Procestaal: Duits.
HvJ EU, 13-02-2025, nr. C-612/23
ECLI:EU:C:2025:82
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
13-02-2025
- Magistraten
M. L. Arastey Sahún, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer, B. Smulders
- Zaaknummer
C-612/23
- Roepnaam
Verbraucherzentrale Berlin (Notion de durée d’engagement initiale)
- Vakgebied(en)
Informatierecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:82, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑02‑2025
Uitspraak 13‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) — Elektronische-communicatienetwerken en -diensten — Universele dienst en gebruikersrechten — Consumentenbescherming — Overeenkomsten tussen een consument en een onderneming die elektronische-communicatiediensten aanbiedt — Gemakkelijker wijziging van aanbieder — Artikel 30, lid 5 — Initiële contractduur — Begrip
M. L. Arastey Sahún, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer, B. Smulders
Partij(en)
In zaak C-612/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Düsseldorf, Duitsland) bij beslissing van 21 september 2023, ingekomen bij het Hof op 6 oktober 2023, in de procedure
Verbraucherzentrale Berlin eV
tegen
Vodafone GmbH,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, D. Gratsias (rapporteur), E. Regan, J. Passer en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Verbraucherzentrale Berlin eV, vertegenwoordigd door S. Fitzner, Rechtsanwältin,
- —
Vodafone GmbH, vertegenwoordigd door C. Rohnke, Rechtsanwalt,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Gariazzo, L. Malferrari en G. Meessen als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 30, lid 5, van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 51), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB 2009, L 337, blz. 11) (hierna: ‘universeledienstrichtlijn’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Verbraucherzentrale Berlin eV, een vereniging voor consumentenbescherming (hierna: ‘consumentenbeschermingsvereniging’), en Vodafone GmbH, een aanbieder van telecommunicatiediensten, waaronder mobiele telefonie, betreffende een handelspraktijk van deze aanbieder ten aanzien van consumenten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Universeledienstrichtlijn
3
De overwegingen 2, 30 en 49 van de universeledienstrichtlijn luidden als volgt:
- ‘(2)
Krachtens artikel 153 [EG] dient de [Europese] Gemeenschap bij te dragen tot de bescherming van de consumenten.
[…]
- (30)
Contracten vormen een belangrijk hulpmiddel voor gebruiker en consument om een minimumniveau van transparantie van de informatie en rechtszekerheid te waarborgen. […] Buiten de bepalingen van deze richtlijn zijn de voorschriften van bestaande communautaire wetgeving inzake consumentenbescherming met betrekking tot contracten […] van toepassing op consumententransacties met betrekking tot elektronische netwerken en diensten. Met name voor consumenten moet een minimumniveau van rechtszekerheid gelden met betrekking tot hun contractuele relaties met hun directe aanbieder van telefoondiensten. Daartoe dienen de contractvoorwaarden en -bepalingen, de kwaliteit van de dienst, de voorwaarden voor beëindiging van de overeenkomst en de dienst, schadevergoedingsmaatregelen en geschillenbeslechting in hun contracten te worden vermeld. […]
[…]
- (49)
Deze richtlijn stelt elementen van consumentenbescherming verplicht, waaronder duidelijke contractvoorwaarden en geschillenbeslechting, alsmede transparantie van tarieven voor consumenten. […]’
4
Artikel 20 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Contracten’, bepaalde in lid 1:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat de consumenten en andere hierom verzoekende eindgebruikers die zich abonneren op diensten waarbij een aansluiting tot het openbare communicatienetwerk en/of openbare elektronische-communicatiediensten worden aangeboden, recht hebben op een contract met een onderneming of ondernemingen die dergelijke aansluiting en/of diensten aanbieden. […]’
5
Artikel 30 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Gemakkelijker wijziging van aanbieder’, bepaalde in lid 5:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat in contracten tussen consumenten en aanbieders van elektronische-communicatiediensten geen initiële contractduur van meer dan 24 maanden wordt vastgelegd. De lidstaten waarborgen tevens dat de ondernemingen de gebruikers de mogelijkheid bieden een contract met een maximumlooptijd van 12 maanden te ondertekenen.’
Richtlijn 2009/136
6
Overweging 47 van richtlijn 2009/136 luidt als volgt:
‘Om ten volle te kunnen profiteren van de mededinging, moeten de consumenten geïnformeerde keuzes kunnen maken en van dienstenleverancier kunnen veranderen wanneer dat in hun voordeel is. Het is essentieel dat zij dit kunnen doen zonder gehinderd te worden door juridische, technische of praktische belemmeringen, zoals contractuele voorwaarden, procedures, heffingen, enz. Dit sluit niet uit dat in contracten met consumenten een redelijke minimumcontractperiode wordt opgenomen. Nummerportabiliteit is cruciaal om de keuzevrijheid van de consument te vergemakkelijken en een daadwerkelijke mededinging op de concurrerende markten voor elektronische communicatie te waarborgen, en moet onverwijld worden uitgevoerd opdat het nummer binnen een werkdag geactiveerd en operationeel is en de gebruiker het niet langer dan een werkdag zonder de betreffende diensten moet stellen. De nationale regelgevende instanties kunnen het totaalproces voor het overdragen van nummers voorschrijven met inachtneming van nationale bepalingen inzake contracten en technologische ontwikkelingen. De ervaring in sommige lidstaten heeft geleerd dat het risico bestaat dat consumenten te maken krijgen met een verandering van aanbieder zonder hun instemming. Dit is een kwestie die voornamelijk door de rechtshandhavingsautoriteiten moet worden aangepakt, maar de lidstaten moeten met betrekking tot het overschakelingsproces de passende minimummaatregelen kunnen opleggen, onder meer adequate sancties, die nodig zijn om het genoemde risico zo veel mogelijk te beperken, en ervoor kunnen zorgen dat consumenten gedurende het gehele overschakelproces worden beschermd zonder het proces minder aantrekkelijk voor consumenten te maken.’
Richtlijn 2018/1972
7
De universeledienstrichtlijn is ingetrokken door richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB 2018, L 321, blz. 36). Volgens de concordantietabel in bijlage XIII bij deze richtlijn komt artikel 30, lid 5, van de universeledienstrichtlijn overeen met artikel 105, lid 1, van richtlijn 2018/1972. Artikel 105, met als opschrift ‘Looptijd en opzegging van contracten’, is als volgt geformuleerd:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat de voorwaarden en procedures voor de opzegging van contracten het veranderen van dienstenaanbieder niet ontmoedigen en dat in contracten tussen consumenten en aanbieders van andere voor het publiek beschikbare elektronische-communicatiediensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten en dan transmissiediensten voor het verlenen van intermachinale diensten, geen initiële contractduur van meer dan 24 maanden wordt vastgelegd. De lidstaten kunnen bepalingen vaststellen of handhaven die voor de contractduur kortere looptijden vastleggen.
[…]
- 3.
Indien een contract of het nationaal recht voorziet in automatische verlenging van een vaste looptijd voor andere elektronische-communicatiediensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten en dan transmissiediensten voor het verlenen van intermachinale diensten, zorgen de lidstaten ervoor dat eindgebruikers na een dergelijke verlenging het contract op elk willekeurig moment mogen opzeggen met een opzeggingstermijn van maximaal één maand, zoals bepaald door de lidstaten en zonder andere kosten dan de vergoeding voor de ontvangst van de dienstverlening tijdens de opzeggingstermijn. Voordat het contract automatisch wordt verlengd, informeren de aanbieders de eindgebruikers tijdig, op een in het oog springende wijze en op een duurzame drager over het einde van de contractuele verbintenis en over de middelen om het contract te beëindigen. Tegelijk geeft de aanbieder de eindgebruikers ook advies over de voordeligste tarieven met betrekking tot zijn diensten. De aanbieders geven de eindgebruikers ten minste jaarlijks informatie over de voordeligste tarieven.
[…]’
8
Overeenkomstig respectievelijk de artikelen 124 en 125 van deze richtlijn verstreek de termijn voor de omzetting ervan in de rechtsorden van de lidstaten op 21 december 2020 en is de universeledienstrichtlijn met ingang van diezelfde datum ingetrokken.
Duits recht
9
Overeenkomstig § 43b van het Telekommunikationsgesetz (telecommunicatiewet) van 22 juni 2004 (BGBI. 2004, I, blz. 1190), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: ‘TKG’):
‘De initiële contractduur van een overeenkomst tussen een consument en een aanbieder van openbaar toegankelijke communicatiediensten mag niet meer bedragen dan 24 maanden. […]’
10
§ 307 van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: ‘BGB’) bepaalt:
- ‘(1)
Bepalingen in algemene verkoopvoorwaarden zijn ongeldig wanneer zij de medecontractant van degene die daarvan gebruikmaakt, in strijd met de eisen van de goede trouw onredelijk benadelen. Van een onredelijke benadeling kan ook sprake zijn doordat een bepaling niet duidelijk en begrijpelijk is.
- (2)
In geval van twijfel moet een onredelijke benadeling worden aangenomen wanneer een bepaling
- 1.
niet verenigbaar is met de beginselen die ten grondslag liggen aan de wettelijke regeling waarvan wordt afgeweken, dan wel
- 2.
wezenlijke, uit de aard van de overeenkomst voortvloeiende rechten of plichten zozeer beperkt dat het bereiken van het doel van de overeenkomst in gevaar komt.
- (3)
De leden 1 en 2 alsmede de §§ 308 en 309 gelden uitsluitend voor bepalingen in algemene verkoopvoorwaarden waarbij regelingen worden overeengekomen die afwijken van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of deze aanvullen. Andere bepalingen kunnen uit hoofde van lid 1, tweede zin, juncto lid 1, eerste zin, ongeldig zijn.’
11
§ 309 BGB bepaalt:
‘Ook indien van de wettelijke bepalingen mag worden afgeweken, zijn de volgende bepalingen in algemene voorwaarden ongeldig[:]
[…]
- 9.
in het geval van een contractuele verhouding die betrekking heeft op de regelmatige levering van goederen of de regelmatige verrichting van diensten of werkzaamheden door de gebruiker,
- a)
een contractduur die de andere contractpartij langer dan twee jaar bindt,
- b)
een stilzwijgende verlenging van de contractuele verhouding die de andere contractpartij bindt, tenzij de contractuele verhouding voor onbepaalde tijd wordt verlengd en de andere contractpartij het recht krijgt om het verlengde overeenkomst te allen tijde op te zeggen met een maximale opzegtermijn van één maand;
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
12
De vereniging voor consumentenbescherming heeft bij het Landgericht Düsseldorf (rechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) een verbodsactie ingesteld tegen Vodafone, op grond dat Vodafone de nationale regeling inzake consumentenbescherming zou hebben geschonden ten nadele van bestaande klanten, zoals de in het verzoek om een prejudiciële beslissing vermelde klanten 1 en 2.
13
Laatstgenoemde klanten hadden elk met Vodafone een eerste overeenkomst voor een bepaalde contractduur gesloten. In de loop van 2018, vóór het verstrijken van hun overeenkomsten, heeft elk van deze twee klanten zijn abonnementsformule willen wijzigen om tegen een hogere maandelijkse prijs een nieuwe mobiele telefoon tegen een gereduceerde prijs te kunnen aanschaffen.
14
Daartoe heeft klant 1 een aanvullende overeenkomst bij zijn eerste overeenkomst ondertekend, waarin werd vermeld dat het ging om een ‘nieuwe overeenkomst’, die werd gesloten ‘vóór de afloop van de contractduur’ en dat een nieuwe contractduur van 24 maanden zou beginnen te lopen vanaf de eerste dag na het verstrijken van de contractduur van de eerste overeenkomst. Deze klant heeft de overeengekomen mobiele telefoon onmiddellijk ontvangen en Vodafone heeft onmiddellijk het in die aanvullende overeenkomst vastgestelde nieuwe tarief toegepast.
15
Klant 2 daarentegen heeft een document met de titel ‘Verlenging van de overeenkomst’ ondertekend, waarin een contractduur van 26 maanden werd vastgesteld. In dit verband heeft Vodafone deze klant erop gewezen dat de resterende duur van de eerste overeenkomst die hij had ondertekend en die nog niet was verstreken, moest worden opgeteld bij de minimale contractuele periode van 24 maanden.
16
Ter ondersteuning van haar verbodsactie heeft de vereniging voor consumentenbescherming aangevoerd dat, als gevolg van de in de punten 14 en 15 van dit arrest beschreven handelspraktijk, de klanten werden gebonden voor een periode van meer dan 24 maanden, hetgeen in strijd is met § 43b, eerste zin, TKG en in elk geval met § 309, punt 9, onder a), BGB. Vodafone heeft daartegen ingebracht dat het bij deze handelspraktijk uitsluitend ging om onderling overeengekomen verlengingen van overeenkomsten, die niet onder die bepalingen vielen.
17
Het Landgericht Düsseldorf heeft deze vordering gedeeltelijk toegewezen. Het oordeelde dat de bestreden handelspraktijk weliswaar niet in strijd was met de bovengenoemde bepalingen, die enkel betrekking hadden op de duur van de eerste overeenkomsten en niet op de duur van latere overeenkomsten zoals die welke voortvloeiden uit de ondertekening van de aanvullende overeenkomst en het document zoals vermeld in de punten 14 respectievelijk 15 van dit arrest, maar dat de met klanten 1 en 2 gesloten overeenkomsten algemene voorwaarden bevatten die in strijd waren met § 307 BGB.
18
Partijen in het hoofdgeding hebben tegen dit vonnis elk hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Düsseldorf (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Düsseldorf, Duitsland), de verwijzende rechter. Deze rechter heeft het hoger beroep van de consumentenvereniging toegewezen en dat van Vodafone afgewezen op grond dat de handelspraktijk waarop de verbodsactie betrekking had inderdaad in strijd was met voormelde nationale bepalingen, uitgelegd in het licht van het Unierecht.
19
Dit arrest is vernietigd door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), dat de zaak naar de verwijzende rechter heeft terugverwezen omdat het van oordeel was dat bepaalde feitelijke elementen van het geschil niet nauwkeurig genoeg waren vastgesteld.
20
De verwijzende rechter, waarbij het geding opnieuw aanhangig is gemaakt, is van oordeel dat de door klant 1 ondertekende aanvullende overeenkomst en het door klant 2 ondertekende document vanaf de datum van ondertekening ervan in werking moesten treden en moesten worden uitgevoerd.
21
Deze rechter vraagt zich echter af hoe het begrip ‘initiële contractduur’ in § 43b, eerste zin, TKG, waarvan de draagwijdte in Duitsland omstreden is, moet worden uitgelegd.
22
Volgens een eerste opvatting heeft dit begrip uitsluitend betrekking op de eerste overeenkomsten tussen een klant en een aanbieder van communicatiediensten. Daaruit volgt dat de beperking in de tijd van artikel 30, lid 5, van de universeledienstrichtlijn niet van toepassing is op verlengingen van dergelijke overeenkomsten, en dit zowel wanneer het gaat om stilzwijgende verlengingen als om verlengingen die voortvloeien uit een nieuwe overeenkomst tussen dezelfde partijen, en ongeacht de vraag of deze verlengingen wijzigingen in de contractvoorwaarden met zich meebrengen.
23
Volgens een tweede opvatting, die door de verwijzende rechter wordt aangehangen, moet onder ‘initiële contractduur’ elke contractduur worden verstaan, met dien verstande dat de consument in elk geval de mogelijkheid moet hebben om de overeenkomst te beëindigen bij het verstrijken van de in de universeledienstrichtlijn bedoelde contractuele periode van hoogstens 24 maanden. Een dergelijke uitlegging zou ten eerste in overeenstemming zijn met het in overweging 47 van richtlijn 2009/136 genoemde doel om de consument de mogelijkheid te bieden om een overeenkomst te beëindigen na afloop van een redelijke minimumcontractperiode ‘om ten volle te kunnen profiteren van de mededinging’. Ten tweede zou een uitlegging van het begrip ‘initiële contractduur’ zoals die welke in punt 22 van dit arrest is uiteengezet, impliceren dat er geen duidelijke voorschriften bestaan met betrekking tot de duur van de daaropvolgende overeenkomsten tussen de partijen bij de eerste overeenkomsten. Ten derde zou bij deze laatste uitlegging een onderscheid worden gemaakt tussen de loutere verlenging van een overeenkomst en de sluiting van een nieuwe overeenkomst waarbij de eerdere overeenkomst wordt beëindigd, waardoor de toepassing van de universeledienstrichtlijn afhankelijk zou worden gesteld van nationale concepten.
24
Volgens de verwijzende rechter wordt de weglating in artikel 105, lid 1, van richtlijn 2018/1972 van het in artikel 30, lid 5, van de universeledienstrichtlijn vermelde woord ‘initiële’ verklaard door het feit dat de kwestie van de automatische verlengingen van overeenkomsten voor bepaalde tijd thans wordt geregeld door artikel 105, lid 3, van richtlijn 2018/1972.
25
Tegen deze achtergrond heeft het Oberlandesgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet onder ‘initiële contractduur’ [in de zin van artikel 30, lid 5, van de universeledienstrichtlijn] enkel worden verstaan de contractduur van een eerste overeenkomst of ook die van een verlengingsovereenkomst die op basis van actuele wilsverklaringen geruime tijd vóór het verstrijken van de eerste overeenkomst is gesloten en in werking is getreden, wanneer deze gewijzigde [verplichtingen] van de handelaar en de klant ten opzichte van de eerste overeenkomst bevat?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
26
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 30, lid 5, van de universeledienstrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘initiële contractduur’ in deze bepaling zowel betrekking heeft op de duur van de eerste overeenkomst tussen een consument en een aanbieder van elektronische-communicatiediensten, als op de duur van een daaropvolgende overeenkomst tussen dezelfde partijen, zodat bij die latere overeenkomst geen contractduur van meer dan 24 maanden mag worden opgelegd, zelfs wanneer die overeenkomst is ondertekend en ten uitvoer wordt gelegd vóór het verstrijken van de eerste overeenkomst.
27
Vooraf dient te worden opgemerkt dat de verwijzende rechter van oordeel is dat de universeledienstrichtlijn, die inmiddels is ingetrokken en vervangen door richtlijn 2018/1972, ratione temporis van toepassing is op het hoofdgeding. Hij merkt in dit verband met name op dat, overeenkomstig het nationale recht dat op dit geschil van toepassing is, een vordering zoals die welke door de verzoekende partij in het hoofdgeding is ingesteld slechts kan worden toegewezen indien de bestreden handelspraktijk onrechtmatig was op het tijdstip van de feiten die aan deze vordering ten grondslag liggen. In casu zouden deze feiten zich hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2018/1972, zodat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handelspraktijk moet worden beoordeeld in het licht van de universeledienstrichtlijn.
28
In dit verband hoeft er slechts aan te worden herinnerd dat het uitsluitend aan de nationale rechterlijke instanties is om het feitelijke en regelgevende kader te bepalen waarin de door hen gestelde vragen passen [beschikking van 25 maart 2022, IP e.a. (Vaststelling van de juistheid van de feiten in het hoofdgeding), C-609/21, EU:C:2022:232, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Wat de uitlegging van bepalingen van de nationale rechtsorde betreft dient het Hof in beginsel de kwalificaties in de verwijzingsbeslissing tot uitgangspunt te nemen. Volgens vaste rechtspraak is het Hof namelijk niet bevoegd om het nationale recht van een lidstaat uit te leggen (arrest van 5 december 2023, Deutsche Wohnen, C-807/21, EU:C:2023:950, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29
In het licht van deze overwegingen moet artikel 30, lid 5, van de universeledienstrichtlijn worden uitgelegd.
30
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van deze bepaling betreft, moet worden vastgesteld dat uit de Spaanse, de Duitse, de Griekse, de Engelse en de Franse taalversie ervan kan worden afgeleid dat het bijvoeglijk naamwoord ‘initieel’, dat in vrijwel al die taalversies een vrouwelijke vorm heeft, niet beoogt ‘contracten’ of het ‘contract’ te kwalificeren, maar de ‘contractduur’, hetgeen zou betekenen dat de Uniewetgever geen onderscheid heeft willen maken tussen de eerste overeenkomsten en de latere overeenkomsten die tussen dezelfde partijen zijn gesloten. Niettemin kunnen andere taalversies van deze bepaling, zoals de Italiaanse en de Portugese taalversie, zo worden uitgelegd dat zij alleen een vereiste van een contractduur die niet langer is dan 24 maanden willen opleggen met betrekking tot het ‘initiële contract’, dat wil zeggen, in wezen, het eerste contract dat door de betrokken partijen is ondertekend.
31
Volgens vaste rechtspraak moeten de bepalingen van het recht van de Unie op eenvormige wijze worden uitgelegd en toegepast met inachtneming van de versies in alle talen van de Unie. Indien er verschillen tussen die versies bestaan, moet de betrokken bepaling worden uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arrest van 17 januari 2023, Spanje/Commissie, C-632/20 P, EU:C:2023:28, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
In dit verband moet in de tweede plaats worden opgemerkt dat een uitlegging van artikel 30, lid 5, van de universeledienstrichtlijn volgens welke er geen onderscheid mag worden gemaakt tussen de eerste overeenkomst en de daaropvolgende overeenkomst tussen dezelfde partijen, in overeenstemming is met het doel van deze richtlijn.
33
Zoals reeds blijkt uit het opschrift van artikel 30 van de universeledienstrichtlijn en uit overweging 47 van richtlijn 2019/136, is het hoofddoel van dit artikel 30 namelijk om het de consumenten gemakkelijker te maken om met kennis van zaken van aanbieder te veranderen wanneer dit in hun belang is, zodat deze consumenten ten volle kunnen profiteren van de mededinging. Een uitlegging van dat artikel 30 in die zin dat de uitdrukking ‘initiële contractduur’ enkel ziet op de duur van de eerste tussen de betrokken partijen gesloten overeenkomsten en niet op die van de latere overeenkomsten tussen dezelfde partijen, zou tot gevolg hebben dat het voor deze consumenten — potentieel gedurende lange perioden — moeilijker wordt om van leverancier te veranderen en dat hun aldus in voorkomend geval de mogelijkheid wordt ontnomen om ten volle te profiteren van de mededinging op het betrokken gebied.
34
In het bijzonder kan weliswaar worden aangenomen dat de consument, door te besluiten een nieuwe overeenkomst met dezelfde dienstverlener te sluiten, blijk geeft van vertrouwen ten aanzien van deze dienstverlener, maar dit mag, in het licht van deze doelstelling, daarom nog niet tot gevolg hebben dat deze consument wordt verhinderd om van dienstverlener te veranderen indien hem een aantrekkelijker aanbod wordt gedaan.
35
Voorts blijkt in wezen uit de overwegingen 2 en 30 van de universeledienstrichtlijn dat consumentenbescherming een van de doelstellingen is die met deze richtlijn worden nagestreefd. Wanneer een consument na afloop van een eerste contractuele periode besluit om met dezelfde dienstverlener opnieuw een overeenkomst aan te gaan, beschikt hij weliswaar over een zekere ervaring met de handelspraktijken van zijn medecontractant, maar deze ervaring kan irrelevant blijken wanneer de nieuwe overeenkomst die wordt aangegaan, voor beide zijden prestaties omvat die naar hun aard verschillen van die waarop de eerste overeenkomst betrekking had. Het beschermingsniveau dat de consument geniet, mag dus niet lager zijn wanneer hij instemt met wijzigingen in een overeenkomst die hem aan een dienstverrichter bindt dan wanneer hij voor het eerst een dergelijke overeenkomst met een nieuwe dienstverrichter sluit.
36
Dit geldt a fortiori in een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de latere overeenkomst tussen de betrokken partijen met betrekking tot essentiële bedingen wijzigingen bevat ten opzichte van de eerste overeenkomst tussen deze partijen, zoals wijzigingen betreffende de tarifering, de inhoud of de aard van de betrokken diensten.
37
Uit overweging 47 van richtlijn 2009/136 blijkt dat het wegnemen van juridische, technische of praktische belemmeringen die consumenten zouden kunnen hinderen bij het overstappen naar een andere aanbieder, niet zover gaat dat in overeenkomsten met deze consumenten geen redelijke minimumcontractperiode kan worden opgelegd. Een uitlegging van artikel 30, lid 5, van richtlijn 2002/22 op grond waarvan een aanbieder voor een nieuwe overeenkomst met een van zijn abonnees een langere duur kan opleggen dan de door deze bepaling opgelegde maximumcontractduur, kan echter niet worden geacht in overeenstemming te zijn met de doelstellingen die worden nagestreefd door de Uniewetgever, die met deze bepaling een beperking in de tijd heeft vastgesteld die niet mag worden overschreden.
38
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 30, lid 5, van de universeledienstrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘initiële contractduur’ in deze bepaling zowel betrekking heeft op de duur van de eerste overeenkomst tussen een consument en een aanbieder van elektronische-communicatiediensten als op de duur van een daaropvolgende overeenkomst tussen dezelfde partijen, zodat bij die latere overeenkomst geen contractduur van meer dan 24 maanden mag worden opgelegd, zelfs wanneer die overeenkomst is ondertekend en ten uitvoer wordt gelegd vóór het verstrijken van de eerste overeenkomst.
Kosten
39
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 30, lid 5, van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en —diensten (universeledienstrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009,
moet aldus worden uitgelegd dat
het begrip ‘initiële contractduur’ in deze bepaling zowel betrekking heeft op de duur van de eerste overeenkomst tussen een consument en een aanbieder van elektronische-communicatiediensten als op de duur van een daaropvolgende overeenkomst tussen dezelfde partijen, zodat bij die latere overeenkomst geen contractduur van meer dan 24 maanden mag worden opgelegd, zelfs wanneer die overeenkomst is ondertekend en ten uitvoer wordt gelegd vóór het verstrijken van de eerste overeenkomst.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑02‑2025