Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.6.2
IX.6.2 Temporeel toepassingsbereik
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600917:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
§ II.10.
Zie uitvoerig § IV.4.3.
Zie voor de gevolgen daarvan bijv. § VI.6, VI.7.1 en VI.8.
Zie uitvoerig § VI.2.1.
§ VI.2.1.2.
Zie nader § VI.2.1.3.
In bijvoorbeeld Mulosmani/Albanië had de rechter aan vóór de charge geuite beschuldigingen expliciet gerefereerd. Daarom achtte het Hof artikel 6 lid 2 EVRM toch van toepassing. De zaak laat vooral zien dat voorafgaand aan de charge geuite beschuldigingen in een strafzaak van wezenlijke invloed kunnen blijken. Zie daarover uitgebreider § VI.2.1.3.
§ VI.6.
De zaken besproken in § VI.7.1 betroffen steeds situaties waarin ook ter zake van het nieuwe feit werd vervolgd.
§ VI.2.2. De Hoge Raad kent – mijns inziens terecht – aan dat verschil in laatstgenoemde context geen gewicht toe, zie § VIII.4.3.1.
Zie voor de verwerping van enkele normatieve tegenargumenten uitvoeriger § IV.4.3.
Een tweede vraag is of alleen de verdachte in een strafzaak het beginsel kan inroepen. Deze vraag heeft vooral betrekking op het temporele toepassingsbereik van de onschuldpresumptie en moet worden onderscheiden van de hiervoor besproken strafrechtelijke aard van het beginsel. Omdat de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie zuiver procedureel van aard is en pas een functie vervult vanaf het onderzoek ter terechtzitting, heeft deze buiten het strafproces geen inhoudelijke betekenis. Het temporele toepassingsbereik ervan is onproblematisch. Voor de behandelingsdimensie ligt dat beduidend anders. De negatieve verplichting van overheidsorganen zich van bejegening als schuldige aan een strafbaar feit te onthouden, hoeft niet noodzakelijk tot bejegeningswijzen in, of zelfs tijdens de procedure te worden beperkt.
De in dit boek besproken internationale bepalingen die op het onschuldvermoeden betrekking hebben, kennen het beginsel echter louter toe aan degene die charged (with a criminal offence) is. Het is stellig de vraag of tekstuele interpretatie hier beslissend dient te zijn. Ten tijde van de totstandkoming van de UVRM, het IVBPR en het EVRM, op de tekst waarvan de ontwerpers van het EU-Handvest en de richtlijn zich op hun beurt oriënteerden, blijkt nauwelijks onder ogen te zijn gezien wat de onschuldpresumptie precies inhoudt. Ook de verschillen tussen de twee dimensies van het principe zijn toen niet aan bod gekomen, zodat betwijfeld moet worden of betrokkenen de consequenties van het charge-vereiste voor de behandelingsdimensie hebben erkend en gewild. De toevoeging aan het voorstel dat uitmondde in artikel 11 UVRM inhoudende dat de persoon charged with a criminal offence moet zijn, was gericht op verzekering van het strafrechtelijke karakter van de onschuldpresumptie. Beoogd was niet, althans niet expliciet, ook het temporele toepassingsbereik ervan te begrenzen.1
Voorts kunnen alle in dit boek geïdentificeerde grondslagen van de behandelingsdimensie in het geding komen in situaties waarin van een criminal charge geen sprake is. De te waarborgen openheid van de procedure vergt bijvoorbeeld dat ook voorafgaand aan de charge bejegening als schuldige ontoelaatbaar is, terwijl het gezag van de procedure juist na een zonder veroordeling geëindigd proces in het geding blijft. Het belang van het individu niet onterecht als schuldige te worden behandeld en gestraft, vereist als enige zelfs helemaal geen strafproces, maar verzet zich tegen bejegening als schuldige ongeacht of een strafproces nog plaatsvinden zal of heeft plaatsgevonden.2 Op zichzelf vraagt derhalve geen van de met de behandelingsdimensie gemoeide belangen om de beperking tot verdachten in een strafproces, maar zij gelden wel alle op zijn minst ook voor de verdachte.
Dat zich niet één juiste interpretatie van het charge-vereiste opdringt op basis van de met de behandelingsdimensie gemoeide belangen, blijkt ook uit de uitleg die internationale organen eraan geven. De benaderingen lopen aanzienlijk uiteen, hetgeen een sterk gedifferentieerd temporeel toepassingsbereik van de behandelingsdimensie tot gevolg heeft.3 Het contrast is het grootst tussen de voormalige ECieRM, die door de bank genomen de toepassingsvoorwaarde geheel losliet, en het VN Mensenrechtencomité, dat eraan strikt de hand houdt. Maar ook de EHRM-rechtspraak en de richtlijn staan op dit punt diametraal tegenover elkaar. Het EHRM vereist in de regel dat de verdachte voor het betreffende feit ooit charged is geweest, maar niet dat die charge nog aanhangig is ten tijde van de gewraakte bejegening. De richtlijn sluit toepassing na een onherroepelijke beslissing over de gegrondheid van de beschuldiging juist uitdrukkelijk uit, maar is wel van toepassing op suspects and accused persons, wat extensief opgevat zou kunnen betekenen dat ook aan de charge voorafgaande en zelfs buitenprocedurele beschuldigingen en verdenkingen aan de onschuldpresumptie kunnen worden getoetst.4
De op het charge-vereiste gebaseerde beperkingen die zowel het EHRM als het VN Mensenrechtencomité aanleggen, zijn bovendien niet steeds overtuigend. De jurisprudentie van het Comité, die als gezegd dicht bij de verdragstekst blijft en aldus de behandelingsdimensie als recht in de procedure beschouwt, roept de vraag op in hoeverre de bejegening als schuldige ook daadwerkelijk onderdeel van de strafprocedure dient te zijn. In Mathioudakis/ Griekenland was de klager in een administratiefrechtelijke procedure als schuldige bejegend aan een feit waarvoor hij gelijktijdig strafrechtelijk werd vervolgd. Het Comité vond de klager niet charged in de zin van artikel 14 lid 2 IVBPR. Onduidelijk is daardoor in hoeverre de bejegening niet alleen in temporeel opzicht gelijktijdig met de strafprocedure moet plaatsvinden, maar ervan ook onderdeel uit moet maken. Te meer, omdat de uitlatingen van andere bij de strafrechtspleging niet betrokken overheidsautoriteiten, zoals staatsmedia en politici, zonder meer wel binnen het bereik van de charge vallen.5
Het EHRM hanteert als gezegd het uitgangspunt dat de verdachte charged moet zijn ten tijde van de bejegening, of reeds charged moet zijn geweest op een eerder moment. Het Hof acht zich kennelijk in die uitleg door de bewoordingen van artikel 6 lid 2 EVRM niet belemmerd, maar weet niet overtuigend duidelijk te maken waarom na afloop van de strafzaak de onschuldpresumptie blijft gelden, terwijl deze niet opgaat waar een strafprocedure niet heeft plaatsgevonden. Ter onderbouwing van een zogenoemd post trial-aspect voert het Hof ten eerste aan dat de ten processe door de onschuldpresumptie geboden bescherming theoretisch en illusoir dreigt te worden, indien de uitkomst van dat strafproces na afloop zou kunnen worden genegeerd of ondergraven. Daarnaast wijst het Hof op de bescherming van de reputatie van de niet-veroordeelde gewezen verdachte. Het komt mij voor dat beide belangen ook – en niet noodzakelijk in mindere mate – kunnen worden geschaad door bejegening als schuldige aan een feit waarvoor vervolging nooit heeft plaatsgehad of eerst aanvangt na de bejegeningswijze.6 Het Straatsburgse Hof heeft aan diens eigen toepassingsvoorwaarde dan ook niet onder alle omstandigheden de hand kunnen houden. In Mulosmani/Albanië had de rechter aan vóór de charge geuite beschuldigingen expliciet gerefereerd. Daarom achtte het Hof artikel 6 lid 2 EVRM toch van toepassing. De zaak laat vooral zien dat voorafgaand aan de charge geuite beschuldigingen in een strafzaak van wezenlijke invloed kunnen blijken.7
Consequentie van ‘s Hofs benadering is ook dat van cruciaal belang wordt of voor het desbetreffende delict ooit is vervolgd, in situaties waarin die omstandigheid niet erg relevant lijkt. Zo valt niet direct in te zien waarom bij de weigering van een vergunning op grond van de Wet Bibob wel rekening zou mogen worden gehouden met delicten waarvoor de verdachte niet of nog niet is vervolgd, terwijl met feiten die de verdachte vermoedelijk pleegde maar waarvan de vervolging uitmondde in de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of in vrijspraak daarin niet mogen worden betrokken.8 Soortgelijk hangt de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf op grond van een nieuw strafbaar feit ervan af of de vervolging van dat nieuwe feit ten tijde van de bejegening als schuldige aan dat feit reeds aanvang heeft genomen.9 En ook beschermt de onschuldpresumptie wel tegen het betrekken in de straftoemeting van strafbare feiten waarvan de vervolging niet tot een veroordeling heeft geleid, maar vermoedelijk niet tegen verdiscontering van niet-vervolgde feiten.10 Wanneer de strafrechter of een bestuursorgaan aanleiding ziet om de verdachte als schuldige te bejegenen aan een delict ter zake waarvan deze nooit is vervolgd, rijst op zijn minst de vraag waarom niet is vervolgd. Vooral namelijk waar niet is vervolgd vanwege de onbewijsbaarheid van het feit, bestaat mijns inziens weinig reden de niet-vervolgde een feit later wel tegen te werpen van overheidswege, terwijl de vervolgde maar niet-veroordeelde nooit meer als schuldig aan dat feit kan worden behandeld.
Een en ander versterkt de twijfel over de wenselijkheid de behandelingsdimensie louter toe te kennen voor de duur van een criminal charge. De totstandkomingsgeschiedenis van de verdragsbepalingen biedt de ruimte om de verdragsteksten in dit opzicht los te laten. De rechtspraak van het EHRM en de voormalige ECieRM onderkent ook dat de toepassingsvoorwaarde onder omstandigheden moet worden verlaten om aan de met de behandelingsdimensie gemoeide belangen adequaat recht te kunnen doen. De argumenten die het EHRM daartoe gebruikt gaan echter eveneens op in andere situaties, waarin het Hof aan de voorwaarde vasthoudt. Teneinde alle met de behandelingsdimensie beoogde belangen adequaat te behartigen verdient het mijns inziens de voorkeur het charged-vereiste niet langer op te vatten als een absolute drempelvoorwaarde voor de toepasselijkheid van de onschuldpresumptie.11 Dat hoeft niet mee te brengen dat aan het al dan niet aanhangig zijn van een strafprocedure geen enkel gewicht meer toekomt. Bij de beoordeling of sprake is van bejegening als schuldige aan een strafbaar feit komt doorgaans betekenis toe aan de context waarin uitlatingen of gedragingen hebben plaatsgevonden. Die context kan mede erdoor worden bepaald of de wijze waarop de betrokkene wordt behandeld betrekking heeft op een gedraging waarvoor hij wordt vervolgd.