Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/4.2
4.2 Vertrouwen als praktisch beginsel
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS453377:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie R. van Elst, ‘3. Rechtsmacht’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek Internationaal Strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 73-161, 94-101.
Artikel 79, eerste lid, aanhef en onder b, RO. Zie hierover A.-G. Machielse in zijn conclusie bij HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4640, onder 8.7: ‘Bovendien kan de beslissing van de Rechtbank in cassatie maar tot op zekere hoogte worden getoetst. Schending van het “recht van vreemde staten” kan immers ingevolge art. 79 lid 1 aanhef en onder b RO niet als schending van het recht tot cassatie leiden. Door de Wet van 20 juni 1963 (Stb. 1963, 272) is het recht van vreemde staten in art. 99 (oud) RO uitgezonderd. Aldus is de controle van de cassatierechter op de toepassing van vreemd recht beperkt tot het tegengaan van een kennelijk onjuiste beoordeling van vreemde rechtsstelsels door lagere rechters. De uitleg van vreemd recht door de lagere rechter kan door de Hoge Raad slechts op zijn begrijpelijkheid worden beoordeeld’ (voetnoot weggelaten, TK).
Zie ook J.M. Sjöcrona & A.M.M. Orie, Internationaal strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Kluwer 2002, p. 211. Het toepasselijke verdrag kan van dat uitgangspunt afwijken. In een dergelijk geval dient toetsing volledig plaats te vinden aan het recht van bijv. de forumstaat. In zo’n geval ligt het echter ook voor de hand dat de vreemde autoriteiten daar bij de uitvoering van het verzoek reeds rekening mee houden.
Zie HR 8 februari 2000, LJN AA4741, r.o. 3.3. en HR 15 oktober 2002, NJ 2003, 85, r.o. 3.3.1.
Zie par. 11.3.3.
HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169, m.nt. Schalken.
R.o. 4.4.1.
Zie HR 29 september 1987, NJ 1988, 302 en HR 25 juni 1996, NJ 1996, 715, r.o. 6.1.-6.5.
R.o. 4.4.2.
H. Sanders, Handboek Uitleverings- en Overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 52 resp. 49.
Art. 41-45 UW. Zie over de verkorte procedure bij uitlevering: H. Sanders, Handboek Uitleverings- en Overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 99-104.
In werkelijkheid zal dat doorgaans niet zo zijn doordat in dergelijke gevallen het adagium male captus bene detentus pleegt te worden toegepast: verzuimen in de uitleveringsprocedure staan niet in de weg aan gevangenhouding en verdere vervolging in de verzoekende staat.
Smeermiddel van interstatelijke samenwerking in strafzaken
Het vertrouwensbeginsel heeft ook een praktische functie. Het is voor de autoriteiten van de ene staat in veel gevallen niet eenvoudig inzicht te krijgen in het recht van een andere staat. Ook onttrekken de feitelijke gebeurtenissen in een andere staat zich veelal aan het oog van de autoriteiten van die ene staat. Het vertrouwensbeginsel wordt daarom ook vaak ingeroepen vanuit de gedachte dat moet worden voorkomen dat de autoriteiten en met name de rechter van een staat gedwongen worden tot een onmogelijke beoordeling van het recht van en de feiten die zich hebben afgespeeld in een vreemde staat. Men zou kunnen zeggen dat het vertrouwensbeginsel zoals hier aangehaald het smeermiddel is van de internationale samenwerking in strafzaken. Het doel daarvan – het vergemakkelijken, vervolledigen, eerlijker maken dan wel mogelijk maken van een afgeronde strafrechtelijke procedure in de ene staat door het verlenen van bijstand door de andere staat op één of meer van de hoofdonderdelen van de strafprocedure, te weten de opsporing, de vervolging, de berechting of de tenuitvoerlegging van een sanctie met behoud van de noodzakelijke rechtsbescherming van de justitiabele – is gediend of zelfs enkel te bereiken indien een zekere mate van vertrouwen kan worden gehanteerd. Een belangrijke uitwerking daarvan is dat de autoriteiten van elke staat in beginsel hun eigen recht toepassen op de feiten die zich in hun eigen staat hebben afgespeeld. Uiteraard heeft ook deze praktische functie van het vertrouwen een principiële keerzijde: deze praktische taakverdeling is alleen mogelijk indien ook op de juiste vervulling van die taak wordt vertrouwd. Voorts vindt deze uitwerking haar begrenzing in één van de doeleinden van het strafproces en daarmee tevens van de interstatelijke samenwerking in strafzaken; de noodzakelijke rechtsbescherming van de justitiabele moet behouden blijven en staat in de weg aan een (praktische) uitwerking van het vertrouwensbeginsel die een wezenlijk hiaat in die rechtsbescherming zou opleveren.
Relativering bij de beoordeling van feiten
Hoewel op het eerste gezicht aansprekend, is de vraag of deze praktische invulling van het vertrouwensbeginsel altijd overtuigt, vooral wanneer het gaat om beoordeling van feiten. In onze geglobaliseerde wereld is in elk geval aan de orde van de dag dat een functionaris feiten beoordeelt die zich hebben afgespeeld buiten het grondgebied van zijn thuisstaat. In het Nederlandse strafvorderlijke systeem bieden extraterritoriale vormen van rechtsmacht daarvoor een uitdrukkelijke grondslag en in andere staten is dat niet anders. Zelfs bij feiten die op grond van het territorialiteitsbeginsel aan nationale jurisdictie zijn onderworpen, gaat het, als gevolg van de ruime opvatting daarover die de Hoge Raad evenals de rechter in veel andere staten aanhangt, met grote regelmaat over feiten die zich in elk geval deels op vreemd grondgebied hebben afgespeeld.1
Beoordeling van het recht van de vreemde staat
Een praktische invulling van het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de beoordeling van het recht van een vreemde staat lijkt dan sterkere kaarten te hebben. In elk geval treedt de Hoge Raad in beginsel niet in die beoordeling.2 De lagere rechter kan dat bij de beoordeling van een rechtshulpverzoek of de resultaten van verleende rechtshulp echter wel. En ook op andere gebieden van het strafrecht beoordeelt de Nederlandse rechter vreemd recht en past dat toe. Denk bijvoorbeeld aan de beoordeling van een gewijsde afkomstig van de rechter van een vreemde staat in verband met artikel 68, tweede lid, Sr en aan de vaststelling dat op een feit door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld zodat op grond van het in artikel 7, eerste lid, Sr vastgelegde actieve personaliteitsbeginsel rechtsmacht kan worden vastgesteld.
Niettemin is die toepassing niet geheel onproblematisch. De genoemde voorbeelden uit het Nederlandse strafrecht zien ten eerste slechts op vrij beperkte, doorgaans eenvoudig vast te stellen onderdelen van het recht van een vreemde staat. Ten tweede treedt de Nederlandse cassatierechter, zoals reeds opgemerkt, niet in die beoordeling en zorgt daarom formeel niet voor rechtseenheid. Onjuiste toepassing van vreemd recht zal in beginsel niet worden gecorrigeerd, tenzij de uitleg van vreemd recht door de feitenrechter onbegrijpelijk is. Voor terughoudendheid in de beoordeling en toepassing van vreemd recht is dus veel te zeggen, al zal het gewicht van dit argument afnemen wanneer de rechtsstelsels van verschillende staten meer convergeren. Vooral in Europa is een dergelijke ontwikkeling gaande.
Hier komt bij dat het recht van de vreemde staat waar het hier om gaat doorgaans het recht betreft dat één van de hoofdonderdelen van het strafproces regelt, de opsporing, de vervolging en berechting en de tenuitvoerlegging van een sanctie. Men dient voor ogen te houden dat het doel van rechtshulp het verlenen van bijstand is. Daar past een terughoudende opstelling bij, zeker waar het gaat om het recht van de vreemde staat.
Beoordeling van vreemd recht voortkomend uit internationaal recht
Deze gepaste terughoudendheid geldt in mindere mate voor vreemd recht dat voortkomt uit internationaal recht. Dienen bijvoorbeeld nationale bepalingen van de vreemde staat te worden beoordeeld en toegepast die een uitvloeisel zijn van mensenrechtenverdragen, rechtshulpverdragen of ander internationaal verdragsrecht dan kan de Nederlandse rechter uiteraard veel eenvoudiger nagaan of de concrete casus aan de internationaalrechtelijke voorschriften voldoet. Wel dient daarbij te worden aangemerkt dat de nationale instanties vaak een beoordelingsmarge wordt geboden, waarbij vooral kan worden gedacht aan de in de jurisprudentie van het EHRM bekende ‘margin of appreciation’. Niet elke uitleg van de verdragsbepalingen door de instanties van de vreemde staat die afwijkt van de uitleg door de Nederlandse instanties dient daarom tot de conclusie te leiden dat het verdragsrecht onjuist is toegepast. De Nederlandse rechter zou zich in een dergelijk geval dus bij voorkeur ook marginaal dienen op te stellen. Ook hier is van belang dat het doel van rechtshulp het verlenen van bijstand is en niet dient uit te monden in het aan zich trekken van één van de hoofdonderdelen van de strafrechtelijke procedure.
Rechtmatigheid van de opsporing in de vreemde staat
Praktische argumenten voor het aannemen van vertrouwen in (de autoriteiten en het recht van) de vreemde staat, spelen in elk geval een rol waar het gaat om de rechtmatigheid van opsporing in die vreemde staat. Dat staat op de voorgrond bij kleine rechtshulp, maar ook bij overdracht van strafvervolging en uitlevering kan het aan de orde zijn. Bij overdracht van executie speelt praktisch vertrouwen ook een rol, via het veroordelend vonnis, maar daar staat het principiëler getinte vertrouwen dat in dat vonnis wordt gesteld, inherent aan deze vorm van rechtshulp, voorop.
De praktische argumentatie volgt daar vaak twee lijnen, waarbij het noodzakelijk is voor ogen te houden dat het kan gaan om de vraag wie de resultaten van opsporing beoordeelt en om de vraag naar welk recht die beoordeling plaatsvindt. Bovendien hoeven die twee niet samen te vallen. Praktisch vertrouwen zou ertoe leiden dat elke rechter het zijne beoordeelt. De (rechtshulp)rechter in de vreemde staat beoordeelt de feiten die in zijn staat hebben plaatsgevonden. De zittingsrechter in de andere staat gaat uit van dat oordeel. Een belangrijke complicerende factor is echter welk recht van toepassing is op die opsporing. In beginsel is dat het recht van de staat waar de opsporing plaatsvindt: locus regit actum.3 Soms kent het toepasselijke verdrag een bepaling over het op de opsporing toepasselijke recht die daarvan afwijkt, maar vaak is dat niet het geval. De Hoge Raad oordeelt in zijn jurisprudentie dat niet kan worden vereist dat op alle onderdelen aan Nederlandse procedurevoorschriften is voldaan.4
Een praktisch argument dat het toepasselijke recht betreft, hangt samen met de wens tot een vlot lopend rechtshulpverkeer: het is onwenselijk dat het strafprocesrecht van beide betrokken staten op de opsporing van toepassing is, aangezien rechtshulp dan ernstig wordt bemoeilijkt of zelfs onmogelijk gemaakt. Doel van rechtshulp is immers onder meer het vergemakkelijken dan wel mogelijk maken van de voltooiing van een strafrechtelijke procedure in de ene staat door het verlenen van bijstand door de andere staat op een of meer van de hoofdonderdelen van de strafprocedure. Indien ervan uit wordt gegaan dat beide systemen uiteindelijke dezelfde grondwaarden beogen te waarborgen, zou het ernstige, maar onnodige praktische complicaties opleveren als beide systemen van toepassing zijn. Het enkel toepassen van het strafvorderlijke systeem van de verzoekende staat zou weer op principiële bezwaren kunnen stuiten aangezien de aangezochte staat dan opsporing dient te verrichten die op die manier naar eigen recht niet mogelijk zou zijn, maar omdat de berechting uiteindelijk in de verzoekende staat plaatsvindt en de opsporing door die staat wordt geïnitieerd, zou het ook op bezwaren stuiten wanneer enkel het recht van de vreemde staat van toepassing zou zijn, zeker wanneer dat enkel door de rechter in de vreemde staat zou worden beoordeeld.
De Hoge Raad maakt in zijn jurisprudentie over kleine rechtshulp, die later uitvoeriger zal worden besproken,5 een onderscheid tussen onderzoekshandelingen die zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten en onderzoekshandelingen die zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten.6 Dit onderscheid leidt tot een verschillend toetsingskader van de onderzoekshandelingen. In het eerste geval beperkt de toetsing door de Nederlandse rechter zich tot artikel 6, eerste lid, EVRM. Toetsing aan de in het buitenland geldende rechtsregels behoort daar niet toe.7 Dit moet niet worden verward met de eis dat alvorens via een rechtshulpverzoek om een bepaalde opsporingshandeling wordt gevraagd, voldaan moet zijn aan de voorwaarden voor die bevoegdheid naar Nederlands recht.8 Zijn de opsporingshandelingen uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten, dan dient de Nederlandse strafrechter wel te onderzoeken of de Nederlandse rechtsregels, inclusief aan het EVRM ontleende rechten zijn nageleefd. De Hoge Raad brengt op dit uitgangspunt echter een belangrijke beperking aan waar het schending van de soevereiniteit van de andere staat betreft. Deze hangt samen met artikel 539a Sv, dat het Nederlandse opsporingsambtenaren toestaat hun bevoegdheden ook buiten Nederland uit te oefenen. Het volkenrecht dient daarbij in acht te worden genomen. In het bijzonder mag geen inbreuk worden gemaakt op de soevereiniteit van de vreemde staat. Die norm beoogt echter niet de belangen van de verdachte te beschermen en is dus in beginsel in het kader van een strafzaak tegen een verdachte niet van belang.9 Het verweer dat met het optreden op het grondgebied van een andere staat de soevereiniteit van die staat is geschonden, zal daarom in beginsel niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een verzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Beweringen in het rechtshulpverzoek
Op eenzelfde manier kunnen ook aan het vertrouwen dat beweringen van feitelijke of juridische aard in het verzoek betreft, praktische aspecten worden ontwaard. Ook daar is het vaak de autoriteit in de verzoekende staat die het meest eenvoudig de feiten en zijn eigen recht kan beoordelen. Daaronder zijn ook te scharen beweringen omtrent het veronderstelde belang dat de verzoekende staat bij het verzoek heeft en de authenticiteit van stukken. Ook de aanduiding van de opgeëiste persoon en de uiteenzetting van de feiten in een uitleveringsverzoek kennen praktische aspecten. Niet alleen geldt daarvoor opnieuw dat de autoriteiten van de verzoekende staat in beginsel het best toegerust zijn om die op te tekenen, maar daarnaast is relevant dat de functie ervan instrumenteel is: de aanduiding van de opgeëiste persoon dient de aangezochte partij in staat te stellen na te gaan of de aangehouden en uit te leveren persoon inderdaad de juiste is en de uiteenzetting van de feiten dient primair om na te gaan of aan de voorwaarden voor uitlevering, met name aan de eis van dubbele strafbaarheid, is voldaan.10
(Afwezigheid van) belang bij nader onderzoek
Bepaalde aspecten van interstatelijke samenwerking worden in de praktijk slechts beperkt onderzocht doordat er simpelweg geen belang is bij diepgaand onderzoek. Denk bijvoorbeeld aan de instemming van de veroordeelde bij overdracht van executie en indien die instemming er is de overige vereisten van overdracht van executie. Doorgaans zal in de overnemende staat snel duidelijk zijn dat de veroordeelde instemt met overdracht van de tenuitvoerlegging van de straf of die overdracht zelfs (al dan niet informeel) heeft geïnitieerd. Vervolgens zullen de specifiek aan overdracht gestelde verdragsvereisten door de veroordeelde niet worden betwist. Voor zover dat wel het geval is, zal het veroordelend vonnis zich over een deel van die vereisten al hebben uitgelaten, zodat de rechter in de overnemende staat zich daar geen oordeel over zal vormen.
Iets vergelijkbaars kan gelden voor de instemming met de toepassing van de verkorte procedure bij uitlevering,11 al zal in dat geval de uitlevering zelf niet snel gewenst zijn door de opgeëiste persoon. Wel prefereert een instemmende opgeëiste persoon de verkorte procedure boven een langdurige uitleveringsprocedure en vaak ook -detentie. Het verschil zorgt er echter wel voor dat een opgeëiste persoon, eenmaal uitgeleverd, meer belang heeft bij het voeren van verweren ten aanzien van die instemming met de verkorte procedure. Hij zal immers niet worden teruggeleverd om alsnog via een gewone procedure te worden uitgeleverd, maar problemen met de uitlevering zouden hem kunnen helpen bij de berechting in de verzoekende staat, althans in die veronderstelling zal een opgeëiste persoon vaak verkeren.12
Secundaire positie van rechtshulpverlening
In de hier behandelde voorbeelden komt duidelijk de secundaire positie van de rechtshulpverlening naar voren. Het gaat om het verlenen van bijstand en die dient op een zo efficiënt mogelijke manier plaats te vinden. Ondergrens daarvan is evenwel dat de gerechtvaardigde belangen van de justitiabele, doorgaans de verdachte of de veroordeelde, dienen te worden gerespecteerd. In de gevallen waarin die belangen niet in de knel komen, is een sterkere rol voor het vertrouwensbeginsel in normatief-beperkende zin (terughoudendheid in de toetsing van aspecten van de samenwerking) op haar plaats. In andere gevallen is praktisch vertrouwen niet uitgesloten, maar dient dat praktisch vertrouwen dan niet enkel een instrumenteel doel te dienen – simpel gezegd: snelle en soepele samenwerking – maar ook een kwaliteitsdoel – voer de beoordeling daar uit waar zij het best plaats kan vinden, aangezien dat in abstracto tot de beste uitkomsten leidt.