Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.4.1.1
IV.4.1.1 Gevolgen van de bejegening voor het individu
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593965:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Anders bijv. Duff 2013a, p. 185-186 die stelt dat bepaalde handelingen – zoals vrijheidsbeneming – naar hun aard met de behandelingsdimensie strijden en dat zij derhalve altijd een inbreuk op de onschuldpresumptie opleveren, welke hooguit gerechtvaardigd kan worden door de belangen van derden. Die benadering gaat er echter ten onrechte vanuit dat de onschuldpresumptie – anders dan alle mensenrechtenorganen menen – verplicht tot behandeling als onschuldige. Voorts is mij onduidelijk waar in dit standpunt de wel te accepteren gronden voor beperking van de onschuldpresumptie uit worden afgeleid. De onschuldpresumptie kan dat zelf dan niet goed verklaren, nu deze in beginsel elke vrijheidsbeneming verbiedt. Zie daarover ook reeds § IV.2.
Dat neemt niet weg dat zij soms als straf zullen worden ervaren. Die persoonlijke ervaring is echter geen bruikbaar criterium om te bepalen of van behandeling als schuldige sprake is. Die persoonlijke ervaring is niet kenbaar voor derden, stelt de onschuldpresumptie sterk afhankelijk van de persoonlijkheid van het individu, hetgeen onder meer leidt tot rechtsongelijkheid. Voorts belet zo’n criterium de inzet van dwangmiddelen tegen overgevoelige verdachten.
Stuckenberg 2014, p. 313: “...] procedural restraints must be such to which all citizens, including the innocent, may justly be subjected [...”; Weigend 2014, p. 296: “Arguably, the presumption of innocence puts an absolute cap on the intrusiveness of procedural measures.”
Weigend 2014, p. 296.
Een ander voorbeeld is de Guilty Knowledge Test, waarbij het geheugen van een persoon in kaart wordt gebracht door meting van de hersenactiviteit tijdens een herinneringstaak. Zie daarover genuanceerd, maar uiteindelijk afwijzend Van Toor 2017.
Voor de reikwijdte van een verbod niet-veroordeelden als schuldigen te behandelen, is natuurlijk van groot belang wanneer van behandeling als schuldige nu precies sprake is. Criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of een bejegeningswijze neerkomt op bejegening als schuldige zijn in het bijzonder van belang voor de verenigbaarheid van tal van dwangmiddelen met de presumptie van onschuld. Potentieel met de onschuldpresumptie onverenigbare behandelingswijzen kunnen zich echter op talrijke manieren en in verschillende fasen van de strafrechtspleging voordoen. Het kan gaan om officiële beslissingen van de onafhankelijke rechter, maar ook om meer informele bejegening in vakbladen of algemene media door een anonieme bron. Die variëteit bemoeilijkt nadere concretisering enigszins. Daar komt bij dat misschien wel het meest voor de hand liggende aanknopingspunt om te bepalen of een bejegening met de onschuldpresumptie strookt, namelijk het effect van de bejegening op het betrokken individu, bij nader inzien nauwelijks bepalend is.
Behandeling als schuldige zal veelal een beperking inhouden van individuele materiële rechten (vrijheid, privacy, eer en goede naam, eigendom, enz.). Aantasting van die rechten is op zichzelf echter onvoldoende aanwijzing dat van behandeling als schuldige sprake is.1 Dat is immers ook het gevolg van talrijke niet op een schuldveronderstelling rustende handelingen. De belangrijkste straffen in de moderne strafrechtspleging, de geldboete en de gevangenisstraf, beknotten rechten die ook zonder schuldvaststelling (vgl. conservatoir beslag resp. voorlopige hechtenis) en zelfs buiten het strafrecht om (vgl. de belastingaanslag resp. de opneming in een psychiatrisch ziekenhuis of gijzeling) in vergelijkbare mate worden beperkt. Deze instrumenten gaan er niet steeds vanuit dat de verdachte schuldig is aan een strafbaar feit, maar bestaan zelfs juist onder andere omdat die schuld niet altijd direct en met zekerheid is vast te stellen. De mate van aantasting van het geldelijk vermogen of de fysieke vrijheid kan derhalve niet bepalen of van bejegening als schuldige aan een strafbaar feit sprake is.2
Dat in de meeste gevallen het gevolg voor het individu onvoldoende discrimineert tussen wel en niet met de onschuldpresumptie strijdige bejegening, sluit niet uit dat bepaalde, bijzondere gevolgen voor het individu uit hun aard met de behandelingsdimensie conflicteren. Zowel Stuckenberg als Weigend meent dat het vermoeden van onschuld een absolute grens stelt aan de toelaatbaarheid van bejegeningswijzen.3 Dit lijkt mij in theorie juist. Jegens niet-veroordeelden te verrichten handelingen moeten zodanig zijn dat niet louter schuldigen er met goed fatsoen aan kunnen worden blootgesteld. Anders impliceert die handeling immers schuld. Het kost echter wel enige moeite goede voorbeelden te construeren. Weigend noemt het gedwongen afnemen van hersenvloeistof om die substantie te testen op mogelijke geestelijke stoornissen.4 Zo zijn er meer methoden die de grenzen van het menswaardige opzoeken of zelfs overschrijden, waarvan de bekendste de tortuur is.5 Het komt mij evenwel voor dat dergelijke methoden zodanig indruisen tegen hetgeen wij als menswaardig beschouwen dat zij tegenover veroordeelden nauwelijks aanvaardbaarder zijn dan tegenover verdachten. Of de mogelijke onschuld van het individu daarbij nog gewicht in de schaal legt, valt te betwijfelen. Een voorbeeld dat in andere delen van de wereld wellicht hout snijdt, is de geïnstitutionaliseerde doding, die alleen als reactie op een vastgesteld strafbaar feit in de vorm van de doodstraf toelaatbaar is, maar naar in Nederland geldend recht en heersende opvatting geldt het voorgaande daarvoor evenzeer. Bij de overgrote meerderheid van de bejegeningswijzen is in elk geval het gevolg ervan voor het individu niet redengevend om ze te kwalificeren als behandeling als schuldige.