Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.4.3
IV.4.3 Temporeel toepassingsbereik: niet-verdachten, verdachten en gewezen verdachten
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595134:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In vergelijkbare zin richt de richtlijn zich op ‘suspects and accused persons’. Zie § V.3.2.
Men kan het charge-vereiste ook zo interpreteren dat hij die wordt bejegend als schuldige bijgevolg ook charged with a criminal offence is. In dat geval doen de hier opgeworpen vragen zich niet voor. De term charged suggereert echter op zijn minst een zekere officiële, formele betrokkenheid in een strafzaak. Zou bijvoorbeeld een politicus met zijn uitlatingen een charge kunnen entameren, dan zou dat grote onwenselijke uitbreiding van het toepassingsbereik van de andere eerlijk procesrechten tot gevolg hebben. Vgl. eveneens afwijzend over dit alternatief Trechsel 2005, p. 155.
Weigend 2014, p. 287. Trechsel (2005, p. 155) wijst de beperking af, maar ook hij zoekt de reden voor de charge-eis in het feit dat “[...] persons against whom criminal proceedings are brought are particularly vulnerable as far as this presumption goes; they need protection against the eagerness of prosecutors who will tend to anticipate their own success and treat or present the suspect as guilty.”
Vgl. om die reden kritisch over een criminal charge-vereiste: Galetta 2013; Hildebrandt 2016, p. 191-193.
Zie in soortgelijke zin Trechsel 2005, p. 155-156 en p. 190-191.
§ II.10.
De vanuit Europees perspectief meest prominente formuleringen van de onschuldpresumptie in het IVBPR, het EVRM en het Hv, kennen het vermoeden van onschuld toe wanneer iemand charged with a criminal offence is.1 Dit vereiste moet van de voorwaarde dat het gaat om behandeling als schuldige aan een – min of meer concreet – strafbaar feit worden onderscheiden. Dat de onschuldpresumptie uitsluitend op bejegening als schuldige aan een strafbaar feit ziet en dus strafrechtelijk van aard is, hoeft immers niet te betekenen dat over die beschuldigingen ook steeds een criminal charge aanhangig is. Het criminal charge-vereiste suggereert evenwel dat behandeling als schuldige aan een strafbaar feit alleen vanaf en zolang een procedure gaande is, strijdig is met het vermoeden van onschuld.2
Voor veel van de in de leden 2 en volgende van artikel 6 EVRM en van artikel 14 IVBPR genoemde rechten ligt die voorwaarde voor de hand. Zij hebben buiten de procedure geen reële waarde. Het recht op een tolk, of het horen van getuigen zijn typisch procedurele rechten. Hetzelfde kan gezegd worden van de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie. Zij schrijven een bepaalde inrichting van de procedure voor. Voor de behandelingsdimensie geldt dat daarentegen slechts gedeeltelijk. Als aanvangspunt voor de behandelingsdimensie is het aanhangig zijn van een charge niet vanzelfsprekend. De behandelingsdimensie is meer dan de andere met het recht op een eerlijk proces verbonden rechten een negatieve verplichting aan de overheid. De overheid dient zich te onthouden van bejegening als schuldige. Dat zou men ook te allen tijde van die overheid kunnen vergen.
In het licht van de door de behandelingsdimensie beschermde openheid van de uitkomst van de procedure, is het bestaan van een strafprocedure natuurlijk van wezenlijk belang. Is een strafprocedure niet aan de orde of ten tijde van de gewraakte bejegening reeds onherroepelijk ten einde, dan heeft bejegening als schuldige voor de openheid van die procedure geen gevolgen meer. Vangt een strafproces echter pas aan na voorbarige behandeling als schuldige, dan kan die bejegening de openheid daarvan wel degelijk aantasten.
Het gezag van de rechterlijke procedure en de uitkomst daarvan verlangen het bestaan van een procedure eveneens. Waar een zaak niet ‘onder de rechter’ is, zal komen of is geweest, doet het aan het gezag van diens rechtspraak meestal nauwelijks afbreuk wanneer andere overheidsautoriteiten zich uitlaten over een kwestie waar met een strafrechtelijke blik naar gekeken kan worden. Onder omstandigheden van moedwillige omzeiling van de wettelijke procedure kan dat anders zijn. In elk geval geldt ook voor het gezag van de procedure dat dit niet alleen kan worden aangetast door bejegeningen vanaf het moment dat een procedure aanhangig is. Daar komt nog bij dat het gezag van de procedure juist fors in het geding is waar een strafprocedure zonder veroordelend vonnis reeds ten einde is gekomen.
Bezien vanuit de met de exclusiviteit van de procedure gemoeide procesbelangen van het beschuldigde individu, zoals dat om niet ten onrechte te worden onderworpen aan op straf neerkomende nadelen, is voor de eis dat de betrokkene charged is, mijns inziens (nog) minder te zeggen. Weigend verdedigt dat restrictieve toepassingsbereik met een beroep op de “[...] combination of a reduced social status and the submission to the state’s far-reaching powers [that] leave the suspect in a particularly vulnerable position. There is a real risk that the state will use its vast procedural powers (e.g., to arrest and detain a suspect, to interrogate him, to provisionally seize his property) in order to start punishing him for the offence of which he is suspected.”3 Voor zover met dit real risk is bedoeld dat behandeling als schuldige een grotere impact heeft op het wél in een strafzaak betrokken individu, zie ik niet in waarom dat steeds het geval zou zijn. Ook zij die niet, nog niet of niet langer charged zijn, kunnen door bejegening als schuldige in hun eigendom, vrijheid, privéleven of eer en goede naam ernstig worden geschaad. De tendens is bovendien dat in een steeds eerder stadium, óók voordat van een charge sprake is, rechten van nog niet-verdachte individuen worden beknot met (onder meer) het oog op de opsporing en vervolging van strafbare feiten.4 Waar het recht niet onterecht als schuldige te worden behandeld aan een verdachte wordt toegekend, komt dit recht mijns inziens dan ook eerder a fortiori toe aan degene tegen wie een dergelijke verdenking niet bestaat of deze nog onvoldoende concreet is.5 Dat de kans op behandeling als schuldige voor verdachten groter is, is wel aannemelijk, maar niet doorslaggevend. Dat een onwenselijke situatie minder vaak voorkomt, neemt de onwenselijkheid daarvan immers niet weg en duidt er wellicht zelfs op dat deze eenvoudiger vermijdbaar is.
Al met al lijkt vooral de tekst van de verdragen te pleiten voor een beperking van het temporele toepassingsbereik van de behandelingsdimensie tot de periode waarin de betrokkene charged is. In hoofdstuk II bleek echter al dat die beperking en de gevolgen daarvan bij de totstandkoming van UVRM, EVRM en IVBPR maar in zeer beperkte mate onder ogen zijn gezien.6 Daarmee werd eigenlijk beoogd te onderstrepen dat de onschuldpresumptie een strafrechtelijk beginsel betreft. Dat rechtvaardigt beperking van de behandelingsdimensie tot bejegening als schuldige aan een strafbaar feit, maar vormt voor de thans in de verdragsbepalingen neergelegde beperking van het toepassingsbereik tot personen die ‘charged’ zijn geen overtuigend argument.