenheid gehad om ook op het tweede deel te reageren. Van vooringenomenheid of partijdigheid is geen sprake.
- d.
Het belang van L1 vergt dat het onderzoek zo snel mogelijk wordt afgerond. Ontheffing van de onderzoeker leidt tot een onaanvaardbare vertraging.
3.3
De OK-functionarissen en de ondernemingsraad hebben eveneens gemotiveerd verweer gevoerd. Zij hebben daarbij benadrukt dat L1 naar de toekomst wil kijken en daarom behoefte heeft aan afronding van het onderzoek. Ontheffing van de onderzoeker zou tot een ernstige vertraging in het onderzoek leiden en aanzienlijke extra kosten. Dat is niet in het belang van L1.
3.4
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt.
3.5
In verband met het bezwaar onder 3.1.a dient de Ondernemingskamer de vraag te beantwoorden of [A] voldoende omstandigheden heeft gesteld die, objectief beschouwd, twijfel kunnen rechtvaardigen aan de onpartijdigheid of de onafhankelijkheid van de onderzoeker.
3.6
Vaststaat dat [A] in ieder geval op 1 juli 2021 ermee bekend is geraakt dat de onderzoeker aan de OK-commissaris heeft medegedeeld dat [A] weinig draagvlak binnen L1 had. Eveneens staat vast dat het feit dat binnen L1 voor [A] weinig draagvlak bestond, zoals ook de raadsman van [A] aan de onderzoeker schrijft (zie 2.12), van meet af aan bekend was. Uit de beschikking van 26 april 2021 volgt immers al dat [A] weinig draagvlak binnen de onderneming had (zie r.o. 3.16 e.v. van die beschikking), en dit was ook bij [A] zelf bekend. De OK-functionarissen hebben gesteld dat zij met dat feit al bekend waren voordat de onderzoeker die mededeling heeft gedaan. In de brief van 1 juli 2021 wordt dat ook al met zoveel woorden aan [A] gemeld (zie 2.8). Uit de e-mailwisseling tussen de onderzoeker en mr. Jansberg, blijkt dat [A] op 8 september 2021 naar aanleiding van diens mededeling aan de OK-commissaris de onafhankelijkheid van de onderzoeker ter discussie heeft gesteld (zie 2.10-2.13). Daarnaar gevraagd door de onderzoeker heeft mr. Jansberg op 29 november 2021 uitdrukkelijk bericht dat [A] op dat moment niet twijfelde aan de onafhankelijkheid van de onderzoeker (zie 2.16).
3.7
[A] heeft gesteld dat hij pas na kennisneming van het conceptverslag heeft geconcludeerd dat de door de onderzoeker aan hem gedane mededeling (zie 2.11) zodanig selectief is voor wat betreft de aard, inhoud en het verloop van zijn contacten met de OK-commissaris dat deze misleidend is geweest. Ter zitting heeft [A] desgevraagd bevestigd dat de informatie die door de onderzoeker in het kader van deze procedure is verstrekt, maakt dat een verzoek om te citeren uit conceptverslag op dit punt overbodig is geworden. [A] heeft ter toelichting op zijn stelling ter zitting nader aangevoerd dat de onderzoeker onvoldoende transparantie heeft betracht, omdat anders dan deze deed voorkomen is gebleken dat het contact verder strekte dan de inhoud van een enkele mededeling dat er geen draagvlak voor hem was. Er bleken meerdere contacten te zijn geweest (ook met de OK-bestuurder), waarbij de onderzoeker ook in twijfel trok of de breuk nog te herstellen was. Van dat laatste gaat een bepaalde sturing uit en enkele dagen later werd inderdaad het ontslag van [A] aangezegd, aldus [A] . Dit tezamen genomen maakt dat [A] na kennisneming van het conceptverslag van onderzoeker, geen vertrouwen meer heeft in de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de onderzoeker.
3.8
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de nieuw gebleken informatie geen relevant verschil maakt voor de beoordeling van de positie van de onderzoeker. Het gaat om contacten tussen de onderzoeker en de OK-functionarissen waarin zakelijke mededelingen zijn gedaan over een aantal voor de taakuitoefening van de OK-functionarissen relevante onderzoeksbevindingen en waarin een daaraan gekoppelde observatie is gedeeld (de twijfel aan de herstelmogelijkheid van de breuk). Deze gang van zaken maakt de onderzoeker niet partijdig; de onderzoeksbevindingen betreffen op zichzelf feitelijke en algemeen binnen de organisatie bekende informatie zonder nieuwswaarde en het duiden van die informatie past binnen de onderzoeksopdracht. Gesteld noch gebleken is dat de onderzoeker met zijn mededelingen daarover aan de OK-functionarissen iets anders op het oog had of moet hebben gehad dan het belang van de onderneming. Dat de mededelingen vervolgens mogelijk een rol hebben gespeeld bij de ontslagaanzegging aan [A] maakt dat op zichzelf niet anders. Dat deze doorslaggevende betekenis hebben gehad, wordt gemotiveerd betwist door de OK-functionarissen en dat dit niet zo was volgt ook uit de inhoud van de brief van 1 juli 2021. Het gevaar van hindsight bias ligt steeds op de loer wanneer onderzoek wordt gedaan naar ontwikkelingen in het verleden. Het is aan de onderzoeker daarop bedacht te zijn; of en in hoeverre hij daarin is geslaagd, kan aan de hand van het definitieve verslag worden bediscussieerd. Met partijdigheid heeft dit echter niet van doen. Dat de onderzoeker aan de OK-commissaris heeft gezegd dat hij in de organisatie van L1 nauwelijks draagvlak voor [A] als bestuurder had gevonden, levert naar objectieve maatstaven geen grond op voor twijfel aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de onderzoeker. Ook naar de mening van [A] was van dit laatste geen sprake. De nadien aan [A] uit het conceptverslag gebleken nadere gegevens over de context waarin en omstandigheden waaronder die mededeling is gedaan maken dat niet anders. Het door [A] onder 3.1.a betoogde leidt daarom niet tot toewijzing van het verzoek tot ontheffing van de onderzoeker uit zijn functie.
3.9
Hetzelfde geldt voor het onder 3.1.b aangevoerde. Artikel 2:351 lid 3 BW bepaalt dat het de onderzoeker verboden is hetgeen hem bij zijn onderzoek blijkt verder bekend te maken dan zijn opdracht met zich brengt. In het midden kan blijven of de opdracht bekendmaking van de eerdergenoemde informatie toeliet, dan wel of de omstandigheden die de onderzoeker heeft aangevoerd in dit geval een afwijking rechtvaardigen. Ook als dit een en ander niet het geval is, maakt dat op zichzelf namelijk nog niet dat naar objectieve maatstaven voldoende gronden bestaan voor twijfel aan de onpartijdigheid van de onderzoeker. Daarvan is slechts sprake als de motivering van de beslissing om de informatie met de OK-functionarissen te delen in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de onderzoeker. De door de onderzoeker gegeven motivering, namelijk dat hij handelde in het belang van de onderneming van L1 omdat een eventuele lijmpoging vermoedelijk zou mislukken als deze tot [A] en [B] beperkt zou blijven, geeft, naar die maatstaven beschouwd, van vooringenomenheid of partijdigheid jegens [A] geen blijk. Dat de onderzoeker de OK-functionarissen later heeft bericht dat nader onderzoek wees op een diep geworteld gebrek aan draagvlak voor [A] en het de vraag was of de breuk nog te herstellen was, ligt in het verlengde van zijn eerdere mededeling.
3.10
Met betrekking tot het onder 3.1.c aangevoerde geldt dat een onderzoeker een grote mate van vrijheid heeft het onderzoek naar eigen inzicht in te richten en uit te voeren. Steeds is bepalend hetgeen in de gegeven omstandigheden van een bekwaam en redelijk handelend onderzoeker mag worden verwacht. Het stond de onderzoeker vrij om vanwege procesmatige overwegingen het conceptverslag in delen aan partijen toe te sturen. Dit maakt niet dat hij naar objectieve maatstaven de schijn van partijdigheid heeft gewekt. De mededeling van de onderzoeker dat hij niet verwachtte dat het ontbrekende stuk van wezenlijke invloed zou zijn op zijn verslag maakt dit niet anders. De onderzoeker had op dat moment nog alle vrijheid om zijn conceptverslag te wijzigen, indien eigen nader onderzoek of opmerkingen van partijen daartoe aanleiding zouden geven.
3,.11 De slotsom is dat het verzoek van [A] tot ontheffing van de onderzoeker uit zijn functie en tot aanwijzing van een nieuwe onderzoeker zal worden afgewezen.
3.12
De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
wijst het verzoek van [A] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. C.C. Meijer, raadsheren, en drs. V.G. Moolenaar en prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2022.
Uitspraak 09‑03‑2022
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; raadsheer-commissaris geeft aanwijzing aan onderzoeker
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.291.171/01 OK
beschikking van raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van 9 maart 2022
inzake
de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
gevestigd te Maastricht,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. R.A.J.C. Huijs en mr. M.J. Huisman, beiden kantoorhoudende te Eindhoven,
t e g e n
1. de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TELEVISIEBEDRIJF LIMBURG B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OMROEPBEDRIJF LIMBURG B.V.,
4. de vennootschap onder firma
RECLAMEMAATSCHAPPIJ L1 V.O.F.,
alle gevestigd te Maastricht,
VERWEERSTERS,
advocaat: voorheen mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven, thans zonder advocaat,
e n t e g e n
1. deONDERNEMINGSRAAD L1,
gevestigd te Maastricht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,
2. [A] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
3. [B] ,
BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
- -
Stichting Omroep Limburg als SOL;
- -
Televisiebedrijf Limburg B.V. als Televisiebedrijf;
- -
Omroepbedrijf Limburg B.V. als Omroepbedrijf;
- -
Reclamemaatschappij L1 v.o.f. als Reclamemaatschappij;
- -
SOL, Televisiebedrijf, Omroepbedrijf en
Reclamemaatschappij samen als L1;
- -
Ondernemingsraad L1 als ondernemingsraad;
- -
[A] als [A] .
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de raadsheer-commissaris naar de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 26 en 28 april 2021, 28 mei 2021 en 8 maart 2022, haar beschikkingen van 15 november 2021 en 11 januari 2022 en de beschikking van 11 januari 2022 van de voorzitter van de Ondernemingskamer in deze zaak.
1.2
Bij de beschikkingen van 26 en 28 april 2021 en 28 mei 2021 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van SOL, Televisiebedrijf en Omroepbedrijf over de periode vanaf 1 juli 2019 en mr. J.M. Blanco Fernández (hierna: de onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 70.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. Voorts heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding, voor zover nodig in afwijking van de statuten van SOL, mr. J.A. van der Have benoemd tot bestuurder (hierna: de OK-bestuurder) en mr. B.M.A. van Hussen tot commissaris (hierna: de OK-commissaris) van SOL.
1.3
Bij de beschikking van 15 november 2021 heeft de raadsheer-commissaris de onderzoeker op zijn verzoek een aanwijzing gegeven met betrekking tot het inzien van de e-mailboxen van drie medewerkers van L1.
1.4
Bij de beschikking van 11 januari 2022 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer het verzoek van [A] hem te machtigen tot het doen van mededelingen uit het conceptverslag afgewezen en heeft de raadsheer-commissaris het verzoek van [A] tot het geven van een aanwijzing aan de onderzoeker om het onderzoek op te schorten en/of de gestelde reactietermijn op het conceptverslag uit te stellen afgewezen.
1.5
Bij de beschikking van 8 maart 2022 heeft de Ondernemingskamer de beloning van de OK-functionarissen ten laste van SOL vastgesteld op € 275 per uur exclusief btw. Bij diezelfde beschikking heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het bevolen onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 115.606 exclusief btw.
1.6
Bij brief van 8 maart 2022 heeft mr. Jansberg namens [A] de raadsheer-commissaris wederom verzocht op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW aan de onderzoeker een aanwijzing te geven. Ditmaal strekt het verzoek tot het geven van een aanwijzing aan de onderzoeker om inzending van het definitieve verslag achterwege te laten totdat de behandeling van het eveneens op 8 maart 2022 namens [A] ingediende verzoek aan de Ondernemingskamer tot ontheffing van de onderzoeker uit zijn functie en benoeming van een andere onderzoeker zal zijn afgerond.
2. De gronden van de beslissing
2.1
De overige partijen in deze procedure zullen in de gelegenheid worden gesteld te reageren op het verzoek van heden aan de raadsheer-commissaris.
2.2
Mr. Jansberg vermeldt in zijn brief dat de onderzoeker heeft aangekondigd op 10 maart 2022 tot deponering van het eindverslag te willen overgaan. De raadsheer-commissaris acht niet wenselijk dat de onderzoeker het eindverslag aan de Ondernemingskamer zal doen toekomen voordat de overige partijen op het namens [A] gedane verzoek aan de raadsheer-commissaris hebben gereageerd en de raadsheer-commissaris vervolgens op dit verzoek heeft beslist. De raadsheer-commissaris zal de onderzoeker derhalve de aanwijzing geven inzending van het eindverslag voorlopig op te schorten, in afwachting van de (definitieve) beslissing op het onderhavige verzoek ex artikel 2:350 lid 4 BW.
3. De beslissing
De raadsheer-commissaris:
geeft de onderzoeker de aanwijzing niet tot toezending van het eindverslag aan de Ondernemingskamer over te gaan totdat de raadsheer-commissaris (definitief) op het namens [A] gedane verzoek ex artikel 2:350 lid 4 BW zal hebben beslist.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.M. Tillema, raadsheer-commissaris, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, op 9 maart 2022.
Uitspraak 08‑03‑2022
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; vaststelling beloning functionarissen en verhoging onderzoeksbudget
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.291.171/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 8 maart 2022
inzake
de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
gevestigd te Maastricht,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. R.A.J.C. Huijs en mr. M.J. Huisman, beiden kantoorhoudende te Eindhoven,
t e g e n
1. de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TELEVISIEBEDRIJF LIMBURG B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OMROEPBEDRIJF LIMBURG B.V.,
4. de vennootschap onder firma
RECLAMEMAATSCHAPPIJ L1 V.O.F.,
alle gevestigd te Maastricht,
VERWEERSTERS,
advocaat: thans zonder advocaat, voorheen mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
e n t e g e n
1. deONDERNEMINGSRAAD L1,
gevestigd te Maastricht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,
2. [A] ,
wonende te [.....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
3. [B] ,
BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
- -
Stichting Omroep Limburg als SOL;
- -
Televisiebedrijf Limburg B.V. als Televisiebedrijf;
- -
Omroepbedrijf Limburg B.V. als Omroepbedrijf;
- -
Reclamemaatschappij L1 v.o.f. als Reclamemaatschappij;
- -
SOL, Televisiebedrijf, Omroepbedrijf en
Reclamemaatschappij samen als L1;
- -
Ondernemingsraad L1 als ondernemingsraad;
- -
[A] als [A] ;
- -
[B] als [B] .
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 26 en 28 april 2021 en 28 mei 2021, de beschikkingen van de raadsheer-commissaris in deze zaak van 15 november 2021 en 11 januari 2022 en de beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer in deze zaak van 11 januari 2022.
1.2
Bij de beschikkingen van 26 en 28 april 2021 en 28 mei 2021 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van SOL, Televisiebedrijf en Omroepbedrijf over de periode vanaf 1 juli 2019 en mr. J.M. Blanco Fernández (hierna: de onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 70.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. Voorts heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding, voor zover nodig in afwijking van de statuten van SOL, mr. J.A. van der Have benoemd tot bestuurder (hierna: de OK-bestuurder) en mr. B.M.A. van Hussen tot commissaris (hierna: de OK-commissaris) van SOL. De OK-bestuurder en de OK-commissaris worden hierna gezamenlijk ook aangeduid als de OK-functionarissen.
1.3
Bij de beschikking van 15 november 2021 heeft de raadsheer-commissaris de onderzoeker op diens verzoek een aanwijzing gegeven met betrekking tot het inzien van de e-mailboxen van drie medewerkers van L1.
1.4
Bij de beschikking van 11 januari 2022 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer het verzoek van mr. Jansberg namens [A] om hem machtiging te verlenen mededelingen te mogen doen uit de inhoud van het conceptverslag van het onderzoek afgewezen.
1.5
Bij de beschikking van eveneens 11 januari 2022 heeft de raadsheer-commissaris het verzoek van mr. Jansberg namens [A] om aan de onderzoeker een aanwijzing te geven het onderzoek op te schorten afgewezen.
1.6
Op 31 januari 2022 heeft mr. D.J. Rutgers (hierna: mr. Rutgers) namens de OK-functionarissen de Ondernemingskamer verzocht op de voet van artikel 2:357 lid 2 en/of lid 4 BW een beloning vast te stellen voor de OK-functionarissen van € 275 per uur exclusief btw, vanaf de datum van hun aanstelling, dan wel een door de Ondernemingskamer te bepalen beloning per uur vast te stellen.
1.7
De secretaris van de Ondernemingskamer heeft partijen bij e-mail van eveneens 31 januari 2022 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over voormeld verzoek.
1.8
Bij e-mail van 11 februari 2022 heeft mr. Sprengers namens de ondernemingsraad de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van mr. Rutgers af te wijzen voor zover dat de kaders van de Wet normering topinkomens (hierna: WNT) te boven gaat.
1.9
Bij e-mail van 12 februari 2022 heeft mr. Huijs zich namens de inmiddels teruggetreden commissarissen van L1 gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
1.10
Bij e-mail van 14 februari 2022 heeft ook mr. Jansberg namens [A] de Ondernemingskamer bericht zich te refereren aan het oordeel van de Ondernemingskamer op dit punt.
1.11
Bij e-mail van 14 februari 2022 heeft [B] de Ondernemingskamer bericht geen standpunt met betrekking tot het in 1.6 genoemde verzoek in te nemen.
1.12
Bij e-mail van 17 februari 2022 heeft de onderzoeker de Ondernemingskamer verzocht op de voet van artikel 2:350 lid 3 BW het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten te verhogen tot € 115.606 exclusief btw.
1.13
De secretaris van de Ondernemingskamer heeft de advocaten van partijen bij e-mail van 18 februari 2022 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het in 1.12 genoemde verzoek van de onderzoeker.
1.14
Bij e-mails van 18 februari 2022 hebben de OK-functionarissen de Ondernemingskamer bericht geen bezwaar te hebben tegen het verzoek van de onderzoeker.
1.15
Bij e-mail van 21 februari 2022 heeft mr. Jansberg zich namens [A] gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer op dit punt.
1.16
Bij e-mail van 21 februari 2022 heeft mr. Huijs zich namens de inmiddels teruggetreden commissarissen van L1 gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
1.17
Bij e-mail van 21 februari 2022 heeft [B] de Ondernemingskamer bericht geen standpunt met betrekking tot het in 1.12 genoemde verzoek in te nemen.
1.18
Bij e-mail van 24 februari 2022 heeft mr. Sprengers de Ondernemingskamer namens de ondernemingsraad bericht dat de kosten van het onderzoek in de pas zouden moeten lopen met het publieke karakter van de organisatie en de financiële positie van L1.
2. De gronden van de beslissing
Het verzoek van de OK-functionarissen tot vaststelling van hun beloning
2.1
De OK-functionarissen hebben aan hun verzoek het volgende ten grondslag gelegd. Bij gebreke van een wettelijke bezoldiging of richtlijn vanuit de rechterlijke macht stellen door de Ondernemingskamer benoemde functionarissen hun beloning vast op basis van een best practice richtlijn van stichting Rimari, een stichting opgericht om door de Ondernemingskamer benoemde functionarissen bij te staan en te ondersteunen. De relevante bepaling van deze richtlijn luidt:
“Maak na benoeming, eventueel na afstemming met een andere benoemde functionaris of een ervaren OK-bestuurder, afspraken over een redelijk tarief (dit kan een uur-, dag (deel), week- of maandtarief zijn) en stel dit tarief vast c.q. laat dit tarief vaststellen. Overweeg daarbij de omvang van de onderneming, de complexiteit van de zaak, de benodigde deskundigheid of andere factoren, waaronder eventuele internationale aspecten en spoedeisendheid. Bij twijfel kan contact gezocht worden met een van de secretarissen van de OK die informatie kunnen geven over de in de praktijk door OK functionarissen gehanteerde tarieven."
Op basis van deze richtlijn hebben de OK-functionarissen een beloning van € 275 per uur exclusief btw passend geacht.
2.2
De OK-functionarissen zijn voorts ingegaan op de betekenis van de WNT voor hun verzoek. Op SOL is de WNT van toepassing. In de WNT zijn bezoldigingsmaxima opgenomen voor topfunctionarissen zonder dienstverband. Er bestaat spanning tussen enerzijds de aanwijzing door de Ondernemingskamer van functionarissen en hetgeen in dat kader van hen verwacht wordt en anderzijds de toepasselijkheid van de WNT. De OK-functionarissen wijzen erop dat zij zich doorgaans direct beschikbaar moeten maken om te functioneren in een omgeving met zeer tegengestelde en aanzienlijke (governance)belangen, zowel op financieel als op persoonlijk vlak, en dat van hen wordt verwacht om op korte termijn tot normalisering en verbetering hiervan te komen. Niet zelden leidt dit tot aansprakelijkstellingen.
De accountant van SOL heeft de genoemde spanning tussen de toepassing van de WNTen de beloning van OK-functionarissen op een online forum voorgelegd aanhet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (https://forum.topinkomens.nl/discussion/576/te-hoge-bezoldiging/pl?new=l). Op 30 november 2021 heeft het Ministerie op dat forum geantwoord:
“De [OK-functionarissen] kwalificeren als topfunctionarissen van de betreffende WNT-instelling. Dat zij door de Ondernemingskamer zijn benoemd en niet door een bevoegd orgaan van de rechtspersoon doet daaraan niet af.
De Ondernemingskamer is een bijzondere kamer van het gerechtshof Amsterdam (zie artikel 66, eerste en tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie). De uitspraken van de Ondernemingskamer zijn rechterlijke uitspraken. Dit is relevant omdat de WNT een (extra) betekenis toekent aan rechterlijke uitspraken die tot een uitzondering kunnen leiden, zie bijvoorbeeld art. 1.6, tweede lid WNT.
Artikel 357, vierde lid, van Boek 2 van het BW bepaalt dat de Ondernemingskamer aan degenen die zij tijdelijk aanstelt tot bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen, een beloning ten laste van de rechtspersoon kan toekennen. Dit betreft een bevoegdheid van de Ondernemingskamer.
De (maximale) hoogte van door de Ondernemingskamer toegekende beloning is niet nader
bepaald in het BW. Het is aan de Ondernemingskamer overgelaten om de hoogte van de beloning te bepalen. Voor zover de Ondernemingskamer een beloning toekent, is zij daarbij
niet gebonden aan de WNT. Het bezoldigingsmaximum van de WNT is in deze bijzondere situatie niet van toepassing, omdat het niet gaat om een tussen partijen overeengekomen,
maar om een door de Ondernemingskamer toegekende beloning. Voor zover de door de Ondernemingskamer toegekende beloning hoger is dan het voor de WNT-instelling geldende bezoldigingsmaximum, is deze beloning annex bezoldiging toegestaan omdat deze uit een op de genoemde bepaling van het BW gebaseerde rechterlijke uitspraak voortvloeit. Dit is echter alleen het geval voor zover er ook daadwerkelijk sprake is van een door de Ondernemingskamer toegekende beloning.
De gegevens van de topfunctionarissen dienen nog steeds te worden openbaargemaakt op
grond van artikel 4.1 WNT. In de WNT-verantwoording van de instelling dienen in voorkomend geval zowel de overschrijding van het voor de instelling geldende bezoldigingsmaximum alsook de in bovengenoemde toekenning door de Ondernemingskamer besloten liggende rechtvaardiging voor de overschrijding te worden opgenomen. Zie artikel 5, zesde lid, sub c, van de Uitvoeringsregeling WNT."
2.3
De OK-functionarissen menen dat het aan de Ondernemingskamer is om hun beloning vast te stellen en dat een beloning van € 275 per uur exclusief btw, gelet op alle omstandigheden van het geval, passend is. Zij verzoeken de Ondernemingskamer de beloning aldus vast te stellen. De OK-bestuurder doet dit verzoek ten principale. Hij zal zijn beloning ongeacht de beslissing van de Ondernemingskamer op dit punt matigen zodat het valt binnen de voor (interim)bestuurders geldende maxima op grond van de WNT.
2.4
De ondernemingsraad heeft daartegenover gesteld dat L1 een regionale publieke omroep is die voor het grootste deel met publiek geld wordt gefinancierd. De wetgever heeft via de WNT een stelsel ontwikkeld voor aanvaardbare beloningen in de publieke sector. Er is geen reden om van dit stelsel af te wijken. In het geval de Ondernemingskamer van de WNT zou afwijken dan zou het middel van de enquête te kostbaar kunnen worden voor publieke instellingen. De ondernemingsraad gaat ervan uit dat er voldoende kandidaten zijn die de werkzaamheden willen verrichten, ook indien daar een lagere beloning tegenover staat. De beslissing van de raad van commissarissen om deze procedure te starten heeft de onderneming bovenmatig en op onverantwoorde financiële wijze belast. De ondernemingsraad verzoekt de Ondernemingskamer daarom het verzoek van de OK-functionarissen af te wijzen voor zover dat de kaders van de WNT te boven gaat.
2.5
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. Vaststaat dat de OK-functionarissen als topfunctionarissen in de zin van de WNT moeten worden aangemerkt. In 2021 is de beloning van een dergelijke bestuurder die zijn functie vervult anders dan op grond van een dienstbetrekking, gesteld op ten hoogste € 199 per uur met een maximum van € 27.700 per kalendermaand voor de eerste zes maanden van de functievervulling en € 21.000 voor de zevende tot en met de twaalfde kalendermaand (artikel 2.1 lid 4 WNT en artikel 4 lid 1 en 2 van het Uitvoeringsbesluit WNT). Voor 2022 geldt een beloning van ten hoogste € 206 per uur met een maximum van € 28.600 per kalendermaand voor de eerste zes maanden van de functievervulling en € 21.700 voor de zevende tot en met de twaalfde kalendermaand. Na de twaalfde maand geldt thans een maximale bezoldiging die gelijk is aan de bezoldiging voor een bestuurder met een dienstverband, in dit geval € 153.000 per kalenderjaar (artikel 5e, aanhef en onder a, Regeling normering topinkomens OCW-sectoren). Voor een commissaris geldt een bezoldigingsmaximum van 10% van het maximum voor een bestuurder met dienstverband (artikel 2.2 WNT).
2.6
De Ondernemingskamer kan op de voet van artikel 2:357 lid 4 BW – welk artikellid zich leent voor overeenkomstige toepassing voor op grond van artikel 2:349a lid 2 BW aangestelde functionarissen – aan degenen die zij tijdelijk als functionaris aanstelt een beloning ten laste van de rechtspersoon toekennen. Zoals ook het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als zijn visie heeft gegeven (zie 2.2) is de Ondernemingskamer bij de vaststelling van die beloning niet gebonden aan de WNT. De Ondernemingskamer is geen partij in de zin van die wet (artikel 1.1. sub c WNT). De OK-functionarissen hebben de Ondernemingskamer verzocht hun beloning vast te stellen op € 275 per uur exclusief btw.
2.7
De Ondernemingskamer stelt voorop dat het gelet op het bijzondere karakter van de functie van door de Ondernemingskamer in het kader van een enquêteprocedure benoemde bestuurder of commissaris, gerechtvaardigd kan zijn om af te wijken van de normen die zijn opgenomen in de WNT. De beantwoording van de vraag wat een redelijke beloning is, hangt af van de omstandigheden van het geval. De Ondernemingskamer neemt bij de vaststelling van de beloning van de OK-functionarissen in aanmerking dat L1 een regionale publieke omroep is die voor het grootste deel met publiek geld wordt gefinancierd. De financiële middelen van L1 dienen zorgvuldig aangewend te worden. Voorts van belang zijn in dit geval de complexiteit van de zaak en de omgeving waarin de OK-functionarissen hun taken moeten vervullen, de veelheid aan betrokken partijen en tegengestelde belangen, de mate waarin de verhoudingen waren verstoord en de noodzaak om op zeer korte termijn tot een oplossing te komen. Dit alles stelt hoge eisen aan het functioneren van de OK-functionarissen en de van hen in dat kader verlangde kennis en vaardigheden. In deze zaak is daarnaast specifiek nog van belang dat de OK-functionarissen hun taken dienden te verrichten in een journalistieke omgeving, waarvan op voorhand verwacht kon worden dat het handelen van de OK-functionarissen nauwlettend gevolgd en uitgelicht zou worden, met een bijbehorend relatief hoog afbreukrisico. Met betrekking tot de OK-commissaris geldt nog dat haar taak mede door het terugtreden van de overige commissarissen aanzienlijk intensiever en veeleisender is dan in het algemeen van een commissaris kan worden verwacht. Daarbij moet worden bedacht dat het enquêteverzoek oorspronkelijk door de raad van commissarissen was geïnitieerd.
2.8
Alle voorgaande factoren in ogenschouw nemend acht de Ondernemingskamer de verzochte beloning van € 275 per uur exclusief btw (zonder beloningsmaxima per kalenderjaar) in dit geval redelijk. De Ondernemingskamer zal de beloning aldus vaststellen met ingang van 28 april 2021 tot het moment waarop de OK-bestuurder respectievelijk de OK-commissaris uit zijn/haar functie wordt ontheven of de onmiddellijke voorziening waarbij hij/zij is benoemd tot een einde komt.
Het verzoek van de onderzoeker tot verhoging van het onderzoeksbudget
2.9
De onderzoeker heeft in zijn brief een beschrijving gegeven van de tot op heden verrichte werkzaamheden en van de nog te verrichten werkzaamheden. Volgens de door de onderzoeker overgelegde urenspecificatie is het initiële onderzoeksbudget niet toereikend om het onderzoek af te ronden, ondanks door hem getroffen maatregelen om de kosten te beperken. De onderzoeker heeft in dat verband toegelicht dat hij zijn uurtarief met 10% heeft verlaagd en niet alle werkzaamheden heeft gedeclareerd. In het plan van aanpak is uitgegaan van 20 gesprekken. In totaal zijn 47 gesprekken gevoerd. De verzameling en verwerking van informatie heeft meer tijd gekost dan voorzien. Tot slot is sprake geweest van onvoorziene werkzaamheden, waaronder indiening van het verzoek aan de raadsheer-commissaris tot het verstrekken van een aanwijzing (zie ECLI:NL:GHAMS:2021:3789). De onderzoeker heeft gemotiveerd toegelicht voor welke verrichte en nog te verrichten werkzaamheden de verhoging van het onderzoeksbudget noodzakelijk is.
2.10
De ondernemingsraad heeft gesteld dat ook het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget illustreert dat deze procedure zwaar op de financiële positie van L1 drukt. Het middel van enquête is door de toenmalige raad van commissarissen te lichtvaardig ingezet. De kosten van het onderzoek moeten in de pas lopen met het publieke karakter van de organisatie en zijn financiële positie, zoals ook de WNT normen stelt aan beloningen binnen de organisatie gezien het publieke karakter daarvan. De ondernemingsraad benadrukt daarbij dat dit een principieel punt is dat niet wordt ingegeven door de wijze waarop de onderzoeker uitvoering geeft aan het onderzoek.
2.11
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. De door de onderzoeker opgegeven werkzaamheden zijn op zichzelf niet betwist. Bij de vraag of de kosten van het onderzoek redelijk zijn, dienen de aard en omvang van het onderzoek en de daarmee gemoeide (publieke) belangen in aanmerking genomen te worden. De Ondernemingskamer memoreert dat de publiek gefinancierde middelen van L1 zorgvuldig aangewend moeten worden. Tegelijkertijd brengt het publieke karakter van L1 met zich dat met de uitkomst van het onderzoek publieke belangen gemoeid zijn. De onderzoeker moet in staat zijn het onderzoek zorgvuldig en volledig uit te voeren. In het bezwaar van de ondernemingsraad dat de onderzoekskosten zwaar drukken op de financiële situatie van L1 ziet de Ondernemingskamer per saldo onvoldoende grond het verzoek van de onderzoeker af te wijzen. Nu tegen het verzoek voor het overige geen bezwaren zijn aangevoerd en het verzoek van de onderzoeker de Ondernemingskamer ook overigens niet onredelijk voorkomt, zal zij het onderzoeksbudget verhogen tot het door de onderzoeker verzochte bedrag.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
stelt de beloning van mr. J.A. van der Have over de periode vanaf 28 april 2021 tot het moment dat hij door de Ondernemingskamer uit zijn functie wordt ontheven of de onmiddellijke voorziening waarbij hij is benoemd tot bestuurder tot een einde komt ten laste van Stichting Omroep Limburg vast op € 275 per uur, exclusief btw;
stelt de beloning van mr. B.M.A. van Hussen over de periode vanaf 28 april 2021 tot het moment dat zij door de Ondernemingskamer uit haar functie wordt ontheven of de onmiddellijke voorziening waarbij zij is benoemd tot commissaris tot een einde komt ten laste van Stichting Omroep Limburg vast op € 275 per uur, exclusief btw;
verhoogt het bedrag dat het bij beschikking van 26 april 2021 bevolen onderzoek ten hoogste mag kosten tot € 115.606, exclusief btw;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en prof. drs. E. Eeftink RA en dr. M.J.R. Broekema, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2022.
Uitspraak 11‑01‑2022
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; Raadsheer-commissaris wijst verzoek tot geven aanwijzing af
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.291.171/01 OK
beschikking van raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van 11 januari 2022
inzake
de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
gevestigd te Maastricht,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. R.A.J.C. Huijs en mr. M.J. Huisman, beiden kantoorhoudende te Eindhoven,
t e g e n
1. de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TELEVISIEBEDRIJF LIMBURG B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OMROEPBEDRIJF LIMBURG B.V.,
4. de vennootschap onder firma
RECLAMEMAATSCHAPPIJ L1 V.O.F.,
alle gevestigd te Maastricht,
VERWEERSTERS,
advocaat: voorheen mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven, thans zonder advocaat,
e n t e g e n
1. deONDERNEMINGSRAAD L1,
gevestigd te Maastricht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,
2. [A] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
3. [B] ,
BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
- -
Stichting Omroep Limburg als SOL;
- -
Televisiebedrijf Limburg B.V. als Televisiebedrijf;
- -
Omroepbedrijf Limburg B.V. als Omroepbedrijf;
- -
Reclamemaatschappij L1 v.o.f. als Reclamemaatschappij;
- -
SOL, Televisiebedrijf, Omroepbedrijf en
Reclamemaatschappij samen als L1;
- -
Ondernemingsraad L1 als ondernemingsraad;
- -
[A] als [A] ;
- -
[B] als [B] .
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de raadsheer-commissaris naar de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 26 en 28 april 2021 en 28 mei 2021, haar beschikking van 15 november 2022 en de beschikking van heden van de voorzitter van de Ondernemingskamer in deze zaak.
1.2
Bij die beschikkingen van 26 en 28 april 2021 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van SOL, Televisiebedrijf en Omroepbedrijf over de periode vanaf 1 juli 2019 en mr. J.M. Blanco Fernández (hierna: de onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 70.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. Voorts heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding, voor zover nodig in afwijking van de statuten van SOL, mr. J.A. van der Have benoemd tot bestuurder (hierna: de OK-bestuurder) en mr. B.M.A. van Hussen tot commissaris (hierna: de OK-commissaris) van SOL.
1.3
Bij de beschikking van 15 november 2021 heeft de raadsheer-commissaris de onderzoeker op zijn verzoek een aanwijzing gegeven met betrekking tot het inzien van de e-mailboxen van drie medewerkers van L1.
1.4
Bij brief van 6 januari 2022 heeft mr. Jansberg de raadsheer-commissaris namens [A] verzocht op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW aan de onderzoeker een aanwijzing te geven om zijn onderzoek op te schorten en/of de gestelde reactietermijn op het conceptverslag uit te stellen totdat de voorzitter van de Ondernemingskamer heeft beslist op een op 31 december 2021 door [A] ingediend verzoek tot machtiging tot het doen van mededelingen uit het conceptverslag heeft alsmede, indien dat verzoek zou worden gehonoreerd, totdat de Ondernemingskamer heeft beslist op het (alsdan onvoorwaardelijk) verzoek tot ontheffing van de onderzoeker uit zijn functie.
1.5
Bij op 7, 8 dan wel 9 januari 2022 per e-mail verzonden berichten hebben de onderzoeker, de OK-bestuurder, de OK-beheerder, de hoofdredacteur [B] , de advocaat van de voormalige leden van de RvC en de advocaat van de OR op het verzoek gereageerd. Hun reacties hebben de strekking dat het verzoek dient te worden afgewezen.
1.6
Bij beschikking van heden heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer het verzoek van mr. Jansberg namens [A] om hem machtiging te verlenen mededelingen te mogen doen uit de inhoud van het conceptverslag van het onderzoek afgewezen.
2. De gronden van de beslissing
2.1
Bij brief van 31 december 2021 heeft mr. Jansberg namens [A] de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht hem op de voet van artikel 2:353 lid 3 jo. 2:351 lid 4 BW te machtigen mededelingen te doen uit het op 6 december 2021 door de onderzoeker opgeleverde concept-onderzoeksverslag. Op diezelfde datum heeft mr. Jansberg namens [A] een voorwaardelijk verzoek tot ontheffing van de onderzoeker uit zijn functie bij de Ondernemingskamer ingediend, met dien verstande dat dit verzoek afhankelijk is van het al dan niet verlenen van de verzochte machtiging door de voorzitter. Het voorwaardelijk verzoek is gegrond op de stelling dat de onderzoeker niet (meer) onafhankelijk is en dat sprake is van (schijn van) partijdigheid.
2.2
De onderzoeker heeft partijen aanvankelijk in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 15 januari 2022 te reageren op het conceptverslag. Nadat mr. Jansberg had laten weten dat [A] ervan uitging dat hangende het verzoek tot machtiging en de eventueel daaropvolgende behandeling van het verzoek tot ontheffing het onderzoek wordt opgeschort en de reactietermijn wordt uitgesteld, heeft de onderzoeker, na raadpleging van de overige partijen, laten weten dat het onderzoek niet wordt opgeschort en dat de bezwaren van [A] kunnen worden onderzocht zonder dat het onderzoek wordt opgehouden. De onderzoeker heeft laten weten de reactietermijn te verschuiven tot een datum die naar verwachting slechts enkele dagen na 14 januari 2022 zal liggen.
2.3
Aan het onderhavige verzoek om een aanwijzing heeft [A] , kort gezegd, ten grondslag gelegd dat onbegrijpelijk en onjuist is dat de onderzoeker in het licht van de onder 1 vermelde verzoeken aan de voorzitter en de Ondernemingskamer het onderzoek gewoon voortzet. De onderzoeker en de onder 1.6 genoemde partijen hebben daartegen aangevoerd dat er geen grond is voor opschorting van het onderzoek en dat verdere vertraging niet in het belang is van de onderneming.
2.4
Bij beschikking van heden is door de voorzitter van de Ondernemingskamer beslist dat het verzoek tot machtiging wordt afgewezen.
2.5
Dit brengt mee dat, gelet op het voorwaardelijk karakter van het bij de Ondernemingskamer ingediende verzoek, vooralsnog geen verzoek aanhangig is tot ontheffing van de onderzoeker uit zijn functie. Voor de voortgang van het onderzoek betekent dit dat er reeds daarom geen reden is het onderzoek op te schorten. De onderzoeker kan derhalve partijen vragen hun opmerkingen op het conceptverslag aan hem kenbaar te maken en het verslag finaliseren.
3. De beslissing
De raadsheer-commissaris:
wijst het verzoek tot het geven van een aanwijzing aan de onderzoeker af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.M. Tillema, raadsheer-commissaris, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, op 11 januari 2022.
Uitspraak 15‑11‑2021
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; aanwijzing raadsheer-commissaris
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.291.171/01 OK
beschikking van raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van 15 november 2021
inzake
de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
gevestigd te Maastricht,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. R.A.J.C. Huijs en mr. M.J. Huisman, beiden kantoorhoudende te Eindhoven,
t e g e n
1. de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TELEVISIEBEDRIJF LIMBURG B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OMROEPBEDRIJF LIMBURG B.V.,
4. de vennootschap onder firma
RECLAMEMAATSCHAPPIJ L1 V.O.F.,
alle gevestigd te Maastricht,
VERWEERSTERS,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
e n t e g e n
1. deONDERNEMINGSRAAD L1,
gevestigd te Maastricht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,
2. [A] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
3. [B] ,
BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen.
Partijen worden in deze beschikking ook als volgt aangeduid:
- -
Stichting Omroep Limburg als SOL;
- -
SOL, Televisiebedrijf, Omroepbedrijf en
Reclamemaatschappij tezamen als L1;
- Ondernemingsraad L1 als ondernemingsraad.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de raadsheer-commissaris naar de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 26 en 28 april 2021 en 28 mei 2021 in deze zaak.
1.2
Bij die beschikkingen heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Stichting Omroep Limburg, Televisiebedrijf Limburg B.V. en Omroepbedrijf Limburg B.V. over de periode vanaf 1 juli 2019 en mr. J.M. Blanco Fernández (hierna: de onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 70.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen. Voorts heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding, voor zover nodig in afwijking van de statuten van Stichting Omroep Limburg, mr. J.A. van der Have benoemd tot bestuurder (hierna: de OK-bestuurder) en mr. B.M.A. van Hussen tot commissaris (hierna: de OK-commissaris) van Stichting Omroep Limburg.
1.3
Op 21 oktober 2021 heeft de onderzoeker de raadsheer-commissaris verzocht hem op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW een aanwijzing te geven tot het inzien van de e-mailboxen van drie medewerkers van L1 onder de in het verzoek geschetste voorwaarden, een en ander zonder medeweten van deze medewerkers.
1.4
De OK-bestuurder en de OK-commissaris hebben de secretaris van de Ondernemingskamer bericht het verzoek van de onderzoeker te ondersteunen.
2. De gronden van de beslissing
2.1
In rechtsoverweging 3.34 van haar beschikking van 26 april 2021 heeft de Ondernemingskamer onder meer overwogen:
“(…) Het valt op dat in het conflict met [A] door de ondernemingsraad en/of de hoofdredactie van L1 steeds publiciteit wordt gezocht en dat de berichtgeving steeds sterk gekleurd en op onderdelen feitelijk onjuist is. De Ondernemingskamer verwijst in het bijzonder naar:
- -
de publiciteit over het advies van de ondernemingsraad over de benoeming van [A] tot bestuurder (zie 2.17);
- -
de publiciteit naar aanleiding van het incident op 24/25 oktober 2020 (zie 2.18);
- -
de publiciteit over de brief van 23 januari 2021 (zie 2.25);
- -
de publiciteit over het concept-privacyreglement (zie 2.30);
- -
de publiciteit over het overleg tussen de raad van commissarissen en de ondernemingsraad op 3 februari 2021 (zie 2.30).”
In rechtsoverweging 3.39 van haar beschikking van 26 april 2021 heeft de Ondernemingskamer onder meer overwogen:
“De problemen hebben, naar het zich laat aanzien, een (…) dieperliggende oorzaak, die mede verband houdt met het functioneren van de ondernemingsraad, de hoofdredactie en in het bijzonder de hoofdredacteur en de interne cultuur van en de informele machtsverhoudingen binnen L1. Een onderzoek naar die dieperliggende oorzaak is noodzakelijk om de geledingen van L1, met behulp van de bevindingen van het onderzoek, in staat te stellen zelf orde op zaken te stellen en/of de Ondernemingskamer te verzoeken nadere voorzieningen te treffen.”
2.2
Het onderzoek is gelast bij een mediaorganisatie. De onderzoeker meent dat de bijzondere status van journalisten rechtvaardigt dat hij terughoudend omgaat met de bevoegdheid tot raadpleging van gegevens op de voet van artikel 2:351 lid 1 BW. Naar de mening van de onderzoeker rechtvaardigt het onderzoeksbelang echter nader onderzoek naar het lekken van bedrijfsgegevens. In zijn verzoek heeft hij het onderzoeksbelang verder toegelicht. De door de onderzoeker beoogde inzage is beperkt tot de e-mailboxen van drie personen, waarvan er één als journalist werkzaam is. De andere twee personen werken in een ondersteunende functie [....] . De beoogde inzage is voorts beperkt tot e-mails in de periode van telkens één week voor tot twee weken na de peildata rondom de lek-voorvallen genoemd in 3.34 van de beschikking van de Ondernemingskamer van 26 april 2021, waarbij de onderzoeker als concrete periodes noemt: (i) 7 tot en met 28 oktober 2020, (ii) 16 november tot en met 7 december 2020, (iii) 18 januari tot en met 8 februari 2021 en (iv) 28 januari tot en met 17 februari 2021. De materie leent zich in de visie van de onderzoeker naar zijn aard niet voor een verzoek op vrijwillige basis, reden waarom hij het onderhavige verzoek om een aanwijzing doet.
2.3
De OK-bestuurder en de OK-functionaris hebben het verzoek van de onderzoeker onderschreven. De onderzoeker heeft de raadsheer-commissaris verzocht in het belang van het onderzoek op zijn verzoek te beslissen zonder andere betrokkenen voorafgaand daaraan te horen. Als de e-mailboxen belastend materiaal bevatten, is het niet uit te sluiten dat het materiaal vernietigd wordt indien de betrokkenen op voorhand worden gehoord. Ook dient er rekening mee gehouden te worden dat het verzoek bij de pers terechtkomt en dat het verzoek onderwerp van het publiek debat wordt, hetgeen het onderzoek zou kunnen belemmeren.
2.4
Tot slot meent de onderzoeker dat een eventuele aanwijzing van de raadsheer-commissaris in het onderzoeksbelang voorlopig niet openbaar gemaakt dient te worden, ook niet nadat inzage in de e-mailboxen is verkregen. Na inzage kan blijken dat een nieuwe, vertrouwelijke aanwijzing wenselijk is. De onderzoeker wil eerst in het (concept)verslag verantwoording afleggen over dit verzoek.
2.5
De raadsheer-commissaris overweegt als volgt.
2.6
Als uitgangspunt geldt dat de onderzoeker op de voet van artikel 2:351 lid 1 BW gerechtigd is tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon waar het onderzoek is gelast indien de onderzoeker de kennisneming daarvan voor een juiste vervulling van zijn taak nodig acht. Met de onderzoeker is de raadsheer-commissaris van oordeel dat gelet op de status van L1 als mediaonderneming het onderzoek met extra waarborgen omkleed dient te zijn waar het gaat om het zonder medeweten van de direct betrokkenen raadplegen van gegevensdragers als zakelijke e-mailboxen. Daarbij kan mogelijk journalistieke bronbescherming in het geding komen, ook al is het onderzoek op zichzelf niet gericht op het achterhalen van journalistieke bronnen. Het recht op bronbescherming is een door artikel 10 EVRM beschermd grondrecht.
2.7
De status van L1 als mediaonderneming maakt niet dat in dit geval het uitgangspunt zoals vermeld in artikel 2:351 lid 1 BW losgelaten dient te worden. De onderzoeker heeft voldoende zwaarwegende argumenten aangevoerd om inzage te rechtvaardigen. Die argumenten houden verband met het ook in de beschikking van de Ondernemingskamer van 26 april 2021 aangeroerde onderwerp van het lekken van bedrijfsgegevens. De raadsheer-commissaris zal aan de onderzoeker de volgende aanwijzing geven over de wijze waarop het onderzoek dient te worden uitgevoerd, met welke aanwijzing recht wordt gedaan aan het recht op bronbescherming van journalisten en de rol van de journalistiek in een democratische rechtsstaat.
2.8
Indien de onderzoeker in het belang van het onderzoek inzage wenst te verkrijgen in de zakelijke e-mailboxen van de door hem genoemde werknemers van L1 zonder medeweten van die werknemers, dan dient hij aan een medewerker van de ICT-afdeling van L1 opdracht te geven een digitale kopie te maken en te bewaren van de volledige e-mailboxen, zonder dat de onderzoeker inzage krijgt in die e-mailboxen. De onderzoeker kan vervolgens, gelimiteerd tot de door hem vermelde periodes (zie 2.2), in die digitale kopie door de ICT medewerker een zoekopdracht laten uitvoeren.
2.9
Het resultaat van die zoekopdracht dient te worden voorgelegd aan de betrokkenen, dat wil zeggen aan degenen op wier naam de e-mailboxen staan. Indien zij bezwaar hebben tegen verstrekking van de desbetreffende e-mails en/of bijlagen aan de onderzoeker, dienen zij dat bezwaar aan de onderzoeker toe te lichten door kenbaar te maken – zonder dat zij de inhoud van de desbetreffende e-mails en/of bijlagen prijs hoeven te geven – op grond waarvan de desbetreffende informatie onder de reikwijdte van een hen toekomend recht op bronbescherming valt. Indien daarover een geschil ontstaat kan de onderzoeker dit voorleggen aan de raadsheer-commissaris door deze te verzoeken betrokkene een bevel te geven om de desbetreffende informatie alsnog aan de onderzoeker te verstrekken. In dat geval zal de raadsheer-commissaris daarover beslissen, zo nodig na kennisneming van de desbetreffende informatie en nadat de betrokken persoon zelf in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten en zonder dat de onderzoeker inzage heeft gehad in die e-mails en/of bijlagen. Betrokkenen worden derhalve in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken alvorens de onderzoeker inhoudelijk kennis zal kunnen nemen van de informatie.
2.10
De raadsheer-commissaris verzoekt de onderzoeker de Ondernemingskamer te berichten zodra een digitale kopie van de e-mailboxen is gemaakt en de zoekopdracht is uitgevoerd, waarna de raadsheer-commissaris deze beschikking aan partijen en de betrokkenen zal doen toekomen. Anders dan de onderzoeker verzoekt, ziet de raadsheer-commissaris geen aanleiding openbaarmaking van deze beschikking aan te houden tot het moment dat het (concept)verslag gereed is. Immers, indien een digitale kopie van de e-mailboxen is veiliggesteld, kan als het belang van het onderzoek dat vergt op een later moment nogmaals een zoekopdracht daarin worden uitgevoerd. Dat dit verzoek mogelijk onderwerp wordt van een publiek debat maakt het voorgaande niet anders.
3. De beslissing
De raadsheer-commissaris:
geeft op de voet van artikel 2:350 lid 4 BW een aanwijzing aan de onderzoeker over de wijze van doorzoeking van de e-mailboxen [C] , [D] en [E] , een en ander zoals weergegeven in 2.8 en 2.9 van deze beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.M. Tillema, raadsheer-commissaris, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, op 15 november 2021.
Uitspraak 28‑05‑2021
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; vaststelling bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.291.171/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 28 mei 2021
inzake
de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
gevestigd te Maastricht,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. R.A.J.C. Huijs en mr. M.J. Huisman, beiden kantoorhoudende te Eindhoven,
t e g e n
1. de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TELEVISIEBEDRIJF LIMBURG B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OMROEPBEDRIJF LIMBURG B.V.,
4. de vennootschap onder firma
RECLAMEMAATSCHAPPIJ L1 V.O.F.,
alle gevestigd te Maastricht,
VERWEERSTERS,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
e n t e g e n
1. deONDERNEMINGSRAAD L1,
gevestigd te Maastricht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,
2. [A] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
3. [B] ,
BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 26 en 28 april 2021 in deze zaak.
1.2
Bij die beschikkingen heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Stichting Omroep Limburg, Televisiebedrijf Limburg B.V. en Omroepbedrijf Limburg B.V. over de periode vanaf 1 juli 2019 en mr. J.M. Blanco Fernández (hierna: de onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten en de vaststelling van het bedrag dat het onderzoek mag kosten aangehouden. Voorts heeft de Ondernemingskamer bij die beschikkingen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding, voor zover nodig in afwijking van de statuten van Stichting Omroep Limburg, mr. J.A. van der Have benoemd tot bestuurder en mr. B.M.A. van Hussen tot commissaris van Stichting Omroep Limburg.
1.3
In de beschikking van 26 april 2021 heeft de Ondernemingskamer de onderzoeker verzocht om een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en toe te zenden (r.o. 3.41 van die beschikking).
1.4
De onderzoeker heeft bij e-mail van 24 mei 2021 een plan van aanpak met een begroting van de onderzoekskosten aan de Ondernemingskamer toegezonden.
1.5
De secretaris van de Ondernemingskamer heeft de advocaten van partijen bij e-mail van 25 mei 2021 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de begroting van de kosten.
1.6
Bij e-mail van 26 mei 2021 heeft mr. Huijs namens Stichting Omroep Limburg vertegenwoordigd door de raad van commissarissen de Ondernemingskamer bericht in te stemmen met de begroting van de kosten door de onderzoeker.
1.7
Bij e-mail van 27 mei 2021 heeft mr. Sprengers namens de ondernemingsraad de Ondernemingskamer bericht geen opmerkingen te hebben naar aanleiding van de begroting van de kosten door de onderzoeker.
1.8
Bij e-mails van 28 mei 2021 hebben [B] en mr. Jansberg namens verweersters en [A] de Ondernemingskamer bericht geen opmerkingen te hebben naar aanleiding van de begroting van de kosten door de onderzoeker.
2. De gronden van de beslissing
2.1
De onderzoeker heeft het aantal uren dat het onderzoek in beslag zal nemen begroot op 240 en opgave gedaan van zijn uurtarief (€ 275) en andere verwachte kosten. De onderzoeker heeft de totale kosten van het onderzoek begroot op € 70.000 exclusief btw.
2.2
Er zijn geen bezwaren aangevoerd tegen de begroting van de onderzoeker. De begroting van de te besteden tijd en de daaraan verbonden kosten komt de Ondernemingskamer niet onredelijk voor. De Ondernemingskamer zal derhalve het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vaststellen op € 70.000 exclusief btw.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 70.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en prof. drs. E. Eeftink RA en dr. M.J.R. Broekema, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2021.
Uitspraak 28‑04‑2021
Dit document is (nog) niet beschikbaar gesteld door de rechtsprekende instantie.
Uitspraak 26‑04‑2021
Inhoudsindicatie
OK; Enquête; Toewijzing verzoek, benoeming bestuurder en commissaris
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.291.171/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 26 april 2021
inzake
de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
gevestigd te Maastricht,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. R.A.J.C. Huijs en mr. M.J. Huisman, beiden kantoorhoudende te Eindhoven,
t e g e n
1. de stichting
STICHTING OMROEP LIMBURG,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TELEVISIEBEDRIJF LIMBURG B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OMROEPBEDRIJF LIMBURG B.V.,
4. de vennootschap onder firma
RECLAMEMAATSCHAPPIJ L1 V.O.F.,
alle gevestigd te Maastricht,
VERWEERSTERS,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
e n t e g e n
1. deONDERNEMINGSRAAD L1,
gevestigd te Maastricht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,
2. [A] ,
wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,
3. [B] ,
BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen.
1. Het verloop van het geding
1.1
Partijen worden in deze beschikking als volgt aangeduid:
- -
Stichting Omroep Limburg als SOL;
- -
Televisiebedrijf Limburg B.V. als Televisiebedrijf;
- -
Omroepbedrijf Limburg B.V. als Omroepbedrijf;
- -
Reclamemaatschappij L1 v.o.f. als Reclamemaatschappij;
- -
SOL, Televisiebedrijf, Omroepbedrijf en
Reclamemaatschappij tezamen als L1;
- -
Ondernemingsraad L1 als ondernemingsraad;
- -
[A] als [A] ;
- -
[B] als [B] .
1.2
SOL, vertegenwoordigd door haar raad van commissarissen, heeft bij verzoekschrift van 9 maart 2021 de Ondernemingskamer – zakelijk weergegeven – verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van L1 en voorts bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure:
- a.
een tijdelijk bestuurder van SOL te benoemen, naast [A] ;
- b.
een verbod op te leggen vertrouwelijke, geheime en/of onjuiste informatie te verspreiden;
- c.
althans zodanige voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer nodig acht,
kosten rechtens.
1.3
L1 heeft bij verweerschrift van 25 maart 2021 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van SOL toe te wijzen en hetzelfde verzocht bij wijze van zelfstandig verzoek. L1 heeft voorts verzocht om de leden van de ondernemingsraad te veroordelen om de verplichting tot geheimhouding op de voet van artikel 20 lid 1 WOR na te komen op straffe van een dwangsom en de proceskosten te compenseren.
1.4
De ondernemingsraad heeft bij verweerschrift van 24 maart 2021 de Ondernemingskamer zakelijk weergegeven verzocht:
- 1.
de beslissing op het verzoek tot het gelasten van een onderzoek, althans de bepaling van de reikwijdte van het onderzoek en de aanwijzing van de onderzoeker(s) aan te houden voor de duur van drie maanden;
- 2.
het in 1.2 sub b genoemde verzoek van SOL af te wijzen;
- 3.
bij wijze van onmiddellijke voorzieningen:
a. een tijdelijk bestuurder van SOL te benoemen;
b. [A] te schorsen als bestuurder van SOL, vooralsnog voor de duur van drie maanden, althans [A] de bevoegdheid te ontnemen besluiten te nemen als bestuurder van SOL;
c. een commissaris van SOL te benoemen die als enige stemrecht heeft binnen de raad van commissarissen.
1.5
De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 8 april 2021. De advocaten hebben toen de standpunten van de partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities en tevoren toegezonden nadere producties overgelegd. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. SOL heeft ter zitting haar verzoek aangevuld aldus dat zij tevens verzoekt dat de Ondernemingskamer een onmiddellijke voorziening treft met het oog op de vertrouwelijkheid van het onderzoek. L1 heeft haar verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen aangevuld aldus dat zij tevens verzoekt een onafhankelijke voorzitter van de ondernemingsraad te benoemen en de huidige voorzitter van de ondernemingsraad als voorzitter – niet als lid – te schorsen.
2. Inleiding en feiten
Inleiding
2.1
L1 is de regionale omroep van Limburg en is actief op radio, televisie en internet. Er doet zich binnen L1 een crisis voor, die zich uit in verstoorde verhoudingen, in het bijzonder tussen de raad van commissarissen en de bestuurder enerzijds en de ondernemingsraad en de hoofdredactie anderzijds.
2.2
De Ondernemingskamer deelt de opvatting van partijen dat zonder extern ingrijpen de problemen van L1 niet opgelost kunnen worden. Deze beschikking bevat een beschrijving van de gebeurtenissen en de overwegingen op grond waarvan de Ondernemingskamer een onderzoek zal gelasten en bepaalde tijdelijke maatregelen zal treffen.
De structuur en governance van L1
2.3
SOL is voor de provincie Limburg aangewezen als regionale publieke media-instelling in de zin van de Mediawet. Bij L1 werken circa 235 mensen waarvan ongeveer de helft als freelancer. In 2019 had L1 € 14,5 miljoen aan inkomsten, waarvan 80% bestond uit een bijdrage van het ministerie van OCW.
2.4
[A] is sinds september 2020 enig bestuurder van SOL. De raad van commissarissen van SOL bestaat uit [C] (voorzitter), [D] en [E] (hierna: [C] , [D] respectievelijk [E] ). SOL is enig bestuurder van Televisiebedrijf en Omroepbedrijf en houdt alle certificaten van aandelen in Televisiebedrijf en alle aandelen in Omroepbedrijf. De activiteiten van L1 op het gebied van televisie en internet (waaronder sociale media) worden verzorgd door Televisiebedrijf en de radioactiviteiten worden verzorgd door Omroepbedrijf. Televisiebedrijf en Omroepbedrijf zijn de vennoten van Reclamemaatschappij. Reclamemaatschappij zorgt voor advertentie-inkomsten.
2.5
[B] is hoofdredacteur van L1.
2.6
De ondernemingsraad van L1 heeft zeven leden. [F] (hierna: [F] ) is de voorzitter en [G] (hierna: [G] ) is de vicevoorzitter.
2.7
De statuten van SOL houden onder meer het volgende in:
- -
de raad van commissarissen benoemt, schorst en ontslaat het bestuur (artikel 6);
- -
de leden van de raad van commissarissen worden door de raad van commissarissen benoemd, geschorst en ontslagen (artikel 11);
- -
de mediaraad is onder meer bevoegd tot het vaststellen van het media-aanbodbeleid en het vaststellen en evalueren van het media-aanbod; de mediaraad (thans bestaande uit 16 leden) is zodanig samengesteld dat hij representatief is voor de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen in Limburg (artikel 17 en 18);
- -
de hoofdredacteur van L1 is verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van het media-aanbod overeenkomstig het beleid dat vastgesteld wordt door de mediaraad; de raad van commissarissen is bevoegd tot benoeming en ontslag van de hoofdredacteur; alvorens de raad van commissarissen besluit tot ontslag van de hoofdredacteur stelt hij de mediaraad en de redactieraad in de gelegenheid advies uit te brengen over het voorgenomen ontslag en de mediaraad kan het ontslag van de hoofdredacteur om zwaarwegende redenen afwijzen (artikel 22).
2.8
L1 heeft een redactiestatuut in de zin van artikel 2.88 Mediawet ter waarborging van de journalistieke rechten en plichten van de werknemers van L1. Daarin staat onder meer het volgende:
- -
de directie vrijwaart de (hoofd)redactie van commerciële en politieke invloeden op de uitvoering van de redactionele taken (artikel 3.1.1);
- -
de directie en de hoofdredacteur overleggen tenminste één keer per 14 dagen over de onderlinge afstemming van hun taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden (3.1.2);
- -
besluiten van de directie over benoeming, schorsing en ontslag van medewerkers van de redactionele afdelingen worden in onderlinge afstemming met de hoofdredacteur genomen (artikel 3.1.5);
- -
L1 kent een redactieraad van vier tot zes gekozen leden; de voorzitter van de redactieraad fungeert als aanspreekpunt voor hoofdredactie en redactieleden van L1.
Relevante gebeurtenissen in chronologische volgorde
2.9
In 2017 en 2018 heeft overleg plaatsgevonden over een (bestuurlijke) fusie tussen L1 en Omroep Brabant. Nadat die fusie in maart 2018 afketste en de toenmalige bestuurders en commissarissen van Televisiebedrijf en Omroepbedrijf waren afgetreden, heeft de waarnemend bestuurder op 16 april 2018 aan de ondernemingsraad advies gevraagd over het voorstel om twee leden van het managementteam te benoemen als bestuurder. Na advisering door de ondernemingsraad zijn dienovereenkomstig [H] en [I] (hierna: [H] respectievelijk [I] ), die deel uitmaakten van het managementteam van L1, per 15 augustus 2018 benoemd als bestuurders van Televisiebedrijf en Omroepbedrijf.
2.10
Het Commissariaat voor de Media heeft op 16 november 2018 aan L1 laten weten dat zij haar bestuurlijke organisatie in overeenstemming moet brengen met de Beleidsregels governance en interne beheersing van het Commissariaat. Naar aanleiding daarvan is tussen de besturen van SOL, Televisiebedrijf en Omroepbedrijf per 1 juli 2019 een personele unie tot stand gebracht door [H] en [I] tevens te benoemen tot bestuurders van SOL. [H] en [I] waren tijdelijk benoemd, hangende een evaluatie van de topstructuur van L1, die zou moeten uitmonden in een nieuw bestuursmodel uiterlijk per 1 juli 2020. De overeenkomsten die met Lemmers en [I] waren gesloten liepen op die datum af. Per 1 juli 2019 zijn voorts de statuten van SOL gewijzigd en zijn [C] , [D] en [E] benoemd als commissarissen van SOL. Voordien waren zij vanaf 1 januari 2019 commissarissen van Televisiebedrijf en Omroepbedrijf.
2.11
De raad van commissarissen had aanvankelijk een voorkeur voor een éénhoofdig bestuur van SOL, maar is tegemoet gekomen aan de wens van de ondernemingsraad voor een tweehoofdig bestuursmodel. Op 23 december 2019 is aan de ondernemingsraad advies gevraagd over een voorgenomen besluit van de raad van commissarissen over de invulling van de topstructuur van L1 door een tweehoofdig collegiaal bestuur voor een periode van vier jaar. In aanvulling op deze adviesaanvraag heeft de raad van commissarissen op 15 januari 2020 aan de ondernemingsraad laten weten dat, gelet op de beleidsregels van het Commissariaat voor de Media, het voorgenomen besluit tevens inhoudt dat de bestuurders openbaar zullen worden geworven. Bij brief van 19 februari 2020 heeft de ondernemingsraad aangedrongen op (her)benoeming van [H] en [I] als bestuurders en op 31 maart 2021 heeft de ondernemingsraad laten weten dat hij het openbaar werven van twee bestuurders zeer onwenselijk vindt en dat het zijn doel is [H] en [I] te behouden. Na verdere discussie over het bestuursmodel heeft de raad van commissarissen op 17 april 2020 aan de ondernemingsraad laten weten dat een aanvang zal worden gemaakt met het openbaar werven van twee bestuurders en dat de ondernemingsraad te zijner tijd op de voet van artikel 30 WOR advies zal worden gevraagd over een voorgenomen benoemingsbesluit.
2.12
Het wervings- en selectieproces, waaraan [H] en [I] naast externe kandidaten hebben deelgenomen, heeft geresulteerd in een voornemen van de raad van commissarissen tot benoeming van [A] (die voorheen niet bij L1 betrokken was) en [H] als bestuurders. Medio juni 2020 heeft [H] laten weten dat hij de functie van bestuurder wilde uitoefenen op basis van een managementovereenkomst, terwijl de raad van commissarissen zich op het standpunt stelde dat een benoeming slechts zou kunnen plaatsvinden op basis van een arbeidsovereenkomst.
2.13
De raad van commissarissen heeft vervolgens op 29 juni 2020 op het intranet van L1 bekendgemaakt dat over de benoeming van een bestuurder met het profiel ‘strategisch commercieel’ binnenkort een voorgenomen benoemingsbesluit op de voet van artikel 30 WOR zal worden voorgelegd aan de OR (zoals hij ook heeft gedaan op 30 juni 2020) en dat voor de functie van bestuurder met het profiel ‘strategisch operationeel’ geen geschikte kandidaat is gevonden en dat de managementovereenkomst met [H] per 1 juli 2020 afloopt. Diezelfde dag heeft de ondernemingsraad op het intranet van L1 laten weten “met groot ongenoegen en verbijstering” kennis te hebben genomen van het bericht van de raad van commissarissen. Op 30 juni 2020 heeft een personeelsbijeenkomst plaatsgevonden. Diezelfde dag heeft de ondernemingsraad in een open brief (ook verzonden aan het Commissariaat voor de Media) aan de raad van commissarissen onder meer geschreven:
“De OR is verbijsterd over de ontstane situatie en vraagt zich af hoe de RvC het zover heeft kunnen laten komen. (…) Ook het personeel is verbijsterd en (…) nagenoeg het voltallige personeel [heeft] geen enkel vertrouwen meer (…) in de Raad van Commissarissen. Het handelen van de Raad brengt de continuïteit van L1 in gevaar. (…)
Het personeel van L1 [heeft] veel vertrouwen in [ [H] en [I] ] en [vindt] het schadelijk voor de continuïteit van het bedrijf dat beide directieleden moeten vertrekken.”
De redactieraad heeft diezelfde dag op intranet steun betuigd aan de open brief van de Ondernemingsraad.
Op 1 juli 2020 heeft de raad van commissarissen op intranet geschreven dat de berichten van de ondernemingsraad feitelijk onjuist, onvolledig en eenzijdig zijn en dat de privacy van de kandidaten meebrengt dat de raad van commissarissen niet alle informatie kan delen. De raad van commissarissen schrijft onaangenaam te zijn verrast door wendingen in het benoemingsproces die tot gevolg hebben gehad dat een oorspronkelijk beoogde benoeming niet door kon gaan en dat inmiddels aan de ondernemingsraad advies is gevraagd over de benoeming van één bestuurder.
2.14
Op 4 juli 2020 heeft overleg plaatsgevonden tussen de raad van commissarissen en de ondernemingsraad waarbij is afgesproken dat met behulp van een bemiddelaar binnen twee weken zal worden bezien of tussen de raad van commissarissen en [H] alsnog overeenstemming kan worden bereikt over benoeming van [H] als bestuurder, dat [J] , die eerder betrokken was bij L1 als (interim) bestuurder van SOL, als interim bestuurder wordt aangesteld en dat de adviesaanvraag op de voet van artikel 30 WOR over de benoeming van [A] zal worden opgeschort in afwachting van de bemiddeling tussen de raad van commissarissen en [H] . De raad van commissarissen en de ondernemingsraad hebben de afspraken in een gezamenlijk bericht op intranet bekend gemaakt en de intentie uitgesproken hun samenwerking te verbeteren.
2.15
De bemiddeling tussen de raad van commissarissen en [H] , waarbij de voorzitter van de ondernemingsraad als toehoorder aanwezig was, is niet binnen de beoogde twee weken voltooid. De raad van commissarissen heeft vervolgens aangedrongen op advisering door de ondernemingsraad over de voorgenomen benoeming van [A] . Op 3 september 2020 heeft de ondernemingsraad herhaald niet te zullen adviseren voordat de bemiddeling is afgerond.
2.16
De raad van commissarissen heeft [A] op 4 september 2020, met ingang van 7 september 2020 benoemd als bestuurder van SOL. Op 7 september 2020 heeft de ondernemingsraad de raad van commissarissen tevergeefs gesommeerd tot intrekking van het benoemingsbesluit. In reactie op een uitnodiging van [A] voor een informele kennismaking, heeft de ondernemingsraad op 8 september 2020 aan [A] geschreven dat zijn benoeming volgens de ondernemingsraad in strijd met de wet is en dat de ondernemingsraad dan ook niet kan ingaan op de uitnodiging.
2.17
De ondernemingsraad heeft in een kort geding tegen de raad van commissarissen de schorsing gevorderd van het besluit van 4 september tot benoeming van [A] . Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 9 oktober 2020 is die vordering afgewezen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de ondernemingsraad ten onrechte heeft volhard in zijn standpunt dat hij op grond van de afspraken van 4 juli 2020 nog niet hoefde te adviseren en dat de ondernemingsraad inmiddels voldoende tijd heeft gehad om te adviseren. Op 14 oktober 2020 heeft de ondernemingsraad alsnog geadviseerd over de benoeming van [A] . Het advies (door de ondernemingsraad zelf betiteld als ‘aanbevelingen’) vermeldt onder meer dat de ondernemingsraad het vonnis van 9 oktober 2020 zal respecteren, dat [A] niet gaat over redactionele zaken, dat [A] moet gaan werken aan het actualiseren van zijn kennis van het medialandschap, dat de ondernemingsraad aandringt op succesvolle afronding van het bemiddelingstraject met [H] en dat [A] nog niet heeft laten zien dat hij beschikt over verbindende kwaliteiten en “gewenst gedrag” nog niet heeft laten zien. Op 16 oktober 2020 heeft De Limburger over het advies van de ondernemingsraad gepubliceerd onder de kop “L1-directeur mag zich niet bemoeien met redactie”.
2.18
In het weekend van 24/25 oktober 2020 hebben één of meer medewerkers van L1 een zwart kruis geplakt op het raam naast de deur van de werkkamer van [A] en zijn enkele uitroeptekens, afgedrukt op A3 formaat, op de ramen van zijn werkkamer geplakt. Daarbij is een afgesloten ruimte betreden waar zich de financiële administratie bevindt. De uitroeptekens zijn geplaatst achter de tekst “Wij willen onze directie terug”, in letters op A3 formaat aangebracht op de ramen van het kantoorgebouw zodat deze tekst vanaf de straat leesbaar is. Voorts is het naambordje van de assistente van [A] verwijderd. Gebleken is dat alleen [F] (voorzitter van de ondernemingsraad) dat weekend gebruik had gemaakt van de A3-print/kopieerfaciliteiten. Op 27 oktober 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [A] en [F] in aanwezigheid van [G] (vicevoorzitter van de ondernemingsraad). Het verslag van het gesprek houdt in dat [F] op de vraag wat op zaterdagavond is geprint/gekopieerd, heeft geantwoord dat hij niet weet of hij deze vraag wil beantwoorden zonder advocaat. Vervolgens heeft [F] verklaard dat hij A3 prints/kopieën heeft gemaakt ten behoeve van de mediationbijeenkomst op 27 oktober 2020 tussen de raad van commissarissen en [H] (waar hij als toehoorder aanwezig was). De volgende dag heeft [F] zich ziek gemeld. In een videoboodschap van 1 november 2020 heeft [A] zich voorgesteld aan de medewerkers van L1, aandacht besteed aan de weerstand die zijn benoeming binnen de organisatie heeft opgeroepen en te kennen gegeven dat het incident op 24/25 oktober en ander intimiderend gedrag niet getolereerd zal worden. In een op 4 november 2020 op het intranet gepubliceerde reactie hebben de ‘dagchefs en hoofden redactie’ te kennen gegeven die reactie buitenproportioneel te vinden en dat als gevolg van de reactie “een angstcultuur en verdeeldheid op de werkvloer” dreigt te ontstaan. Bij brief van 23 november 2020 heeft de ondernemingsraad aan [A] kritische vragen gesteld over het feit dat [A] inlogactiviteiten heeft geraadpleegd naar aanleiding van het incident op 24/25 oktober 2020. Op 28 november 2020 is in dagblad De Limburger een artikel verschenen onder de kop “Directeur L1 controleert personeel”.
2.19
Ten tijde van zijn benoeming tot bestuurder van L1 was [A] lid van de gemeenteraad van Horst aan de Maas. Hij heeft deze nevenfunctie op 10 november 2020 neergelegd.
2.20
Eind november 2020 is de bemiddeling tussen de raad van commissarissen en [H] over diens mogelijke benoeming tot tweede bestuurder van L1 (zie 2.14) geëindigd zonder dat overeenstemming is bereikt.
2.21
De raad van commissarissen heeft op 24 december 2020 de ondernemingsraad uitgenodigd voor een open gesprek. In reactie daarop heeft de ondernemingsraad zich op 11 januari 2021 op het standpunt gesteld dat de raad van commissarissen eerst met “het personeel” zou moeten praten. De ondernemingsraad heeft het standpunt op 12 januari 2021 op intranet gepubliceerd.
2.22
Op 5 januari 2021 heeft een personeelsbijeenkomst plaatsgevonden onder begeleiding van de externe vertrouwenspersoon. Daarna heeft de vertrouwenspersoon twee gesprekken gevoerd met [A] .
2.23
Binnen L1 bestaat geen privacyreglement. Dit is besproken tussen de ondernemingsraad en [A] op 9 november 2020 en op 9 december 2020 heeft de ondernemingsraad aan [A] laten weten er belang aan te hechten om tezamen met de bestuurder na te denken over het te implementeren privacyreglement. [A] heeft vervolgens een concept-privacyreglement laten opstellen door advocatenkantoor Boels Zanders. Dit concept houdt onder meer het volgende in:
- -
Het reglement heeft tot doel te voldoen aan de verplichtingen uit de AVG en de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen te beschermen tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (artikel 2.2).
- -
L1 is zich ervan bewust dat in een journalistieke organisatie als de hare de bescherming van persoonsgegevens een belangrijk thema is en handhaaft het uitgangspunt van dataminimalisatie, dat wil zeggen het verzamelen en bewaren van zo min mogelijk persoonsgegevens (artikel 2.3).
- -
Het kantoor en terrein van L1 is beveiligd door een cameraobservatiesysteem dat exclusief tot doel heeft de veiligheid en eigendommen van L1 en haar medewerkers te waarborgen en niet mag worden gebruikt voor andere doeleinden (artikel 6.1).
- -
L1 behoudt zich het recht voor (verborgen) camera’s op de werkplek in te zetten met dien verstande dat daarbij onder meer de volgende waarborgen in acht worden genomen:
a. L1 dient een gerechtvaardigd belang te hebben bij het (verborgen) cameratoezicht dat er onder andere in kan zijn gelegen dat het ondanks allerlei inspanningen niet gelukt is een einde te maken aan diefstal, fraude of ander onrechtmatig gedrag;
b. het (verborgen) cameratoezicht moet noodzakelijk zijn en kan slechts worden toegepast indien geen minder ingrijpend middel beschikbaar is om hetzelfde doel te bereiken;
c. het gebruik van (verborgen) camera’s is tijdelijk;
d. L1 zal voorafgaand een data protection impact assessment uitvoeren en indien daaruit naar voren komt dat de inzet van (verborgen) camera’s een hoog privacyrisico oplevert, zal L1 met de Autoriteit Persoonsgegevens overleggen voordat het cameratoezicht wordt gestart;
e. L1 informeert werknemers en opdrachtnemers achteraf over het gebruik van verborgen camera’s.
Aan het concept-privacyreglement is een stuk gehecht getiteld “Beleid e-mail, internet, social media gebruik”. Dit stuk houdt onder meer het volgende in.
- -
Het wordt vastgesteld en kan slechts worden gewijzigd met instemming van de ondernemingsraad (artikel 1.1 en 2.3).
- -
L1 zal persoonsgegevens over internetgebruik, zoals tijdsbesteding en bezochte sites, wel registreren en niet controleren. Dit laat onverlet dat controles op incidentele basis vanwege een zwaarwichtige reden kunnen plaatsvinden (artikel 5.3).
- -
Medewerkers en freelancers mogen zich op social media niet negatief uitlaten over L1 (artikel 6.3).
- -
Controle op e-mail-, internet- en social media-gebruik vindt slechts plaats met inachtneming van onder meer de volgende beperkingen (artikel 7.1):
a. controle in het kader van begeleiding en/of individuele beoordeling vindt steekproefsgewijs plaats en beperkt zich tot uitsluitend zakelijke mailberichten. De direct leidinggevende voert de controle uit en kondigt de controle te voren aan;
b. controle in het kader van het tegengaan van verboden gebruik vindt in beginsel geanonimiseerd en slechts steekproefsgewijs plaats.
c. controle in het kader van kosten- en capaciteitsbeheersing worden beperkt tot verkeersgegevens (tijd, hoeveelheid, omvang en dergelijke).
- -
Uitsluitend als L1 een redelijk vermoeden heeft dat een medewerker, freelancer of opdrachtnemer of een groep van medewerkers, freelancers en of opdrachtnemers de regels van de regeling overtreedt, controleert L1 het e-mail- en/of internetgebruik gedurende een van tevoren vastgestelde zo kort mogelijk durende periode gericht en op de inhoud (artikel 7.2).
- -
L1 controleert geen e-mailberichten van leden van de ondernemingsraad onderling, van bedrijfsartsen en van iedere andere medewerker, freelancer en of opdrachtnemer die zich op grond van zijn functie op enige vertrouwelijkheid moet kunnen beroepen, behoudens zwaarwichtige redenen (artikel 7.5).
2.24
Op 15 januari 2021 heeft het hoofd HR van L1 het concept-privacyreglement ter commentaar aan de ondernemingsraad en het managementteam gezonden. Bij brief van 23 januari 2021 hebben de ondernemingsraad, de redactieraad, de hoofdredactie en een aantal afdelingen van L1 onder meer het volgende geschreven aan de raad van commissarissen, met afschrift aan [A] en de mediaraad:
“L1 verkeert in grote nood. De autoritaire wijze van leidinggeven van enig bestuurder [A] , in combinatie met een gebrek aan verbindende initiatieven van zijn zijde, leiden tot een onhoudbare situatie op de werkvloer. De ontstane crisis heeft niks te maken met het verleden, maar is een gevolg van het doen en laten van de bestuurder die op 4 september 2020 is benoemd.
(…)
De bestuurder heeft (…) wantrouwen in mensen als uitgangspunt en dat bederft het dagelijkse werkklimaat.
Wantrouwen als uitgangspunt blijkt ook uit het concept-beleid over controle op alle digitale activiteiten van L1-medewerkers. Zo wil de bestuurder alle mails, zelfs van OR-leden onderling en bedrijfsartsen, kunnen inzien als daar ‘zwaarwichtige redenen’ voor zijn. En hij bepaalt in zijn eentje wat ‘zwaarwichtige redenen’ zijn.
(…)
In het persbericht bij de benoeming van [A] (…) heeft de RvC (…) aangekondigd dat er nog een tweede bestuurder wordt benoemd. Gesprekken met de beoogde tweede bestuurder (…) liepen zo’n acht weken geleden mis. Daarna heeft de organisatie niets meer gehoord. (…)
Wij vragen uw raad dringend om uiterlijk over een week inhoudelijk te reageren, inclusief op zijn minst het begin van een oplossing. (…)”
2.25
In reactie op de brief heeft de raad van commissarissen op 24 januari 2021 de ondernemingsraad opnieuw uitgenodigd voor een gesprek. De ondernemingsraad heeft op 25 januari 2021 te kennen gegeven bereid te zijn om samen met een delegatie van het personeel een toelichting te geven op de brief en de raad van commissarissen opnieuw verzocht inhoudelijk te reageren op de brief. Op 26 januari 2021 heeft de website Villamedia aan [A] vragen gesteld over de inhoud van de brief van 23 januari 2021 en op 26 januari 2021 is in dagblad De Limburger een artikel verschenen onder de kop “Autoritaire leiding. Personeel L1: omroep in grote nood” en op 28 januari 2021 een artikel onder de kop: “NVJ zeer bezorgd over noodsituatie bij L1”. In dat laatste artikel staat ook dat de NVJ (Nederlandse Vereniging van Journalisten) gekant is tegen het lidmaatschap van [D] van de raad van commissarissen omdat zij ook lid is van Provinciale Staten van Limburg.
2.26
Naar aanleiding van de aanstelling van een interim manager mediafaciliteiten, heeft de ondernemingsraad bij brief van 26 januari 2021 aan [A] geschreven dat daarover overleg gepleegd had moeten worden met de ondernemingsraad en daarover advies had moeten worden gevraagd op grond van artikel 25 lid 1 sub f WOR. In reactie daarop heeft [A] op 31 januari 2021 aan de ondernemingsraad geschreven dat overleg over de benoeming niet heeft plaatsgevonden omdat de overlegvergadering van 18 januari 2021 door de ondernemingsraad is geannuleerd en dat geen sprake is van een adviesplichtig besluit.
2.27
Het Commissariaat voor de Media heeft bij brief van 29 januari 2021 aan SOL geschreven dat bij de benoeming van de commissarissen en [A] de Mediawet en de Beleidsregels governance en interne beheersing 2017 van het Commissariaat niet zijn overtreden.
2.28
Op 2 februari 2020 hebben twee anonieme medewerkers van L1 aan de ondernemingsraad klachten kenbaar gemaakt over het functioneren van [A] . De klachten houden onder meer in dat [A] veranderingen wil doorvoeren zonder voldoende op de hoogte te zijn van de binnen L1 gebruikelijke gang van zaken.
2.29
Op 2 februari 2021 heeft de hoofdredactie aan de ondernemingsraad, met cc aan [A] , het volgende geschreven in reactie op het verzoek van de ondernemingsraad aan de hoofdredactie om een reactie op het concept-privacyreglement en het concept-Beleid e-mail, internet en social media gebruik:
“De hoofdredactie heeft met verbijstering kennis genomen van onderdelen van het concept Privacyreglement (met name verborgen camera’s) en van het concept Beleid e-mail, internet en social media. Zeker het tweede document raakt de persvrijheid binnen ons bedrijf.
Of voor de gekozen aanpak voldoende juridische grondslag bestaat kunnen wij niet beoordelen. Wij nemen aan dat de OR (instemmingsrecht) zich juridisch laat bijstaan. (…)
Bronbescherming is cruciaal in de journalistiek. In beide concept-regelingen komt het woord niet eens voor. Sterker, de voorgestelde regeling over mail, online en social media vormt een ernstige bedreiging voor L1-journalisten die hun bronnen moeten beschermen.
(…)
In het Beleid e-mail, internet, social media gebruik, staat dat de controle onder meer is bedoeld voor ‘individuele beoordeling’ van werknemers. Deze formulering biedt de bestuurder kennelijk de mogelijkheid redacteuren persoonlijk (inhoudelijk) te controleren. Dat zou een rechtstreekse inbreuk op de persvrijheid betekenen. (…) En persoonlijke beoordeling van medewerkers is sowieso geen taak van de bestuurder maar van de leidinggevende van betrokken redacteur.
(…)
De bestuurder wil verder onder voorwaarden het installeren van verborgen camera’s op de redactie mogelijk maken (…).
Als hoofdredactie maken wij ernstig bezwaar tegen dit paardenmiddel (…). In een cultuur waar vrijheid van pers hoog in het vaandel staat, horen in onze ogen geen geheime camera’s thuis.
In de regelingen staat niets over checks and balances. Wij vinden het voorgestelde beleid voor een publieke media-instelling onacceptabele controlecultuur geconcentreerd bovendien bij één persoon.”
2.30
Op 3 februari 2021 heeft er een korte demonstratieve werkonderbreking bij L1 plaatsgevonden. Dezelfde dag heeft overleg plaatsgevonden tussen de raad van commissarissen en de ondernemingsraad. Bij aanvang van dit overleg heeft de ondernemingsraad aan de raad van commissarissen een stuk overhandigd met opmerkingen van medewerkers van L1 over het functioneren van [A] als bestuurder en met vragen aan de raad van commissarissen over zijn rol in reactie op die bezwaren. Het stuk houdt voorts in dat het niet de bedoeling is dat de ondernemingsraad met de raad van commissarissen in discussie gaat over de inhoud van de bezwaren en de vragen van de medewerkers. De raad van commissarissen heeft in het gesprek het lekken van informatie aan de pers aan de orde gesteld. Na afloop van de bespreking heeft de voorzitter van de ondernemingsraad aan de commissarissen geschreven dat de vragen en opmerkingen van het personeel geen indruk op de raad van commissarissen lijken te maken, dat het personeel de volgende dag een schriftelijke reactie van de raad van commissarissen verwacht en dat het personeel eist dat de raad van commissarissen voor 15 februari 2021 met een concrete oplossing voor de vertrouwensbreuk komt. Op 4 februari 2021 is op de website van NRC Handelsblad een artikel gepubliceerd onder de kop “Spreekverbod voor ondernemingsraad na werkonderbreking bij omroep L1”. In het stuk staat onder meer dat [A] zich het recht wil voorbehouden om bij door hem te bepalen zwaarwegende redenen verborgen camera’s op te hangen om het gedrag van personeelsleden te kunnen bekijken en dat hij e-mailverkeer, ook van leden van de ondernemingsraad, bedrijfsartsen en redacteuren, wil kunnen inzien.
2.31
Bij brief van 5 februari 2021 heeft [A] aan de ondernemingsraad geschreven dat hij het concept-privacyreglement intrekt. Als reden daarvoor noemt de brief onder meer dat het nooit de bedoeling is geweest om de journalistieke bronbescherming aan te tasten of te tornen aan de vertrouwelijkheid van de communicatie van de leden van de ondernemingsraad onderling en aan het beroepsgeheim van bedrijfsartsen en dat het betreurenswaardig is dat dit beeld is ontstaan, omdat het concept juist aansluit bij de gangbare normen voor de omgang met persoonsgegevens door werkgevers en de door de Autoriteit Persoonsgegevens opgestelde kaders. Kort daarna is in de Whatsappgroep van de dagchefs het volgende bericht verzonden:
“Ter info: we publiceren nog even niet. De hoofdredactie komt straks met een reactie. Daarna komt het online. We willen namelijk voorkomen dat de buitenwereld denkt dat nu alles opgelost is. Want dat is wat [A] hiermee wil bereiken. Ons doel is [A] naar elders.”
De hoofdredactie heeft in de avond van 5 februari 2021 aan de ondernemingsraad onder meer het volgende geschreven over de intrekking van de concept-reglementen:
“Met deze voornemens heeft de bestuurder/directeur – in onze ogen – L1 als journalistieke organisatie afgelopen week grote reputatieschade berokkend.
Er is zowel in vakkringen als door het publiek louter negatief gereageerd op de controleplannen. Dat betreurt de hoofdredactie zeer. De hoofdredactie hoopt dat ons publiek weer alle vertrouwen heeft in de L1 redactie, waar bronbescherming en persvrijheid het grootste goed zijn.”
Op 6 februari 2021 is het hierboven geciteerde bericht van de hoofdredactie op intranet gepubliceerd.
2.32
Op 8 februari 2021 heeft de raad van commissarissen aan de ondernemingsraad geschreven en op intranet bekendgemaakt dat hij een enquêteverzoek zal doen bij de Ondernemingskamer. In het bericht schrijft raad van commissarissen onder meer:
“Wij nemen de geluiden vanuit het personeel uiterst serieus. Dat geldt niet alleen voor de geluiden zoals die vanuit de briefschrijvers van 23 januari komen, maar ook van andere geluiden die ons bereiken en die op wezenlijke punten ook anders zijn. Samenvattend komen wij tot de conclusie dat er veel meer aan de hand is in de organisatie van L1, dat dit een jarenlange ontstaansgeschiedenis heeft en dus veel langer speelt dan de actuele situatie rondom de bestuurder. Dit vraagt om nader onderzoek en ingrijpen.”
2.33
Op 10 februari 2021, 25 februari 2021 en 25 maart 2021 hebben in totaal tien medewerkers van L1 gelijkluidende brieven, gericht aan de raad van commissarissen, in bewaring gegeven bij een notaris. In de brieven staat onder meer:
“Zonder partij te kiezen voelen wij ons door een bepaalde groep van onze collega’s geïntimideerd. De trend lijkt te zijn: “ben je het niet met ons eens, dan lig je eruit”.
Blijkbaar mag en kan je in een journalistiek bedrijf als waar wij voor werken geen eigen mening hebben en/of daarvoor uitkomen. Degene die het hardste schreeuwt wint. Daardoor voelen wij ons niet veilig binnen ons bedrijf.
De manier waarop onrust wordt gecreëerd en zaken naar buiten worden gebracht is naar onze mening, op zijn zachtst gezegd, onkies en zeer schadelijk voor het bedrijf (grote imagoschade).
Het structureel lekken van interne informatie naar andere media (…) is naar onze mening ongehoord. Wij kunnen niet begrijpen dat de hoofdredactie hierop niet ingrijpt. Onder “normale omstandigheden” zou dit nooit en te nimmer geaccepteerd worden.
Verder vinden wij het schokkend te constateren, dat in een journalistieke omgeving als de onze, hoor en wederhoor niet/nauwelijks wordt toegepast. Daardoor is er sprake van eenzijdige en tendentieuze berichtgeving in de media.
(…)
Wij roepen u, als Raad van Commissarissen op, actie te ondernemen en orde op zaken te stellen.”
2.34
Op 11 februari 2021 heeft [J] , voorzitter van SOL van 2011 tot 1 juli 2019 en interim bestuurder van L1 van 1 juli 2020 tot 7 september 2020, een verklaring afgelegd over zijn ervaringen. De verklaring houdt onder meer in:
“Toen ik in mijn eerste periode als interim bestuurder de vacature van bestuurder van L1 zo snel mogelijk moest vullen, kwam [ [B] ] met de opmerking dat een directeur niet nodig was. De bestuursfunctie kon gemakkelijk verdeeld worden over twee afdeling managers. Zo gezegd zo gedaan. Achteraf bleek dat [ [B] ] de grootste viool speelde en dat de managers met een bestuursfunctie niet tegen hem opgewassen waren. Zoals ook duidelijk werd in de evaluatie.
(…)
Begin juli 2020 ben ik begonnen aan mijn tweede periode als interim bestuurder. In mijn eerste MT-vergadering hebben de MT-leden stoom afgeblazen met name over de R.v.C.: “ze weten van niks en ze hebben [ [H] en [I] ] slecht behandeld”. Ik heb gezegd dat ik het een taak en verantwoordelijkheid van het MT vind om rust te bewaren en zich in te zetten voor een oplossing. Ik werd meewarig aangekeken. De geest was uit de fles. (…)
(…)
Op 7 september 2019 treedt [A] aan als nieuwe directeur/bestuurder van SOL/L1. Ik heb [A] verwelkomd en rondgeleid. De volgende dag heb ik de eerste MT-vergadering met [A] ook bijgewoond. Het was allen (MT) tegen één ( [A] ). Ik was met stomheid geslagen toen [ [B] ] van [ [A] ] eiste dat hij zich achter het personeel zou scharen en zich tegen de R.v.C. zou keren!
Verder poneerde [ [B] ] de stelling dat de benoeming van [ [A] ] in strijd was met de Mediawet. Ik heb dit bestreden en na de vergadering een briefje bij [ [B] ] op het bureau gelegd waarom [ [B] ] het mis had. De volgende dag stond toch in de krant en op 1Limburg! Ik heb het MT/[ [B] ] gezegd dat ik deze gang van zaken geen integere journalistiek vindt. Want onder de “journalistieke vlag” worden interne conflicten naar buiten gebracht om druk uit te oefenen. ”
2.35
Op 3 maart 2021 heeft overleg plaatsgevonden tussen de raad van commissarissen enerzijds en vertegenwoordigers van de NJV, FNV en CNV anderzijds zonder dat dit tot overeenstemming heeft geleid.
2.36
In maart 2021 heeft [K] , sinds 2001 werkzaam bij L1, onder meer als secretaris van de directie en de redactie, in een verklaring over haar ervaringen onder meer geschreven:
“Toen halverwege 2020 de interne problemen bij L1 de kop op staken, heeft [J] [B] gewaarschuwd om geen positie te kiezen in het conflict gezien zijn functie als hoofdredacteur/lid van het MT. Desondanks heeft [B] op 1 juli het voortouw genomen om met de andere medewerkers een protest te laten horen richting RvC.
(…) De werkrelatie tussen [J] en de hoofdredacteur kwam onder grote druk te staan aan het eind van de tweede interim-bestuursperiode van [J] in het najaar van 2020. Tijdens een MT-vergadering begin september ontstond een discussie tussen [J] en [B] over de positie en bejegening van de nieuwe benoemde bestuurder, [A] . (…) Als resultaat daarvan is de relatie tussen [J] en [B] na een jarenlange goede samenwerking behoorlijk bekoeld.
Als ik de afgelopen vijf maanden vanuit mijn functie als assistent van de huidige bestuurder [A] moet samenvatten zijn die als dynamisch te betitelen. De persoonlijke en zakelijke kwaliteiten zijn hoog. [A] kwalificeer ik als een zeer sociaal en kundig persoon; hij pakt zaken op en aan. Dat is iets waar de organisatie duidelijk aan moet wennen. (…) Naar mijn smaak heeft de nieuwe bestuurder vanaf de start geen enkele kans gekregen zich in zijn functie waar te maken. De totale L1 organisatie isoleert hem. Bij gebrek aan juiste en volledige informatie over de gang van zaken binnen en met betrekking tot L1 laat de organisatie hem zwemmen om hem later te verwijten dat hij van toeten noch blazen weet.
Vanuit mijn rol als secretaris van het MT-overleg heb ik vele jaren tweewekelijkse vergaderingen meegemaakt. Wanneer ik daar met een helikopterblik op terug kijk zie ik een vast patroon: de hoofdredacteur is in ‘the lead’, de andere MT-leden stellen zich doorgaans volgzaam op. Sinds het aantreden van [A] merk ik dat MT-leden sterk neigen het MT als collectief te gebruiken in plaats van op individuele basis de rol te pakken.”
2.37
De hoofdredactie van L1 heeft op 15 maart 2021 in reactie op het door de raad van commissarissen namens SOL ingediende enquêteverzoek aan de raad van commissarissen geschreven dat uit dat verzoekschrift niet blijkt dat de hoofdredactie zich niet houdt aan de bestaande governance structuur en dat derhalve geen sprake is van een strijd om de macht. Voorts acht de hoofdredactie de anonieme beweringen over de bedrijfscultuur bij L1 ongeloofwaardig, aldus de brief.
2.38
De NVJ heeft bij brief van 23 maart 2021 zich op het standpunt gesteld dat uit de voorgenomen invoering van het privacyreglement blijkt “dat de leiding van L1 – de RvC noch de bestuurder – niet begrijpt wat de kernwaarden van de organisatie zijn”. Voorts acht de NJV het vanuit een oogpunt van journalistieke onafhankelijkheid “uiterst zorgwekkend dat in de Raad van Commissarissen van L1 een actieve politica zitting heeft”, omdat dit de schijn van belangenverstrengeling met zich meebrengt.
2.39
SOL heeft verslagen overgelegd van afzonderlijke verklaringen van drie niet met name genoemde medewerkers van L1, afgelegd tegenover mr. Huijs als advocaat van de raad van commissarissen, die onder meer het volgende inhouden:
NN-I
“In juni 2020 heeft er op de parkeerplaats een personeelsbijeenkomst plaatsgevonden. De OR heeft toen aangegeven dat het hele traject voor een nieuwe bestuurder achterwege kon blijven, dat [ [H] en [I] ] het prima deden en dat zij herbenoemd moesten worden. (…) Ik heb mij er ook erg om verbaasd dat na die bijeenkomst de OR heeft aangegeven dat het personeel het vertrouwen in de RvC heeft opgezegd. Dat is helemaal niet zo: de OR zou dat doen.
(…)
Pas later via het kort geding heb ik begrepen dat de benoeming van [ [H] ] is afgeketst op zijn salariseisen. Ook dat heeft mij aan het denken gezet: waarom heeft de OR daar toen helemaal niets van gemeld, op de parkeerplaats?
(…)
Zodra bekend was dat [A] in beeld was, is er een negatieve stemmingmakerij ontstaan. Zeker vanuit de hoofdredactie: [A] was meteen al een ‘pipo’ die nergens voor deugde.
(…)
Ik begrijp de hele gang van zaken niet met betrekking tot het privacyreglement. Nadat ik [A] daar zelf over had gesproken, werd mij direct duidelijk dat hij allerminst de bedoeling had om in mensen hun e-mail en dergelijke te gaan kijken. Maar ik snap het professioneel ook niet. Als jij als OR een concept-privacyreglement toegestuurd krijgt, dan kan je daar misschien wat van vinden, ga je bijvoorbeeld bij collega-organisaties kijken en laat je misschien zelf ook juridisch toetsen (…). Wat je niet moet doen is het concept onder de kopieerapparaat leggen en vervolgens overal gaan verspreiden, met verhalen eromheen die niet kloppen. Helemaal niet gelet op de gespannen situatie, dat is bewuste escalatie en dat vind ik de OR verwijtbaar. De voorzitter en de vicevoorzitter zijn gewoon een campagne aan het voeren, anti de bestuurder. (…)
(…)
Ik voel me niet veilig bij L1. Als ik een ander geluid wil laten horen, dan komt dit terecht bij de hoofdredactie die de regie voert tegen de bestuurder en dan trek ik in deze bestaande machtsstructuur altijd aan het kortste eind. (…) Ik kan er al helemaal niet mee naar de OR, want die zitten vol in die anti-campagne.
(…)
In plaats van dat we ons op de journalistiek concentreren, gaat het alleen nog maar over om de bestuurder weg te krijgen, alle tijd gaat daarin zitten. (…) De hoofdredactie wil elk bericht zien dat over deze zaak gaat. Ze geven instructies (…) en sturen de complete berichtgeving.”
NN-II
“De hoofdredactie runt het bedrijf, dus niet het bestuur of de RvC. De algemene mores is wat de hoofdredacteur wil, is wet. Tegenspraak wordt niet geduld, als je die geeft, werkt het in je nadeel. Dat is al vele, vele jaren zo. Het geldt eigenlijk op alle gebieden.
(…) Ik vind het uiterst merkwaardig zoals de OR zich nu opstelt. Ik kan geen andere conclusie trekken dan dat zaken ook rechtstreeks vanuit de hoofdredactie komen. Er zijn veel overleggen achter gesloten deuren, waarbij de voorzitter en vice-voorzitter van de OR en de hoofdredacteur betrokken zijn.
(…)
Toen is [A] aangesteld en is het eigenlijk één gekke bende geworden. Nadat de actie tegen de RvC was mislukt, werd [A] het doelwit. (…)
(…) Er wordt een privacy-stuk de organisatie in geslingerd en er wordt weer gezegd ‘kijk dit is weer zo’n rare actie van die man, die al onze e-mails wil inzien’. Je bent eerst geneigd dat voor zoete koek te slikken. Inmiddels heb ik ook wel begrepen hoe het werkelijk zit, namelijk dat nog een concept was dat nog bij de OR lag en ook wat juist de goede beweegredenen hiervoor waren. Dat verhaal kregen wij als personeel echter helemaal niet te horen. Als ik alle feiten een rijtje zet dan denk ik dat [A] juist de boel heeft willen beschermen, maar iedereen gaat met het tegenovergestelde verhaal aan de haal en [A] wordt geframed.
(…)
Er is niemand die de hoofdredacteur echt durft tegen te spreken, de andere hoofddirectieleden doen ook precies wat hij zegt. Wij noemen L1 dan ook de zender Leo 1. De bedrijfscultuur met alle lijntjes die er lopen, vanuit hoofdredactie naar OR-leden naar redactie etc. is totaal verziekt.”
NN-III
“In juni 2020 op de parkeerplaats is het verhaal zoals het tot nu toe loopt, volgens mij begonnen. (…) Dat gebeurde echt vanuit de hoofdredactie: de hoofdredacteur nam het woord en vertelde ons allemaal hoe erg het was dat [ [H] en [I] ] het niet waren geworden. (…) De aanjagers hebben ons nooit verteld dat het wel degelijk de bedoeling van de RvC was geweest om [ [H] ] aanvankelijk te benoemen, maar dat het stukgelopen is omdat [ [H] ] ineens andere salariseisen ging stellen.
(…)
Al voordat [A] op het bedrijf kwam, waren er al plannen om het hem onmogelijk te maken. (…) Nog voordat [A] kwam heeft hij geen kans gehad, het was toen al een en al verhalen van dat er niks van hem deugde (…). Allemaal negatieve verhalen en stemmingmakerij.
(…)
Ik zie het ook duidelijk hoe de berichtgeving wordt gebruikt, wij als media kunnen dat beïnvloeden en zo zie je dat in de berichtgeving de RvC en [A] steeds als de boemannen naar voren komen, terwijl er ook gewoon dingen worden weggelaten die dan even niet uitkomen om ook te vermelden.
(…)
De verhalen over [A] en zijn camera’s die bewust in de organisatie werden verspreid hebben hem tot een karikatuur gemaakt. Ik heb inmiddels zelf wat zaken op een rijtje gezet en zie dat het gecreëerde beeld totaal niet klopt met de werkelijkheid.
Soms denk ik, hoe kan het zijn in een journalistieke organisatie dat er zoveel mensen intrappen? (…)
Als mediabedrijf weten wij vakkundig de media te bespelen en dat zie ik ook gebeuren door het uiterst selectief lekken.
De OR is een verlengstuk van de hoofdredactie geworden. Ik weet dat de hoofdredacteur tegenwoordig ook aanschuift bij OR-overleg.
(…)
Ik heb deelgenomen aan kennismakingsgesprekken met [A] . (…) In werkelijkheid is het beeld dat van deze man binnen de organisatie rondgaat in het geheel niet terug te zien. Ook de ideeën die hij heeft komen op mij over als gericht op een verbetering en professionalisering van de organisatie (en verder niets anders). Maar ik durf dat niet hardop te zeggen (…). Daar wordt je op afgerekend. Tot zover het zogenaamde vrije woord, daar is in werkelijkheid bij L1 geen ruimte voor dat zie ik ook met de berichtgeving vanuit L1 over deze kwestie, daar doet de hoofdredactie nog een slag over voordat het wordt geplaatst en dan komt het geheid nog negatiever voor [A] en de RvC eruit.
(…)
De OR zie ik als de handpop van de hoofdredactie en bij de hoofdredactie zelf kan ik uiteraard niet terecht (…) En [A] ? Ik wil helemaal geen vriendjes worden met de directeur, zo’n type ben ik niet. Ik wil er eigenlijk allemaal niks mee te maken hebben en het liefst op een eerlijke manier mijn werk kunnen doen.
(…)
Het is gewoon ordinair pestgedrag wat je op een middelbare school zou verwachten. Ik schaam me voor de organisatie.”
2.40
Een online petitie op 30 en 31 maart 2021 verspreid onder de medewerkers en ondertekend door 88 geanonimiseerde medewerkers, houdt in dat de ondertekenaars nog steeds achter de ondernemingsraad en de brief van 23 januari 2021 staan en hopen dat de Ondernemingskamer de verzoeken van de ondernemingsraad zal toewijzen.
2.41
Op 8 april 2021, voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de verzoeken, heeft de redactie van L1 op de site van L1 een bericht gepubliceerd, waarin onder meer staat:
“Ook ontstond er onrust toen bleek dat [A] verborgen camera’s wilde laten ophangen op onder meer de redactie. Dat stond in een concept-privacyreglement.”
3. De gronden van de beslissing
De standpunten van partijen
3.1
SOL, vertegenwoordigd door de raad van commissarissen, heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van L1 en dat gelet op de toestand van L1 onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting heeft zij – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht.
- a.
Binnen L1 bestaat een geschil over de vraag wie het feitelijk voor het zeggen heeft en op welke wijze partijen zich tot elkaar dienen te verhouden.
- b.
In strijd met de wettelijke en statutaire bevoegdheden, trachten de ondernemingsraad en de redactie feitelijk te bepalen wie bestuurder van L1 zou moeten zijn. Dat doen zij op een wijze die constructieve medezeggenschap onmogelijk maakt en leidt tot escalatie van de onderlinge verhoudingen.
- c.
Bij de raad van commissarissen is uit ontvangen berichten het beeld ontstaan dat de hoofdredactie een sturende rol vervult op de achtergrond en haar positie misbruikt in de interne strijd om de macht.
- d.
Extern ingrijpen is noodzakelijk om de interne verhoudingen binnen L1 te normaliseren.
3.2
L1, vertegenwoordigd door haar bestuurder, heeft het verzoek van SOL ondersteund en heeft daaraan en aan haar eigen verzoek onder meer het volgende ten grondslag gelegd.
- a.
De ondernemingsraad, de hoofdredactie en delen van het personeel vinden dat de bestuurder van L1 zich moet gedragen als louter dienstbaar aan de hoofdredactie en miskennen de wettelijke en statutaire verantwoordelijkheden van de bestuurder.
- b.
Als gevolg daarvan zijn de verhoudingen binnen L1 fundamenteel en duurzaam ontwricht.
- c.
Vanuit L1 wordt een geregisseerde mediacampagne gevoerd waarbij interne informatie selectief wordt gelekt en de publieke opinie wordt beïnvloed met als doel het draagvlak van de bestuurder en de raad van commissarissen te ondermijnen.
- d.
Er bestaat binnen L1 al jaren een angstcultuur waarin geen ruimte is voor opvattingen die afwijken van die van de hoofdredactie.
3.3
De ondernemingsraad heeft onder meer het volgende naar voren gebracht. L1 functioneert naar behoren en oefent haar taken als regionale omroep goed uit. Zowel de raad van commissarissen als de huidige bestuurder hebben onvoldoende kennis van en ervaring met de mediawereld. Dat de raad van commissarissen zichzelf niet (meer) in staat acht een tweede bestuurder te benoemen, is een brevet van onvermogen. Er is een onhoudbare situatie op de werkvloer als gevolg van een autoritaire wijze van leidinggeven van [A] . Het personeel heeft geen vertrouwen meer in [A] . De raad van commissarissen blijft zijn keuze om [A] te benoemen als bestuurder ten onrechte verdedigen. De ondernemingsraad betwijfelt of een onderzoek nodig is om tot herstel van goede verhoudingen te komen; schorsing van [A] en benoeming van een tijdelijk bestuurder zijn vooralsnog voldoende. Als een onderzoek wordt gelast, dient het functioneren van de raad van commissarissen daarin te worden betrokken. De ondernemingsraad heeft voorts een schriftelijke reactie van [B] op het verweerschrift van L1 overgelegd. Die reactie houdt onder meer in dat er geen ‘strijd om de macht’ gaande is binnen L1 en dat hij ( [B] ) zijn gezag binnen L1 ontleent aan zijn ervaring en argumenten. [B] vindt dat [A] inhoudelijke discussies uit de weg gaat en dat hij ( [B] ) niet eerder is aangesproken op hetgeen hem thans wordt verweten.
Het oordeel van de Ondernemingskamer
3.4
De Ondernemingskamer deelt de opvatting van partijen dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken binnen L1 te twijfelen. Hieronder komen het functioneren van de raad van commissarissen, de bestuurder, de ondernemingsraad en de hoofdredacteur aan de orde. Voorafgaand aan die beschouwingen kan op basis van de hierboven weergegeven feiten al geconstateerd worden dat de problemen binnen L1 in sterke mate samenhangen met een ongezonde dynamiek tussen enerzijds raad van commissarissen en het bestuur en anderzijds de ondernemingsraad en de hoofdredactie. De verhoudingen binnen L1 zijn grondig verstoord. Gevreesd moet worden dat zowel de medewerkers van L1 als de publieke functie van L1 daaronder te lijden hebben.
3.5
Uit onderzoek zal moeten blijken wat de diepere oorzaken van de problemen zijn. Voorshands is aannemelijk dat, anders dan de ondernemingsraad heeft aangevoerd, het functioneren van [A] niet de voornaamste oorzaak van de problemen is. Dat wordt hieronder toegelicht.
Het functioneren van de raad van commissarissen
3.6
De raad van commissarissen heeft namens SOL de Ondernemingskamer verzocht een onderzoek te gelasten en onmiddellijke voorzieningen te treffen omdat de raad van commissarissen zich in de gegeven omstandigheden niet zelf in staat acht om maatregelen te treffen ter sanering van de verhoudingen binnen L1. De onmacht van de raad van commissarissen is op zichzelf al gegronde reden om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen. Statutair heeft raad van commissarissen immers verregaande bevoegdheden om in te grijpen (zie 2.7): de raad van commissarissen kan haar eigen samenstelling uitbreiden of wijzigen, bestuurders benoemen en ontslaan en de hoofdredacteur benoemen en ontslaan, zij het dat de mediaraad en de redactieraad over dat laatste kunnen adviseren en – zo begrijpt de Ondernemingskamer – de mediaraad een ontslag van de hoofdredacteur om zwaarwegende redenen kan blokkeren.
3.7
Het is niet onbegrijpelijk dat de raad van commissarissen tot de slotsom is gekomen dat hij thans niet bij machte is het tij te keren. Uit de hierboven weergegeven feiten blijkt dat de verhoudingen binnen L1 zozeer zijn verhard en geëscaleerd dat enerzijds ingrijpen noodzakelijk is en anderzijds ingrijpen door de raad van commissarissen zelf een aanmerkelijk risico van verdere escalatie meebrengt. Hieronder komt aan de orde dat de raad van commissarissen een aandeel heeft gehad in het voortduren en verergeren van de problemen van L1.
3.8
Toen de huidige commissarissen op 1 januari 2019 aantraden (toen nog als commissarissen van Televisiebedrijf en Omroepbedrijf), was bekend dat [H] en [I] tijdelijk waren aangesteld als bestuurders van L1 en dat hun termijn afliep op 1 juli 2020. Uit de stukken is niet duidelijk waarom de raad van commissarissen er niet in geslaagd is om de werving en selectie van twee met ingang van 1 juli 2020 te benoemen bestuurders tijdig af te ronden. De omstandigheid dat de raad van commissarissen kort voor de deadline van 1 juli 2020 nog kon worden verrast door de complicatie dat [H] als voorwaarde voor zijn benoeming als bestuurder stelde dat met hem een managementovereenkomst zou worden gesloten in plaats van een arbeidsovereenkomst, roept vragen op over de regie die de raad van commissarissen op dit punt heeft gevoerd.
3.9
De op 4 juli 2020 tussen de raad van commissarissen en de ondernemingsraad gemaakte afspraak om door middel van bemiddeling binnen een tijdsbestek van twee weken te bezien of alsnog overeenstemming kon worden bereikt met [H] (zie 2.14) beschouwt de Ondernemingskamer als een constructieve stap. Niet goed begrijpelijk is hoe het vervolgens heeft kunnen gebeuren dat die bemiddeling zich heeft voortgesleept tot eind november 2020. Het onderwerp van de bemiddeling was immers overzichtelijk, te weten de (arbeids)voorwaarden in geval van benoeming van [H] tot bestuurder. De spoedeisendheid was bovendien gegeven omdat [H] en [I] hun werkzaamheden als bestuurders op 1 juli 2020 hadden beëindigd en omdat met de benoeming van [A] zou worden gewacht in afwachting van de bemiddeling met [H] . Door de inhoud van die afspraken was dus te voorzien dat (aanzienlijke) overschrijding van de beoogde tijdsduur van de bemiddeling (twee weken) tot problemen zou leiden.
3.10
Toen de bemiddeling tussen de raad van commissarissen en [H] (met een vertegenwoordiger van de ondernemingsraad als toehoorder) eind augustus 2020 nog altijd niet was afgerond, heeft de raad van commissarissen kennelijk geoordeeld dat met de benoeming van [A] niet langer kon worden gewacht en heeft de raad van commissarissen erop aangedrongen dat de ondernemingsraad over de benoeming alsnog zou adviseren. Dat laatste heeft de ondernemingsraad geweigerd met een beroep op de op 4 juli 2020 gemaakte afspraken en met het argument dat advisering over de benoeming van [A] pas goed mogelijk is nadat duidelijk was of [H] tevens als bestuurder zou worden benoemd. Aldus werd de benoeming van [A] – en daarmee [A] zelf – betrokken in het conflict tussen de raad van commissarissen en de ondernemingsraad. Dit heeft bijgedragen aan de moeilijke start van [A] als bestuurder, ook omdat, zoals hieronder bij de bespreking van de rol van de ondernemingsraad aan de orde komt, de ondernemingsraad het niet heeft kunnen opbrengen de positie van [A] als bestuurder los te zien van het geschil tussen de ondernemingsraad en de raad van commissarissen over de procedure van zijn benoeming. Niet gebleken is dat de raad van commissarissen zich de vraag heeft gesteld hoe hij zou kunnen voorkomen dat de benoemingsperikelen de start van [A] als bestuurder zouden bemoeilijken.
3.11
Ook in een later stadium, nadat de ondernemingsraad op 9 oktober 2020 het kort geding had verloren en na het incident van 24/25 oktober 2020, heeft de raad van commissarissen, voor zover thans bekend, geen actie ondernomen om de oplopende spanningen tussen [A] enerzijds en de ondernemingsraad en de redactieraad anderzijds te verminderen. Pas op 24 december 2020 heeft raad van commissarissen de ondernemingsraad uitgenodigd voor een open gesprek (zie 2.21).
3.12
Nadat de bemiddeling tussen de raad van commissarissen en [H] eind november 2020 zonder resultaat was geëindigd, heeft de raad van commissarissen geen (zichtbare) activiteiten ontplooid om te komen tot de benoeming van een tweede bestuurder, (zie de in 2.24 aangehaalde brief van 23 januari 2021). Dit roept de vraag op of de raad van commissarissen vanaf juli 2020 rekening heeft gehouden met dit scenario, zoals de ondernemingsraad ook naar voren heeft gebracht.
3.13
Op grond van het bovenstaande constateert de Ondernemingskamer dat er redenen zijn om te twijfelen aan het functioneren van de raad van commissarissen. Het onderzoek zal, overeenkomstig de bedoeling van de raad van commissarissen, daarom mede op het functioneren van de raad van commissarissen betrekking hebben.
3.14
In het functioneren van de raad van commissarissen en in de toestand waarin L1 zich thans bevindt, ziet de Ondernemingskamer aanleiding om bij wijze van onmiddellijke voorziening een tijdelijke commissaris aan te wijzen. De raad van commissarissen is ook zelf van oordeel dat versterking in de vorm van een vierde commissaris nodig is. Dat constateerde hij op grond van een evaluatie van zijn eigen functioneren in februari 2020 en dit geldt nu te meer gelet op de gespannen verhoudingen tussen de raad van commissarissen enerzijds en de ondernemingsraad en de hoofdredactie anderzijds. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is in de gegeven omstandigheden van de benoeming van een commissaris door haar meer heil te verwachten dan door benoeming van een vierde commissaris door de raad van commissarissen zelf. De Ondernemingskamer acht het nodig te bepalen dat de door haar te benoemen commissaris binnen de raad van commissarissen een beslissende stem heeft, teneinde de slagkracht van de raad van commissarissen te vergroten.
3.15
Benoeming van een vierde commissaris draagt ook bij aan een meer evenwichtige samenstelling van de raad van commissarissen. Een van de huidige drie commissarissen, [D] , is tevens (sinds maart 2019) lid van de Provinciale Staten van Limburg. Dat is niet in strijd met de Mediawet en de Beleidsregels governance en interne beheersing 2017 van het Commissariaat voor de Media, zoals het Commissariaat bij brief van 29 januari 2021 heeft bevestigd (zie 2.27). Tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de redactie van L1 gevrijwaard moet blijven van politieke invloeden op de uitvoering van de redactionele taken (artikel 3.1.1 van het redactiestatuut), is wel begrijpelijk dat de redactieraad en de ondernemingsraad in april 2019 en de NVJ in maart 2021 (zie 2.38) zorgen hebben geuit over het risico van politieke invloed op de gang van zaken binnen L1 door de positie van [D] als lid van de Provinciale Staten van Limburg. Overigens heeft geen van partijen gesteld dat feitelijk enige poging is gedaan tot het uitoefenen van politieke invloed.
Het functioneren van het bestuur
3.16
Zoals hierboven al aan de orde kwam heeft de ondernemingsraad vanaf het aantreden van [A] als bestuurder een onwelwillende, zo niet vijandige houding jegens hem aangenomen. De achtergrond hiervan lijkt onvrede bij de ondernemingsraad te zijn over de omstandigheid dat de raad van commissarissen niet eenvoudigweg [H] en [I] als bestuurders heeft willen benoemen en over het verloop van de benoemingsprocedure. Dat zijn kwesties waar [A] buiten staat.
3.17
Aan [A] wordt door de ondernemingsraad een autoritaire wijze van leidinggeven verweten, onder meer in de brief van 23 januari 2021 (zie 2.24). Onduidelijk is waarop dit verwijt precies berust. Noch in de brief van 23 januari 2021, noch in deze procedure heeft de ondernemingsraad concreet toegelicht waaruit blijkt dat [A] een autoritaire wijze van leidinggeven zou hanteren. Over de inhoud van de introductievideo van [A] van 4 november 2020 (zie 2.18) kan verschillend worden gedacht, maar de reactie van de hoofdredactie op intranet dat daarmee “een angstcultuur en verdeeldheid op de werkvloer” dreigt te ontstaan, is overtrokken. Het was wellicht beter geweest als [A] zijn functie van gemeenteraadslid vóór 7 september 2020 had beëindigd en niet pas op 9 november 2020, maar dit tijdsverloop is op zichzelf geen serieus bezwaar tegen het functioneren van [A] . Twee leden van het management team hebben zich ziek gemeld. Dat dit te wijten zou zijn aan de “bestuurscultuur” zoals in de brief van 23 januari 2021 (zie 2.24) staat, is niet gebleken. In de brief van 23 januari 2021 wordt voorts verwezen naar het concept-privacyreglement en het concept-Beleid e-mail, internet, social media gebruik, maar de bewering in die brief dat uit die concepten blijkt dat [A] alle e-mails, zelfs van OR leden onderling en bedrijfsartsen wil kunnen inzien, miskent de in die concepten opgenomen waarborgen en gaat eraan voorbij dat de desbetreffende reglementen slechts kunnen worden vastgesteld met instemming van de ondernemingsraad. Hoe dan ook: de Ondernemingskamer kan uit het voorleggen van deze concepten aan de ondernemingsraad en het management team niet afleiden dat [A] een autoritaire stijl van leidinggeven heeft. De gang van zaken rond deze concepten komt hierna nog nader aan de orde bij de bespreking van de rol van de ondernemingsraad en van de hoofdredacteur en de hoofdredactie. Van de bezwaren tegen het functioneren die twee anonieme medewerkers op 2 februari 2021 aan de ondernemingsraad kenbaar hebben gemaakt (zie 2.28), blijkt niet dat de ondernemingsraad deze met [A] heeft besproken. In het door de ondernemingsraad op 3 februari 2021 aan de raad van commissarissen overhandigde stuk (zie 2.30) staan aanmerkingen van (anonieme) personeelsleden op het functioneren van [A] , maar die zijn weinig concreet en de ondernemingsraad heeft toen uitdrukkelijk geweigerd inhoudelijk van gedachten te wisselen over de aanmerkingen.
3.18
De Ondernemingskamer ziet geen grond voor de aantijging dat [A] de positie van de hoofdredacteur, de redactieraad en de mediaraad niet zou onderkennen of zou willen ondergraven.
3.19
In het te gelasten onderzoek kan aan de orde komen of [A] , geconfronteerd met de opstelling van de ondernemingsraad en de hoofdredactie, een reële kans heeft gehad om zich als bestuurder van L1 te ontplooien. Vanzelfsprekend kan daarbij ook aan de orde komen of [A] door zijn opstelling, wijze van communiceren of anderszins heeft bijgedragen aan de escalatie van de interne verhoudingen. Vooralsnog is dat niet gebleken. Er zijn vooral aanwijzingen, ook in de onder 2.39 aangehaalde verklaringen, dat [A] door de ondernemingsraad en de hoofdredactie doelbewust is tegengewerkt vanaf het moment van zijn aantreden. Ook nadien is [A] op weinig subtiele wijze te verstaan gegeven dat hij niet welkom is (zie 2.18).
3.20
De Ondernemingskamer ziet dan ook geen reden voor toewijzing van het verzoek van de ondernemingsraad tot schorsing van [A] als bestuurder. Niet gebleken is dat zijn functioneren de oorzaak is van de problemen binnen L1. Hem thans schorsen draagt naar de verwachting van de Ondernemingskamer eerder bij aan het voortduren van die problemen dan aan de oplossing daarvan.
3.21
De Ondernemingskamer zal wel, zoals alle partijen hebben verzocht, tijdelijk een tweede bestuurder van SOL benoemen, naast [A] . De Ondernemingskamer beoogt daarmee een normalisatie van de verstandhoudingen tussen het bestuur, de ondernemingsraad en de hoofdredactie te bevorderen in afwachting van de uitkomst van het te gelasten onderzoek. De Ondernemingskamer ziet vooralsnog geen reden om de door haar te benoemen bestuurder binnen het bestuur een beslissende stem te geven en evenmin om een bepaalde taakverdeling tussen [A] en de tijdelijk bestuurder op te leggen. De Ondernemingskamer gaat ervan uit dat beiden, met inachtneming van het uitgangspunt van een collectief bestuur, in onderling overleg zo nodig tot een zekere taakverdeling kunnen komen.
De rol van de ondernemingsraad
3.22
Het functioneren van de ondernemingsraad roept diverse vragen op die hieronder worden besproken.
3.23
L1 ontleent haar positie als regionale omroep aan de aanwijzing van SOL als regionale publieke media-instelling in de zin van de Mediawet. L1 vervult een belangrijke publieke functie in Limburg, wordt voor 80% van haar begroting gefinancierd door de rijksoverheid en heeft meer dan 200 medewerkers. Tegen deze achtergrond ligt het bepaald voor de hand dat een bestuurder van L1 openbaar wordt geworven aan de hand van een openbaar profiel. Die norm wordt dan ook gesteld in artikel 2.2 en 2.3 van de Beleidsregels governance en interne beheersing 2017 van het Commissariaat voor de Media. Niettemin heeft de ondernemingsraad zich begin 2020 op het standpunt gesteld [H] en [I] zonder externe werving (her)benoemd zouden moeten worden als bestuurders en vervolgens in dat standpunt volhard (zie 2.11). Het enkele feit dat beiden in de ogen van de ondernemingsraad goed functioneerden biedt voor die opstelling geen toereikende verklaring. Van aanvang aan was immers duidelijk dat hun benoeming tijdelijk, tot 1 juli 2020 zou zijn in afwachting van de besluitvorming over de inrichting van de topstructuur. Bovendien konden [H] en [I] vanzelfsprekend deelnemen – zoals zij ook hebben gedaan – aan de sollicitatieprocedure, ook in geval van een openbare werving.
3.24
In zijn open brief van 30 juni 2020 reageerde de ondernemingsraad geagiteerd op het bericht van de raad van commissarissen dat advies zou worden gevraagd over de benoeming van een bestuurder met de portefeuille ‘strategisch commercieel’ ( [A] ) en dat geen geschikte kandidaat was gevonden voor de functie van bestuurder met het profiel ‘strategisch operationeel’ (zie 2.13). Deze reactie is niet goed te begrijpen tegen de achtergrond van het feit dat de beoogde benoeming van [H] als tweede bestuurder vooralsnog was afgestuit op de wens van [H] om op basis van een managementovereenkomst en niet op basis van een arbeidsovereenkomst te worden benoemd. Indien dat laatste bij de ondernemingsraad toen niet bekend was, dringt de vraag zich op waarom de ondernemingsraad voorafgaand aan het uiten van een publiek standpunt geen navraag heeft gedaan bij de raad van commissarissen; indien de ondernemingsraad daarvan wel op de hoogte was, is zijn open brief van 30 juni 2020 onoprecht.
3.25
De sommatie van de ondernemingsraad aan de raad van commissarissen om de benoeming van [A] in te trekken (zie 2.16), was gebaseerd op het standpunt dat de raad van commissarissen in strijd had gehandeld met de op 4 juli 2020 gemaakte afspraken over het aanhouden van de desbetreffende adviesaanvraag. Wat er ook zij van de juistheid van dat standpunt, de Ondernemingskamer kan de ondernemingsraad niet volgen in zijn daarop gebaseerde weigering om, hangende het kort geding tegen de raad van commissarissen, te weigeren informeel kennis te maken met [A] (zie 2.16). Nadat de ondernemingsraad dat kort geding op 9 oktober 2020 had verloren (zie 2.17), had het op zijn weg gelegen om alsnog met welwillendheid te streven naar constructieve samenwerking met [A] . Een poging daartoe heeft de Ondernemingskamer in de stukken niet gezien. Wel heeft de ondernemingsraad op 14 oktober 2020 op belerende toon alsnog geadviseerd over de benoeming van [A] en kennelijk met zijn advies onmiddellijk de publiciteit gezocht (zie 2.17).
3.26
Nog bedenkelijker is dat, naar het zich laat aanzien, de voorzitter van de ondernemingsraad betrokken is geweest bij het incident op 24/25 oktober 2020 (zie 2.18). Het opnieuw aanbrengen van de tekst “Wij willen onze directie terug”, bijna vier maanden na het vertrek van [H] en [I] , zes weken nadat [A] was benoemd als bestuurder en twee weken nadat de voorzieningenrechter de ondernemingsraad in het ongelijk had gesteld, getuigt niet van een constructieve opstelling. Het grote zwarte kruis, dat in hetzelfde weekend door een onbekende op het raam van de werkkamer van [A] is geplakt, is, anders dan de ondernemingsraad ter zitting aanvoerde, geen redelijke of begrijpelijke vorm van protest, maar een pesterij waarvoor in een professionele werkomgeving geen plaats is.
3.27
Het is merkwaardig dat de ondernemingsraad niet is ingegaan op de uitnodiging van de raad van commissarissen op 24 december 2020 voor een open gesprek (zie 2.21). Het argument van de ondernemingsraad dat de raad van commissarissen eerst met het personeel zou moeten praten, overtuigt niet, omdat de ondernemingsraad voorafgaand aan deze uitnodiging (en overigens ook nadien) bij herhaling stelde namens (de overgrote meerderheid van) het personeel te spreken (zie bijvoorbeeld 2.13) en de ondernemingsraad ter zitting heeft gezegd dat tot haar werkwijze behoort dat zij intensief contact onderhoudt met zijn achterban.
3.28
De reactie van de ondernemingsraad op het concept-privacyreglement en het concept-Beleid e-mail, internet, social media gebruik is onnavolgbaar. Op de voet van artikel 27 lid 1, aanhef en sub k WOR behoefde [A] als bestuurder van L1 de instemming van de ondernemingsraad voor een besluit tot vaststelling van deze reglementen. Het concept-Beleid e-mail, internet, social media gebruik vermeldt dat ook met zoveel woorden (zie 2.23). Bovendien ontbreekt binnen L1 een regeling over dit onderwerp en had de ondernemingsraad op 9 december 2020 aan [A] laten weten te hechten aan overleg over een te implementeren privacyreglement. In lijn hiermee waren de concepten ook uitdrukkelijk ter commentaar aan de ondernemingsraad toegezonden. Het had dan ook op de weg van de ondernemingsraad gelegen zich een eigen oordeel te vormen over de concept-reglementen, zich desgewenst te voorzien van eigen juridisch advies, de bestuurder waar nodig te vragen om opheldering en bezwaren kenbaar te maken. Vervolgens had kunnen blijken of de ondernemingsraad, al dan niet na aanpassing van de concepten, daarmee had kunnen instemmen. In plaats van dit alles heeft de ondernemingsraad de concept-reglementen aan de hoofdredactie voorgelegd, waarna de hoofdredactie verontwaardigd op de concepten heeft gereageerd (zie 2.29), gevolgd door negatieve publiciteit (zie 2.30).
3.29
De hierboven weergegeven overwegingen leiden tot het oordeel dat er reden is te twijfelen aan het functioneren van de ondernemingsraad. Het door de Ondernemingskamer te gelasten onderzoek zal daarop dan ook mede betrekking hebben.
3.30
Artikel 20 lid 1 WOR houdt – voor zover hier van belang – in dat de leden van de ondernemingsraad verplicht zijn tot geheimhouding van alle bedrijfsgeheimen die zij in hun hoedanigheid vernemen alsmede van alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de ondernemer hun geheimhouding heeft opgelegd of waarvan zij het vertrouwelijk karakter moeten begrijpen. De Ondernemingskamer zal het verzoek van L1 om bij wijze van onmiddellijke voorziening de leden van de ondernemingsraad te veroordelen deze wettelijke verplichting na te komen op straffe van een dwangsom niet toewijzen. Niet gebleken is dat L1 aan de leden van de ondernemingsraad ten aanzien van bepaalde informatie geheimhouding heeft opgelegd en SOL en L1 hebben niet beargumenteerd dat de leden van de ondernemingsraad hadden moeten begrijpen dat het concept-privacyreglement een vertrouwelijk karakter had. Voor zover het in 1.2 sub b genoemde verzoek van SOL dezelfde strekking heeft, is het daarom evenmin toewijsbaar. Voor zover dat verzoek een bredere strekking heeft, is het te onbepaald om toe te wijzen.
3.31
De Ondernemingskamer zal het verzoek van L1 om [F] te schorsen als voorzitter (niet als lid) van ondernemingsraad en een tijdelijk voorzitter van de ondernemingsraad te benoemen niet toewijzen. Deze voorziening zou, gelet op de aard van de ondernemingsraad als gekozen medezeggenschapsorgaan, zeer ingrijpend zijn en om die reden in dit stadium te verstrekkend.
3.32
Ter zitting hebben [F] en [G] verklaard dat indien geoordeeld mocht worden dat hun functioneren als voorzitter respectievelijk vicevoorzitter van de ondernemingsraad heeft bijgedragen aan de problemen van L1, zij hun positie graag ter beschikking stellen. [F] en [G] maken, zoals ter sprake kwam ter zitting, al meer dan 20 jaar deel uit van de ondernemingsraad. Onervarenheid kan dus niet de verklaring zijn voor de onprofessionele opstelling van de ondernemingsraad. De Ondernemingskamer verwacht dat een wijziging van de samenstelling van de ondernemingsraad inderdaad kan bijdragen aan het verbeteren van het functioneren van de ondernemingsraad. Die wijziging zou bij voorkeur tot stand gebracht moeten worden door verkiezingen, al dan niet te organiseren als de bevindingen van het door de Ondernemingskamer te gelasten onderzoek bekend zijn en het stof enigszins is neergedaald.
De rol van de hoofdredacteur en de hoofdredactie
3.33
[B] is al (bijna) 30 jaar hoofdredacteur van L1 en haar voorganger Omroep Limburg. Enig inzicht in de feitelijke rol en positie van [B] binnen L1 bieden de verklaringen van de in 2.33 bedoelde medewerkers, van [J] (zie 2.34), van [K] (zie 2.36) en van de drie anonieme medewerkers aangehaald in 2.39. Uit die verklaringen komt onder meer het volgende naar voren:
- -
[B] heeft binnen L1 al jarenlang een dominantie positie, als hoofdredacteur en als lid van het MT;
- -
binnen L1 is geen of weinig ruimte voor andere opvattingen dan die van de hoofdredactie;
- -
[B] heeft zich vanaf 30 juni 2020 actief bemoeid met het organiseren van verzet binnen L1 tegen de benoeming van [A] ;
- -
[B] bemoeit zich intensief met het sturen van de publiciteit over het conflict met [A] en de raad van commissarissen.
Met dit beeld strookt dat L1 binnenskamers wel wordt aangeduid als ‘ [M] ’ en [B] als ‘ [N] ’. Veelzeggend voor de positie die [B] meende te kunnen innemen in het MT acht de Ondernemingskamer het feit dat [B] een spotprent van [A] tijdens een digitaal overleg in februari 2021 duidelijk zichtbaar achter zich had opgehangen.
3.34
De statutaire zeggenschap van de hoofdredacteur over het media-aanbod en de beschermde positie van de hoofdredacteur zijn van groot belang ter waarborging van de publieke functie van L1. Die publieke functie vergt dat de hoofdredacteur er voor zorgdraagt dat journalistieke berichtgeving fair is en niet wordt beïnvloed door oneigenlijke motieven. Het valt op dat in het conflict met [A] door de ondernemingsraad en/of de hoofdredactie van L1 steeds publiciteit wordt gezocht en dat de berichtgeving steeds sterk gekleurd en op onderdelen feitelijk onjuist is. De Ondernemingskamer verwijst in het bijzonder naar:
- -
de publiciteit over het advies van de ondernemingsraad over de benoeming van [A] tot bestuurder (zie 2.17);
- -
de publiciteit naar aanleiding van het incident op 24/25 oktober 2020 (zie 2.18);
- -
de publiciteit over de brief van 23 januari 2021 (zie 2.25);
- -
de publiciteit over het concept-privacyreglement (zie 2.30);
- -
de publiciteit over het overleg tussen de raad van commissarissen en de ondernemingsraad op 3 februari 2021 (zie 2.30).
3.35
De in 2.31 beschreven gang van zaken geeft zelfs aanleiding voor ernstige twijfel aan de journalistieke integriteit van de hoofdredactie. Uit die gang van zaken lijkt immers te volgen dat de leden van hoofdredactie de inhoud en timing van de berichtgeving – in dat geval over de intrekking van het concept-privacyreglement – laten bepalen door hun expliciete doel: het vertrek van [A] als bestuurder. Een andere verklaring is door geen van betrokkenen genoemd, ook niet in antwoord op een daarop gerichte vraag ter zitting. De op de dag van de zitting door de redactie op de website van L1 gepubliceerde mededeling dat [A] verborgen camera’s wilde laten ophangen op onder meer de redactie (zie 2.41) kan in gemoede niet worden aangemerkt als oprecht. Ook hier lijken persoonlijke motieven van redacteuren het gewonnen te hebben van journalistieke professionaliteit. De Ondernemingskamer ziet daarom aanleiding om het functioneren van de hoofdredactie en van de hoofdredacteur in het bijzonder te betrekken in het onderzoek.
3.36
Tijdens de zitting heeft de Ondernemingskamer ter sprake gebracht of het belang van L1 gediend zou zijn bij een (tijdelijk) terugtreden van [B] als hoofdredacteur. Gelet op de statutaire bevoegdheden van de hoofdredacteur (zie 2.7) is deze te beschouwen als orgaan van SOL en daaruit volgt reeds dat de Ondernemingskamer [B] als hoofdredacteur (niet als werknemer) bij wijze van onmiddellijke voorziening zou kunnen schorsen voor de duur van de procedure. De Ondernemingskamer kan meer of andere onmiddellijk voorzieningen treffen dan zijn verzocht, maar in dit geval acht de Ondernemingskamer van belang dat geen van partijen uitdrukkelijk heeft verzocht [B] te schorsen. Voorts heeft [B] op zichzelf terecht naar voren gebracht dat hij door de raad van commissarissen en de bestuurder niet recent is aangesproken op zijn functioneren. Tenslotte weegt de Ondernemingskamer mee dat de raad van commissarissen bevoegd is tot ontslag van de hoofdredacteur, met dien verstande dat de mediaraad en de redactieraad daarover te voren kunnen adviseren en de mediaraad het ontslag om zwaarwegende redenen kan afwijzen (artikel 22 van de statuten). Vooralsnog is niet gebleken dat die weg onbegaanbaar is. De Ondernemingskamer zal [B] daarom thans niet schorsen als hoofdredacteur.
Timing en reikwijdte van het onderzoek
3.37
De Ondernemingskamer zal een onderzoek gelasten naar het beleid en de gang van zaken van SOL, Televisiebedrijf en Omroepbedrijf. Onder het beleid en de gang van zaken van de laatstgenoemde vennootschappen is mede begrepen het beleid en de gang van zaken van Reclamemaatschappij (artikel 2:345 lid 1, slotzin BW).
3.38
De ondernemingsraad heeft verzocht de benoeming van de onderzoeker (en daarmee het onderzoek zelf) vooralsnog voor de duur van drie maanden aan te houden om te bezien of de benoeming van een tijdelijk bestuurder (wat de ondernemingsraad betreft in combinatie met schorsing van [A] ) reeds kan leiden tot sanering van de verhoudingen binnen L1.
3.39
Dat is geen goed idee. Uit de overwegingen van de Ondernemingskamer volgt dat vooralsnog niet kan worden aangenomen dat de problemen binnen L1 zijn veroorzaakt door het functioneren van [A] of kunnen worden opgelost door hem te schorsen als bestuurder. De problemen hebben, naar het zich laat aanzien, een andere, dieperliggende oorzaak, die mede verband houdt met het functioneren van de ondernemingsraad, de hoofdredactie en in het bijzonder de hoofdredacteur en de interne cultuur van en de informele machtsverhoudingen binnen L1. Een onderzoek naar die dieperliggende oorzaak is noodzakelijk om de geledingen van L1, met behulp van de bevindingen van het onderzoek, in staat te stellen zelf orde op zaken te stellen en/of de Ondernemingskamer te verzoeken nadere voorzieningen te treffen. De door de Ondernemingskamer te benoemen bestuurder heeft niet de taak en de bevoegdheden om diepgravend onderzoek te doen. Met het onderzoek kan dus niet gewacht worden. Dat dit kosten met zich meebrengt is te betreuren, maar die kosten zijn in de gegeven omstandigheden noodzakelijk.
3.40
Het onderzoek zal betrekking hebben op het functioneren van alle geledingen van L1, in het bijzonder de raad van commissarissen, het bestuur, de ondernemingsraad en de hoofdredactie. Het onderzoek zal betrekking hebben op de periode vanaf 1 juli 2019, de datum waarop de statuten van SOL zijn gewijzigd, de huidige raad van commissarissen is aangetreden en [H] en [I] zijn benoemd tot bestuurders van SOL.
3.41
De Ondernemingskamer zal het bedrag dat het onderzoek maximaal mag kosten niet meteen vaststellen. De Ondernemingskamer zal de onderzoeker vragen om binnen vier weken een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens het onderzoeksbudget vaststellen.
3.42
SOL heeft bij de mondelinge behandeling voorgesteld dat de Ondernemingskamer een onmiddellijke voorziening treft met het oog op de vertrouwelijkheid van het onderzoek. De Ondernemingskamer ziet daarvoor vooralsnog onvoldoende aanleiding nu de wet (artikel 2:351 lid 4 BW) voorschrijft dat het een ieder is verboden om mededelingen te doen uit de inhoud van het concept-onderzoeksverslag of delen daarvan die hem in het kader van hoor en wederhoor zijn voorgelegd. Voor het overige ligt het op de weg van de onderzoeker om in het op te stellen plan van aanpak aandacht te besteden aan het waarborgen van de vertrouwelijkheid gedurende het onderzoek.
Slotsom en kosten
3.43
De slotsom is dat de Ondernemingskamer een onderzoek zal gelasten naar het beleid en de gang van zaken binnen L1 over de periode vanaf 1 juli 2019. Daarnaast zal de Ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorzieningen een tijdelijk bestuurder benoemen naast [A] en een tijdelijk commissaris met beslissende stem binnen de raad van commissarissen.
3.44
Omdat de door partijen gemaakte kosten op grond van de hoedanigheid van partijen ten laste komen van L1, is er geen reden voor een proceskostenveroordeling.
4. De beslissing
De Ondernemingskamer:
beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Stichting Omroep Limburg, Televisiebedrijf Limburg B.V. en Omroepbedrijf Limburg B.V. over de periode vanaf 1 juli 2019;
benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon om het onderzoek te verrichten;
houdt in verband met het bepaalde in rechtsoverweging 3.41 de vaststelling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten aan;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Stichting Omroep Limburg, Televisiebedrijf Limburg B.V. en Omroepbedrijf Limburg B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;
benoemt mr. M.M.M. Tillema tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;
benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure – voor zover nodig in afwijking van de statuten van Stichting Omroep Limburg – een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van Stichting Omroep Limburg;
benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure – voor zover nodig in afwijking van de statuten van Stichting Omroep Limburg – een commissaris van Stichting Omroep Limburg en bepaalt dat deze commissaris binnen de raad van commissarissen een beslissende stem heeft;
bepaalt dat het salaris en de kosten van de bestuurder en de commissaris ten laste komen van Stichting Omroep Limburg en bepaalt dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder en de commissaris zekerheid dienen te stellen vóór de aanvang van de werkzaamheden;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en prof. drs. E. Eeftink RA en dr. M.J.R. Broekema, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2021.