Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/8.2.3.4
8.2.3.4 Afwijkende opvattingen ten aanzien van schuldoverneming en afstand van recht
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584862:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Wibier 2008c.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773; en T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 575.
Zie Rongen 2002b, p. 282-283. Zie in dezelfde zin t.a.v. achterstelling, afstand van voorrang en verhaalsrecht Rongen 2002b, p. 294-296.
Zie Rongen 2002b, p. 283-284: 'Evenals beslag leidt de verpanding van een vordering tot een zekere blokkering van de beschikkingsmacht van de pandgever. Door middel van de verpanding 'bewaart' de pandhouder bij voorbaat zijn verhaalsrecht met betrekking tot de verpande vordering. Deze fixerende werking brengt met zich mee dat de pandgever geen rechtshandelingen meer kan verrichten, die de verhaalswaarde van het pandrecht verminderen of die, zoals in het geval van afstand, het pandrecht zelfs geheel teniet doen. Dit rechtsgevolg van de verpanding laat zich naar mijn mening goed verklaren aan de hand van het absolute karakter van het pandrecht als goederenrechtelijk recht.'
De pandhouder zou beter worden beschermd als de regeling van pand een bepaling zou bevatten op grond waarvan de pandgever alleen gezamenlijk met de pandhouder( s) bevoegd is om dergelijke beschikkingshandelingen te verrichten die het volledige goed betreffen (vgl. art. 3:207 lid2 BW). De pandhouder zou daardoor bovendien beschermd worden tegen ook andere beschikkingshandelingen dan alleen het doen van afstand van recht waar Rongen zich op richt. Een dergelijke bepaling ontbreekt in de regeling van pand. Maar dat is naar mijn mening ook terecht. Een dergelijke bepaling zou voorbij schieten in de bescherming van de pandhouder en de regeling van pand nodeloos ingewikkeld maken.
Zie Verdaas 2008a, nr. 350-351, waarbij het mij onduidelijk is welke betekenis hij precies toekent aan het doen van mededeling: 'Anders dan Rongen meen ik dat aan een pandrecht op een vordering deze fixerende werking eerst toekomt vanaf het moment dat daarvan mededeling is gedaan aan de schuldenaar. Met Rongen meen ik echter dat afstand van een vordering [ ... ] ook niet aan de pandhouder kan worden tegengeworpen als het pandrecht op het moment waarop afstand wordt gedaan nog een stil pandrecht is, om de genoemde reden dat het doen van afstand het oudere goederenrechtelijke recht van de pandhouder in beginsel onaangetast laat.'
Zie Verdaas 2008a, nr. 356. Volgens Verdaas blijft de pandgever (m.i. terecht) ook tot ontbinding bevoegd, zie Verdaas 2008a, nr. 339 en hierna nr. 520.
Zie Verdaas 2008a, nr. 446.
Vgl. Verdaas 2008a, nr. 445.
Vgl. Loesberg 2001, p. 241.
474. Wibier verdedigt dat de openbaar pandhouder en vruchtgebruiker op grond van hun inningsbevoegdheid bevoegd zijn om toestemming te verlenen aan een schuldoverneming.1 Deze zienswijze is naar mijn mening geen geldend recht. Blijkens de parlementaire geschiedenis is de pandgever hiertoe met uitsluiting van de pandhouder bevoegd, en zijn in beginsel alleen de hoofdgerechtigde en de vruchtgebruiker hiertoe tezamen bevoegd.2 Anders dan Wibier meent, is de bevoegdheid om toestemming te verlenen aan een schuldoverneming in beginsel niet dienstig aan de inning van de vordering. Door de schuldoverneming gaan bijvoorbeeld een derdenpand en derdenhypotheek, alsmede de rechten uit borgtocht teniet, tenzij de pand- of hypotheekgever of borg tevoren in handhaving heeft ingestemd (art. 6:157 lid 2 BW). Door schuldoverneming kan schuldeiser ook een minder solvabele schuldenaar krijgen. Dit is niet dienstig aan de inning van de vordering. De bevoegdheid om toestemming te verlenen aan schuldoverneming verschilt principieel van de in hoofdstuk 3 en 4 behandelde inningsbevoegdheid en zekerheidsrechten, waarvan de uitoefening wel dienstig is aan de inning van de vordering.
Rongen betwijfelt of de actio Pauliana de pandhouder voldoende bescherming biedt tegen beschikkingshandelingen van de pandgever die het recht van de pandhouder aantasten.3 Om die reden verdedigt hij dat art. 475h Rv ook voor verpanding geldt (of zou moeten gelden): door de verpanding wordt de pandgever (kort gezegd) 'onbevoegd' tot het doen van afstand van de vordering.4Blijkens de parlementaire geschiedenis is de pandhouder voor zijn bescherming echter aangewezen op art. 3:45 BW. Uit de wettelijke regeling en de parlementaire geschiedenis volgt dat dit een bewuste keuze van de wetgever is geweest. De opvatting (of de wens) van Rongen is dan ook geen geldend recht.5
Verdaas neemt ten aanzien van onderhavige beschikkingshandelingen verschillende standpunten in. Ten aanzien van afstand van recht lijkt Verdaas, met enige kanttekeningen, het stand punt van Rongen te volgen: de pandgever mist volgens hem de bevoegdheid om afstand te doen van de vordering voor zover daardoor het pandrecht tenietgaat (zie hiervoor).6 Tot schuldwijziging blijft de pandgever volgens Verdaas met uit sluiting van de pandhouder bevoegd.7 Dit stand punt is naar mijn mening juist, met dien verstande dat de pandhouder de schuldwijziging zo nodig kan vernietigen met een beroep op de actio Pauliana (art. 3:45 BW). Ten aanzien van een schikking verdedigt Verdaas dat de pandgever de pandhouder niet kan binden aan een vaststellingsovereenkomst als de pandhouder inningsbevoegd is. Dit vloeit niet voort uit de 'fixerende werking van het pandrecht', maar heeft volgens Verdaas als reden dat de bevoegdheid van de pandgever om te schikken zich niet verdraagt met de inningsbevoegdheid van de pandhouder.8 De pandhouder en de pandgever zijn volgens Verdaas alleen gezamenlijk tot een schikking bevoegd. Deze zienswijze is naar mijn mening geen geldend recht. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de pandgever bevoegd blijft om een schikking aan te gaan. Bevoegdheden waardoor rechten kunnen worden prijsgegeven, dienen niet ( exclusief) aan de pandhouder toe te komen. Zij dienen ook niet aan de pandgever te worden ontnomen met het argument dat een ander, de pandhouder, bevoegd is om de vordering te innen. De inningsbevoegde pandhouder dient aan de pandgever toestemming te vragen om een schikking aan te gaan.9 In een faillissement van de pandgever zal de openbaar pandhouder voor een schikking met de curator dienen te overleggen, die op zijn beurt het advies van de commissie uit de schuldeisers dient in te winnen en de goedkeuring van de rechter-commissaris dient te verkrijgen (art. 104 Fw), voordat hij zijn toestemming aan de pandhouder kan geven.10