HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361, m.nt. N. Jörg.
HR, 14-05-2024, nr. 22/04450 B
ECLI:NL:HR:2024:691
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-05-2024
- Zaaknummer
22/04450 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:691, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑05‑2024; (Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3194
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:312
ECLI:NL:PHR:2024:312, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑03‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:691
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑12‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0095
Uitspraak 14‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op riem met gesp van motorclub onder klager t.z.v. strafrechtelijk onderzoek tegen klager, waarna hij onherroepelijk is veroordeeld voor deelneming aan criminele organisatie. Over inbeslaggenomen riem, die niet op beslaglijst stond vermeld, heeft strafrechter in zijn arrest geen beslissing genomen. Wel heeft strafrechter bij dat arrest “patches” en “colours” verbeurdverklaard. Riem is inmiddels vernietigd. 1. Kon beklagrechter klaagschrift ex art. 552a.1 Sv, dat strekt tot opheffing beslag en teruggave aan klager van riem, ongegrond verklaren? Art. 33.1 Sr. 2. Ontvankelijkheid van beklag, art. 552a.1 en 552a.3 Sv. Moet strategie van klager (tijdens behandeling van strafzaak heeft hij niets gezegd over riem) gevolgen hebben voor ontvankelijkheid van klager in klaagschrift? Ad 1. Beklagrechter heeft aan ongegrondverklaring klaagschrift ten grondslag gelegd dat er “geen reden is om aan te nemen dat ttz. in hoger beroep m.b.t. riem met gesp van motorclub, ware deze ook op beslaglijst vermeld, anders was besloten dan m.b.t. andere verbeurdverklaarde (kleding)goederen van motorclub” die zijn verbeurdverklaard. Hierin ligt besloten dat beklagrechter heeft geoordeeld dat beslag op riem moet worden gehandhaafd met oog op verbeurdverklaring voorwerp. Dat oordeel getuigt van onjuiste rechtsopvatting. O.g.v. art. 33.1 Sr kan immers (bijkomende) straf van verbeurdverklaring (als onderdeel van straftoemetingsbeslissing) uitsluitend worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig strafbaar feit. De in arrest van strafrechter bij gelegenheid van veroordeling van klager uitgesproken verbeurdverklaring strekt zich echter niet uit tot riem, terwijl dat arrest inmiddels onherroepelijk is geworden. Ad 2. HR merkt n.a.v. gestelde in CAG en met oog op verdere afdoening van zaak op dat belanghebbende zich o.g.v. art. 552a.1 en 552a.3 Sv binnen 3 maanden nadat uitspraak onherroepelijk is geworden schriftelijk kan beklagen over verzuim om te beslissen over de met toepassing van art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Er bestaat geen grond om klager n-o te verklaren in beklag omdat hij, als verdachte, bij behandeling strafzaak niet aan de orde heeft gesteld dat inbeslaggenomen voorwerp niet is vermeld op beslaglijst a.b.i. art. 309.1 Sv of, als het gaat om behandeling strafzaak in h.b., dat rechter in eerste aanleg heeft verzuimd over specifiek, o.g.v. art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerp beslissing te nemen a.b.i. art. 353.1 Sv. Het is primair verantwoordelijkheid OM om rechter in strafzaak te voorzien van volledige en correcte lijst a.b.i. art. 309.1 Sv, om rechter daarmee in staat te stellen overeenkomstig art. 353.1 Sv over alle o.g.v. art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen beslissing te nemen. Op die lijst moeten ook voorwerpen worden vermeld waarvan beslag inmiddels is beëindigd anders dan door teruggave daarvan, omdat strafrechter ook daarover o.g.v. art. 353 Sv nog beslissing moet geven (vgl. HR:2001:AD5210). Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met HR:2022:969 (strafzaak).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04450 B
Datum 14 mei 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 8 november 2022, nummer AVNR 000687-22, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de ongegrondverklaring van het klaagschrift, dat strekt tot opheffing van het beslag en teruggave van de onder de klager inbeslaggenomen riem met Hells Angels-gesp (hierna: de riem).
2.2.1
In deze zaak is, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de klager, op 26 januari 2017 onder de klager op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beslag gelegd op – onder meer – de hiervoor bedoelde riem. In de strafzaak is de klager bij arrest van 10 maart 2021 van het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Dit arrest is op 5 juli 2022 onherroepelijk geworden. Over de riem, die niet op de beslaglijst stond vermeld, heeft de strafrechter in zijn arrest van 10 maart 2021 geen beslissing genomen. Wel heeft de strafrechter bij dat arrest verschillende ‘patches’ en ‘colours’ (een hesje waarmee het lidmaatschap van de Hells Angels zichtbaar wordt) verbeurdverklaard. Op 25 juli 2022 is namens de klager een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a lid 1 Sv ingediend, waarin wordt verzocht om opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de riem.
2.2.2
Het proces-verbaal van de behandeling van de beklagzaak in raadkamer houdt onder meer in:
“De klager verklaart:
(...)
In het advies van de advocaat-generaal staat dat de Hells Angels riem niet op de beslaglijst stond, maar hij stond er wel op. Anders kon de riem ook niet vernietigd worden. (...) Het hof heeft geen beslissing genomen op de inbeslaggenomen riem en de rechtbank ook niet.
De advocaat-generaal merkt op dat de klager tijdens de behandelingen ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niets heeft opgemerkt over de riem.
De klager verklaart:
Mijn advocaat heeft mij toen afgeraden erover te beginnen. Hij was bang dat de riem alsnog op een lijst zou komen.
De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Zij deelt mede:
Ik sluit mij aan bij het schriftelijk advies dat er al ligt. De riem kan niet meer worden teruggegeven, omdat die al is vernietigd. Mocht de riem onterecht zijn vernietigd, dan kan de klager een vergoeding krijgen. Ik meen echter dat de riem niet onterecht is vernietigd. (...) De riem is vergelijkbaar met de patches die wel verbeurd zijn verklaard door het hof. Ook de riem draagt uit dat men met de Hells Angels te maken heeft, terwijl deze club recentelijk is verboden door de Hoge Raad. (...)
De voorzitter vraagt de advocaat-generaal of zij in het bezit is van een machtiging voor vernietiging van de inbeslaggenomen riem.
De advocaat-generaal deelt mede dat zij geen machtiging voor vernietiging heeft van de inbeslaggenomen riem.”
2.2.3
In de beklagzaak heeft het hof (hierna: de beklagrechter) het klaagschrift ongegrond verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Het beslag is onder klager gelegd op grond van artikel 94 Sv in de strafzaak met voormeld parketnummer.
Bij arrest van 10 maart 2021 is klager is in de strafzaak met voormeld parketnummer door dit gerechtshof veroordeeld ter zake van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. Klager heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 5 juli 2022 het cassatieberoep verworpen. De uitspraak van dit gerechtshof van 10 maart 2021 is daarmee onherroepelijk geworden.
De raadsman van klager heeft teruggave bepleit van de inbeslaggenomen riem met een Hells Angels gesp aan klager. Het argument van het openbaar ministerie dat het beslag is geëindigd door vernietiging en dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard treft geen doel, nu uit de stukken niet is gebleken dat er een machtiging tot vernietiging ex artikel 117 Sv is. Geen enkel strafvorderlijk belang verzet zich verder tegen teruggave van het goed. Het beslag hoeft niet langer voort te duren in het kader van de waarheidsvinding, noch voor verhaal te dienen, nu de onderhavige strafzaak inmiddels onherroepelijk is. Evenmin levert het bezit van voornoemd goed strijd op met het algemeen belang, dan wel de wet (vgl. ECLI:NL:RBNHO:2021:9123). Het goed werd immers binnenshuis bewaard en niet gedragen door klager. Met het bezit werden geen strafbare gedragingen aangemoedigd. Het goed is bovendien van een andere aard dan de patches of colours die het hof verbeurd heeft verklaard. Tot slot is het bezit van het goed geen voortzetting van een verboden organisatie en levert het bezit geen strijd op met de openbare orde in de zin van artikel 140 lid 2 Sr.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. De riem kan niet worden teruggegeven, omdat deze is vernietigd. Wanneer dit wel had gekund dan moest de riem worden onttrokken aan het verkeer, nu de Hoge Raad inmiddels onherroepelijk heeft geoordeeld dat de Hells Angels een verboden criminele organisatie is (vgl. ECLI:NL:HR:2022:1114).
Het hof is van oordeel dat klager ontvankelijk is, nu het hof niet heeft kunnen vaststellen dat er een machtiging tot vernietiging ex artikel 117 Sv is.
In de onderhavige strafzaak – die inmiddels onherroepelijk is – is ter terechtzitting in hoger beroep niet beslist op de inbeslaggenomen riem met de Hells Angels gesp, nu deze niet op de beslaglijst stond die door het openbaar ministerie is verstrekt, waarop de goederen stonden waarop moest worden besloten ter terechtzitting. Bij arrest in hoger beroep is besloten diverse andere Hells Angels (kleding)goederen, die wel waren vermeld op genoemde beslaglijst, verbeurd te verklaren.
Het hof is van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de onderhavige riem met de Hells Angels gesp, ware deze ook op de beslaglijst vermeld, anders was besloten dan met betrekking tot de andere verbeurdverklaarde Hells Angels (kleding)goederen. Het beklag is dan ook ongegrond.”
2.2.4
Bij de stukken bevindt zich een afschrift van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2021 in de strafzaak tegen de klager. Dit arrest houdt onder meer in:
“Beslag
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd op het beslag te beslissen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, met dien verstande dat de ‘colours’ en ‘patches’ worden onttrokken aan het verkeer. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat de Hells Angels verboden zijn verklaard en dat de ‘colours’ en ‘patches’ onlosmakelijk zijn verbonden met het lidmaatschap van de Hells Angels, zodat dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke het feit is begaan en van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de onder de verdachte inbeslaggenomen goederen aan de verdachte terug te geven.
Beoordeling door het hof
Het hof is van oordeel dat de onder de verdachte in beslaggenomen goederen aan hem toebehoren. Deze goederen hebben bijgedragen aan het (criminele) oogmerk van de organisatie, nu door het dragen van ‘colours’ en ‘patches’ strafbare gedragingen werden aangemoedigd en beloond en hebben bijgedragen aan de gewelddadige en bedreigende reputatie van de criminele organisatie. Aldus betreft het voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan, dan wel die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd. Om die reden zal het hof de onder de verdachte in beslag genomen goederen verbeurd verklaren. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat onttrekking aan het verkeer niet aan de orde is, nu de Hells Angels nog niet onherroepelijk verboden zijn verklaard.
(...)
BESLISSING
Het hof:
(...)
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- Patches (kleine) (IBN code JUN076.01.01.003, lx Haarlem en lx Paris)
- Hesjes (IBN code JUN076.03.02.001, blauw Gilet spijkerstof)
- Patches (IBN code JUN076.04.01.001, Rotterdam, MC)
- Patches (IBN code JUN076.04.01.002, 4 grote patches)
- 3x hesjes (IBN code JUN076.05.01.001, 3 oude Hells Angels motorhesjes voorzien van patches, bottom- en toprockers, 1 voorzien van patch Sect'y).”
2.3
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
“1. Vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, aan te tonen.
2. Voorts zijn vatbaar voor inbeslagneming alle voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen.”
“1. In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.2. De rechtbank gelast, onverminderd artikel 351,a. de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het in beslag is genomen;b. de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; ofc. indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.”
- Artikel 33 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Verbeurdverklaring kan worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig strafbaar feit.”
2.4
De beklagrechter heeft aan de ongegrondverklaring van het klaagschrift ten grondslag gelegd dat er “geen reden is om aan te nemen dat ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de onderhavige riem met de Hells Angels gesp, ware deze ook op de beslaglijst vermeld, anders was besloten dan met betrekking tot de andere verbeurdverklaarde Hells Angels (kleding)goederen” die zijn verbeurdverklaard. Hierin ligt besloten dat de beklagrechter heeft geoordeeld dat het beslag op de riem moet worden gehandhaafd met het oog op de verbeurdverklaring van dat voorwerp. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Op grond van artikel 33 lid 1 Sr kan immers de (bijkomende) straf van verbeurdverklaring (als onderdeel van een straftoemetingsbeslissing) uitsluitend worden uitgesproken bij de veroordeling wegens enig strafbaar feit. De in het onder 2.2.4 weergegeven arrest van het hof Amsterdam bij gelegenheid van de veroordeling van de klager uitgesproken verbeurdverklaring strekt zich echter niet uit tot de riem, terwijl dat arrest – met de daarin opgenomen verbeurdverklaring – inmiddels onherroepelijk is geworden.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
2.6
Naar aanleiding van het gestelde in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.9 tot en met 3.11 en met het oog op de verdere afdoening van de zaak merkt de Hoge Raad het volgende op. Op grond van artikel 552a leden 1 en 3 Sv kan een belanghebbende zich binnen drie maanden nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden schriftelijk beklagen over het verzuim om te beslissen over de met toepassing van artikel 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Er bestaat geen grond om de klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beklag omdat hij, als verdachte, bij de behandeling van de strafzaak niet aan de orde heeft gesteld dat een inbeslaggenomen voorwerp niet is vermeld op de lijst als bedoeld in artikel 309 lid 1 Sv of, als het gaat om de behandeling van de strafzaak in hoger beroep, dat de rechter in eerste aanleg heeft verzuimd over een specifiek, op grond van artikel 94 Sv inbeslaggenomen voorwerp een beslissing te nemen als bedoeld in artikel 353 lid 1 Sv. Het is primair de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie om de rechter in de strafzaak te voorzien van een volledige en correcte lijst als bedoeld in artikel 309 lid 1 Sv, om de rechter daarmee in staat te stellen overeenkomstig artikel 353 lid 1 Sv over alle op grond van artikel 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen een beslissing te nemen. Op die lijst moeten ook voorwerpen worden vermeld waarvan het beslag inmiddels is beëindigd anders dan door teruggave daarvan, omdat de strafrechter ook daarover op grond van artikel 353 Sv nog een beslissing moet geven (vgl. HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5210).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2024.
Conclusie 19‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag (art. 552a Sv) over beslag (art. 94 Sv) op riem met Hells Angels gesp nadat strafzaak onherroepelijk is afgedaan. Riem is zonder machtiging OM (a.b.i. art 117 Sv) vernietigd. Beklagkamer oordeelt klager ontvankelijk en het beklag ongegrond. A-G wijst op mogelijk misbruik van recht, acht de door de beklagrechter gehanteerde maatstaf passend in de wettelijke systematiek en concludeert dat het middel faalt.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04450 B
Zitting 19 maart 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 8 november 2022 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van een riem met een Hells Angels gesp, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is op 8 november 2022 ingesteld namens de klager. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld waarin wordt geklaagd over (de motivering van) de ongegrondverklaring van het klaagschrift.
1.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Het verloop van de zaak
2.1
De klager is bij arrest van 10 maart 2021 door het hof Amsterdam voor deelneming aan een criminele organisatie veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. In hetzelfde arrest heeft het hof een aantal op 26 januari 2017 in beslag genomen ‘patches’ (emblemen) en ‘hesjes’ (jasjes, ook wel ‘colours’ genoemd, die op de rug zijn voorzien van grote emblemen met het logo van de Hells Angels), verbeurd verklaard. De klager heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 5 juli 2022 het beroep verworpen.1.Het arrest van het hof Amsterdam is sindsdien onherroepelijk.
2.2
Namens de klager is op 25 juli 2022 een op art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend. Geklaagd wordt over een in beslag genomen “riem met Hells Angels gesp” (hierna: de riem2.). Over deze onder de klager in beslag genomen riem is in de strafzaak geen beslissing genomen. Hij is niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer, noch is de teruggave ervan gelast aan de beslagene of aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende op de riem kan worden aangemerkt en evenmin is de bewaring van de riem gelast ten behoeve van een nog niet bekende rechthebbende (vgl. art. 353 Sv).
2.3
Het klaagschrift is op 25 oktober 2022 in openbare raadkamer behandeld. Het van die zitting opgemaakte proces-verbaal vermeldt:
“De advocaat-generaal merkt op dat de klager tijdens de behandelingen ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niets heeft opgemerkt over de riem.
De klager verklaart:
Mijn advocaat heeft mij toen afgeraden erover te beginnen. Hij was bang dat de riem alsnog op een lijst zou komen.
De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Zij deelt mede:
Ik sluit mij aan bij het schriftelijk advies dat er al ligt. [Opmerking A-G: In dat advies schrijft de advocaat-generaal: “De Hells Angels riem stond niet op de beslaglijst en is daarom niet door het gerechtshof verbeurd verklaard”]. De riem kan niet meer worden teruggegeven, omdat die al is vernietigd. Mocht de riem onterecht zijn vernietigd, dan kan de klager een vergoeding krijgen. Ik meen echter dat de riem niet onterecht is vernietigd. (…) De klager zegt (…) zelf ook dat hij de riem droeg als hij naar de begrafenis ging van één van de members. De riem is vergelijkbaar met de patches die wel verbeurd zijn verklaard door het hof. Ook de riem draagt uit dat men met de Hells Angels te maken heeft, terwijl deze club recentelijk is verboden door de Hoge Raad. (…)
(…)
De advocaat-generaal deelt mede dat zij geen machtiging voor vernietiging heeft van de inbeslaggenomen riem.
(…)
De klager verklaart:
In de gesp van de riem stond gegraveerd ‘[klager], member since 1998’. In die tijd was van een criminele organisatie geen sprake.”
2.4
Het hof heeft in zijn beschikking de standpunten van de klager en van het Openbaar Ministerie als volgt verwoord:
“De raadsman van klager heeft teruggave bepleit van de inbeslaggenomen riem met een Hells Angels gesp aan klager. Het argument van het openbaar ministerie dat het beslag is geëindigd door vernietiging en dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard treft geen doel, nu uit de stukken niet is gebleken dat er een machtiging tot vernietiging ex artikel 117 Sv is. Geen enkel strafvorderlijk belang verzet zich verder tegen teruggave van het goed. Het beslag hoeft niet langer voort te duren in het kader van de waarheidsvinding, noch voor verhaal te dienen, nu de onderhavige strafzaak inmiddels onherroepelijk is. Evenmin levert het bezit van voornoemd goed strijd op met het algemeen belang, dan wel de wet (vlg. ECLI:NL:RBNHO:2021:9123). Het goed werd immers binnenshuis bewaard en niet gedragen door klager. Met het bezit werden geen strafbare gedragingen aangemoedigd. Het goed is bovendien van een andere aard dan de patches of colours die het hof verbeurd heeft verklaard. Tot slot is het bezit van het goed geen voorzetting van een verboden organisatie en levert het bezit geen strijd op met de openbare orde in de zin van artikel 140 lid 2 Sv.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. De riem kan niet worden teruggegeven, omdat deze is vernietigd. Wanneer dit wel had gekund dan moest de riem worden onttrokken aan het verkeer, nu de Hoge Raad inmiddels onherroepelijk heeft geoordeeld dat de Hells Angels een verboden criminele organisatie is (vlg. ECLI:NL:HR:2022:1114).”
2.5
Het hof heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en in dat verband overwogen:
“Het hof is van oordeel dat klager ontvankelijk is, nu het hof niet heeft kunnen vaststellen dat er een machtiging tot vernietiging ex artikel 117 Sv is.
In de onderhavige strafzaak – die inmiddels onherroepelijk is – is ter terechtzitting in hoger beroep niet beslist op de inbeslaggenomen riem met de Hells Angels gesp, nu deze niet op de beslaglijst stond die door het openbaar ministerie is verstrekt, waarop de goederen stonden waarop moest worden besloten ter terechtzitting. Bij arrest in hoger beroep is besloten diverse andere Hells Angels (kleding)goederen, die wel waren vermeld op genoemde beslaglijst, verbeurd te verklaren.
Het hof is van oordeel dat geen reden is om aan te nemen dat ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de onderhavige riem met de Hells Angels gesp, ware deze ook op de beslaglijst vermeld, anders was besloten dan met betrekking tot de andere verbeurdverklaarde Hells Angels (kleding)goederen. Het beklag is dan ook ongegrond.”
3. De ontvankelijkheid van het klaagschrift/de klager
3.1
Voordat ik over ga tot de bespreking van het cassatiemiddel stel ik een eerst drie onderwerpen aan de orde die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het beklag, te weten a. het aangewende rechtsmiddel, b. beklag zonder feitelijk beslag en c. de strategie van de klager.
het aangewende rechtsmiddel
3.2
In art. 552a Sv is geregeld dat belanghebbenden zich door het indienen van een klaagschrift onder meer kunnen beklagen over inbeslagneming en over het uitblijven van een last tot teruggave van een in beslag genomen voorwerp. Uit art. 552a lid 3 Sv volgt enerzijds dat dit beklag zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming moet worden gedaan en anderzijds dat dit beklag moet worden gedaan binnen drie maanden nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Een vervolgde zaak kan op verschillende manieren tot een einde komen.3.Dat kan zijn door een sepot4., een strafbeschikking of een onherroepelijke rechterlijke beslissing.5.Vast moet staan dat ook de zaken van eventuele medeverdachten zijn geëindigd.6.
3.3
In het onderhavige geval heeft de beklagrechter vastgesteld dat de vervolgde zaak op 5 juli 2022 tot een einde is gekomen.7.Op die dag heeft de Hoge Raad het cassatieberoep in de strafzaak verworpen. Het klaagschrift over de inbeslaggenomen riem is op 25 juli 2022 ingediend bij de griffie van het hof Amsterdam. Dat is tijdig (en bij het juiste loket).
3.4
De beklagrechter heeft daarnaast vastgesteld dat de zittingsrechter [A-G: in strijd met art. 353 Sv] geen beslissing op de inbeslaggenomen riem heeft gegeven. Daarmee lijkt er op het eerste gezicht niets aan de ontvankelijkheid van het beklag in de weg te staan, ware het niet dat de riem is vernietigd en er in feite dus geen sprake meer is van beslag.
beklag zonder feitelijk beslag
3.5
Wanneer het beslag is beëindigd, is de klager – in beginsel – niet ontvankelijk in zijn klaagschrift.8.Het beslag geldt onder meer als beëindigd wanneer het Openbaar Ministerie een machtiging tot vernietiging als bedoeld in art. 117 Sv heeft afgegeven (vgl. art. 134 lid 2, aanhef en onder c, Sv). Wanneer van een dergelijke machtiging geen sprake is en het in beslag genomen voorwerp wel is vernietigd, geldt het beslag niet als beëindigd.9.Indien de rechter in dat geval de teruggave van het – onrechtmatig vernietigde – voorwerp mocht gelasten, kan met overeenkomstige toepassing van art. 119 lid 2 Sv aan de klager een financiële vergoeding worden uitbetaald.10.
3.6
Het hof heeft in zijn beschikking geoordeeld dat het “niet heeft kunnen vaststellen dat er een machtiging tot vernietiging ex artikel 117 Sv is”. Het hof heeft daarnaast vastgesteld dat “ter terechtzitting in hoger beroep [A-G: ik begrijp dat het hof bedoelt ‘door de rechter in hoger beroep’] niet (is) beslist op de in beslag genomen riem (…) nu deze niet op de beslaglijst stond”. Hoewel uit de beschikking niet expliciet blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat de riem op enig moment in beslag is genomen en evenmin dat het hof heeft vastgesteld dat de riem inmiddels is vernietigd, kan uit de beschikking van het hof worden afgeleid dat het hof daarvan wel is uitgegaan. Op zichzelf is dat ook niet zo gek omdat uit het dossier blijkt dat hierover tussen de procespartijen (de klager en het Openbaar Ministerie) geen discussie bestaat. Voor hen staat vast dat de riem op 26 januari 2017 daadwerkelijk in beslag is genomen, dat de zittingsrechter in de strafzaak geen beslissing over de riem heeft genomen, dat de riem is vernietigd en dat die vernietiging heeft plaats gevonden zonder een daartoe strekkende machtiging van het Openbaar Ministerie als bedoeld in art. 117 Sv.
3.7
Het hof heeft de klager ontvankelijk geacht in het beklag, omdat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat het Openbaar Ministerie een machtiging tot vernietiging in de zin van art. 117 Sv heeft afgegeven. Bij gebrek aan die machtiging wordt het beslag geacht nog steeds te bestaan. Dat is een fictie, maar wel één die in de lijn ligt van de rechtspraak van de Hoge Raad (zie randnr. 3.5). Tegen die achtergrond heeft het hof de klager terecht ontvankelijk geacht in zijn beklag.
3.8
Toch zou ik er niet van hebben staan te kijken wanneer het hof de klager niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in zijn beklag. De door de klager gevolgde strategie biedt daarvoor een aanknopingspunt.
de strategie van de klager
3.9
Uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting (zie hiervoor onder randnr. 2.3) volgt dat de klager bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak bewust zijn mond heeft gehouden over de in beslag genomen riem. Het zwijgen was erin gelegen om te voorkomen dat de riem op de beslaglijst zou komen te staan en dat het hof over de riem zou beslissen. Dat is gelukt. Door deze strategie is het hof wat betreft het beslag op de riem buiten spel gezet.
3.10
Ik heb mij afgevraagd of de gevolgde strategie geen consequentie zou moeten hebben voor de ontvankelijkheid van de klager in het klaagschrift. Uit het onderzoek in raadkamer volgt dat het de klager duidelijk was dat het hof, evenals de rechtbank, niet op de hoogte was van het beslag op de riem en dat de klager het hof hierover bewust onwetend heeft gelaten. Wie zich op het meest geëigende moment bij de rechter die bij uitstek geoutilleerd en belast is met het nemen van definitieve beslissingen over het beslag, bewust niet laat horen, moet er niet van staan te kijken als hij op zijn beurt op een later door hem zelf gekozen moment door een andere rechter niet wordt gehoord. Oftewel: ik zie niet goed in waarom in een geval als dit de klager niet niet-ontvankelijk zou mogen worden verklaard in zijn beklag. De klager heeft zijn rechten verspeeld. Sterker nog: het via art. 552a Sv trachten te bewerkstelligen dat een (beklag)rechter alsnog een beslissing neemt over een onderwerp waarvoor hij de (zittings)rechter eerder bewust buiten de deur heeft gehouden, riekt naar misbruik van recht.11.De beklagkamer van het hof heeft echter niet voor deze benadering gekozen.
3.11
Voor zover aan deze benadering zou worden tegengeworpen dat de klager met een niet-ontvankelijkverklaring van zijn beklag toegang tot de rechter wordt onthouden, is er sprake van een verkeerde voorstelling van zaken. De klager had toegang tot de rechter (de zittingsrechter), maar de gelegenheid om daar zijn ‘beklag’ te doen – wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd – heeft hij bewust voorbij laten gaan. Daarmee is zijn situatie eerder vergelijkbaar met degene die niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep omdat hij te laat heeft geappelleerd.
3.12
Aangezien het hof in zijn beschikking enkel heeft vastgesteld dat de riem niet op de beslaglijst stond en dat er geen machtiging tot vernietiging als bedoeld in art. 117 Sv was, maar niet heeft vastgesteld dat de klager bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak bewust zijn mond heeft gehouden over de riem – dat is alleen opgenomen in het proces-verbaal van de raadkamerzitting – zie ik weinig ruimte voor een ambtshalve cassatie. De feitelijke vaststellingen van het hof schieten daarvoor tekort.
4. Het middel
4.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof “onjuist, althans op onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden (impliciet) heeft geoordeeld dat in hoger beroep niet is beslist over de inbeslaggenomen riem met gesp omdat deze niet op de beslaglijst stond en/of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer zal bevelen, en/of er geen reden is om aan te nemen dat in de strafzaak over de riem met gesp anders zou zijn besloten dan over de andere verbeurdverklaarde ‘Hells Angels (kleding)goederen’ en/of (dat) het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten welke (op het wetboek van strafvordering gebaseerde) beslissing over de riem met gesp is genomen”. Het middel valt in de daarop gegeven toelichting uiteen in zes deelklachten. Alvorens op die deelklachten in te gaan, maak ik een paar algemene opmerkingen over op grond van art. 94 Sv in beslag genomen voorwerpen en daarop betrekking hebbende rechterlijke beslissingen. Daarbij onderscheid ik beslissingen van:
I. de beklagrechter voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak (beschikkingen);
II. de zittingsrechter na de inhoudelijke behandeling van de zaak (vonnissen en arresten);
III. de beklagrechter nadat de zaak tot een einde is gekomen (beschikkingen).
4.2
In de fase voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak kan over de inbeslagneming worden geklaagd door het indienen van een klaagschrift als bedoelde in art. 552a Sv. Voor de beoordeling van dergelijk klaagschriften heeft de Hoge Raad in zijn bekende overzichtsbeschikking van 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, het voor de beklagrechter geldende kader uiteengezet.12.Uit dat kader blijkt dat de beklagrechter zich in deze fase terughoudend dient op te stellen. Het gaat immers om een fase waarin het opsporingsonderzoek nog niet behoeft te zijn afgerond en de strafrechter zich nog moet uitspreken over de strafzaak.13.Opheffing van het beslag en teruggave daarvan aan de beslagene (of aan een ander die redelijkerwijs als rechthebbende op het voorwerp kan worden aangemerkt) is in deze fase niet aan de orde zo lang het strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. Dat is het geval wanneer het beslag kan bijdragen aan de waarheidsvinding van het strafbare feit, dan wel “niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen”. In dat geval zal de beklagrechter het beklag ongegrond verklaren. Als het strafvorderlijk belang bij voortduring van het beklag ontbreekt, zal de beklagrechter het beklag gegrond verklaren.
4.3
De zittingsrechter is op grond van art. 353 Sv jo art. 351 Sv verplicht in de uitspraak een beslissing te nemen over in beslag genomen voorwerpen die in de fase voorafgaand aan de zitting door het Openbaar Ministerie, al dan niet in opdracht van de beklagrechter, nog niet aan de beslagene of een ander zijn terug gegeven. Die beslissing kan zijn verbeurdverklaring, onttrekking aan het verkeer, teruggave aan de beslagene of aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en bewaring ten behoeve van de (op het moment van de uitspraak nog onbekende) rechthebbende. Om te voorkomen dat beslag aan de aandacht van de zittingsrechter ontsnapt, dient het Openbaar Ministerie een beslaglijst over te leggen (art. 309 Sv). De al dan niet vermelding van een voorwerp op de beslaglijst is niet doorslaggevend voor de vraag of het voorwerp al dan niet in beslag is genomen.14.De beslaglijst is in wezen een hulpmiddel voor de zittingsrechter om hem erop te attenderen dat er in beslag genomen voorwerpen zijn waarover hij moet beslissen. Als een voorwerp ten onrechte niet op de beslaglijst is vermeld, ontslaat dat de zittingsrechter niet van de verplichting om ook over het niet op de lijst vermelde voorwerp een beslissing te nemen.
4.4
Wanneer de strafrechter heeft verzuimd over een in beslag genomen voorwerp een beslissing te nemen en de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, kan over dat verzuim worden geklaagd bij de beklagrechter (art. 552a lid 3 Sv). Hoewel over deze specifieke (post-processuele) rechtsgang niet veel literatuur en jurisprudentie voorhanden is en de bepaling van art. 552a Sv over door de beklagrechter te nemen beslissingen bepaald niet zo concreet is als art. 353 Sv voor de zittingsrechter, lijkt het vanuit wetssystematisch oogpunt voor de hand liggend om bij een verzuim van de zittingsrechter zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij art. 353 Sv. Dat betekent dat de beklagrechter overeenkomstig art. 353 lid 2 Sv de teruggave van het voorwerp kan gelasten aan degene onder wie het voorwerp in beslag is genomen of aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende op het voorwerp kan worden aangemerkt. Ook kan de beklagrechter bepalen dat het voorwerp wordt bewaard ten behoeve van een (nog niet bekende) rechthebbende. Verder is het mogelijk dat de beklagrechter bij afzonderlijke rechterlijke beschikking de onttrekking aan het verkeer van een in beslag genomen voorwerp gelast. Dat laatste kan hij echter niet zonder een daartoe strekkende vordering van het Openbaar Ministerie (zie art. 36b lid 1, aanhef en onder 4, Sr in verbinding met art. 552f Sv). Het wettelijk stelsel voorziet niet in een bij beschikking van de beklagrechter opgelegde verbeurdverklaring. Dat komt doordat de verbeurdverklaring een (bijkomende) straf is (art. 9 lid 1 onder b Sr) die alleen in een veroordelend vonnis of arrest kan worden opgelegd. In art. 33 lid 1 Sr is dat nog eens expliciet afgehecht met de bepaling dat de verbeurdverklaring (uitsluitend) “kan worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig strafbaar feit”. Het dictum van de beklagrechter verschilt – bij ontvankelijke beklagen – in deze fase in de regel niet van het dictum van de beklagrechter in de fase voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, te weten een gegrond of ongegrond verklaard beklag. Wel kan daar in het laatste geval nog bijkomen een afzonderlijke beschikking tot onttrekking aan het verkeer.
Deelklacht 1
4.5
In de eerste deelklacht wordt geklaagd dat “’s Hofs oordeel, dat in hoger beroep niet is beslist over de inbeslaggenomen riem en gesp omdat deze niet op de tijdens de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker door het openbaar ministerie verstrekte beslaglijst stond, (…) onjuist (is).” Uit de korte toelichting op de deelklacht blijkt dat de steller van het middel uit de formulering van het hof afleidt dat het hof van oordeel is dat de zittingsrechter op grond van art. 353 Sv alleen verplicht is te beslissen over voorwerpen die op de beslaglijst als bedoeld in art. 309 Sv staan vermeld.
4.6
Deze klacht berust naar mijn mening op een verkeerde lezing van de beschikking. Het hof zegt niet dat de zittingsrechter in het onderhavige geval niet verplicht is over de riem een beslissing te nemen, omdat de riem niet op de beslaglijst stond. Ik begrijp de gewraakte formulering van het hof zo dat het hof hiermee enkel heeft beoogd te verklaren waarom de zittingsrechter niet over de riem heeft beslist. Uit de context van de formulering en de rest van de beschikking kan ik geenszins afleiden dat het hof met deze zinsnede heeft willen zeggen dat de zittingsrechter niet verplicht is te beslissen over voorwerpen die niet op de beslaglijst staan. De eerste deelklacht faalt.
Deelklacht 2
4.7
In de tweede deelklacht wordt geklaagd dat “(h)et oordeel van het hof dat ‘ter terechtzitting in hoger beroep’ niet is beslist over de riem en de gesp omdat deze niet op de beslaglijst stond, (…) onbegrijpelijk en/of ontoereikend (is) gemotiveerd.” Uit de toelichting op de deelklacht blijkt dat in essentie wordt geklaagd dat het hof niet heeft onderzocht of ten aanzien van de riem reeds een last tot teruggave was verleend.
4.8
Mij ontgaat welk belang de klager bij deze deelklacht heeft. Uit de beschikking van het hof blijkt dat het hof van oordeel is dat er nog steeds beslag op de riem rust. Als het hof dat oordeel niet zou zijn toegedaan, zou de klager niet-ontvankelijk zijn verklaard in zijn beklag.
4.9
Anders dan de steller van het middel betoogt, is het bovendien zo dat uit de beschikking van het hof blijkt dat het hof wel degelijk onderzoek heeft gedaan naar (de afhandeling van) het beslag. Het hof heeft immers geoordeeld “dat klager ontvankelijk is, nu het hof niet heeft kunnen vaststellen dat er een machtiging tot vernietiging ex artikel 117 Sv is”. De tweede deelklacht faalt.
Deelklacht 3 en deelklacht 4
4.10
De deelklachten 3 en 4 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. In deelklacht 3 wordt geklaagd dat voor zover het oordeel van het hof “impliceert dat het hof het niet hoogst onwaarschijnlijk acht dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring zal bevelen, (…) het een onjuiste en/of onbegrijpelijke maatstaf (heeft) aangelegd. Althans is daarom zijn beschikking niet toereikend gemotiveerd.” In deelklacht 4 wordt dezelfde stelling betrokken, maar dan over de onttrekking aan het verkeer.
4.11
Beide deelklachten falen. De beklagkamer van het hof heeft zich niet, ook niet impliciet, de vraag gesteld of de riem alsnog verbeurd zou kunnen worden verklaard, maar heeft zich de vraag gesteld welke beslissing de zittingsrechter zou hebben genomen wanneer deze wel wetenschap had gehad van de riem en het daarop rustende beslag. In de beschikking van het hof zijn geen aanknopingspunten te vinden dat het hof van oordeel zou zijn dat het met zijn beschikking moet anticiperen op een later oordelende strafrechter. Uit niets blijkt dat het hof in deze beklagprocedure het beoordelingskader dat de Hoge Raad in zijn – hiervoor onder randnr. 4.2 aangehaalde en kort besproken – overzichtsbeschikking van 28 september 2010 heeft geformuleerd, heeft willen volgen. Daar is dat kader ook helemaal niet geschikt voor. Het is geschreven voor beklagprocedures die aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak vooraf gaan. De onderhavige beklagprocedure heeft betrekking op een vervolgde zaak die onherroepelijk is afgedaan. Er kan geen twijfel over bestaan dat het hof zich dat terdege heeft gerealiseerd. Over de onttrekking aan het verkeer, die op zichzelf nog wel mogelijk zou zijn (zie hiervoor onder randnr. 4.4), rept het hof – anders dan in zijn weergave van het door de raadsman van de klager ingenomen standpunt – met geen woord.
Deelklacht 5
4.12
In deelklacht 5 wordt geklaagd dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten welke beslissing over de riem is genomen. “Deze kan niet zijn het voortduren van het beslag, nu immers daartoe een doel ontbreekt. Evenmin kan deze zijn de verbeurdverklaring, omdat in dit geval de wet die mogelijkheid niet biedt. Tot slot kan de beslissing niet zijn de onttrekking aan het verkeer, omdat daartoe niet (kenbaar) aan het wettelijke vereiste van een voorafgaande vordering is voldaan. Het hof heeft derhalve een beslissing genomen die het Nederlands recht niet kent.”
4.13
De beslissing die het hof heeft genomen is de ongegrondverklaring van het klaagschrift. Het klinkt misschien wat flauw, maar dat is een beslissing die het Nederlands recht wel kent. Voor zover de klager bedoelt te stellen dat het hof niet zelf de verbeurdverklaring van de riem heeft uitgesproken, geeft hij zelf al het antwoord op de vraag waarom het hof dat niet heeft gedaan: in deze fase van de procedure is dat een gepasseerd station; het is wettelijk eenvoudigweg niet mogelijk (zie hiervoor onder randnr. 4.4). Wat de beklagrechter nadrukkelijk wel heeft gedaan is aansluiting zoeken bij hetgeen de zittingsrechter was toegestaan, door zich de vraag te stellen wat de zittingsrechter zou hebben besloten wanneer hij wel van het beslag op de riem met een Hells Angels logo zou hebben geweten. De beklagrechter heeft geoordeeld dat de zittingsrechter de riem dan evenals de andere in beslag genomen (kleding)goederen [A-G: waaronder hesjes voorzien van het logo van de Hells Angels] zou hebben verbeurd verklaard. Anders dan de steller van het middel zou ik dat oordeel niet arbitrair willen noemen. Dat zou anders zijn als de riem niet onder dezelfde categorie voorwerpen zou kunnen worden gerubriceerd als waarover de zittingsrechter heeft geoordeeld.
4.14
Door zich te verplaatsen in de positie van de zittingsrechter heeft de beklagrechter een praktische oplossing gevonden die past binnen de wettelijke systematiek en die recht doet aan deze specifieke zaak. De benadering van de beklagrechter acht ik niet onjuist, niet onbegrijpelijk en niet ontoereikend gemotiveerd. De deelklacht faalt.
Deelklacht 6
4.15
Ten slotte wordt in deelklacht 6 geklaagd dat het oordeel van het hof “dat er geen reden is om aan te nemen dat over de riem met gesp in de strafzaak anders zou zijn besloten dan over andere verbeurdverklaarde ‘Hells Angels (kleding)goederen’, (…) niet begrijpelijk en/of niet toereikend (is) gemotiveerd.” Ter onderbouwing van deze klacht wordt betoogd dat het hof in het midden heeft gelaten “welke die ‘andere goederen’ precies betroffen alsook op welke in artikel 33a lid 1 onder a tot en met f Sr geformuleerde grond of gronden de verbeurdverklaring van die goederen is uitgesproken. Tot slot heeft het hof niet inzichtelijk gemaakt waarom de toepasselijkheid van die grond of gronden ook zou gelden ten aanzien van verzoekers riem met gesp.”
4.16
Ook deze deelklacht faalt. In de onderliggende strafzaak hebben het gerecht in eerste aanleg en gerecht in hoger beroep het beslag op exact dezelfde wijze afgedaan. De onder de klager in beslag genomen patches en hesjes met Hells Angels logo’s zijn verbeurd verklaard.15.De rechtbank en het hof hebben beiden aangegeven dat het hier om voorwerpen gaat met behulp waarvan het feit is begaan of voorbereid (art. 33a lid 1, aanhef en onder c, Sr) én om voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd (art. 33a lid 1, aanhef en onder e, Sr). In de beoordeling van de beklagkamer ligt besloten dat dit ook heeft te gelden voor de riem. In dit verband merk ik nog op dat de klager tegen de afdoening van het beslag door de zittingsrechter noch in hoger beroep noch in cassatie is opgekomen. Kennelijk kon de klager met de verbeurdverklaringen en de daarvoor gegeven motivering leven.
5. Conclusie
5.1
Het middel faalt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑03‑2024
Ik houd het op deze korte aanduiding omdat over de riem en in het bijzonder over de daaraan verbonden gesp uiteenlopende omschrijvingen worden gegeven. Waar in het inleidend klaagschrift van 25 juli 2022 de in beslag genomen riem kort en krachtig wordt omschreven als “een riem met Hells Angels gesp”, spreekt de klager drie maanden later in een handgeschreven verklaring van 24 oktober 2022 over een “H.A. riem met zilveren gesp, waarop een massief gouden H.A. logo gemonteerd is”. In de cassatieschriftuur wordt de riem geduid als “een riem waaraan als gesp een massief gouden Hells Angels-logo is gemonteerd”.
Zie voor het begrip ‘vervolgde zaak’ de conclusie van A-G Knigge vóór HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:395, vanaf randnr. 3.4.
De in art. 552a lid 3 genoemde termijn van drie maanden begint bij sepots waarvoor een kennisgeving van niet verdere vervolging moet worden betekend pas te lopen na die betekening. Vgl. HR 6 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:AB9540, NJ 1999/106, m.nt. A.C. ’t Hart, rov. 3.5.
Zie bijvoorbeeld HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4128, NJ 2010/502.
Vgl. voor dit laatste bijvoorbeeld 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3132, NJ 2007/472, rov. 3.5.1 en HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8947, rov. 2.5.
Ik merk volledigheidshalve op dat de beklagrechter niet expliciet heeft vastgesteld dat dit voor alle medeverdachten gold.
Zie onder andere HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2592, rov. 3.4 en HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:812, NJ 2023/193, rov. 2.4 en 2.5.
HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG1758, NJ 2003/662, rov. 3.3.1. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3710.
HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG1758, NJ 2003/662, rov. 3.3.2.
Zie over ‘het oneigenlijk gebruik’ van rechtsmiddelen onder meer J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, dissertatie Groningen, Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 489 (daar gaat het over het instellen van hoger beroep en cassatie om de procedure te rekken) en meer specifiek over ‘misbruik van wrakingsrecht’ de uitvoerige conclusie van A-G Aben in een cassatie in het belang der wet, conclusie 13 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:512. Ten slotte wijs ik nog op een conclusie van A-G Harteveld van 4 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:889, randnrs. 4.46, 4.47 en 4.50. Harteveld wijst erop dat het herhaaldelijk indienen van een klaagschrift zonder nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren kan leiden tot misbruik van recht en dienovereenkomstig niet-ontvankelijkheid van de klager.
Zie voor de volledigheid ook nog HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:3, NJ 2017/93, m.nt. P.A.M. Mevis en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:479, rov. 3.2.
Zie Rb Noord-Holland 18 juli 2018, ECLI:NL:RBNHO:6277 en Hof Amsterdam 10 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:644.
Beroepschrift 29‑12‑2022
SCHRIFTUUR, HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
In de zaak tegen
verzoeker | [klager] |
geboortedatum | [geboortedatum] 1952 |
gekozen adres | Verrijn Stuartweg 1 |
gekozen woonplaats | 1112 AW Diemen |
Bestreden uitspraak
instantie | gerechtshof Amsterdam |
datum uitspraak | 8 november 2022 |
rekestnummer | 000687-22 |
Middel
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof onjuist, althans op onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden (impliciet) heeft geoordeeld dat in hoger beroep niet is beslist over de inbeslaggenomen riem met gesp omdat deze niet op de beslaglijst stond en/of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer zal bevelen, en/of er geen reden is om aan te nemen dat in de strafzaak over de riem met gesp anders zou zijn besloten dan over de andere verbeurdverklaarde ‘Hells Angels (kleding)goederen’ en/of doordat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten welke (op het wetboek van strafvordering gebaseerde) beslissing over de riem met gesp is genomen, zodat 's hofs beschikking ook om die reden onjuist, althans niet toereikend gemotiveerd is.
Toelichting
1.
Verzoeker is bij arrest van 10 maart 2021 (parketnummer 23-002771-18) door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wegens deelneming aan een organisatie. Deze organisatie bestond, voor zover hier van belang, uit Hells Angels, charter Haarlem en Stichting Hells Angels Haarlem. Het arrest is, na verwerping van het daartegen ingestelde cassatieberoep, op 5 juli 2022 onherroepelijk geworden.
2.
Gedurende het opsporingsonderzoek in deze zaak is onder verzoeker inbeslaggenomen een riem waaraan als gesp een massief gouden Hells Angels-logo is gemonteerd. Het beslag op deze riem met gesp duurde voor zover bekend voort tot 10 maart 2021 (alsook nadien).
3.
Het hof heeft in zijn arrest van 10 maart 2021, ofschoon daartoe in het geval van beslag op grond van artikel 353 Sv gehouden, niet een beslissing genomen over dit voorwerp.
4.
In het cassatieberoep kon over dit verzuim niet effectief worden geklaagd. Uw Raad heeft immers meermaals geoordeeld dat in zo'n geval de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij een cassatieberoep omdat hij zich binnen de in artikel 552a lid 3 Sv gestelde termijn van drie maanden na de dag waarop de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, op de voet van artikel 552a lid Sv kan beklagen over het uitblijven van een last tot teruggave (vgl. HR. juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 en o.m. HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1610). 1.
5.
Met deze rechtsregels in het achterhoofd heeft mr. C. Stroobach op 25 juli 2022, derhalve binnen drie maanden na het einde van de vervolgde zaak, namens verzoeker een klaagschrift tegen het uitblijven van een last tot teruggave van de riem met gesp ingediend, een en ander zoals bedoeld in artikel 552a lid 1 Sv.
6.
In het klaagschrift is als motivering aangevoerd dat, nu de onderhavige strafzaak inmiddels onherroepelijk is, geen enkel strafvorderlijk belang zich tegen teruggave verzet. Het beslag hoeft niet voort te duren in het kader van de waarheidsvinding, noch voor verhaal en ook levert het bezit van de riem geen strijd op met het algemeen belang of de wet, aldus de motivering.
7.
In raadkamer van 25 oktober 2022 heeft mr. E. van de Pol het beklag nader toegelicht. Daartoe heeft hij onder meer het volgende naar voren gebracht:
- ‘2.
Verlangt het belang van strafvordering dat het beslag wordt voortgezet?
Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het desbetreffende voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen — ook in een zaak betreffende een ander dan de betrokken klager — of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.
- →
Waarheidsvinding of wederrechtelijk verkregen voordeel is niet aan de orde.
Voorts verzet het belang van strafvordering zich tegen teruggave wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is (lees: haast evident is dat dit niet zal gebeuren) dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen (vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3104 en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:747).
Onder strafvorderlijk belang wordt ook begrepen het belang van het verwijderen uit het maatschappelijk verkeer van voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen.
In laatstgenoemd geval is het criterium of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen (HR 10 maart 2009, LJN BG9151, NJ 2009, 149 en HR 4 december 2012, LJN BY2818), al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b lid 1 onder 4 Sr in verbinding met art. 552f Sv (HR 14 maart 2006, LJN AV0335, zie hierover ook HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:982 en HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:39).
- →
Een strafrechter, later oordelend, is er niet meer, nu niet conform art. 353 Sv door het gerechtshof is beslist over het inbeslaggenomen goed. Verbeurdverklaring is derhalve niet meer mogelijk.
- →
Voorts geldt dat — nu het beslag niet is geëindigd — het openbaar ministerie, indien het onttrekking aan het verkeer wenst, een separate vordering ex artikel 36b, eerste lid, onder 4, Sr zal/had moeten indienen bij het gerecht waar de zaak in eerste aanleg is vervolgd (ex artikel 552f, eerste lid, Sv.)’
8.
Bij beschikking van 8 november 2022 heeft het hof het beklag ongegrond verklaard en daartoe, voor zover hier van belang, overwogen:
‘In de onderhavige strafzaak — die inmiddels onherroepelijk is — is ter terechtzitting in hoger beroep niet beslist op de inbeslaggenomen riem met de Hells Angels gesp, nu deze niet op de beslaglijst stond die door het openbaar ministerie is verstrekt, waarop de goederen stonden waarop moest worden besloten ter terechtzitting. Bij arrest in hoger beroep is besloten diverse andere Hells Angels (kleding)goederen, die wel waren vermeld op genoemde beslaglijst, verbeurd te verklaren.
Het hof is van oordeel dat geen reden is om aan te nemen dat ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de onderhavige riem met de Hells Angels gesp, ware deze ook op de beslaglijst vermeld, anders was besloten dan met betrekking tot de andere verbeurdverklaarde Hells Angels (kleding)goederen. Het beklag is dan ook ongegrond.’
Deelklacht 1
9.
's Hofs oordeel, dat in hoger beroep niet is beslist over de inbeslaggenomen riem en gesp omdat deze niet op de tijdens de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker door het openbaar ministerie verstrekte beslaglijst stond, is onjuist.
10.
Ofschoon ingevolge artikel 309 Sv de officier van justitie tijdens de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting een lijst dient te overleggen met op grond van artikel 94 inbeslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen, eist artikel 353 Sv de overlegging en/of de volledigheid van die lijst niet. Ook uit HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1486 en de conclusie van A-G Knigge voor dit arrest moet worden afgeleid dat zonder (vermelding op de) lijst het gerecht gehouden is op grond van artikel 353 Sv te beslissen.
11.
De beschikking kan om deze reden reeds niet in stand blijven.
Deelklacht 2
12.
Het oordeel van het hof dat ‘ter terechtzitting in hoger beroep’ niet is beslist over de riem en de gesp omdat deze niet op de beslaglijst stond, is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
13.
Deze klacht betreft niet het (onjuiste) oordeel dat ‘ter terechtzitting’ over in beslag genomen voorwerpen moet worden beslist (dat dient volgens de wet immers te geschieden bij einduitspraak, vgl. artikel 353 Sv). De verdediging gaat te dezen uit van een kennelijke vergissing van het hof.
14.
Deze deelklacht richt zich wel tegen 's hofs veronderstelling dat op de riem met gesp nog beslag rustte, zodat daarop ter terechtzitting had moeten worden beslist. Blijkens zijn overwegingen heeft het hof niet onderzocht of ten aanzien van de riem met gesp reeds een last tot teruggave was verleend. Althans heeft het van een onderzoek daarnaar ten onrechte geen blijk gegeven.
15.
In het reeds genoemde HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1486 oordeelde Uw Raad dat het hof kennelijk uit het proces-verbaal van de in eerste aanleg gehouden terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen vonnis had afgeleid dat geen beslag meer rustte op een geldbedrag. Onder meer omdat in eerste aanleg geen beslissing was genomen over door de officier van justitie gevorderde verbeurdverklaring van dit geldbedrag achtte uw Raad dat oordeel niet onbegrijpelijk.
16.
In verzoekers zaak heeft het hof ten onrechte in het midden gelaten of ter terechtzitting in hoger beroep dan wel in eerste aanleg door de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie verbeurdverklaring (of onttrekking aan het verkeer) van de riem met gesp is gevorderd. In ieder geval heeft het hof uit het door hem bedoelde verzuim, dat het veroordelende hof niet op het beslag over de riem en gesp heeft beslist, niet kunnen afleiden dat op dit voorwerp nog beslag rustte.
17.
Dientengevolge is 's hofs beschikking niet begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Zij kan niet in stand blijven.
Deelklacht 3
18.
Voor zover zijn oordeel impliceert dat het hof het niet hoogst onwaarschijnlijk acht dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring zal bevelen, heeft het een onjuiste en/of onbegrijpelijke maatstaf aangelegd. Althans is daarom zijn beschikking niet toereikend gemotiveerd.
19.
Uw Raad heeft inmiddels ruim 12 jaar geleden de toetsingsmaatstaven geformuleerd ten aanzien van een beklag over op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen voorwerpen. Die zijn gesneden koek, maar worden hier voor de duidelijkheid geciteerd (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, voetnoten weggelaten):
‘2.8.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
2.9.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen — ook in een zaak betreffende een ander dan de klager — of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met art. 552f Sv.’
20.
In het licht van de door Uw Raad geformuleerde toetsingscriteria doemt de vraag op of na een onherroepelijke beëindiging van de strafzaak nog wel kan worden gesproken van een, ten aanzien van een in die strafzaak in beslag genomen voorwerp, belang van strafvordering. Cleiren merkt in Melai/Groenhuijsen e.a. over het begrip ‘strafvordering’ op dat uit de inhoud en het stelsel van het huidige wetboek valt af te leiden dat in dit begrip in elk geval besloten ligt het opsporingsonderzoek, de vervolging en de tenuitvoerlegging. Meer materieel beschouwd gaat het, zo stelt zij, bij ‘strafvordering’ om voorschriften die een normering bevatten voor de verwezenlijking van normen strafbaar gesteld en van een sanctie voorzien in het materiële strafrecht. ‘Zowel het opsporingsonderzoek, als de vervolging en tenuitvoerlegging zijn immers gericht op enigerlei vorm van strafrechtelijke afdoening van overtreding van normen neergelegd in het materiële strafrecht.’ (Vgl. C.P.M. Cleiren, in: Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 1 ad artikel 1 Sv.)
21.
In dit licht kan niet met droge ogen worden volgehouden dat een beklag tegen een uitgebleven last tot teruggave na het onherroepelijk worden van een strafrechtelijke veroordeling nog steeds de ‘strafvordering’ betreft. Althans waar dat betreft de theoretische kans op verbeurdverklaring. Deze opvatting blijkt ook uit de conclusie van A-G Knigge voor HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:395, die over het verval van het recht om over inbeslagneming te klagen als bedoeld in artikel 552a lid 4 Sv opmerkt:
‘Zuurder voor de beslagene of de rechthebbende is als het OM op enig moment na de bedoelde twee jaar besluit om de zaak te seponeren. Hoewel er dan geen strafvorderlijk belang meer kan zijn bij handhaving van het beslag, kan over het uitblijven van een last tot teruggave niet worden geklaagd’.
22.
Knigge wijst hierbij als voorbeeld op HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0537.
23.
Het geeft kortom geen pas om op grond van een beklag over het uitblijven van een last tot teruggave van de beslagene-rechthebbende, die tevens gewezen verdachte c.q. veroordeelde is, de maatstaf van het belang van strafvordering te hanteren waar het gaat om het bepalen van de kans op verbeurdverklaring. Dat blijkt reeds uit de evidentie dat van een later oordelende strafrechter geen sprake is, maar ook uit het systeem van het wetboek van strafvordering, dat erop neerkomt dat artikel 353 Sv de strafrechter imperatief opdraagt een beslissing te nemen over alle in de zaak in beslag genomen voorwerpen en dat na de beëindiging van de zaak ten aanzien van zo'n voorwerp slechts de onttrekking aan het verkeer kan worden opgelegd. Dat laatste kan echter uitsluitend op een met redenen omklede vordering van de officier van justitie (artikel 552f lid 1 en 2 Sv).2.
24.
De keuze van de wetgever om na het einde van de zaak slechts een vordering tot onttrekking aan het verkeer mogelijk te maken kan ook worden begrepen vanuit het ne bis in idem-beginsel. Verbeurdverklaring is immers anders dan onttrekking aan het verkeer een (bijkomende) straf. Op grond van voornoemd beginsel is een tweede bestraffing voor hetzelfde strafbaar feit niet toegestaan. Artikel 14 lid 7 IVBPR verbiedt expliciet dubbele bestraffing (‘overeenkomstig de wet en het procesrecht van welk land bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld’). Corstens, Borgers en Kooijmans merken over het ne bis in idem-beginsel onder meer op (vgl. Het Nederlands strafprocesrecht, 2021/VI.5):
‘Artikel 68 Sr verbiedt dubbele vervolging en sluit daarmee een verbod van dubbele bestraffing in (ne bis puniri). Een bestraffing zonder voorafgaande vervolging is immers ontoelaatbaar.’
25.
In dit licht zou, wanneer de behandeling van een binnen drie maanden na beëindiging van de vervolgde zaak ingediend klaagschrift ex artikel 552a lid 1 Sv als uitkomst zou hebben een verbeurdverklaring (en dus verdere bestraffing), die behandeling als (verdere) vervolging moeten worden aangemerkt. Ook dat zou bis in idem opleveren, alsook strijd met het systeem van de wet en artikel 552a lid 3, laatste volzin, Sv.
26.
Kortom: voor zover het hof in de bestreden beschikking heeft bedoeld uit te spreken dat de riem met gesp alsnog verbeurd wordt verklaard, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is dit, althans, niet toereikend gemotiveerd.
27.
De beschikking kan niet in stand blijven.
Deelklacht 4
28.
Voor zover zijn oordeel impliceert dat het hof het niet hoogst onwaarschijnlijk acht dat de later oordelende strafrechter de onttrekking aan het verkeer zal bevelen, heeft het een onjuiste en/of onbegrijpelijke maatstaf aangelegd. Althans is in dat geval 's hofs beschikking niet toereikend gemotiveerd.
29.
30.
Het hof heeft niet vastgesteld dat een dergelijke vordering is ingediend.
31.
Voor zover het hof in de bestreden beschikking heeft bedoeld uit te spreken dat de riem met gesp wordt onttrokken aan het verkeer, geeft dat oordeel daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is dit oordeel niet toereikend gemotiveerd.
32.
Dientengevolge kan de beschikking niet in stand blijven.
Deelklacht 5
33.
Het hof heeft ten onrechte in het midden gelaten welke (op het wetboek van strafvordering gebaseerde) beslissing over de riem met gesp is genomen. Als gevolg daarvan heeft het hof artikel 1 Eerste Protocol EVRM jegens verzoeker geschonden. Althans is zijn oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd.
34.
Het beslag op de riem en gesp is gelegd op de voet van artikel 94 Sv. Dat betekent dat dit slechts als doel had waarheidsvinding3., verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. Gedurende de strafzaak tegen verzoeker had over het beslag op de riem met gesp slechts kunnen worden beslist tot teruggave, bewaring, verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer (vgl. o.m. artikel 353 i.v.m. 351 Sv).
35.
Na het eindigen van de strafzaak was het evident dat het doel van waarheidsvinding was komen te vervallen, zodat slechts — op grond van de wet — verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer als doelen resteerden. Het wetboek van strafvordering bevat in een geval als dit, zoals in het bovenstaande reeds betoogd, geen regeling voor verbeurdverklaring indien de strafzaak, waarin het beslag is gelegd, is geëindigd. Het wetboek maakt het na de beëindiging van de zaak wel mogelijk een voorwerp te onttrekken aan het verkeer, doch uitsluitend op vordering van de officier van justitie. Eveneens is in het vorenstaande reeds tot uitdrukking gebracht dat van een dergelijke vordering niet (kenbaar) sprake is geweest, zodat op grond van 's hofs beschikking ook van een rechtsgeldige onttrekking aan het verkeer geen sprake kan zijn.
36.
Het hof heeft ten onrechte in het midden gelaten welke beslissing over het beslagen voorwerp is genomen. Deze kan niet zijn het voortduren van het beslag, nu immers daartoe een doel ontbreekt. Evenmin kan deze zijn de verbeurdverklaring, omdat in dit geval de wet die mogelijkheid niet biedt. Tot slot kan de beslissing niet zijn de onttrekking aan het verkeer, omdat daartoe niet (kenbaar) aan het wettelijke vereiste van een voorafgaande vordering is voldaan. Het hof heeft derhalve een beslissing genomen die het Nederlands recht niet kent. Aldus is sprake van een beslissing die het EHRM als ‘arbitrariness’ zou kwalificeren. Volgens artikel 1 Eerste Protocol EVRM moet ontneming van eigendom voldoen aan het vereiste ‘onder de voorwaarden voorzien in de wet’ (‘subject to the conditions provided for by law’). In verband hiermee is het enkele bestaan van een grondslag in het recht ontoereikend (vgl. EHRM, Guide on Article 1 of Protocol No. 1 to the European Convention on Human Rights Protection of property, 31 augustus 2022):
‘In addition, the legal basis must have a certain quality, namely it must be compatible with the rule of law and must provide freedom from or guarantees against arbitrariness’.
37.
Aldus heeft het hof in zijn beschikking blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is 's hofs oordeel onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd.
38.
De beschikking kan daarom niet in stand blijven.
Deelklacht 6
39.
's Hofs oordeel, dat er geen reden is om aan te nemen dat over de riem met gesp in de strafzaak anders zou zijn besloten dan over andere verbeurdverklaarde ‘Hells Angels (kleding)goederen’, is niet begrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd.
40.
Het hof heeft immers in het midden gelaten welke die ‘andere goederen’ precies betroffen alsook op welke in artikel 33a lid 1 onder a tot en met f Sr geformuleerde grond of gronden de verbeurdverklaring van die goederen is uitgesproken. Tot slot heeft het hof niet inzichtelijk gemaakt waarom de toepasselijkheid van die grond of gronden ook zou gelden ten aanzien van verzoekers riem met gesp.
41.
De beschikking kan ook om deze reden niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. W.H. Jebbink, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam aan het Singel 362, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Amsterdam, 29 december 2022,
W.H. Jebbink
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑12‑2022
Die weg is overigens afgesneden indien de rechter over het beslag onherroepelijk (heeft) beslist, vgl. HR 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3560.
Hier is nog steeds bedoeld de situatie waarin de beslagene-rechthebbende tevens de gewezen verdachte c.q. veroordeelde is.
Waaronder ook het aantonen van wederrechtelijke verkregen voordeel.