HR 26 februari 1946, ECLI:NL:HR:1946:62, NJ 1946/170.
HR, 05-07-2022, nr. 21/02255
ECLI:NL:HR:2022:990
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-07-2022
- Zaaknummer
21/02255
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:990, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑07‑2022; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2021:4941
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:471
ECLI:NL:PHR:2022:471, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑05‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:990
- Vindplaatsen
Uitspraak 05‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Opzettelijk enig goed (een auto) aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag onttrekken (art. 198.1 Sr). 1. Verweer dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, nu deze onvoldoende duidelijk is, omdat in de tll. slechts is gesteld dat een auto aan een beslag is onttrokken. 2. Bewijsklacht t.a.v. het opzet op het onttrekken van de auto aan het beslag. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02255
Datum 5 juli 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 mei 2021, nummer 21-006176-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2022.
Conclusie 24‑05‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Onttrekken van een auto aan civielrechtelijk beslag ex art. 198 Sr. 1. Verwerping van verweer dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, omdat deze onvoldoende duidelijk is. Dient de dagvaarding op straffe van nietigheid de wettelijke bepalingen bevatten waarop het beslag berust? 2. Bewijsklacht opzet op onttrekken van auto aan beslag. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.”
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/02255
Zitting 24 mei 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1.
De verdachte is bij arrest van 25 mei 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1 “opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag onttrekken” en 2 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken en een taakstraf voor de duur van 60 uren, bij niet behoorlijke verrichting te vervangen door 30 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals nader bepaald in het arrest.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1.
Het middel valt, in samenhang gelezen met de toelichting, uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht richt zich tegen de verwerping van het verweer dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit nietig moet worden verklaard. De tweede deelklacht is gericht tegen de motivering van het bewezenverklaarde opzet. Ik zal beginnen met de eerste deelklacht.
Eerste deelklacht
2.2.
In de eerste deelklacht wordt gesteld dat de verwerping door het hof van het verweer dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit nietig moet worden verklaard, omdat de dagvaarding op dat punt onvoldoende duidelijk is, onvoldoende met redenen is omkleed.
2.3.
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep, onder feit 1 ten laste gelegd dat:
“1.hij in de periode van 22 september 2017 tot en met 23 september 2017 te [plaats], opzettelijk een personenauto (Renault Alpine V6GTA, kenteken: [kenteken]), althans enig goed, aan het krachtens de wet, te weten het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, daarop gelegd beslag of aan een gerechtelijke bewaring heeft onttrokken, of wetende dat het daaraan onttrokken was, heeft verborgen;”
2.4.
Op de zitting in hoger beroep van 11 mei 2021 heeft de raadsman ter onderbouwing van het in het middel bedoelde verweer dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard, het volgende aangevoerd:
“Ik begin met het formele punt dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 onvoldoende duidelijk is en dat deze daarom nietig is. In de tenlastelegging is niet aangeven om welk beslag het in het onderhavige geval zou gaan. Er is in de tenlastelegging slechts gesteld dat een auto aan een beslag is onttrokken. Zonder nadere omschrijving van hoe en op welke manier dat is gebeurd, is de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en dient deze nietig te worden verklaard.”
2.5.
Het hof heeft het verweer, dat de dagvaarding partieel nietig is, verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen:
“De geldigheid van de dagvaarding
De raadsman heeft in hoger beroep het verweer herhaald dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 onvoldoende duidelijk is en dat deze daarom nietig is. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat in de tenlastelegging niet is aangeven om welk beslag het in het onderhavige geval zou gaan. Er is in de tenlastelegging slechts gesteld dat een auto aan een beslag is onttrokken. Zonder nadere omschrijving van hoe en op welke manier dat is gebeurd, is de tenlastelegging onvoldoende duidelijk.
Het hof overweegt ten aanzien van dat verweer het volgende.Aan verdachte is ten laste gelegd - kort gezegd - dat hij opzettelijk een goed (te weten: een personenauto) heeft onttrokken aan het beslag dat daarop ‘krachtens de wet’ was gelegd. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal ter nadere duiding van dit ‘krachtens de wet’ de tenlastelegging nog aangevuld met ‘te weten het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering’. De omschrijving van het beslag, waaraan verdachte de personenauto heeft onttrokken, te weten een beslag ‘krachtens de wet, te weten het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering’ is daarmee voldoende feitelijk omschreven. Daar komt bij dat uit hetgeen overigens door verdachte en zijn raadsman op de terechtzitting van het hof ten aanzien van het aan verdachte ten laste gelegde is aangevoerd, is gebleken dat het verdachte en zijn raadsman volslagen helder was op welk beslag de tenlastelegging ziet.Het hof verwerpt daarom het verweer.”
2.6.
In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op een arrest van de Hoge Raad van 26 februari 19461.waaruit volgens de stellers van het middel moet worden afgeleid dat de Hoge Raad heeft bepaald dat de wettelijke bepalingen op grond waarvan het beslag is gelegd, dienen te worden opgenomen in de tenlastelegging. Dat is in onderhavige zaak niet gebeurd. Hoewel dit verweer niet ten overstaan van het hof is gevoerd – daar is slechts gesteld dat op grond van de tenlastelegging niet duidelijk is door wie, op welke datum, krachtens welke rechterlijke toestemming, welk beslag is gelegd dan wel de gerechtelijke bewaring is bevolen – zal ik toch kort op dit onderdeel van de klacht ingaan.
2.7.
Daarbij moet worden vooropgesteld dat art. 198 lid 1 Sr vereist dat slechts strafbaar is, de onttrekking aan een beslag dat ‘krachtens de wet [is] gelegd’. Met deze woorden wordt tot uitdrukking gebracht dat het beslag op de in de wet voorgeschreven wijze moet zijn gelegd.2.In het licht hiervan heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 26 februari 1946 geoordeeld dat, in een geval dat strafrechtelijk beslag is gelegd door een opsporingsambtenaar, uit de dagvaarding moet blijken dat dit gelegd is op grond van één van de gevallen van art. 95 Sv en 96 Sv of dat de goederen vrijwillig aan de opsporingsambtenaar ter hand zijn gesteld.3.Dat in de dagvaarding verzuimd was daarvan melding te maken leidde in dit arrest echter niet tot nietigheid van de dagvaarding maar tot ontslag van rechtsvervolging. De klacht dat het hof heeft miskend dat de dagvaarding op straffe van nietigheid dient aan te geven op welke wettelijke bepalingen het beslag berust, steunt op een onjuiste lezing van bovengenoemd arrest. Overigens lijkt mij de vermelding in de dagvaarding onder feit 1 dat het beslag “krachtens de wet, te weten het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering” is gelegd voldoende (feitelijk) om, mits bewezen, wel tot een kwalificatie te kunnen komen.
2.8.
Wat de klacht betreft dat uit de tenlastelegging onvoldoende duidelijk wordt aan welk beslag de verdachte de auto zou hebben onttrokken, geldt in zijn algemeenheid het volgende. De opgave van het feit moet een voldoende duidelijke en feitelijke omschrijving van het ten laste gelegde feit zijn, zodat de verdachte zich daartegen kan verdedigen en geeft aan wat de rechter precies heeft te onderzoeken.4.In algemene termen is weinig hards te zeggen over de vraag wanneer de tenlastelegging voldoende feitelijk is, omdat dit sterk afhangt van het vervolgde delict en de concrete gebeurtenis.5.Of het feit voldoende geconcretiseerd is, zal een beoordeling van de tenlastelegging als geheel vergen. Hierbij kunnen het procesdossier en de proceshouding en verklaringen van de verdediging gewicht in de schaal leggen.6.De toetsing in cassatie of de tenlastelegging aan de eisen van art. 261 Sv voldoet, verschilt al naargelang het aspect dat aan de orde is. De Hoge Raad stelt zich over het algemeen terughoudend op. Dit heeft te maken met de grote vrijheid die de feitenrechter heeft bij de interpretatie van de tenlastelegging.7.
2.9.
Het hof is uitdrukkelijk ingegaan op het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer strekkende tot partiële nietigheid van de dagvaarding. Hierbij heeft het hof onder meer overwogen dat, gelet op hetgeen door de verdachte en diens raadsman op de zitting in hoger beroep ten aanzien van het tenlastegelegde is aangevoerd, gebleken is dat het de verdachte en diens raadsman helder was op welk beslag de tenlastelegging zag.
2.10.
Uit het procesdossier blijkt dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland op 27 februari 2015 een door N.V. [A] (hierna: [A]) verzocht conservatoir derdenbeslag op onder meer de in de tenlastelegging genoemde auto heeft toegewezen (bewijsmiddel 2). Op 30 november 2016 heeft de rechtbank Midden-Nederland bij tussenuitspraak de vordering van de verdachte een verklaring voor recht te verkrijgen dat de door [A] gelegde beslagen zijn vervallen of dat die moeten worden opgeheven, afgewezen (bewijsmiddel 4). Op 11 april 2018 heeft de rechtbank Midden-Nederland de vordering van de verdachte een verklaring voor recht te verkrijgen dat de beslagen zijn vervallen, dan wel moeten worden opgeheven, (wederom) afgewezen (bewijsmiddel 3). Niet is gebleken dat de verdachte, als rechtstreeks betrokken partij bij deze civiele rechtszaken, niet op de hoogte was van de uitkomst van deze rechtszaken. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 11 mei 2021 blijkt verder dat de verdachte en diens raadsman de juistheid van het verwijt als vervat in het onder 1 ten laste gelegde feit gedetailleerd hebben bestreden en zich uitvoerig hebben uitgelaten over het beslag dat op de desbetreffende auto rustte. De verdachte heeft dus laten zien het hem gemaakte verwijt te hebben begrepen. In het licht van het voorgaande is het oordeel van het hof dat de tenlastelegging voldoende duidelijk en feitelijk is, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
2.11.
De eerste deelklacht faalt.
Tweede deelklacht
2.12.
De tweede deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring onder feit 18.onvoldoende met redenen is omkleed nu het hof voor het bewijs van opzet redengevend heeft geacht dat de verdachte wetenschap heeft gehad van een in 2018 gewezen vonnis waarin de vordering in reconventie van de verdachte een verklaring voor recht te verkrijgen dat de door [A] gelegde beslagen (waaronder naar het hof begrijpt ook conservatoir derdenbeslag) heeft afgewezen, terwijl het door de verdachte gepleegde feit geruime tijd daarvoor, te weten in september 2017 is gepleegd.
2.13.
Ten laste van de verdachte is ten aanzien van feit 1 bewezen verklaard dat:
“1.hij in de periode van 22 september 2017 tot en met 23 september 2017 te [plaats], opzettelijk een personenauto (Renault Alpine V6GTA, kenteken: [kenteken]), aan het krachtens de wet, te weten het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, daarop gelegd beslag heeft onttrokken;”
2.14.
Het hof heeft het verweer van de verdachte in zijn nadere bewijsoverwegingen als volgt samengevat en verworpen (met weglating van voetnoten):
“Overwegingen ten aanzien van het bewijsVerdachte en zijn raadsman hebben op de terechtzitting aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd.
Ten aanzien van feit 1 hebben zij - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat een conservatoir beslag, zoals dat door N.V. [A] (hierna: [A]) is gelegd op de Alpine-Renault type V6GTA, met kenteken [kenteken], (hierna: de personenauto) aan [A] niet het gebruiks- of beschikkingsrecht over de personenauto geeft. Dat de auto zich ten tijde van het leggen van dat conservatoir beslag feitelijk bij de Landelijke Disconterings Maatschappij N.V. (hierna: LDM) bevond, maakt dat niet anders. Er is door de rechter slechts verlof gegeven voor een conservatoir beslag op deze auto, maar nu er nimmer een executoriale titel was, en nu deze er ook nooit zal komen, had [A] geen enkele zeggenschap over de personenauto. Het conservatoire beslag heeft [A] ook nimmer enige zeggenschap over de auto gegeven. Er was slecht sprake van een conservatoir beslag op een auto die LDM onder zich had. Daar komt bij dat het conservatoire beslag nooit is opgevolgd en dat het beslag als gevolg van een arrest van dit gerechtshof inmiddels is vervallen. De auto werd in september 2017 op verzoek van [A] geplaatst in een door [A] gehuurde garagebox, echter zonder dat [A] een titel had om dit te doen. De voorzieningenrechter had immers een verzoek tot bewaarneming door [A] afgewezen, omdat LDM de personenauto onder zich had. Ook LDM had geen recht om de auto onder zich te houden nu haar vordering in een vonnis van februari 2015 was afgewezen. Aan verdachte is verweten dat hij op 22 september 2017 een personenauto heeft onttrokken aan het beslag, maar verdachte stelt zich op het standpunt dat het zijn personenauto was, dat hij daarover mocht beschikken en dat hij door het uit de garagebox halen of laten halen van de personenauto, hij deze niet aan enig beslag onttrok. Het was [A] die zich, door het plaatsen van de personenauto in de garagebox, heeft schuldig gemaakt aan het onttrekken aan het beslag van deze auto.
Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende.Vast staat dat op verzoek van [A] op de personenauto conservatoir derdenbeslag is gelegd onder LDM, die deze personenauto onder zich had. Vast staat eveneens dat LDM op de personenauto een vuistpandrecht had, nu dit voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland op 27 februari 2015 reden was om het verzochte verlof ten aanzien van de aanstelling van een gerechtelijk bewaarder te weigeren.Voorts staat vast dat de handelskamer in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 11 april 2018 in een procedure tussen [A] (eiser in conventie en verweerster in reconventie) en verdachte (gedaagde in conventie en eiser in reconventie) de vordering in reconventie van verdachte om een verklaring voor recht dat door [A] gelegde beslagen (waaronder naar het hof begrijpt ook het conservatoir derdenbeslag op de personenauto) heeft afgewezen.Uit deze rechterlijke uitspraken en de rechtstreekse betrokkenheid van verdachte als partij daarbij, alsook uit hetgeen hierover verder van de zijde van de verdediging is aangevoerd, vloeit voort dat verdachte op 22 september 2017 wist van het conservatoire derdenbeslag dat op de personenauto rustte.Door de personenauto op 22 of 23 september 2017 met een door hem gehuurde autoambulance uit [plaats] weg te halen en deze te vervoeren naar een onbekende bestemming, heeft verdachte de personenauto feitelijk onttrokken aan het daarop rustende conservatoire derdenbeslag.Voor strafbaarheid op grond van het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Strafrecht is niet van belang dat het beslag eventueel bij latere rechterlijke beslissing is opgeheven, of dat het beslag mogelijk later anderszins is vervallen. Het gaat erom dat kan worden vastgesteld - welke vaststelling het hof aan de hand van wettige bewijsmiddelen ook doet - dat op het moment waarop een zaak aan een beslag wordt onttrokken daarop rechtens een beslag rustte.Het hof verwerpt dit verweer.”
2.15.
Bij deze klacht moet vooropgesteld worden dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter feiten en omstandigheden die dateren van na het tenlastegelegde bezigt als redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van het tenlastegelegde. Dat het hof voor het bewezenverklaarde opzet mede redengevend heeft geacht dat de verdachte wetenschap heeft gehad van een vonnis dat dateert van na het onder 1 ten laste gelegde feit, waarin de vordering van de verdachte om een verklaring voor recht te verkrijgen dat de door [A] gelegde beslagen (waaronder het conservatoir derdenbeslag) is afgewezen, maakt nog niet dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
2.16.
Hiermee is echter de kous niet af. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen volgt immers dat de verdachte jarenlang, zowel voorafgaande aan het onttrekken van de in de tenlastelegging genoemde auto aan het beslag als daarna, als partij rechtstreeks betrokken was bij civiele rechtszaken, waarvan het conservatoir derdenbeslag dat rustte op de personenauto expliciet onderdeel uitmaakte. Op 27 februari 2015 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland het verzochte conservatoir derdenbeslag op de personenauto toegewezen. Verder heeft de rechtbank Midden-Nederland op 30 november 2016 bij tussenuitspraak en op 11 april 2018 bij vonnis de vordering van de verdachte een verklaring voor recht te verkrijgen dat de beslagen zijn vervallen, dan wel moeten worden opgeheven, afgewezen. Het conservatoir derdenbeslag rustte derhalve in ieder geval in de periode van 27 februari 2015 tot en met 11 april 2018 op de personenauto. Gelet op deze bewijsvoering en de daaruit blijkende context, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte toen hij op 22 september 2017 de personenauto uit een garage in [plaats] weghaalde, wist dat daarop conservatoir beslag rustte en de verdachte dus met het bewezenverklaarde opzet handelde, niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is naar de eis der wet met redenen omkleed.
2.17.
De tweede deelklacht faalt.
3. Conclusie
3.1.
Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende verkorte motivering.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑05‑2022
HR 14 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1878.
Vergelijk HR 31 mei 1937, ECLI:NL:HR:1937:230, NJ 1938/150 m.nt. B.M. Taverne.
Zie bijvoorbeeld HR 14 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0452, NJ 1997/720 m.nt. G. Knigge; G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 674-677 en A.L. Melai, M.S. Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, artikel 261 Sv, aantekening 11, onder a, bewerkt door D.H. de Jong (online bijgewerkt tot en met 11 mei 2015).
Zie en A.L. Melai, M.S. Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, artikel 261 Sv, aantekening 12, bewerkt door D.H. de Jong (online bijgewerkt tot en met 11 mei 2015). Vergelijk bijvoorbeeld HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095, NJ 1996/126 (Amsterdams experiment I) en HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3124, NJ 2018/21.
Vergelijk HR 14 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2057, NJ 2001/18, HR 5 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1944, NJ 2002/46 m.nt. T.M. Schalken en S.E. Eisma en J.M. Reijntjes, De dagvaarding in strafzaken, tweede druk, Deventer: Kluwer 2011, p. 98. Reijntjes merkt op dat de proceshouding een belangrijke indicatie kan opleveren dat de tenlastelegging aan haar doel heeft beantwoord.
A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 205.
Althans, ik veronderstel dat de vermelding in de cassatieschriftuur onder punt 1.4 dat het zou gaan om de bewezenverklaring onder feit 2 op een schrijffout berust nu daaronder slechts de bewezenverklaring van feit 1 wordt geciteerd.