HR, 29-06-2007, nr. C06/059HR
ECLI:NL:PHR:2007:BA0895
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
29-06-2007
- Zaaknummer
C06/059HR
- LJN
BA0895
- Vakgebied(en)
Agrarisch recht [vervallen] (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verbintenissenrecht / Onrechtmatige daad
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2007:BA0895, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 29‑06‑2007; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA0895
ECLI:NL:PHR:2007:BA0895, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 29‑06‑2007
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA0895
- Wetingang
- Vindplaatsen
JA 2007/126
JA 2007/126
Uitspraak 29‑06‑2007
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid keuringsinstantie voor na keuring aan gewassen gebleken schade; uitleg van certificeringsreglement; beoordelingsvrijheid keuringsinstantie; aansprakelijkheidsmaatstaf.
29 juni 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/059HR
RM/MK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
STICHTING NEDERLANDSE ALGEMENE KWALITEITSDIENST TUINBOUW,
gevestigd te Roelofarendsveen, gemeente Alkemade,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. M.B.C. Kloppenburg,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) heeft bij exploot van 17 juli 2003 eiseres tot cassatie (hierna: NAK) gedagvaard voor de rechtbank te
's-Gravenhage en gevorderd te verklaren voor recht dat NAK aansprakelijk is voor de door [verweerder] geleden schade en NAK te veroordelen aan [verweerder] een schadevergoeding te betalen van ƒ 60.183,59, te vermeerderen met de wettelijke rente.
NAK heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij eindvonnis van 28 januari 2004 de vorderingen van [verweerder] afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 20 september 2005 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, NAK veroordeeld tot betaling van de gevorderde schadevergoeding. Het meer of anders gevorderde heeft het hof afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft NAK beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van NAK heeft bij brief van 30 maart 2007 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Verweerder] exploiteert een vollegrondsgroenteteeltbedrijf dat gespecialiseerd is in de teelt van aardbeien voor de verse markt.
(ii) NAK is onder meer ten aanzien van de aardbei ter uitvoering van art. 87 van de (tot 1 februari 2006 geldende) Zaaizaad- en Plantgoedwet bij algemene maatregel van bestuur aangewezen als keuringsinstelling.
(iii) De keurmeesters van NAK kunnen naast zgn. kwaliteitskeuringen, waarvoor de vereisten zijn opgenomen in het Keuringsreglement, desgewenst aan aangesloten vermeerderaars certificaten uitgeven wanneer gekeurde producten aan strengere dan de door Europese en Nederlandse wetgeving gestelde minimumeisen voldoen. Deze nadere vereisten en de gebezigde keuringsmethoden worden door NAK opgesteld in samenwerking met betrokkenen en externe deskundigen en zijn opgenomen in het Certificeringsreglement van NAK (hierna: het Certificeringsreglement).
(iv) [Verweerder] heeft van de kweker [betrokkene 1] te [plaats] op 1 maart 2000 20.000 stuks en op 30 juni 2000 33.040 stuks "Elsanta" aardbeiplanten van partijnummer 903 gekocht die door NAK waren gekeurd en geclassificeerd in de klassen EE onderscheidenlijk E. [Verweerder] heeft dienovereenkomstige keuringscertificaten ontvangen die waren afgegeven door NAK.
(v) Tijdens de keuring van deze planten was NAK ervan op de hoogte dat in de teelt van [betrokkene 1] in 1999 pleksgewijze aantastingen met aardbeimijt zijn aangetroffen. NAK heeft toen maatregelen ter bestrijding opgelegd. De aangetaste plekken zijn met een ruime buffer afgekeurd en op aanwijzing van de keurmeester vernietigd. Bij vervolginspecties werd visueel geen aardbeimijt bij [betrokkene 1] meer aangetroffen.
(vi) Uit bijlage II bij het Certificeringsreglement is af te leiden dat de planten, om ingedeeld te kunnen worden in de klassen EE en E, bij aflevering visueel geheel vrij dienen te zijn van aardbeimijt. Daarnaast geldt ingevolge de art. 11 lid 5 en 12 lid 4 van het Certificeringsreglement als voorwaarde voor indeling in de klassen EE en E onder meer dat geen "verdacht open plaatsen" in het gewas zijn aangetroffen.
(vii) [Verweerder] heeft begin oktober 2000 aantasting van aardbeimijt op zijn teelten aangetroffen. Begin maart 2002 is [verweerder] daarmee opnieuw geconfronteerd.
3.2 Aan zijn vordering tot schadevergoeding heeft [verweerder], kort gezegd en voorzover in cassatie van belang, ten grondslag gelegd dat NAK toerekenbaar is tekortgeschoten, althans onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld, door de onderhavige gewassen, waarin gedurende het groeiseizoen aardbeimijt was aangetroffen, op basis van slechts een visuele keuring in te delen in de klassen EE en E. Nadat de rechtbank die vordering had afgewezen, heeft de rechtsstrijd in hoger beroep zich toegespitst op de vraag of de indeling van de planten in de klassen EE en E strookt met het Certificeringsreglement, en meer in het bijzonder op de vraag of NAK die classificering achterwege had moeten laten omdat het gewas van [betrokkene 1] "verdacht open plaatsen" in de zin van het Certificeringsreglement vertoonde. NAK nam het standpunt in dat de in het gewas van [betrokkene 1] ten tijde van de keuring aanwezige open plaatsen niet "verdacht" waren in de zin van het Certificeringsreglement, nu die ontstaan waren als gevolg van de onder leiding van NAK, en bij de keuring reeds afgeronde, adequate en effectieve bestrijding van aardbeimijt. Het hof heeft dat standpunt verworpen. Uit de tekst van het Certificeringsreglement leidt het hof af dat open plaatsen waarvan gebleken is dat die zijn ontstaan door uitval of verwijdering van door ziekte aangetaste planten "verdacht" zijn in de zin van het reglement, en dat het reglement in dit opzicht geen uitzondering maakt voor open plaatsen die zijn ontstaan door verwijdering van aangetaste planten op last van (de keurmeester van) NAK (rov. 6). De strekking van het reglement kan naar het oordeel van het hof niet tot een andere uitleg leiden (rov. 7). Daaruit leidt het hof af dat NAK, door de onderhavige partijen aardbeiplanten te classificeren als EE en E, heeft gehandeld in strijd met de artikelen 11 lid 5 en 12 lid 4 van haar Certificeringsreglement, en daarvoor jegens [verweerder] aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad, nu afnemers als [verweerder] moeten kunnen afgaan op de betrouwbaarheid van de door NAK afgegeven certificaten, in die zin dat de daaraan ten grondslag liggende keuringen conform de (strenge) eisen van het Certificeringsreglement worden uitgevoerd (rov. 8).
3.3 Onderdeel 1 klaagt over het oordeel van het hof dat, nu sprake was van "verdacht open plaatsen" in de zin van het Certificeringsreglement, NAK de certificaten in de klassen EE en E niet had mogen afgeven, ook al zijn de bewuste open plaatsen ontstaan door verwijdering van aangetaste planten die op last van (de keurmeester van) NAK is geschied. Het onderdeel wijst op vijf door NAK aangevoerde stellingen en betoogt dat het hof op die stellingen niet of onvoldoende is ingegaan en dat het oordeel van het hof daarmee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en onvoldoende is gemotiveerd. Voorzover het onderdeel wil betogen dat de door het hof aan het begrip "verdacht open plaatsen" in het Certificeringsreglement gegeven uitleg getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende is gemotiveerd, faalt het, nu die uitleg niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en het hof voor die uitleg in de rov. 6 en 7 een toereikende motivering heeft gegeven. Voor de in rov. 6 door het hof op grond van de tekst van het reglement aan het begrip "verdacht open plaatsen" in de art. 11 lid 5 en 12 lid 4 gegeven uitleg zijn de in het onderdeel bedoelde stellingen van NAK irrelevant. In rov. 7 heeft het hof vervolgens de strekking van het Certificeringsreglement in zijn beoordeling betrokken. Dienaangaande oordeelde het dat die strekking - kort gezegd: een keurmerk in het leven te roepen dat een hoger beschermingsniveau biedt dan het minimumniveau van de nationale en Europese wetgeving - in de weg staat aan de door NAK gegeven uitleg van "verdacht open plaatsen", omdat die uitleg erop neer zou komen dat na bestrijding van een geconstateerde besmetting voor de kwalificatie EE of E volstaan zou kunnen worden met een visuele keuring, die als zodanig aansluit bij voormeld minimumniveau. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat vaststaat dat de aardbeimijt een ernstige ziekte is, dat de afwezigheid daarvan ook na het nemen van bestrijdingsmaatregelen niet kan worden gegarandeerd en dat het desbetreffende organisme niet met het blote oog waarneembaar is zodat door visuele inspectie geen redelijke zekerheid kan worden verkregen dat een partij waarin eenmaal een besmetting is geconstateerd, verder vrij is van aardbeimijt. De in het onderdeel bedoelde stellingen van NAK vinden hierin een genoegzame beantwoording. Dat geldt ook voor de stelling van NAK dat destijds ervoor is gekozen om niet als criterium in het Certificeringsreglement op te nemen dat indien eenmaal de aardbeimijt is aangetroffen nooit meer certificering mag plaatsvinden, nu in het oordeel van het hof besloten ligt, dat NAK hoe dan ook in dit geval - zoals [verweerder] had aangevoerd - niet enkel op basis van een visuele keuring tot certificering in de klassen EE en E had mogen overgaan, en niet dat nooit meer certificering mag plaatsvinden.
3.4 Ook voor het overige faalt het onderdeel, omdat het oordeel van het hof dat NAK de certificaten in de klassen EE en E niet had mogen afgeven niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en in het licht van het voorgaande voldoende is gemotiveerd.
3.5 Onderdeel 2 wijst allereerst op twee door NAK ter ondersteuning van haar interpretatie van het begrip "verdacht open plaatsen" aangevoerde stellingen, namelijk dat het Certificeringsreglement niet vereist dat de afwezigheid van aardbeimijt wordt gegarandeerd en dat de aardbeimijt zelf wellicht niet met het blote oog zichtbaar is, maar de daardoor veroorzaakte beschadigingen aan de planten wèl zichtbaar zijn, zodat de aanwezigheid van aardbeimijt (met het oog op de reglementair vereiste mate van zekerheid) wel degelijk visueel gecontroleerd kan worden. Het oordeel van het hof in rov. 7 miskent dit een en ander volgens het onderdeel. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag, nu het hof niet ervan is uitgegaan dat certificering een garantie inhoudt van de afwezigheid van aardbeimijt, en het hof evenmin heeft miskend dat de gevolgen van een besmetting met aardbeimijt in de vorm van beschadigingen aan de planten visueel gecontroleerd kunnen worden.
Voorts klaagt het onderdeel dat het hof met zijn oordeel in rov. 7 dat geen redelijke mate van zekerheid kan worden verkregen dat een partij waarin eenmaal een besmetting is geconstateerd verder vrij is van aardbeimijt, de beoordelingsvrijheid van NAK als keuringsinstantie miskend heeft. Deze klacht faalt. Uit het oordeel van het hof vloeit voort dat NAK als instantie die beslist over toekenning van certificaten die een hoger beschermingsniveau bieden dan de nationale en Europese wetgeving, behoort te keuren met inachtneming van de in het Certificeringsreglement vastgelegde strenge normen, en dat die normen een indeling van de onderhavige aardbeiplanten in de klassen EE en E niet toelieten. Dat oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van de beoordelingsvrijheid van NAK. Het geeft ook niet anderszins blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Hierop stuiten ook de overige klachten van het onderdeel af.
3.6 Onderdeel 3 bouwt voort op de klachten van de onderdelen 1 en 2, en faalt, gezien het hiervoor ten aanzien van die onderdelen overwogene.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt NAK in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.876,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 29 juni 2007.
Conclusie 29‑06‑2007
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid keuringsinstantie voor na keuring aan gewassen gebleken schade; uitleg van certificeringsreglement; beoordelingsvrijheid keuringsinstantie; aansprakelijkheidsmaatstaf.
Rolnr. C06/059HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 16 maart 2007
conclusie inzake
Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in deze zaak om de vraag of thans eiseres tot cassatie, hierna: NAK Tuinbouw, jegens thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met haar Certificeringsreglement certificaten te verstrekken voor door [verweerder] aangekochte partijen aardbeienplantjes die later aangetast bleken te zijn met aardbeimijt. In cassatie staat de vraag centraal of het hof een begrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de bepalingen van het Certificeringsreglement die betrekking hebben op het verstrekken van certificaten.
2. De feiten waarvan in cassatie uitgegaan dient te worden, treft men aan in r.o. 1.1 t/m 1.9 van het vonnis van de rechtbank en in r.o. 2 onder a t/m c van het arrest van het hof. Zij komen op het volgende neer.
(i) [Verweerder] exploiteert een vollegrondsgroenteteeltbedrijf dat gespecialiseerd is in de teelt van aardbeien voor de verse markt.
(ii) NAK Tuinbouw is onder meer ten aanzien van de aardbei ter uitvoering van art. 87 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet bij AMvB van 5 april 1967 aangewezen als keuringsinstelling.
(iii) De keurmeesters van NAK Tuinbouw kunnen naast zgn. kwaliteitskeuringen, waarvoor de vereisten zijn opgenomen in het Keuringsreglement, desgewenst aan aangesloten vermeerderaars certificaten uitgeven wanneer gekeurde producten aan strengere dan de door Europese en Nederlandse wetgeving gestelde minimumeisen voldoen. Deze nadere vereisten en de gebezigde keuringsmethoden worden door NAK Tuinbouw opgesteld in samenwerking met betrokkenen en externe deskundigen en zijn opgenomen in het Certificeringsreglement van NAK Tuinbouw.
(iv) NAK Tuinbouw heeft twee partijen aardbeienplanten op het bedrijf van plantenkwekerij [betrokkene 1] te [plaats] goedgekeurd en geclassificeerd in de klassen EE en E.
(v) Uit bijlage II behorend bij het Certificeringsreglement van NAK Tuinbouw is af te leiden dat de planten, om ingedeeld te kunnen worden in de klassen E/EE, bij aflevering visueel geheel vrij dienen te zijn van aardbeimijt. Ingevolge de artt. 11 lid 5 en 12 lid 4 van het Certificeringsreglement geldt voor indeling in de klassen EE en E dat geen "verdacht open plaatsen" in het gewas zijn aangetroffen.
(vi) Ten tijde van de onderhavige keuring was NAK Tuinbouw ervan op de hoogte dat bij [betrokkene 1] in 1999 pleksgewijs aantastingen met aardbeimijt waren aangetroffen. NAK Tuinbouw heeft daarop maatregelen ter bestrijding opgelegd. De aangetaste plekken zijn met een ruime buffer afgekeurd en op aanwijzing van de keurmeester vernietigd. Bij vervolginspecties werd visueel geen aardbeimijt bij [betrokkene 1] aangetroffen.
(vii) De onderhavige twee partijen zijn op 1 maart 2000 resp. 30 juni 2000 door [betrokkene 1] aan [verweerder] verkocht en afgeleverd in de klasse EE, onderscheidenlijk E. [Verweerder] heeft dienovereenkomstig twee keuringscertificaten ontvangen van 10 maart 2000 en 18 augustus 2000, afgegeven door NAK Tuinbouw.
(viii) [Verweerder] heeft begin oktober 2000 aantasting van aardbeimijt op zijn teelten aangetroffen. Begin maart 2002 is [verweerder] daarmee opnieuw geconfronteerd.
3. Bij exploot van 17 juli 2003 heeft [verweerder] NAK Tuinbouw gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage tot schadevergoeding. [Verweerder] heeft daartoe onder meer en voor zover thans in cassatie van belang aangevoerd dat NAK Tuinbouw toerekenbaar is tekortgeschoten, althans onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld, omdat [verweerder] op grond van de goedkeuring door NAK Tuinbouw in de klassen EE en E ervan mocht uitgaan dat de door [betrokkene 1] aan hem geleverde planten volledig vrij van aardbeimijt zouden zijn, terwijl NAK Tuinbouw op de hoogte was van de (eerdere) besmetting van aardbeimijt in de plantenkwekerij van [betrokkene 1] en de planten om aan de gestelde kwaliteitsklassen te kunnen voldoen geheel vrij dienen te zijn van aardbeimijt.
4. Nadat NAK Tuinbouw verweer had gevoerd, heeft de rechtbank bij vonnis van 28 januari 2004 de vordering van [verweerder] afgewezen. De rechtbank kwam tot de conclusie dat de voor het geschil van partijen cruciale vraag of NAK Tuinbouw volgens de door de eigen sector vastgestelde regels heeft gekeurd, in bevestigende zin moet worden beantwoord. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de desbetreffende artikelen van het Certificeringreglement in onderlinge samenhang bezien volgt dat met "verdacht open plaatsen" wordt bedoeld open plaatsen die bij de veldinspectie door NAK Tuinbouw worden ontdekt zonder dat zij weet waardoor die open plaatsen zijn veroorzaakt. Ten tijde van de keuring bij [betrokkene 1] was NAK Tuinbouw precies op de hoogte van de oorzaak van de open plekken, omdat die mede onder haar begeleiding zijn ontstaan ter bestrijding van een bij haar bekende ziekte (aardbeimijt). Aldus kunnen die open plekken niet worden aangemerkt als verdacht in de zin van de desbetreffende artikelen van het Certificeringsreglement, aldus de rechtbank (r.o. 3.4).
5. [Verweerder] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en had succes: bij arrest van 20 september 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw recht doende, NAK Tuinbouw veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [verweerder].
6. Het hof was van oordeel dat noch uit de tekst, noch uit de strekking van het Certificeringsreglement is af te leiden dat met "verdacht open plaatsen" wordt bedoeld open plaatsen die bij de veldinspectie door NAK Tuinbouw worden ontdekt zonder dat zij weet waardoor die open plaatsen zijn veroorzaakt (r.o. 6 en 7). Voorts was het hof van oordeel dat, mede gelet op het door het Certificeringsreglement beoogde beschermingsniveau, er geen aanleiding is voor een uitleg van de term "verdacht open plaatsen" vervat in het Certificeringsreglement die erop neer zou komen dat voor de kwalificatie EE/E - na bestrijding van een geconstateerde besmetting - volstaan kan worden met een visuele keuring (r.o. 7). NAK Tuinbouw heeft dan ook, door de onderhavige partijen aardbeiplanten te classificeren als EE en E, gehandeld in strijd met de artt. 11 lid 5 en 12 lid 4 van haar Certificeringsreglement en is hiervoor jegens [verweerder] aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad, aldus het hof (r.o. 8). Het door NAK Tuinbouw in eerste aanleg gedane en in hoger beroep gehandhaafde bewijsaanbod (ter zake van de constateringen, maatregelen en controles door NAK Tuinbow) werd door het hof als verder niet meer terzake dienende, gepasseerd (r.o. 8).
7. Nak Tuinbouw is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen opgebouwd middel, dat door [verweerder] is bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.
8. Onderdeel 1 van het middel komt op tegen het oordeel van het hof - in r.o. 6 en 7 - dat in casu sprake was van "verdacht open plaatsen" in de zin van het Certificeringsreglement en dat NAK Tuinbouw om deze reden de certificaten in de klassen EE en E niet had mogen afgeven. Volgens het onderdeel is dit oordeel, zonder nader motivering (die ontbreekt), onbegrijpelijk in het licht van de door NAK Tuinbouw aangevoerde stellingen
(i) dat na de constatering van aardbeimijt in 1999 op aanwijzen van NAK Tuinbouw adequate bestrijdingsmaatregelen zijn getroffen;
(ii) dat nadien nog herhaalde malen (controle)inspecties zijn verricht waarbij geen sporen van ziekten zijn aangetroffen; en
(iii) dat de open plaatsen derhalve geen verdacht open plaatsen zijn in de zin van art. 6 lid 3 Certificeringsreglement.
Het onderdeel betoogt dat in deze stellingen besloten ligt dat - zelfs indien wordt uitgegaan van de door het hof gegeven uitleg aan "verdacht open plaatsen" in de zin van het Certificeringsreglement - de verdenking tegen deze open plaatsen kan worden weggenomen door adequate bestrijdingsmaatregelen gevolgd door controle-inspecties waarbij geen besmetting meer wordt aangetroffen.
9. Het hof heeft geoordeeld dat onder "verdacht open plaatsen" in de zin van het Certificeringsreglement ook begrepen moeten worden open plaatsen die, zoals in het onderhavige geval, zijn ontstaan als gevolg van verwijdering van door ziekte aangetaste planten op last van NAK Tuinbouw (r.o. 6, slot). Voorts heeft het hof geoordeeld dat, mede gelet op het door het Certificeringsreglement beoogde beschermingsniveau, er geen aanleiding is voor een uitleg van de term "verdacht open plaatsen" die erop neer zou komen dat voor de kwalificatie EE/E - na bestrijding van een geconstateerde besmetting - volstaan kan worden met een visuele keuring (r.o. 7). Naar ik begrijp, richt het onderdeel zich niet tegen deze oordelen van het hof ("zelfs indien wordt uitgegaan van de door het hof gegeven uitleg aan "verdacht open plaatsen" in de zin van het Certificeringsreglement").
10. Gegeven de door het hof aan het Certificeringsreglement gegeven uitleg en in aanmerking genomen dat het hof, eveneens onbestreden door het onderdeel, als vaststaand heeft aangenomen dat de in 2000 en 2002 op het bedrijf van [verweerder] geconstateerde aantastingen met aardbeimijt afkomstig zijn van de door [betrokkene 1] aan [verweerder] verkochte en afgeleverde partijen aardbeienplanten (r.o. 9), is het gewraakte oordeel van het hof in het licht van de door het onderdeel bedoelde stellingen van NAK Tuinbouw, ook zonder nadere motivering, m.i. niet onbegrijpelijk. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat, nu vaststaat dat de in 2000 en 2002 op het bedrijf van [verweerder] geconstateerde aantastingen met aardbeimijt afkomstig zijn van de door [betrokkene 1] afgeleverde partijen, de op aanwijzen van NAK Tuinbouw getroffen bestrijdingsmaatregelen klaarblijkelijk niet adequaat zijn geweest. Voorts heeft het hof geoordeeld dat de nadien verrichte - enkel visuele - inspecties niet voldoen aan de daaraan ingevolge het Certificeringsreglement te stellen eisen. Dat het hof op grond van dit een en ander tot de conclusie is gekomen dat de verdenking tegen de bij [betrokkene 1] aanwezige open plaatsen niet is weggenomen en dat deze open plaatsen daarom als "verdacht open plaatsen" in de zin van art. 6 lid 3 Certificeringsreglement zijn aan te merken, is niet onbegrijpelijk.
11. Voor zover het onderdeel voorts nog wil betogen dat het oordeel van het hof (ook) onbegrijpelijk is omdat, zoals door NAK Tuinbouw is aangevoerd, er destijds uitdrukkelijk voor is gekozen om niet als criterium in het Certificeringsreglement op te nemen dat indien eenmaal aardbeimijt is aangetroffen nooit meer certificering mag plaatsvinden, kan het evenmin doel treffen. Al aangenomen dat het hof met deze omstandigheid bij zijn uitleg van het Certificeringsreglement rekening had behoren te houden, verliest het onderdeel uit het oog dat het hof niet heeft geoordeeld dat certificering nooit meer mag plaatsvinden indien eenmaal aardbeimijt is aangetroffen. Het hof heeft slechts geoordeeld dat in het onderhavige geval, nu de door NAK Tuinbouw verrichte inspecties niet aan de daaraan ingevolge het Certificeringsreglement te stellen eisen voldeden, certificering niet had mogen plaatsvinden.
12. Onderdeel 2 van het middel bevat, als ik het goed zie, twee klachten.
13. De eerste klacht berust op de veronderstelling dat het hof met zijn overwegingen - in r.o. 7 - dat (i) de afwezigheid van aardbeimijt na het nemen van bestrijdingsmiddelen niet kan worden gegarandeerd, dat (ii) aardbeimijt niet met het blote oog zichtbaar is, en dat (iii) door visuele inspecties geen redelijke mate van zekerheid kan worden verkregen dat een partij waarin eenmaal besmetting is geconstateerd verder vrij is van aardbeimijt, heeft bedoeld dat dan (nog steeds) sprake is van "verdacht open plaatsen" in de zin van het Certificeringsreglement. De klacht houdt in dat de bedoelde overwegingen 's hofs oordeel niet kunnen dragen.
14. De klacht berust m.i. op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. De bedoelde overwegingen van het hof hebben niet betrekking op de vraag wat verstaan moet worden onder "verdacht open plaatsen" in de zin van het Certificeringsreglement, maar op de vraag aan welke eisen inspecties - na bestrijding van een geconstateerde besmetting - ingevolge het Certificeringsreglement moeten voldoen, wil een classificering als EE/E zijn gewettigd.
15. Voorts bevat het onderdeel de klacht dat het hof bij de beoordeling van de vraag of NAK Tuinbouw aansprakelijk is voor de door [verweerder] geleden schade een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans onbegrijpelijk heeft beslist, en dat het hof slechts tot aansprakelijkheid van NAK Tuinbouw had mogen concluderen indien het van mening was dat een redelijk handelend toezichthouder niet tot het oordeel had kunnen komen dat de verdenking tegen de open plaatsen weer was opgeheven.
16. Deze klacht is ongegrond. Het hof heeft bij de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag tot maatstaf genomen of NAK Tuinbouw zich bij de keuring heeft gehouden aan de regels van het Certificeringsreglement en is, uitgaande van zijn uitleg van de desbetreffende reglementsbepalingen, tot de conclusie gekomen dat zulks niet het geval is geweest. Het hof heeft hieraan de conclusie verbonden dat NAK Tuinbouw in strijd heeft gehandeld met haar Certificeringsreglement en daarom jegens [verweerder], als bedrijfsmatig afnemer van aardbeiplanten die zijn geleverd met de door NAK Tuinbouw afgegeven certificaten in de klassen EE/E, aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad. In aanmerking genomen dat, naar het hof onbestreden in cassatie heeft overwogen, afnemers van aardbeiplanten als [verweerder], mede gelet op het zwaarwegende belang van het handelsverkeer in planten die fytosanitair in orde en van goede kwaliteit zijn, moeten kunnen afgaan op de betrouwbaarheid van de door NAK Tuinbouw afgegeven certificaten, in die zin dat de daaraan ten grondslag liggende keuringen conform de (strenge) eisen van het Certificeringsreglement worden uitgevoerd, getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de in dit geval aan te leggen aansprakelijkheidsmaatstaf en is ook niet onbegrijpelijk.
17. Onderdeel 3 van het middel bouwt in zijn klacht tegen het oordeel van het hof dat het door NAK Tuinbouw gedane bewijsaanbod als niet meer ter zake dienende moet worden gepasseerd, rechtstreeks voort op de onderdelen 1 en 2 en zal het lot van deze onderdelen moeten delen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden