Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.6.3:IX.6.3 Totdat het tegendeel is bewezen
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.6.3
IX.6.3 Totdat het tegendeel is bewezen
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596302:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een meer uitgebreide bespreking hoofdzakelijk § V.3.3.
§ V.3.3.1.
Een in de literatuur verdedigde andere opvatting leek lange tijd steun erin te vinden dat het EHRM van belang achtte of bij een bejegeningswijze de rechten van de verdediging waren gerespecteerd, zie nader daarover § V.3.3.2.
Zie nader § IV.3.2.1; § V.3.3.3.
§ V.3.3.5.
§ III.5.3.5; § V.3.3.4.
Zie daarover kritisch § VI.2.2.
§ VIII.4.3.1.
§ V.3.3.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De derde toepassingsvoorwaarde is, anders dan de vorige twee, exclusief verbonden met de onschuldpresumptie. Alleen het vermoeden van onschuld houdt expliciet op te gelden bij het bewijs van schuld aan een strafbaar feit. Het is ook de meest diffuse van de toepassingsvoorwaarden. Achter het vereiste gaan namelijk uiteenlopende rechtsvragen schuil. In de jurisprudentie over het IVBPR en in het EU-recht is bij de meeste van die vraagstukken tot op heden niet uitdrukkelijk stilgestaan. Vooralsnog is het vooral de rechtspraak van het EHRM die in dit opzicht relevante gezichtspunten biedt. De toepassingsvoorwaarde heeft primair betrekking op de volmaakte en onproblematische situatie waarin de schuld van de verdachte in een voorbeeldige strafprocedure overtuigend is vastgesteld. Dan houdt de onschuldpresumptie op te gelden en staat deze niet langer in de weg aan bejegening als schuldige in het algemeen en aan punitieve sanctionering in het bijzonder. Daarom roept het vooral vragen op wanneer van een veroordeling geen of nog geen sprake is of waarin deze gebrekkig is. Ik besprak in dit boek zes van dergelijke minder volmaakte situaties.1
Vooropgesteld moet worden dat de zinsnede proved guilty according to law noch een strafvorderlijke legaliteitseis, noch de andere vereisten van het recht op een eerlijk strafproces incorporeert. De bejegening als schuldige na vaststelling van schuld in een procedure waarin nationaal strafprocesrecht of andere vereisten van artikel 6 EVRM zijn geschonden, levert op zichzelf geen schending van de onschuldpresumptie op. Dat bewijs according to law moet worden geleverd, betekent niet meer of minder dan dat schuld moet worden vastgesteld in de daartoe bestemde procedure en door de daartoe bevoegde autoriteit, welke bestemming en bevoegdheid uiteraard uit het nationale recht zullen moeten volgen. Zo’n tot schuldvaststelling bestemde procedure komt neer op de determination of a criminal charge, in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, zodat op een dergelijke procedure het recht op een eerlijk proces steeds in volle omvang van toepassing is. Een veroordeling in de daartoe bestemde procedure kan derhalve het toepassingsbereik van de onschuldpresumptie doen eindigen, ongeacht of aan die veroordeling naar nationaal recht gebreken kleven of dat de rechten uit artikel 6 EVRM daarbij tekort zijn gedaan.2
Deze uitleg van proved guilty according to law brengt niet alleen mee dat schuld kan worden vastgesteld in procedures waarin zich juridische onvolkomenheden hebben voorgedaan. Het betekent ook dat ontkennend moet worden geantwoord op de vraag of buiten de strafprocedure schuld kan worden vastgesteld, mits die schuldvaststelling geschiedt according to law, dus in overeenstemming met het nationale recht. De nationale wetgever heeft in principe niet de vrijheid een niet op schuldvaststelling gerichte procedure zo op te tuigen of in te richten dat daarin desondanks schuldvaststelling aan strafbare feiten op legitieme wijze kan plaatsvinden.3 Een en ander sluit aan op de historische achtergronden van de behandelingsdimensie en op de de exclusiviteit van de strafprocedure beschermende grondslagen ervan: de strafprocedure is in beginsel de enige rechtmatige route naar strafrechtelijke schuldvaststelling.
De inhoud van die procedure schrijft de onschuldpresumptie intussen niet voor. Hoe de determination of a criminal charge eruit moet zien, wordt niet zozeer door het onschuldvermoeden in het bijzonder bepaald, maar door het recht op een eerlijk proces in zijn geheel, waarvan de inhoud van het onschuldvermoeden uiteraard onderdeel uitmaakt. Hierdoor is beroep op de onschuldpresumptie ter bestrijding van decriminaliseringstendenzen bijvoorbeeld tevergeefs gebleken. Punitieve afdoening door bestuursorganen voldoet aan het criterium van de daartoe bestemde procedure door de daartoe bevoegde autoriteit. De opvattingen over een eerlijk strafproces zijn de laatste decennia zodanig veranderd dat thans algemeen is aanvaard dat een op schuldvaststelling gerichte procedure ook zo kan worden ingericht dat eerst na beoordeling door niet-rechterlijke autoriteit toegang tot de rechter kan worden verkregen.4
Van belang is daarbij overigens wel dat het beginsel van toepassing blijft totdat de tegen een beslissing bestaande gewone rechtsmiddelen zijn uitgeput. Opvallend eensgezind zijn het EHRM, het Comité en de richtlijn erover dat de onschuldpresumptie pas ophoudt van toepassing te zijn als schuld onherroepelijk is vastgesteld. Dat wil overigens niet zeggen dat een schuldigverklaring in eerdere aanleg geen enkele invloed heeft op het gewicht dat aan het beginsel dient te worden toegekend, maar wel dat het beginsel ook in hogere instantie niet mag worden genegeerd.5
Het toepassingsbereik is daardoor niet lineair. Op de sanctietoemeting is het vermoeden van onschuld namelijk in beginsel niet van toepassing. Ten aanzien van de bewijsdimensie is dat de meest verdedigbare uitleg.6 Voor de hand ligt daarnaast dat wanneer schuld in één aanleg van de procedure eenmaal is vastgesteld, van de juistheid van dat oordeel in de rest van die aanleg mag worden uitgegaan en dat de behandelingsdimensie zich tegen bejegening als schuldige aan dat feit derhalve niet verzet. Veel minder vanzelfsprekend is evenwel dat in de sanctietoemeting ook bejegening als schuldige aan andere feiten dan het bewezenverklaarde feit is toegestaan. De rechtspraak van het Hof is daarover niet eenduidig.7 Mijns inziens terecht is de Hoge Raad daarin duidelijk en strikter: het is in beginsel niet toegestaan dat andere strafbare feiten worden betrokken als de verdachte daarvoor niet onherroepelijk is veroordeeld.8 Daarmee wordt onder meer voorkomen dat de door de onschuldpresumptie geboden bescherming eenvoudig wordt omzeild door moeilijk bewijsbare feiten louter in de strafoplegging te betrekken.
Een laatste vraag die de toepassingsvoorwaarde evoceert, is of ook bekennende verdachten op de onschuldpresumptie onverkort een beroep toekomt, totdat hun schuld in de daartoe bestemde procedure is vastgesteld. Voor zover het gaat om geïnstitutionaliseerde wijzen van erkenning, zoals het geval is bij plea bargaining of anderszins gemaakte vonnisafspraken, is dat te beschouwen als schuldvaststelling in een daarop gerichte en daartoe bestemde procedure. Daarmee voldoet een guilty plea aan het predicaat proved guilty according to law. Waar het echter niet gaat om een vereenvoudigde procedurele afdoening, maar om een bekentenis zonder procedurele consequenties, moet tussen de beide dimensies worden gedifferentieerd. De bewijsdimensie lijkt mij na een bekentenis onverkort van toepassing. De internationale organen hebben zich daarover nooit met zoveel woorden uitgesproken, maar niet valt in te zien waarom een bekennende verdachte bijvoorbeeld bij redelijke twijfel zou mogen worden veroordeeld. Dat betekent tevens dat de zittingsrechter steeds oog zal moeten houden voor de mogelijke onschuld van de bekennende verdachte en dus bijvoorbeeld ook het voorschrift van artikel 271 lid 2 Sv in acht dient te nemen. Voor een beroep op de behandelingsdimensie ligt het anders. Het EHRM heeft geoordeeld dat een bekennende verdachte daarop geen beroep kan doen, tenzij de bekentenis ten tijde van de bejegeningswijze reeds was ingetrokken.9