Zoals de Rechtbank overweegt en in het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer staat vermeld heeft de Officier van Justitie bij de behandeling van het klaagschrift bij zijn schriftelijke conclusie gepersisteerd.
HR, 26-04-2016, nr. 15/04260
ECLI:NL:HR:2016:747
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-04-2016
- Zaaknummer
15/04260
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:747, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 26‑04‑2016; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:310, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2016:310, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 26‑01‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:747, Gevolgd
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2016-0215
Uitspraak 26‑04‑2016
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag. OM-cassatie. Kennelijk heeft de Rb tot uitgangspunt genomen dat het i.c. gaat om een art. 94 Sv beslag. De overwegingen houden niet kenbaar in dat de Rb de bij een dergelijk beslag behorende maatstaven heeft aangelegd, terwijl, indien de Rb deze maatstaven wel heeft aangelegd, haar oordeel ontoereikend is gemotiveerd, gelet op hetgeen door de OvJ is aangevoerd.
Partij(en)
26 april 2016
Strafkamer
nr. S 15/04260 B
NA/KD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 juni 2015, nummer RK 15/728, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast dan wel haar oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
2.2.1.
De Officier van Justitie heeft ter zitting in raadkamer gepersisteerd bij zijn schriftelijke conclusie van 26 juni 2015. Deze schriftelijke conclusie houdt onder meer in:
"Op 7 januari 2013 werd door de wijkagent/ buurtcoördinator [verbalisant 1] van de politie Oost-Brabant aan het Integraal Afpakteam Brabant i.c. opsporingsambtenaar [verbalisant 2] medegedeeld, dat op het adres [a-straat 1] te 's-Hertogenbosch woonachtig was [betrokkene] , dat zij een uitkering had en een luxe ingerichte woning had en gebruik maakte van een Porsche Cayenne met kenteken [AA-00-BB] . Volgens het kentekenregister van de RDW bleek dat genoemde auto op naam was gesteld van klager/verdachte [klager] .
Bij verdere raadpleging (jan. 2013) van het kentekenregister bleek dat klager/verdachte [klager] voorts nog 5 andere auto's, waaronder de Mercedes-Benz, type C 180 Sedan, met kenteken [CC-00-DD] , waar het klaagschrift ondermeer op ziet, op naam had staan.
In de periode jan. 2013 t/m mei 2014 werd door opsporingsambtenaren van het Integraal Afpakteam Brabant meermalen waargenomen dat voormelde auto's op de oprit van de woning van klager/verdachte dan wel in de onmiddellijke nabijheid van diens woning stonden geparkeerd.
Uit informatie verkregen van de Belastingdienst blijkt dat klager/verdachte [klager] :
- gedurende de jaren 2006 t/m 2012 geen bij de Belastingdienst bekend inkomen heeft.
- eigenaar is sinds 1988 van de woning [b-straat 1] te 's-Hertogenbosch
- de koopsom van die woning € 345.000,- bedroeg.
- in 1988 een hypotheek op die woning is gevestigd van Hfl. 100.000,-
- de woning in 2011 een WOZ-waarde had van € 646.000,-
- de hypotheek van Hfl. 100.000,- werd op 1 juli 1995 geheel afgelost,
- klager/verdachte ontvangt géén zorg- of huurtoeslag.
Voorts bleken uit informatie van de Belastingdienst de volgende saldi over de jaren 2010 t/m 2013 van de bankrekening van klager/verdachte:
saldo per 31-12-2010: geen gegevens
saldo per 31-12-2011: € 13,-
saldo per 31-12-2012: € 98,-
saldo per 31-12-2013: € 2,-
Uit informatie van het kentekenregister van de RDW op 17 februari 2015 bleek klager/verdachte de volgende auto's op naam te hebben staan:
- Mercedes-Benz, type SL 320 Roadster, met kenteken [EE-00-FF]
- Mercedes-Benz, type CLK 230 Kompresscir Cabriolet, met kenteken [GG-00-HH]
- Mercedes-Benz, type C 180 Sedan, met kenteken [CC-00-DD]
- Mercedes-Benz, type E 200 CGI, met kenteken [II-00-JJ]
- MBW X5 3.01 Automatic, met kenteken [KK-00-LL]
Door de politie is een onderzoek ingesteld haar de cataloguswaarde, de dagwaarde en de aankoopwaarde van voormelde voertuigen. Uit dat onderzoek is gebleken dat de geschatte aankoopwaarde van genoemde voertuigen totaal € 148.000,- bedroeg. De huidige geschatte totale koopprijs van deze voertuiqen bedraagt € 58.500,-.
Het klaagschrift ziet op twee van de hiervoor genoemde voertuigen die inbeslaggenomen zijn, te weten de auto's (Mercedes-Benz) met kenteken [CC-00-DD] en [II-00-JJ] .
Op 30 april 2015 is klager/verdachte [klager] als verdachte gehoord door de politie. Daarbij verklaarde hij onder meer:
- ik heb een ING-bankrekening. Ik heb maar één bankrekening.
- Ik krijg geld vanuit de zigeunergemeenschap; per jaar zo'n 5 of 6 duizend euro.
- ik heb geen uitkering willen aanvragen omdat ik niet tot last wil zijn van de gemeenschap.
- ik heb geen geldbedragen gewonnen of erfenissen ontvangen de laatste jaren.
- Ik heb geen hypotheek. Ik heb wel persoonlijke leningen bij twee mensen. Daarmee wil ik mijn auto's terug hebben. Het totale bedrag is € 10.000,-. Ik zeg u de namen van deze twee mensen niet op advies van mijn advocaat. Maar ik heb bewijzen hoe ik aan de twee auto's kom, die u bij mij in beslag genomen heeft.
- ik heb 5 auto's; dat is een gewoonte bij de zigeuners. Ik heb 7 dochters en die maken gebruik van die auto's.
Opmerking: halverwege het verhoor waarin de aankoop van de inbeslaggenomen Mercedes-Benz C 180 sedan, met kenteken [CC-00-DD] , centraal stond, deelde klager/verdachte mede dat hij wilde stoppen met een verklaring afleggen omdat het hem teveel werd.
Gelet op het vorenstaande bestaat het vermoeden dat klager/verdachte gelden heeft ontvangen welke afkomstig zijn uit ENIG misdrijf. De ontvangen gelden zijn uitgegeven voor onder meer de aankoop en het gebruik van voormelde ic de inbeslaggenomen personenauto's.
STANDPUNT vh OM MBT HET KLAAGSCHRIFT:
Er is sprake van beslaglegging ex. art. 94 WvSV. Het betreft beslag tbv de waarheidsvinding en/of het aantonen en vaststellen van wederrechtelijk verkregen voordeel, dat voor verbeurdverklaring in aanmerking komt. Klager/verdachte is in het bezit van meerdere (duurdere) vermogensbestanddelen i.c. voertuigen, waaronder de inbeslaggenomen personenauto's, terwijl van hem geen enkele vorm van inkomen bekend is. De gang van zaken rondom de verkrijging van voormelde voertuigen, incl de inbeslaggenomen auto's kan naar de mening van het Openbaar Ministerie als een witwashamdeling, als bedoeld in artikel 420bis/ter/quater WvSR, worden gekwalificeerd.
Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn ingevolge art. 33a Sr voorwerpen mbt welke het strafbaar feit is begaan en/of welke door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.
Het OM is van mening dat er voldoende ernstige bezwaren bestaan tegen klager/verdachte van betrokkenheid bij voormeld strafbaar feit.
Het OM verzoekt het klaagschrift ongegrond te verklaren."
2.2.2.
De Rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave van het onder de klager inbeslaggenomene, gegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
"De beoordeling
Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na de inbeslagneming.
De rechtbank zal, nu het handhaven van voornoemd beslag niet meer nodig is ten behoeve van de waarheidsvinding en het naar haar oordeel niet waarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring zal overgaan en niet is gebleken dat het in beslag houden van voornoemde personenauto′s enig ander strafvorderlijk belang dient en klager ten aanzien van deze personenauto′s redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, het klaagschrift dan ook gegrond verklaren als na te melden."
2.3.
De Rechtbank heeft kennelijk tot uitgangspunt genomen, hetgeen in cassatie niet is bestreden, dat het hier gaat om een beslag, gelegd op de voet van het bepaalde in art. 94 Sv. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomen voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR2010:BL2823, NJ 2010/654.)
2.4.
De overwegingen van de Rechtbank houden niet kenbaar in dat zij deze maatstaven heeft aangelegd bij de beoordeling van het klaagschrift, terwijl, indien zij deze maatstaven wel voor ogen heeft gehad, haar oordeel ontoereikend is gemotiveerd doordat zij geen aandacht heeft besteed aan hetgeen door de Officier van Justitie is aangevoerd.
2.5.
Het middel is gegrond.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking;
wijst de zaak terug naar de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2016.
Conclusie 26‑01‑2016
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag. OM-cassatie. Kennelijk heeft de Rb tot uitgangspunt genomen dat het i.c. gaat om een art. 94 Sv beslag. De overwegingen houden niet kenbaar in dat de Rb de bij een dergelijk beslag behorende maatstaven heeft aangelegd, terwijl, indien de Rb deze maatstaven wel heeft aangelegd, haar oordeel ontoereikend is gemotiveerd, gelet op hetgeen door de OvJ is aangevoerd.
Nr. 15/04260 B Zitting: 26 januari 2016 | Mr. Vellinga Conclusie inzake: [klager]. |
1. Bij beschikking van 26 juni 2015 heeft de Rechtbank Oost-Brabant het klaagschrift, strekkende tot teruggave van twee inbeslaggenomen personenauto’s, gegrond verklaard en de teruggave gelast van deze personenauto’s aan klager.
2. De plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel houdt in dat de Rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd dan wel haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd.
4. De bestreden beschikking houdt onder meer in:
“De rechtbank zal, nu het handhaven van voornoemd beslag niet meer nodig is ten behoeve van de waarheidsvinding en het naar haar oordeel niet waarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring zal overgaan en niet is gebleken dat het in beslag houden van voornoemde personenauto’s enig ander strafvorderlijk belang dient en klager ten aanzien van deze personenauto’s redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, het klaagschrift dan ook gegrond verklaren als na te melden.”
5. Zoals de Officier van Justitie bij schriftelijke conclusie1.heeft gesteld en de Rechtbank kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen gaat het in casu om een beslag, gelegd op de voet van het bepaalde in art. 94 Sv, en wel “tbv de waarheidsvinding en/of het aantonen en vaststellen van wederrechtelijk verkregen voordeel, dat voor verbeurdverklaring in aanmerking komt.”
6. In HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010, 654, m.nt. P.A.M. Mevis overwoog de Hoge Raad ten aanzien van de maatstaf die dient te worden aangelegd bij de beoordeling van een beklag tegen beslag op de voet van het bepaalde in art. 94 Sv – met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten - :
“2.8. In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
2.9. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv.”
7. In de onderhavige beschikking heeft de Rechtbank met betrekking tot een te verwachten verbeurdverklaring als maatstaf aangelegd dat “niet waarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring zal overgaan”. Dusdoende heeft de Rechtbank een onjuiste maatstaf aangelegd. Zoals het hiervoor aangehaalde arrest laat zien is de maatstaf immers of “niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring (...) van het voorwerp zal bevelen”.
8. Bij schriftelijke conclusie heeft de Officier van Justitie als standpunt ingenomen:
“Klager/verdachte is in het bezit van meerdere (duurdere) . vermogensbestanddelen i.c. voertuigen, waaronder de inbeslaggenomen personenauto's, terwijl van hem geen enkele vorm van inkomen bekend is. De gang van zaken rondom de verkrijging van voormelde voertuigen, incl de inbeslaggenomen auto's kan naar de mening van het Openbaar Ministerie als een witwashandeling, als bedoeld in artikel 420bis/ter/quater WvSR, worden gekwalificeerd.
Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn ingevolge art. 33a Sr voorwerpen mbt welke het strafbaar feit is begaan en/of welke door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.
Het OM is van mening dat er voldoende ernstige bezwaren bestaan tegen klager/verdachte van betrokkenheid bij voormeld strafbaar feit.
Het OM verzoekt het klaagschrift ongegrond te verklaren.”
Voorts heeft de Officier van Justitie bij schriftelijke conclusie uiteengezet waarop de verdenking van klager berust door vermelding van een groot aantal, bij het opsporingsonderzoek geconstateerde feiten.
9. Bedoelde feiten maken het op het eerste gezicht bepaald niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring (...) van de onderhavige inbeslaggenomen auto’s zal bevelen. Door niettemin in de bestreden beschikking geheel aan de door de Officier van Justitie genoemde feiten voorbij te gaan heeft de Rechtbank haar beschikking onvoldoende gemotiveerd.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑01‑2016