NJ 1938/150
Telastelegglng van het misdrijf van art. 198 Sr. Blijken moet dat een geval van beslag, als in de artt. 95 of 96 Sv. bedoeld, aanwezig was of dat het voorwerp vrijwillig was afgestaan. Aan deze voorwaarde hier niet voldaan.
HR 31-05-1937, ECLI:NL:HR:1937:230, m.nt. Prof.mr. B.M. Taverne
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31 mei 1937
- Magistraten
Mrs. Visser, Taverne, Servatius, Donner en van der Meulen
- Zaaknummer
[31051937/NJ_1938_150]
- Conclusie
Mr. Wijnveldt
- Noot
Prof.mr. B.M. Taverne
- JCDI
JCDI:ADS163115:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1937:230, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑05‑1937
- Wetingang
(Sr art. 198; Sv art. 95-103.)
Essentie
Telastelegglng van het misdrijf van art. 198 Sr. Blijken moet dat een geval van beslag, als in de artt. 95 of 96 Sv. bedoeld, aanwezig was of dat het voorwerp vrijwillig was afgestaan. Aan deze voorwaarde hier niet voldaan.
Samenvatting
Om tot een veroordeeling t. z. v. het misdrijf van art. 198 Sr. te kunnen leiden moet de dagv. tot uitdrukking brengen, dat het beslag, waaraan het goed is onttrokken, daarop was gelegd krachtens de wet.
De onderhavige dagvaarding vermeldt, dat de opsporingsambtenaar de belastingkaart in beslag had genomen op het redelijk vermoeden, dat. zij in voege ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.