HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295.
HR, 27-02-2024, nr. 23/03925 H
ECLI:NL:HR:2024:287
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-02-2024
- Zaaknummer
23/03925 H
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:287, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑02‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:195
ECLI:NL:PHR:2024:195, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑01‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:287
- Vindplaatsen
Uitspraak 27‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Herziening. Vernieling van auto, art. 350.1 Sr. Aangevoerd wordt dat Pr aanvrager zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging indien hij ermee bekend zou zijn geweest dat sprake was van ernstig vermoeden van psychiatrische stoornis bij aanvrager voorafgaand aan en t.t.v. plegen van tlgd. feit. Art. 457.1.c Sv. HR: Op gronden vermeld in CAG moet het in aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv. CAG: Bij aanvraag tot herziening gevoegde gegevens schetsen beeld van (verstoorde) geestestoestand van aanvrager in periode van en rondom pleegdatum en stukken leveren aanwijzingen op dat aanvrager t.t.v. bewezenverklaard delict lijdende was aan psychiatrische stoornis. Het is in zekere mate waarschijnlijk dat rechter (bij bekendheid met deze gegevens) zou hebben geoordeeld dat delict de aanvrager wegens psychische stoornis niet kan worden toegerekend. HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaak naar hof.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03925 H
Datum 27 februari 2024
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Gelderland van 1 november 2022, nummer 05-197481-22, ingediend door M.T. Lamers, advocaat te Nijmegen,
namens
[aanvrager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De politierechter in de rechtbank Gelderland heeft de aanvrager veroordeeld voor vernieling tot een geldboete van € 325, subsidiair zes dagen hechtenis.
2. De aanvraag tot herziening
2.1
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat de politierechter de aanvrager zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging indien hij ermee bekend zou zijn geweest dat sprake was van een ernstig vermoeden van een psychiatrische stoornis bij de aanvrager voorafgaand aan en ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit.
3. De conclusie van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke uitspraak van de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 1 november 2022, zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof opdat de zaak op de voet van artikel 472 lid 2 Sv opnieuw wordt berecht en afgedaan.
4. Beoordeling van de aanvraag
4.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2
Op de door de advocaat-generaal in zijn conclusie vermelde gronden moet het in de aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is daarom gegrond.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
- beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de politierechter;
- verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op de voet van artikel 472 lid 2 Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2024.
Conclusie 16‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Herziening (ten voordele). Vernieling van een auto (art. 350 Sr). Als novum wordt voorgesteld dat de verzoeker tijdens het bewezenverklaarde feit aan een psychiatrische stoornis leed. De conclusie strekt tot gegrondverklaring van de aanvraag.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03925 H
Zitting 16 januari 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verzoeker.
Inleiding
1. De verzoeker is bij mondeling vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 1 november 2022 veroordeeld wegens, kort gezegd, ‘vernieling van een auto’ tot een geldboete ter hoogte van 325,00 euro, subsidiair zes dagen hechtenis.
2. Tegen deze veroordeling is geen hoger beroep ingesteld, zodat het vonnis op 15 november 2022 onherroepelijk is geworden.
3. Namens de verzoeker heeft mr. M.T. Lamers, advocaat te Nijmegen, van dit vonnis herziening aangevraagd en daartoe bij verzoekschrift van 6 oktober 2023 één novum voorgesteld.
De zaak in het kort
4. Namens het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) is op 5 augustus 2022 aangifte gedaan wegens vernieling van een auto. De aangifte wordt door twee getuigenverklaringen ondersteund. Beide getuigen verklaren dat zij een persoon op een auto hebben zien slaan. Eén van de getuigen heeft verklaard dat de persoon een staaf in zijn handen had. Door de politie is op het dak van de beschadigde auto een ijzeren staaf gevonden en in beslag genomen. Deze staaf is later door het slachtoffer in ontvangst genomen.
5. Uit het dossier blijkt dat op 5 augustus 2022 door de twee (al genoemde) getuigen melding is gedaan van de vernieling c.q. beschadiging van een auto. Kort na de binnenkomst van deze meldingen is de politie ter plaatse gegaan en troffen zij de verzoeker aan. De verzoeker heeft ter plekke verklaard dat hij de auto kapot heeft gemaakt en dat hij de auto wilde stelen omdat hij zelf geen vervoermiddel heeft. In het later afgenomen zakelijk verhoor heeft de verzoeker bevestigd dat hij de auto heeft vernield.
6. Zoals gezegd is de verzoeker voor dit feit – bij verstek – veroordeeld.
De aanvraag tot herziening
7. Blijkens het verzoekschrift berust de aanvraag van herziening op de stelling dat de gegevens in de hierna vermelde stukken, die bij de politierechter in de onderhavige zaak niet bekend waren, het ernstige vermoeden wekken dat indien zij wel bekend zouden zijn geweest, de politierechter de verzoeker had ontslagen van alle rechtsvervolging. De stukken houden, kort gezegd, in:
a. een medische verklaring d.d. 4 augustus 2022, waarin staat vermeld dat bij de verzoeker een ‘ongespecificeerde psychotische stoornis’ is gediagnosticeerd;
b. een beschikking van de burgemeester d.d. 4 augustus 2022 inhoudende een crisismaatregel;
c. een beslissing en mededeling tot het verlenen van verplichte zorg d.d. 4 augustus 2022;
d. een risicotaxatie opname d.d. 5 augustus 2022, waaruit o.a. naar voren komt dat sprake is van een ‘ernstige psychiatrische aandoening’;
e. een beslissing en mededeling tot het verlenen van verplichte zorg d.d. 6 augustus 2022;
f. een informatiekaart van de 24-uurs psychiatrische afdeling te Polen in de Poolse taal en Nederlandse taal (vertaling uit het Pools).
8. In de aanvraag wordt verder aangevoerd dat op basis van de genoemde stukken een ernstig vermoeden van een psychiatrische stoornis bij de verzoeker naar voren komt die zowel tijdens als na de pleegdatum aanwezig was. Immers is een dag voor de pleegdatum een crisismaatregel afgegeven en besloten dat verplichte zorg bestaande uit toediening van medicatie en een opname noodzakelijk was wegens ‘ernstig verward en agressief gedrag’. Daags na de pleegdatum is opnieuw een beslissing tot verplichte zorg afgegeven. Gelet hierop kan het – volgens de aanvraag – niet zo zijn dat de verzoeker in de tussenliggende periode van twee dagen was hersteld. Ook op de pleegdatum wordt middels een risicotaxatie geoordeeld dat sprake is van een ‘ernstige psychiatrische aandoening’.
9. Tevens blijkt uit de stukken dat de verzoeker ook in de weken na de pleegdatum ‘psychotisch gedrag’ vertoonde. Op 30 september 2022 is hij in Polen opgenomen op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Door zijn ziekenhuisopname in Polen kon de verzoeker op 1 november 2022 niet op de terechtzitting aanwezig zijn.
10. Dat de verzoeker in deze toestand een auto heeft vernield of beschadigd, kan hem gelet op de opgesomde gegevens niet aangerekend worden. Indien deze informatie bekend was geweest, zou dat tot ontoerekeningsvatbaarheid hebben geleid en derhalve tot ontslag van alle rechtsvervolging, aldus de aanvraag.
De beoordeling van de aanvraag tot herziening
11. De aanvraag brengt mij tot de volgende opmerkingen. De gegevens die naar voren komen uit de bijlagen die bij de aanvraag zijn gevoegd, schetsen een beeld van de (verstoorde) geestestoestand van de verzoeker in de periode van en rondom de pleegdatum. De stukken die als bijlage bij de aanvraag aan de Hoge Raad zijn toegezonden leveren daarmee aanwijzingen dat de verzoeker ten tijde van het bewezen verklaarde delict lijdende was aan een psychische stoornis. Niet uitgesloten is dat deze stoornis van dien aard was dat de verzoeker als gevolg daarvan niet kon begrijpen dat het delict wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van het delict.1.
12. Gebleken is dat de verzoeker naderhand is opgenomen in het ziekenhuis wegens psychische problemen en derhalve niet bij de terechtzitting van 1 november 2022 aanwezig kon zijn. Ook aan de hand van het dossier dat de politierechter ter beschikking stond, is op geen enkele manier gebleken dat gegevens omtrent de geestestoestand van de verzoeker bekend waren tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
13. Ik acht het in zekere mate waarschijnlijk dat de rechter in deze concrete zaak – bij bekendheid met de hiervoor bedoelde gegevens – zou hebben geoordeeld dat het delict de verzoeker wegens die psychische stoornis niet kan worden toegerekend. Het komt mij dan ook voor dat de aangedragen (‘nieuwe’) gegevens van voldoende gewicht zijn om het ernstige vermoeden te doen ontstaan dat de rechter tot één van de limitatief opgesomde eindoordelen van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv zou zijn gekomen, te weten die van een ontslag van alle rechtsvervolging.
14. Ik ben van oordeel dat de in randnummer 7 genoemde stukken, waarop in de aanvraag tot herziening een beroep wordt gedaan, een novum opleveren in de zin van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. Daaruit vloeit voort dat de aanvraag tot herziening gegrond is.
Slotsom
15. De aanvraag tot herziening is gegrond.
16. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke uitspraak van de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 1 november 2022, zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof opdat de zaak op de voet van artikel 472 lid 2 Sv opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑01‑2024