Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/8.2.3.1
8.2.3.1 Beschikkingshandelingen, soms (ook) beheershandelingen
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583658:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Betoogd wordt dat de stille cedent in beginsel het beheer over de vordering heeft. Zie hiervóór nr. 52-54.
Zie voor kwijtschelding (afstand om niet), schuldvernieuwing (afstand om baat), schuldwijziging, inbetalinggeving en uitstel van betaling: T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 128. Vlg. ook M.v.A, Parl. Gesch. Boek 6, p. 129. Zie voor schuldoverneming: T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 575, laatste alinea. Zie o.a. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 140: 'Onder beschikkingshandelingen vallen bijvoorbeeld cessie, afstand, toestemming tot schuldoverneming, de aanvaarding van een inbetalinggeving, opzegging en ontbinding van een overeenkomst ... ' Zie voor schuldoverneming: Verhoeven 2002, p. 270. Zie voor een beding van onoverdraagbaarheid: Wiarda 1937, p. 370. Zie voor afstand van recht, Asser/Kortmann 5-III 1994, nr. 168; en (in het kader van art. 1:441 lid 2 BW) Schols, Blankman & Vegter 2004, p. 101. Voor afstand van beperkte rechten volgt dit uit art. 3:98 jo 3:84 lid 1 BW. Reehuis schrijft ook dat het opmerkelijk is dat de wijziging van een beperkt recht niet in art. 3:98 BW wordt genoemd. Volgens Reehuis is de wijziging een combinatie van afstand en vestiging. Zie Reehuis 2004, nr. 16.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 657; M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 650. Vgl. V.V. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 661.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 129. Vgl. ook M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 588-589; en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 138, waar het verlenen van uitstel van betaling als een beheershandeling en het omzetten van de vordering in één tot vervangende schadevergoeding ook als mogelijke beheershandelingen worden genoemd.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 656. Vgl. voorts schikkingen in het kader van een procedure ex art. 3:218 BW, waartoe alleen de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde gezamenlijk bevoegd zijn. Zie nader hieronder.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 657; vgl. hierover (kort) M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 650. Vgl. ook de vraag in het V.V. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 661.
Zie hiervóór nr. 46-48 en nr. 427-430.
Zie art. 3:207 lid 2 BW (de vruchtgebruiker); art. 3:170 lid 2 BW (de gezamenlijke deelgenoten of de krachtens een beheersregeling beheersbevoegde deelgenoot); art. 1:438 lid 1 BW, art. 4:166 BW (de bewindvoerder); art. 25 lid 2 Wn (de rekeninghouder van de kwaliteitsrekening); art. 68 Fw (de curator); art. 4:211 lid 1 BW (de vereffenaar); art. 4:145 lid 1 BW (de executeur). Zie hiervóór nr. 47-48 en 429.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773.
De bevoegde derde dient overigens met de belangen van andere personen dan de rechthebbende rekening te houden. Bijvoorbeeld, doet een curator afstand van een vordering waarop een pandrecht rust, dan kan hij (in persoon of in hoedanigheid) aansprakelijk zijn jegens de pandhouder op grond van onrechtmatige daad. Vgl. Hof Arnhem 11 juli 2006, JOR 2006/302.
Zie voor de afstand van de vordering, M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek3, p. 657 en p. 661; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 319. Art. 3:212 lid 2 BW heeft blijkens de parlementaire geschiedenis alleen betrekking op vervreemden en bezwaren, niet (ook) op andere beschikkingshandelingen. Zie O.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 659; en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 660. Zie voor schuldovememing, Verhoeven 2002, p. 270; en vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 301 jo 319.
Zie voor vruchtgebruik (kwijtschelding), M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 657; en zie voor gemeenschap (kwijtschelding, schuldvernieuwing, schuldwijziging, inbetalinggeving en uitstel van betaling), T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 128.
Zie T.M., V.V. II en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 510 e.v.
Bij het testamentair bewind dat is ingesteld ten behoeve van een ander dan de rechthebbende, is ook diens toestemming vereist en kan diens toestemming ook worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter, zie art. 4:169 lid 2 en 3 BW. Vgl. voorts Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1160 e.v.
De schuldenaar kan in faillissement een akkoord aanbieden (art. 138 Fw). Dit heeft echter (hoofdzakelijk) betrekking op de schulden van de gefailleerde. Zie voor rechtspraak over schikkingen aangegaan door curatoren o.a. HR 29 september 1995, NJ 1998, 81, m.nt. CJHB; HR 11 februari 2005, NJ 2005,442, m.nt. DA.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 772-773, waar staat dat de pandhouder niet bevoegd is tot ''het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en dergelijke handelingen.' Volgens de wetgever dient de bevoegdheid tot het verrichten van dergelijke rechtshandelingen die de rechten en belangen van de pandgever diepgaand treffen, bij de pandgever te blijven. De pandhouder is volgens de wetgever alleen in het aan hem verpande geïnteresseerd, voor zover dit hem zijn vordering waarborgt. Slechts bevoegdheden die dit belang dienen, behoren hem mitsdien te worden toegekend.' Zie met betrekking tot de pandhouder (afstand van recht), Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11* 2009, nr. 319; Vander Grinten 1993b, p. 458; Verdaas 2008a, nr. 350 en nr. 351, eerste alinea en vgl. nr. 353 (behoudens diens relativering van zijn stand punt in de tweede alinea van nr. 351, waarover hieronder); en met betrekking tot de pandhouder (schikking), Verdaas 2008a, nr. 444-445, en vgl. nr. 447. De onderbouwing van zijn standpunt verdient overigens geen navolging. Verdaas meent dat een schikking geen beheersdaad kan zijn, en dat de pandhouder om die reden hiertoe niet bevoegd is. Een pandhouder is echter niet beheersbevoegd, terwijl juist beschikkingshandelingen zoals schikking en afstand om niet, ook beheershandelingen kunnen zijn. Zie hiervóór nr. 468. Zie voor schuldoverneming, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11* 2009, nr. 301 en 319; Verhoeven 2002, p. 270.
468. Uit het voorgaande volgt dat in beginsel de stille cessionaris bevoegd is tot het verrichten van de genoemde rechtshandelingen. Het is de vraag in hoeverre de inningsbevoegde stille cedent bevoegd dient te zijn tot het verrichten van dergelijke rechtshandelingen, en, in dat verband, of het verschil maakt of aan de stille cedent het beheer over de vordering is toegekend of dat voor de omvang van de aan hem toegekende bevoegdheden aansluiting wordt gezocht bij de bevoegdheden van de pandhouder.1
Het doen van afstand van recht, achterstellen, schikken, schuldwijziging, het verlenen van toestemming aan inbetalinggeving, het verlenen van uitstel van betaling, het bekrachtigen van een betaling aan een inningsonbevoegde en het verlenen van toestemming aan betaling in gedeelten en het verlenen van toestemming aan schuldoverneming zijn beschikkingshandelingen van de schuldeiser jegens de schuldenaar.2 Deze beschikkingsdaden zijn blijkens de parlementaire geschiedenis in de regel geen beheersdaden, maar kunnen dat onder omstandigheden wel zijn.3 Zo wordt bijvoorbeeld opgemerkt dat de vruchtgebruiker bevoegd is tot kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling "en dergelijke handelingen", zolang dit dienstig is aan een goed beheer van de vordering;4 dat het niet is uitgesloten dat een uitstel van betaling in de gegeven omstandigheden als een beheershandeling moet worden beschouwd;5 dat een goed beheer kan meebrengen dat een vordering op een schuldenaar die geen verhaal biedt, of niet dan na een uitvoerige procedure met onzekere afloop tot betaling kan gedwongen, juist niet wordt geïnd, maar afgeschreven;6 en dat het niet licht zal voorkomen dat kwijtschelding van een aan vruchtgebruik onderworpen vordering tot een goed beheer dienstig kan worden geacht.7 Kortom, de genoemde handelingen zijn beschikkingshandelingen die in de regel niet dienstig zullen kunnen zijn aan een goed beheer van de vordering, maar die dat onder omstandigheden, als uitzondering op de regel, wel kunnen zijn, en dan óók als beheershandelingen dienen te worden aangemerkt.
469. Als een van de hiervoor genoemde beschikkingshandelingen in een bepaald geval dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering, is een beheersbevoegde derde tot het verrichten van deze rechtshandeling bevoegd. Buiten deze gevallen is sprake van een beschikkingshandeling die geen beheershandeling is. De beheersbevoegde derde is dan alleen met toestemming of met medewerking van de rechthebbende dan wel met machtiging van de kantonrechter bevoegd. Derden die de beheersbevoegdheid niet hebben, zoals een pandhouder en een beslaglegger, zijn tot het verrichten van deze handeling in het geheel niet (zelfstandig) bevoegd.8
De vruchtgebruiker, de bewindvoerder, de curator, de vereffenaar, de executeur en de rekeninghouder van een kwaliteitsrekening zijn beheersbevoegd.9 Is het doen van afstand van recht, het achterstellen, het treffen van een schikking, een schuldwijziging, het verlenen van uitstel van betaling, het bekrachtigen van een betaling aan een inningsonbevoegde of het verlenen van toestemming aan een inbetalinggeving of een schuldoverneming aan te merken als een beheershandeling, dan zijn zij hiertoe bevoegd. Zo volgt bijvoorbeeld uit de parlementaire geschiedenis bij art. 3:246 BW dat de vruchtgebruiker bevoegd is tot "kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en dergelijke handelingen", zolang dit dienstig is aan een goed beheer van de vordering.10 Ook art. 1:345 lid 3 BW (voogdijbewind) past in deze sleutel: de bewindvoerder behoeft voor het aangaan van een overeenkomst tot beëindiging van een geschil waarbij de minderjarige is betrokken, geen machtiging indien de overeenkomst als een beheersdaad is te beschouwen.11
Kunnen de desbetreffende beschikkingshandelingen niet als beheershandelingen worden aangemerkt, dan is de vruchtgebruiker hiertoe alleen met medewerking van de hoofdgerechtigde bevoegd (art. 3:207 lid 2 BW);12 zijn de deelgenoten hiertoe alleen gezamenlijk bevoegd (art. 3:170 lid 3 BW); en is de bewindvoerder hiertoe alleen bevoegd met toestemming of medewerking van de rechthebbende of met machtiging van de kantonrechter (art. 1:345 lid 1 BW; art. 1:441 lid 2 sub a BW; art. 3.6.1.5 Ontw.BW; art. 4:167 lid 1 jo 4:169 lid 1 sub a en lid 3 BW en art. 4:166 BW; zie ook art. 4:169 lid 2 BW). Wordt een beschikkingshandeling alleen door de vruchtgebruiker of de hoofdgerechtigde verricht of alleen door een der deelgenoten terwijl de beschikkingshandeling op grond van art. 3:207 lid 2 BW of art. 3:170 lid 3 BW gezamenlijk had moeten worden verricht, dan is of zijn blijkens de parlementaire geschiedenis de andere perso(o)n(en) hieraan niet gebonden. Hij kan of zij kunnen de schuldenaar alsnog voor het gehele bedrag van de vordering aanspreken.13
Overigens behoeft de bewindvoerder steeds toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor het aangaan van een vaststellingsovereenkomst, tenzij het gaat om overeenkomst tot beëindiging van een geschil als bedoeld in art. 87 Rv (schikkingscomparitie) of tenzij het voorwerp van het geschil een waarde van 700 euro niet te boven gaat (art. 1:441 lid 2 sub e BW; art. 3.6.1.5 lid 2 sub e Ontw.BW; en art. 4:169 lid 1 sub c BW}.14 Een uitzondering zoals in art. 1:345 lid 3 BW (minderjarigenbewind}, namelijk dat de bewindvoerder de machtiging niet nodig heeft als het aangaan van de overeenkomst als een beheersdaad is te beschouwen, ontbreekt opmerkelijk genoeg in deze bepalingen. Indien het testamentair bewind is vastgesteld in het belang van een derde, is zijn toestemming ook nodig en kan zijn toestemming door machtiging van de kantonrechter worden vervangen (art. 4:169 lid 2 en 3 BW).15
Aan de curator, de vereffenaar en de executeur is de beschikkingsbevoegdheid als zodanig niet toegekend. De curator is, na ingewonnen advies van de commissie uit de schuldeisers, zo die er is, en onder goedkeuring van den rechter-commissaris, wel bevoegd om vaststellingsovereenkomsten of schikkingen aan te gaan (art. 104 Fw).16
Aan de pandhouder en de beslaglegger is op grond van de wet een aantal beperkt omschreven bevoegdheden toegekend. Daaronder vallen bijvoorbeeld voor de pandhouder wel de bevoegdheid tot overdracht in het kader van een parate executie en in voorkomende gevallen de bevoegdheid tot herverpanding, maar niet andere beschikkingshandelingen. De pandhouder en de beslaglegger zijn evenmin beheersbevoegd. Hieruit volgt dat zij niet bevoegd zijn tot het verrichten van de hiervoor genoemde beschikkingshandelingen, tenzij dit gebeurt met toestemming van de pandgever respectievelijk de geëxecuteerde.17