Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/4:4 De functie van het vertrouwensbeginsel: principieel, praktisch, ordenend
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/4
4 De functie van het vertrouwensbeginsel: principieel, praktisch, ordenend
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS459442:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel in de interstatelijke samenwerking kan in theorie zijn ingegeven door de verschillende functies die het vertrouwensbeginsel kan vervullen: de rol die het vertrouwen vervult en de reden waarom van vertrouwen moet worden uitgegaan. De vraag welke functie het vertrouwensbeginsel vervult, en of die functie altijd gelijk is of verschilt per de concrete vorm van samenwerking, is daarmee van belang voor de uitwerking van het vertrouwensbeginsel. Mede vanuit en afhankelijk van de functie die het vertrouwensbeginsel vervult, kan het vervolgens een concrete invulling krijgen.
Uitwerkingen van het vertrouwensbeginsel die voortkomen uit de principiële functie van het vertrouwensbeginsel zullen doorgaans minder snel kunnen variëren of veranderen. Waar bijvoorbeeld de berechting in geval van uitlevering ter fine van vervolging principieel wordt overgelaten aan de verzoekende staat – omdat dit nu eenmaal het principe is van dit rechtshulpinstrument – zal er niet snel aanleiding bestaan om die uitwerking van het vertrouwensbeginsel te heroverwegen. Bij praktisch en ordenend vertrouwen is dat anders. Als de praktische redenen om vertrouwen aan te nemen wijzigen, is er geen redenen om aan de bestaande invulling van het vertrouwensbeginsel vast te houden. Zo zijn er praktische redenen om een feitencomplex dat in de andere staat heeft plaatsgevonden beperkt te beoordelen, bijvoorbeeld omdat al het bewijsmateriaal zich in de andere staat bevindt. Wanneer echter de samenwerking tussen staten zou nauw wordt dat ook op dat punt zeer eenvoudig en efficiënt informatie kan worden uitgewisseld, verliezen de praktische overwegingen om de feiten die in een andere staat hebben plaatsgevonden, niet te beoordelen aan gewicht. Ordenend vertrouwen is verder, zoals hierna zal blijken, in beginsel ‘waardenneutraal’. De kerngedachte van ordenend vertrouwen is immers dat de rechtsstelsels van de samenwerkende staten in wezen inwisselbaar zijn en het om het even is in welke staat een bepaald aspect wordt getoetst of beoordeeld. Vervolgens zal die beoordeling daar plaatsvinden waar dit het eenvoudigst of meest efficiënt kan gebeuren. Ook bij die insteek is een gewijzigde invulling van het (ordenende) vertrouwen niet zonder meer bezwaarlijk.
Het belang van de dimensie van de functie van het vertrouwensbeginsel
Hetgeen in dit hoofdstuk wordt besproken, is van belang voor de verschillende momenten waarop het vertrouwensbeginsel werkt. Op het moment dat een verdragsrelatie gestalte krijgt, is het noodzakelijk te weten wat de achterliggende gedachte is van het aannemen van vertrouwen op een bepaald punt. Waarom wordt het vertrouwen verondersteld en in het verdrag ‘ingebakken’ (door de al dan niet dwingende formulering van de verplichting tot samenwerking en het al dan niet opnemen van voorwaarden en weigeringsgronden voor de samenwerking)? Is dat uit principiële overwegingen of spelen er praktische of ordenende afwegingen? Hoe overtuigend of dwingend zijn die praktische of ordenende afwegingen en in hoeverre kunnen zij in de toekomst veranderen? En als zij kunnen veranderen, hoe rigide moet het verdrag dan zijn geformuleerd?
Ook voor de bij een concreet geval van rechtshulp betrokken instanties is het noodzakelijk te weten wat de achtergrond is van het vertrouwen. Bij praktisch of ordenend vertrouwen is er veelal geen intrinsieke reden om zonder meer aan een bestaande uitwerking van het vertrouwensbeginsel vast te houden. Bij principieel vertrouwen is dat wel het geval, bijvoorbeeld om de soevereiniteit van de andere staat te respecteren of om het rechtshulpinstrument niet in de kern uit te hollen. Indien in een dergelijk geval geen daadwerkelijk vertrouwen bestaat, stelt dit al snel de rechtshulpverlening zelf ter discussie. Is er, in het eerder gegeven voorbeeld van uitlevering ter fine van vervolging, geen vertrouwen in de kwaliteit van de berechting na uitlevering, dan is de vraag of de uitlevering wel behoort te worden toegestaan. Uiteraard is daarmee niet gezegd dat de aangezochte staat verdragsrechtelijk ook de mogelijkheid heeft uitlevering daadwerkelijk te weigeren. Dit illustreert dat in een dergelijk geval het wantrouwen uiteindelijk de verdragsrelatie zelf raakt.
De functies van het vertrouwensbeginsel die hier centraal staan, sluiten elkaar over en weer niet ten principale uit. Vaak heeft een vorm van vertrouwen principiële kanten, maar spelen ook praktische en ordenende overwegingen mee. Soms werken zij in het verlengde van elkaar, maar zij kunnen ook tegengesteld werken. Bij uitlevering ter fine van vervolging zijn er bijvoorbeeld principiële redenen om de berechting aan de verzoekende staat te laten (omdat het nu eenmaal de kern van het instrument van uitlevering is dat de verzoekende staat de opgeëiste persoon berecht), maar ook praktische (omdat getuigen en bewijsmateriaal zich in de verzoekende staat bevinden). Maar bijvoorbeeld bij kleine rechtshulp kan het principieel vertrouwen, dat vanuit soevereiniteitsoverwegingen de toetsing van de opsporing op verzoek in een andere staat beperkt, anders werken dan ordenend vertrouwen, dat wellicht juist dicteert dat de rechter in de verzoekende staat die uiteindelijk over het feit heeft te oordelen, de bewijsgaring op verzoek in de andere staat ten volle toetst. In het navolgende zullen deze functies van het vertrouwen nader worden uitgediept en met voorbeelden worden geïllustreerd.
4.1 Vertrouwen als principieel beginsel4.2 Vertrouwen als praktisch beginsel4.3 Vertrouwen als ordenend beginsel4.4 Conclusie