Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.5
IV.5 Met de behandelingsdimensie botsende belangen
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598623:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § III.6.1.
Al lijkt empirisch bewijs voor die stelling moeilijk leverbaar, zie bijv. Bosker 1997; Van der Laan 2004.
Zie bijv. Den Hartog 1992; Bleichrodt, Mevis & Volker 2012. Vgl. over de spanning tussen deze tendensen en de onschuldpresumptie ook De Jong & Van Lent 2013; De Jong & Van Lent 2016.
Zo Van Kempen, annotatie bij: EHRM 15 december 2011, nrs. 35730/07 & 4285/08, NJ 2013, 35 (Ashendon & Jones/Verenigd Koninkrijk), punt 10.
Rb. Limburg 3 november 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:9262.
Te denken valt aan beslissingen op verzoeken tot vergoeding van strafprocessuele schade en gemaakte kosten, zie daarover nader § VI.8; VIII.6.
Het EHRM acht voor de vraag of iets een meningsuiting is zowel de objectieve aard van de gedraging en in het bijzonder het uitingskarakter ervan, als de subjectieve bedoeling die de zich uitende persoon ermee had, relevant. Zie meest expliciet op die manier EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07, par. 54-56 (Murat Vural/Turkije). Zo sluit het EHRM niet uit dat het dragen van een baard een meningsuiting oplevert, maar moet wel zijn aangetoond en toegelicht dat dat in concreto daadwerkelijk de bedoeling is, zie EHRM 24 mei 2005, nr. 8165/03, dec. (Tiğ/Turkije).
Aldus bijv. EHRM (GK) 26 september 1995, nr. 17851/91, NJ 1996, 545, m.nt. Dommering (Vogt/Duitsland); EHRM 2 september 1998, nr. 22954/93 (Ahmed e.a./Verenigd Koninkrijk); EHRM 24 november 2005, nr. 27574/02, dec., NJ 2007, 158, m.nt. Alkema (Otto/ Duitsland). Zie over deze rechtspraak en over het Nederlandse constitutionele en ambtenarenrecht op dit terrein De Becker, Van Noorloos & Sparrius 2015.
Vgl. op die manier EHRM 10 februari 1995, nr. 15175/89, NJ 1997, 523, par. 38, m.nt. Dommering (Allenet de Ribemont/Frankrijk).
Stuckenberg 1998, p. 559.
Zoals in het vorige hoofdstuk reeds naar voren kwam, laat het recht op een eerlijk strafproces zich in beginsel niet – zoals de meer materiële vrijheidsrechten – afwegen tegen andere belangen. Als geheel moet een proces altijd eerlijk zijn, ongeacht of daarmee andere waarden in het gedrang komen. In de uitleg en weging van deelaspecten van dat recht, kunnen evenwel andere belangen worden verdisconteerd.1
Eén belangrijk argument tegen interpretatie van de behandelingsdimensie als een recht op bejegening als onschuldige is gelegen in de vele inbreuken die een dergelijk recht in iedere reguliere strafzaak te verduren krijgt en dat de strafrechtspleging daar niet zonder kan. Door uit de onschuldpresumptie louter een verbod op bejegening als schuldige af te leiden, botst de onschuldpresumptie lang niet in iedere strafrechtelijke procedure met andere belangen. Dat betekent onder meer dat allerlei dwangmiddelen die in hun gevolgen op de straf lijken, zoals voorlopige hechtenis en conservatoir beslag, niet zonder meer een inbreuk vormen op de onschuldpresumptie. Ook dat de verdenking van een strafbaar feit de belangrijkste reden voor de inzet van zo’n maatregel is, maakt dat niet anders. Tevens laat de behandelingsdimensie veel ruimte om belangrijke algemene belangen te behartigen als het opsporen en het voorkomen van strafbare feiten.
Dat kan desalniettemin niet helemaal voorkomen dat het verbod om de exclusiviteit en openheid van de procedure door behandeling als schuldige aan te tasten onder omstandigheden toch op gespannen voet staat met verschillende andere belangen en daarmee zelfs conflicteert. Zo ten eerste de wens om zo snel en kordaat mogelijk op strafbare feiten te reageren. Terwijl de opvatting heerst dat een effectief strafrecht erbij is gebaat dat bestraffing zo kort mogelijk op de daad volgt,2 schrijft de onschuldpresumptie juist voor dat bestraffing alleen plaatsvindt in een daarop gerichte en met waarborgen omklede procedure. Onderzoeken naar vergroting van de slagvaardigheid of responsiviteit van het strafrecht vinden het onschuldvermoeden dan ook op hun weg.3
Een daarmee samenhangend en eveneens populair belang is dat van maatschappelijke veiligheid en het indammen van risico’s dienaangaande. Weliswaar stuiten preventieve maatregelen niet noodzakelijk op in de onschuldpresumptie wortelende bezwaren, maar aan de andere kant staat de onschuldpresumptie ook niet elke op preventie gerichte redenering toe. De onschuldpresumptie vergt immers dat steeds het verschil tussen een verdachte en een veroordeelde in het oog wordt gehouden en dat de belangen van het niet-veroordeelde individu in belangenafwegingen zorgvuldig worden betrokken. Dit betekent dat niet iedere verdachte ‘voor de zekerheid’ van zijn vrijheid kan worden beroofd. Ook kunnen veiligheidsmaatregelen als de weigering van een Verklaring Omtrent het Gedrag op gespannen voet staan met de onschuldpresumptie, wanneer deze weigering bijvoorbeeld is gebaseerd op het begaan van een feit waarvan de betrokkene is vrijgesproken. Aldus moet worden vastgesteld dat de onschuldpresumptie enige beperkingen stelt aan de mogelijkheid tot het beschermen van de veiligheid door middel van risico-inschattingen.
Ten derde kan door de onschuldpresumptie niet altijd ten volle recht worden gedaan aan wat wel is aangeduid als de ‘waarachtigheid’ van de rechtspraak.4 Het beginsel kan eraan in de weg staan dat rechters, maar trouwens ook andere autoriteiten, hun ware gedachten over een beslissing uiten en in de plaats voor hun beslissingen relevante argumenten moeten verdoezelen. Zo zou strikte toepassing van het onschuldvermoeden de rechtbank Limburg ervan hebben weerhouden het rijgedrag van een van poging tot zware mishandeling vrijgesproken verdachte buiten de tenlastelegging om te typeren als een “[...] dollemansrit, waarbij hij meerdere verkeersovertredingen heeft begaan en die de aangevers buiten twijfel als zeer bedreigend hebben ervaren”.5 Dergelijke overwegingen maken de beslissing van de rechtbank evenwel in het algemeen voor betrokkenen beter te begrijpen en te aanvaarden. Waarachtig gemotiveerde beslissingen zijn bovendien niet alleen in het belang van de samenleving in het algemeen of van slachtoffers in het bijzonder. Ook de (ex-)verdachte zelf kan erbij gebaat zijn dat hem onwelgevallige beslissingen uitvoerig en oprecht worden gemotiveerd.6 Angst de onschuldpresumptie te schenden stimuleert echter juist dan dikwijls terughoudend te motiveren.
Ten slotte verdienen in dit verband de door artikel 10 EVRM beschermde rechten op vrije meningsuiting en op vrije ontvangst van informatie de aandacht. Natuurlijk is niet iedere bejegening als schuldige op te vatten als een ‘meningsuiting’.7 Rechterlijke uitspraken bijvoorbeeld dienen in het algemeen niet als de persoonlijke mening van die rechter te worden opgevat. Voor bijvoorbeeld uitlatingen van politici en ambtenaren in de krant of op televisie, ligt dat heel anders. Ook ambtenaren maken aanspraak op de vrijheid hun mening te uiten, zij het dat daarbij aan hun plichten en verantwoordelijkheden als ambtenaar bijzondere betekenis toekomt.8 De onschuldpresumptie begrenst die vrijheid. Die begrenzing is groter en weegt zwaarder wanneer men aan de onschuldpresumptie ook een zekere horizontale werking toekent. Indien particulieren iemand niet als schuldig aan een strafbaar feit mogen afschilderen voordat veroordeling heeft plaatsgevonden, vormt dat een beperking van de ruimte om van strafzaken bijvoorbeeld vrijelijk verslag te doen. Voor zowel door de overheid als door de media verspreide informatie geldt daarnaast dat niet alleen hun eigen recht die informatie te verspreiden, maar ook het belang van het publiek die informatie te mogen ontvangen in het geding is. Juist ook met betrekking tot strafzaken is het informeren van het publiek van wezenlijk belang. De terughoudendheid die in het belang van het vermoeden van onschuld in acht moet worden genomen, is daarbij een beperkende factor.9
Stuckenberg meent dat de onschuldpresumptie zich door dergelijke belangen niet laat beperken:
“Im Grundsatz unterliegt das Verbot der Desavouierung des Verfahrens keiner Abwägung oder Einschränkung: [...] Entscheidungsfindung und Entscheidungsumsetzung [schlieûen] einander aus. Eine Vorwegnahme des Verfahrensergebnisses entwertet ein Verfahren immer. Eine Einschränkung der Offenheit des Verfahrensausgangs als Teilaspekt des Rechtsstaatsprinzips ist aber ebensowenig möglich wie die der Unparteilichkeit des Gerichts.”10
Dit standpunt lijkt mij – im Grundsatz – wel juist. De grondslagen van de behandelingsdimensie laten zich niet afwegen tegen andere belangen. Waar een bejegening die grondslagen van de behandelingsdimensie in de kern raakt, is moeilijk een voorbeeld denkbaar waarin de bovengenoemde botsende belangen zo zwaarwegend zijn dat zij de onschuldpresumptie opzij zetten. Dat geldt temeer daar het recht niet als schuldige te worden bejegend voor die belangen al overwegend veel ruimte laat. Aan sommige van de genoemde belangen beoogt het onschuldvermoeden bovendien juist paal en perk te stellen. Het standpunt van Stuckenberg heeft ook het voordeel van de eenvoud en past goed bij zowel de historische als hedendaagse formuleringen van het beginsel, die in het algemeen geen expliciete beperkingen daarop of afwegingen daarvan toelaten.
Dat die botsende belangen de behandelingsdimensie niet opzij kunnen zetten, maakt ze ondertussen niet geheel irrelevant. Stuckenberg stelt in het bovenvermelde citaat dat het nemen van een voorschot op de uitkomst van het strafproces dat strafproces altijd devalueert. Dat lijkt mij echter toch ook wel afhankelijk van contextuele factoren, zoals de door de bejegenaar beklede positie, de context van de bejegening en de ruchtbaarheid die aan de bejegening is gegeven. Voor bejegeningen die niet de kern van het verbod op behandeling als schuldige raken, is volgens mij niet op voorhand uitgesloten dat daarbij wel gewicht toekomt aan de hier geïdentificeerde botsende belangen. Dat betekent niet dat zij een bejegening als schuldige kunnen rechtvaardigen, maar wel dat zij mogelijk mede bepalen of van een behandeling als schuldige wel sprake is en zo toch mede beïnvloeden hoe goed en precies de behandelingsdimensie moet worden nageleefd.