Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.4.1.3
IV.4.1.3 non-verbale bejegening als schuldige
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS597479:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie op die manier kritisch over de rechtspraak van het EHRM over het onschuldvermoeden N. Keijzer, annotatie bij: EHRM 28 april 2005, nr. 72758/01, NJ 2005, 569 (A.L/Duitsland).
Vgl. Weigend 2014, p. 295.
Dit is een belangrijk argument tegen een formeel strafbegrip. Zie aldus bijv. Groenhuijsen & Van Kalmthout 1983, p. 23-24; Den Hartog 1990, p. 134-135. In overeenstemming met hen meen ik dat de onschuldpresumptie zich niet alleen verzet tegen ‘formele’ straf, omdat deze zich anders eenvoudig laat omzeilen. Desondanks is het inzichtelijk voor de praktische betekenis van de onschuldpresumptie onderscheid te maken tussen officiële (of formele) straf, waartegen het onschuldvermoeden zich altijd verzet en tegen andere handelingen die mogelijk door hun motief of doelstelling schuld veronderstellen.
Aldus Barak 2012, p. 131 e.v. die zelf de vier vereisten samen aanduidt als proportionaliteit en het vierde als proportionaliteit in enge zin. Vgl. ook Gerards 2011, p. 132 e.v. Aan een en ander valt het vereiste van een wettelijke basis nog toe te voegen, maar dat is hier minder relevant.
Zou de behandelingsdimensie zich echter enkel richten op verbale bejegening, dan maakt dat het mensenrecht tot woordenspel.1 De onschuldpresumptie zou zich eenvoudig laten omzeilen, ook wanneer die idee evident wordt aangetast. Non-verbale handelingen brengen dezelfde met de onschuldpresumptie strijdige boodschap soms luider en duidelijker over dan woorden kunnen.2 De grondslagen van de behandelingsdimensie verzetten zich in zijn algemeenheid dan ook evenzeer tegen non-verbale bejegening als schuldige. Wanneer zij niet worden vergezeld door uitlatingen waarin van een schuldoordeel onomwonden blijk wordt gegeven, is voor non-verbale handelingen echter aanzienlijk moeilijker hard te maken dat zij berusten op een veronderstelling van schuld en daaraan uitdrukking geven.
Ten eerste kan in aanmerking genomen worden hoe het nationale recht de bejegening zelf duidt. Merkt de wet een bepaalde maatregel aan als straf dan is per definitie sprake van een bejegening als schuldige. Zoals hiervoor al aan bod kwam, is straf namelijk per definitie een reactie op een normoverschrijdende gedraging. Die norm is vanwege het legaliteitsbeginsel noodzakelijk steeds een voorzienbare en toegankelijke, aan de gedraging voorafgaande verbodsnorm. Straf veronderstelt het overtreden van die verbodsnorm en dus het begaan van een strafbaar feit. De behandelingsdimensie verbiedt aldus de oplegging van wat naar nationaal recht als straf wordt aangemerkt.
Van beperkingen van individuele rechten die door het recht niet officieel als straf worden aangemerkt, kan echter niet worden gezegd dat daarin nooit een schuldoordeel ligt besloten. Staten en daarbinnen functionerende autoriteiten zullen handelingen die zij niet van een veroordeling in een eerlijk proces willen laten afhangen, niet als straf aanmerken. Handelingen die uitgaan van de schuld van het betrokken individu maar géén officiële straf opleveren, schaden echter de in de vorige paragraaf als grondslagen voor de behandelingsdimensie aangemerkte belangen eveneens.3
Of een bejegening die geen officiële straf is, toch een schuldoordeel weerspiegelt, zal moeten worden bepaald aan de hand van de aan die behandeling ten grondslag gelegde redenering. Omdat de bejegening in kwestie in de regel tevens een inbreuk op de materiële rechten van de betrokkene behelst, zal die beperking in zoverre aan verschillende voorwaarden moeten beantwoorden. Een inbreuk op bijvoorbeeld de fysieke vrijheid of persoonlijke levenssfeer moet aan grofweg vier vereisten voldoen: 1) de beperking moet een legitiem doel dienen; 2) de handeling moet geschikt zijn om dat doel te bereiken; 3) de beperkende handeling moet noodzakelijk zijn om het legitieme doel te bewerkstelligen (subsidiariteit); en 4) de beperking van de rechten van de betrokkene moet in redelijke verhouding staan tot het daarmee te bereiken doel (proportionaliteit).4 Zowel de selectie van een legitiem doel als de te maken subsidiariteits- of proportionaliteitsafweging kan blijk geven van een met het onschuldvermoeden strijdige veronderstelling van schuld.