HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81, NJ 2023/150, m. nt. P. Mevis, rov. 2.4.1 en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m. nt. P. Mevis, rov. 2.4.1.
HR, 08-07-2025, nr. 23/04227 B
ECLI:NL:HR:2025:1071
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-07-2025
- Zaaknummer
23/04227 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1071, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:503
ECLI:NL:PHR:2025:503, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1071
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑12‑2023
- Vindplaatsen
Uitspraak 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op personenauto met bijbehorende sleutels en chauffeurspas onder klager (taxichauffeur) t.z.v. verdenking van deelname aan criminele organisatie die zich bezighoudt met witwassen van gelden uit drugshandel en het aanbieden van illegale gokspelen. Proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetting beslag. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:128 m.b.t. vraag wanneer rechter blijk moet geven van onderzoek naar vraag of voortzetting van beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en (als dat het geval is) welke eisen moeten worden gesteld aan motivering van zijn beslissing. Namens klager is aangevoerd dat klager vader is van 3 jonge kinderen en kostwinner is van zijn gezin, dat hij in grote financiële problemen verkeert en dat het in het bijzonder van groot belang is dat hij over zijn chauffeurspas beschikt om zijn werkzaamheden uit te voeren en inkomen te genereren. Rb heeft geoordeeld dat voortduring van beslag voldoet aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en heeft klaagschrift ongegrond verklaard. Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld. Daarbij is van belang dat Rb niet kenbaar in haar overwegingen heeft betrokken wat namens klager naar voren is gebracht over aanmerkelijke (financiële) gevolgen van het voortduren van beslag, i.h.b. vanwege omstandigheid dat klager de chauffeurspas nodig heeft om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin. Enkele overweging van Rb dat gelet op “ernst van verdenking enerzijds en door klager aangevoerde persoonlijke belangen anderzijds” geen strijd bestaat met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, volstaat in dit opzicht niet. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04227 B
Datum 8 juli 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2023, nummer RK 23/018000, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat D.J.M Dammers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de voortduring van het beslag niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
2.2.1
De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave van de op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) onder de klager inbeslaggenomen personenauto met bijbehorende sleutels en een chauffeurspas, ongegrond verklaard.
2.2.2
Het namens de klager tegen (het voortduren van) de inbeslagneming ingediende klaagschrift houdt onder meer in:
“Subsidiair - proportionaliteit & subsidiariteit
12. Subsidiair stelt klager zich op het standpunt dat het voortduren van het beslag in deze specifieke omstandigheden in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit omdat de persoonlijke belangen van klager zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag.
13. Klager is taxichauffeur. Voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden in dat verband is het dan ook essentieel dat hij over zijn auto, de autosleutels en de chauffeurspas kan beschikken. Dit omdat hij zonder zijn werkzaamheden als taxichauffeur niet kan rondkomen. Hierbij is van belang te vermelden dat klager tot en met het begin van Corona goed kon rondkomen als taxichauffeur. Dit volgt uit de aangiftes van de inkomstenbelasting (zie bijlage (...)). Klager is in 2020, tijdens Corona, verslaafd geraakt aan gokken. Deze verslaving is dermate ernstig geworden, dat hij niet meer kon werken en dag en nacht bezig was met gokken. Door deze ernstige verslaving kon klager lange tijd niet werken. Het gaat inmiddels beter met hem, hij zoekt hulp voor zijn verslaving (zie bijlage (...)).
14. Deze verslaving heeft er echter wel toe geleid dat klager niet alleen vragen kreeg van de bank (zie bijlage (...)), maar ook dat klager grote schulden heeft bij - contacten van hem. Deze leningen lopen op tot duizenden euro’s (zie bijlage (...)). Klager heeft daarnaast ook problemen met betalen van andere openstaande rekeningen (zie bijlage (...)). Klager wil gelet op deze schulden zo snel mogelijk weer aan het werk om deze af te betalen. Daarnaast kan klager op het moment, ook nu hij al enorm veel geld heeft geleend van anderen, geen geld meer lenen om te voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin. Klager is dus afhankelijk van zijn inkomen als taxichauffeur om te zorgen voor zijn gezin en om de schulden af te lossen.
15. Het belang van klagers bij teruggave is dermate wezenlijk, nu het voor klagers op dit moment onmogelijk is om volledig aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Indien het beslag blijft voortduren en het kunnen voldoen aan deze verplichtingen zodoende onmogelijk blijft, zullen de gevolgen voor klagers aldus aanzienlijk zijn. Met (gedeeltelijke) opheffing van het beslag kunnen deze vergaande gevolgen worden voorkomen, in welk kader in het bijzonder wordt verzocht om het beslag op de chauffeurspas op te heffen.
16. De Hoge Raad is recent nog met een zekere bijstelling gekomen van de rechtspraak met betrekking tot de beoordeling door de beklagrechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Klager verzoekt daarom kritisch te kijken of in zijn geval wel aan deze vereisten is voldaan als het beslag blijft voortduren. Daarbij is van belang dat in het geval van klager nog geen enkel zicht is op een eventuele verdere vervolging en inhoudelijke behandeling, waardoor niet binnen redelijke termijn een beslissing wordt verwacht.
17. Gelet op voorgaande stelt klager subsidiair dat de persoonlijke belangen van klager zouden moeten prevaleren boven het strafvorderlijk belang van het voortduren van het beslag ten aanzien van deze auto, de autosleutels en chauffeurspas. Meer subsidiair stelt klager dit in ieder geval geldt ten aanzien van de chauffeurspas. Dit zodat klager dan met een auto van een ander zou kunnen taxiën.
Concluderend en resumerend.
18. Kort en goed verzoekt klager primair het beslag op de auto, de autosleutels en de chauffeurspas op te heffen nu het belang van strafvordering dit voortduren van het beslag niet vordert. Subsidiair verzoekt klager het beslag op de auto, de autosleutels en de chauffeurspas op te heffen nu niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Meer subsidiair verzoekt klager in ieder geval het beslag ten aanzien van de chauffeurspas op te heffen nu niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer heeft de raadsvrouw van de klager daar het volgende aangevoerd:
“De auto ligt al drie maanden onder beslag op grond van de waarheidsvinding. Het uitlezen van de gegevens van de auto is een kwestie van een paar minuten. Het is tevens niet waarschijnlijk dat de voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard. Er ligt een MMA-melding, maar deze dient wel voldoende gestaafd te worden. Deze staving volgt nog niet uit het beperkte dossier. Daarbij is de chauffeurspas geen voorwerp dat in het kader van de waarheidsvinding onder beslag kan blijven. Het beslag is tevens in strijd met de subsidiariteit en proportionaliteit. Klager is vader van drie jonge kinderen en kostwinner. Het is essentieel dat hij over zijn chauffeurspas beschikt om zijn werkzaamheden uit te voeren en inkomen te genereren. Daarbij heeft hij vanwege zijn gokverslaving grote financiële problemen. Ik verzoek u in ieder geval zijn chauffeurspas terug te geven. Tot slot beschik ik nog niet over het strafdossier en is nog niet bekend wanneer de strafzaak zal worden behandeld.”
2.2.4
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen:
“Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
Klager wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met het witwassen van gelden uit drugshandel en het aanbieden van illegale gokspelen. Klager zou zich met zijn taxi en zijn taxibedrijf aan het plegen van deze strafbare feiten hebben schuldig gemaakt. Dit zou hebben plaatsgevonden in de periode van januari 2019 tot heden. De MMA melding wordt onderbouwd door onder meer tapgesprekken waarin over grote geldbedragen en het vervoer daarvan wordt gesproken. Daarnaast komt uit tapgesprekken en bankrekeningen naar voren dat verschillende personen, al dan niet met gebruikmaking van prive en/of zakelijke bankrekeningen, worden ingezet voor de criminele activiteiten.
Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag van de auto, omdat het onderzoek nog loopt. Het voorwerp is immers in beslag genomen met het doel de waarheid aan het licht te brengen.
Zowel ten aanzien van de taxi als de chauffeurspas acht de rechtbank het bovendien niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de voorwerpen verbeurd zal verklaren. De voorwerpen staan immers in directe relatie met de witwasverdenking. Het strafvorderlijk belang verzet zich dan ook tegen opheffing van het beslag. Gelet op de ernst van de verdenking enerzijds en de door klager aangevoerde persoonlijke belangen anderzijds acht de rechtbank handhaving van het beslag niet in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.”
2.3.1
De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek.
2.3.2
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag. (Vgl. HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, rechtsoverwegingen 2.4.1 en 2.4.2.)
2.4.1
Namens de klager is, zoals weergegeven onder 2.2.2 en 2.2.3, kort gezegd aangevoerd dat de klager vader is van drie jonge kinderen en kostwinner is van zijn gezin, dat hij in grote financiële problemen verkeert en dat het in het bijzonder van groot belang is dat hij over zijn chauffeurspas beschikt om zijn werkzaamheden uit te voeren en inkomen te genereren.
2.4.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat de voortduring van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en heeft het klaagschrift ongegrond verklaard. Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd in het licht van wat onder 2.3 is voorop gesteld. Daarbij is van belang dat de rechtbank niet kenbaar in haar overwegingen heeft betrokken wat namens de klager naar voren is gebracht over de aanmerkelijke (financiële) gevolgen van het voortduren van het beslag, in het bijzonder vanwege de omstandigheid dat de klager de chauffeurspas nodig heeft om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin. De enkele overweging van de rechtbank dat gelet op “de ernst van de verdenking enerzijds en de door klager aangevoerde persoonlijke belangen anderzijds” geen strijd bestaat met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, volstaat in dit opzicht niet.
2.5
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.
Conclusie 13‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag over beslag auto en chauffeurspas ex art. 94 Sv onder taxichauffeur. Slagend middel tegen het oordeel van de rechtbank dat handhaving van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank heeft een onjuist toetsingskader toegepast en haar oordeel – gelet op hetgeen namens de klager (onderbouwd) is aangevoerd over de impact van het beslag – onvoldoende gemotiveerd. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04227 B
Zitting 13 mei 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 17 oktober 2023 het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van de inbeslaggenomen personenauto met bijbehorende sleutels en de chauffeurspas ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat voortduring van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
2. De procesgang
2.1
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2
Op 27 juni 2023 is onder klager, taxichauffeur, een personenauto, merk Tesla ( [kenteken] ) met bijbehorende sleutels en een chauffeurspas in beslag genomen. De klager wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie die zich onder meer bezighoudt met witwassen en illegale gokspelen. De klager zou bij het plegen van deze strafbare feiten gebruik hebben gemaakt van zijn taxibedrijf.
2.3
Op 17 juli 2023 is ter griffie van de rechtbank Amsterdam een klaagschrift ex art. 552a Sv ontvangen, waarin wordt verzocht het beslag op te heffen en de onder 2.2 weergegeven goederen aan de klager terug te geven. Het klaagschrift houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, in (zonder overneming van voetnoten):
“Subsidiair - proportionaliteit & subsidiariteit
12. Subsidiair stelt klager zich op het standpunt dat het voortduren van het beslag in deze specifieke omstandigheden in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit omdat de persoonlijke belangen van klager zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag.
13. Klager is taxichauffeur. Voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden in dat verband is het dan ook essentieel dat hij over zijn auto, de autosleutels en de chauffeurspas kan beschikken. Dit omdat hij zonder zijn werkzaamheden als taxichauffeur niet kan rondkomen. Hierbij is van belang te vermelden dat klager tot en met het begin van Corona goed kon rondkomen als taxichauffeur. Dit volgt uit de aangiftes van de inkomstenbelasting (zie bijlage 2 voor de aangiftes van 2017 t/m 2020). Klager is in 2020, tijdens Corona, verslaafd geraakt aan gokken. Deze verslaving is dermate ernstig geworden, dat hij niet meer kon werken en dag en nacht bezig was met gokken. Door deze ernstige verslaving kon klager lange tijd niet werken. Het gaat inmiddels beter met hem, hij zoekt hulp voor zijn verslaving (zie bijlage 3 voor contact met Jellinek).
14. Deze verslaving heeft er echter wel toe geleid dat klager niet alleen vragen kreeg van de bank (zie bijlage 4 voor contact klager en ING), maar ook dat klager grote schulden heeft bij contacten van hem. Deze leningen lopen op tot duizenden euro’s (zie bijlage 5 voor een overzicht van grote schulden bij anderen). Klager heeft daarnaast ook problemen met betalen van andere openstaande rekeningen (zie bijlage 6 voor e-mails hierover). Klager wil gelet op deze schulden zo snel mogelijk weer aan het werk om deze af te betalen. Daarnaast kan klager op het moment, ook nu hij al enorm veel geld heeft geleend van anderen, geen geld meer lenen om te voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin. Klager is dus afhankelijk van zijn inkomen als taxichauffeur om te zorgen voor zijn gezin en om de schulden af te lossen.
15. Het belang van klagers bij teruggave is dermate wezenlijk, nu het voor klagers op dit moment onmogelijk is om volledig aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Indien het beslag blijft voortduren en het kunnen voldoen aan deze verplichtingen zodoende onmogelijk blijft, zullen de gevolgen voor klagers aldus aanzienlijk zijn. Met (gedeeltelijke) opheffing van het beslag kunnen deze vergaande gevolgen worden voorkomen, in welk kader in het bijzonder wordt verzocht om het beslag op de chauffeurspas op te heffen.
16. De Hoge Raad is recent nog met een zekere bijstelling gekomen van de rechtspraak met betrekking tot de beoordeling door de beklagrechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Klager verzoekt daarom kritisch te kijken of in zijn geval wel aan deze vereisten is voldaan als het beslag blijft voortduren Daarbij is van belang dat in het geval van klager nog geen enkel zicht is op een eventuele verdere vervolging en inhoudelijke behandeling, waardoor niet binnen redelijke termijn een beslissing wordt verwacht.
17. Gelet op voorgaande stelt klager subsidiair dat de persoonlijke belangen van klager zouden moeten prevaleren boven het strafvorderlijk belang van het voortduren van het beslag ten aanzien van deze auto, de autosleutels en chauffeurspas. Meer subsidiair stelt klager dit in ieder geval geldt ten aanzien van de chauffeurspas. Dit zodat klager dan met een auto van een ander zou kunnen taxiën.
Concluderend en resumerend
18. Kort en goed verzoekt klager primair het beslag op de auto, de autosleutels en de chauffeurspas op te heffen nu het belang van strafvordering dit voortduren van het beslag niet vordert. Subsidiair verzoekt klager het beslag op de auto, de autosleutels en de chauffeurspas op te heffen nu niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Meer subsidiair verzoekt klager in ieder geval het beslag ten aanzien van de chauffeurspas op te heffen nu niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.”
2.4
Op 3 oktober 2023 is het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
3. De beschikking
3.1
De rechtbank heeft hetgeen namens de klager en door het openbaar ministerie is aangevoerd op de raadkamerzitting van 3 oktober 2023 in zijn beschikking van 17 oktober 2023 als volgt weergegeven:
“Namens klager is het volgende aangevoerd. De auto ligt al drie maanden onder beslag op grond van de waarheidsvinding. Het uitlezen van de gegevens van de auto is een kwestie van een paar minuten. Het is tevens niet waarschijnlijk dat de voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard. Er ligt een MMA-melding, maar deze dient wel voldoende gestaafd te worden. Deze staving volgt nog niet uit het beperkte dossier. Daarbij is de chauffeurspas geen voorwerp dat in het kader van de waarheidsvinding onder beslag kan blijven.
De raadsvrouw acht het beslag tevens in strijd met de subsidiariteit en proportionaliteit. Klager is vader van drie jonge kinderen en kostwinner. Het is essentieel dat hij over zijn chauffeurspas beschikt om zijn werkzaamheden uit te voeren en inkomen te genereren.Daarbij heeft hij vanwege zijn gokverslaving grote financiële problemen. De raadsvrouw heeft verzocht ieder geval zijn chauffeurspas terug te geven.
Klager heeft in raadkamer verklaard te werken aan zijn gokverslaving. Hij heeft geprobeerd ander werk te vinden, maar is daar tot op heden niet in geslaagd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het Openbaar Ministerie zal vorderen dat de voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard. Klager wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie die zich onder meer bezighoudt met witwassen en illegale gokspelen. Het onderzoek in de strafzaak is nog in volle gang. Het OM gaat voortvarend te werk en de verwachting is dat in de eerste helft van 2024 het onderzoek gereed is. De taximeter van de auto is inmiddels uitgelezen, maar het proces-verbaal van onderzoek is nog niet gereed. Zolang de bevindingen nog niet bekend zijn acht de officier van justitie het nodig de auto te houden voor eventueel nader onderzoek. Zowel ten aanzien van de auto als de chauffeurspas bestaat de verdenking dat deze gebruikt zijn bij het plegen van strafbare feiten. Het vermoeden bestaat dat klager gebruikmakend van zijn taxibedrijf strafbare feiten heeft gepleegd. Om die reden is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de voorwerpen zal verbeurd verklaren. Ten aanzien van de door klager aangevoerde proportionaliteit en subsidiariteit is het OM van oordeel dat gelet op het beschreven strafvorderlijk belang, het persoonlijk belang van klager niet opweegt tegen het strafvorderlijk belang.”
3.2
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en daartoe overwogen:
“Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, -ook in een zaak betreffende een ander dan klager-, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
Klager wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met het witwassen van gelden uit drugshandel en het aanbieden van illegale gokspelen. Klager zou zich met zijn taxi en zijn taxibedrijf aan het plegen van deze strafbare feiten hebben schuldig gemaakt. Dit zou hebben plaatsgevonden in de periode van januari 2019 tot heden. De MMA melding wordt onderbouwd door onder meer tapgesprekken waarin over grote geldbedragen en het vervoer daarvan wordt gesproken. Daarnaast komt uit tapgesprekken en bankrekeningen naar voren dat verschillende personen, al dan niet met gebruikmaking van prive en/of zakelijke bankrekeningen, worden ingezet voor de criminele activiteiten.
Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag van de auto, omdat het onderzoek nog loopt. Het voorwerp is immers in beslag genomen met het doel de waarheid aan het licht te brengen.
Zowel ten aanzien van de taxi als de chauffeurspas acht de rechtbank het bovendien niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de voorwerpen verbeurd zal verklaren. De voorwerpen staan immers in directe relatie met de witwasverdenking. Het strafvorderlijk belang verzet zich dan ook tegen opheffing van het beslag. Gelet op de ernst van de verdenking enerzijds en de door klager aangevoerde persoonlijke belangen anderzijds acht de rechtbank handhaving van het beslag niet in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.”
4. Het middel
4.1
Het middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de handhaving van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze beoordeling geeft volgens de steller van het middel blijk van de toepassing van een onjuist toetsingskader en is, gelet op hetgeen door de verdediging in het klaagschrift en op de zitting naar voren is gebracht, ontoereikend gemotiveerd.
4.2
Voor de beoordeling van de proportionaliteit en de subsidiariteit ten aanzien van handhaving van het gelegde beslag gelden de volgende uitgangspunten.
4.3
Bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming is de rechter niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.1.
4.4
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een dergelijk onderzoek, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.2.
4.5
In onderhavige zaak heeft de rechtbank overwogen dat “(g)elet op de ernst van de verdenking enerzijds en de door klager aangevoerde persoonlijke belangen anderzijds (…) de rechtbank handhaving van het beslag niet in strijd (acht) met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.” In deze overweging hanteert de rechtbank een onjuist toetsingskader: de rechtbank dient de persoonlijke belangen van de klager bij opheffing van het beslag af te wegen tegen het met art. 94 Sv nagestreefde strafvorderlijke belang, en niet tegen de ernst van de verdenking.
4.6
Het middel slaagt in zoverre.
4.7
Ook voor zover het middel klaagt over de motivering van de belangenafweging die de rechtbank (niet) maakt, slaagt het. In het klaagschrift heeft de raadsvrouw van de klager betoogd dat de klager door het gelegde beslag op de auto met bijbehorende sleutels en de chauffeurspas zwaar wordt getroffen, omdat de verdachte zonder deze goederen zijn taxibedrijf niet kan uitbaten en dus ook geen inkomen heeft waarmee hij in het levensonderhoud van zichzelf en zijn gezin kan voorzien. De klager zou bovendien grote schulden hebben, die hij zonder inkomen niet kan afbetalen. De raadsvrouw heeft een en ander met een aantal stukken onderbouwd en heeft in het bijzonder (meer subsidiair) verzocht alleen de chauffeurspas terug te geven, zodat de verdachte in een andere auto zijn werk als taxichauffeur zou kunnen voortzetten. Gelet op hetgeen door de raadsvrouw (onderbouwd) is aangevoerd, had de rechtbank blijk moeten geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit heeft de rechtbank onvoldoende kenbaar gedaan.3.
5. Slotsom
5.1
Het middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑05‑2025
HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81, NJ 2023/150, m. nt. P. Mevis, rov. 2.4.2 en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m. nt. P. Mevis, rov. 2.4.2.
Zie bijvoorbeeld HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1613, rov. 2.4.
Beroepschrift 09‑12‑2023
De Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Datum betekening: 9 december 2023
Geacht College,
Ondergetekende,
mr. D.J.M. Dammers, advocaat te Amsterdam, kantoorhoudende op het adres Van der Helstplein 3 (1072 PH) te Amsterdam (Cleerdin & Hamer Advocaten), die in deze zaak bepaaldelijk gevolmachtigd is door rekwirant in cassatie:
de heer [klager],
geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1987,
wonende op het adres [adres] te ([postcode]) [woonplaats],
heeft hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen de beschikking ex artikel 552a Sv, alsmede de tussenbeslissingen van de Rechtbank Amsterdam, gewezen tegen rekwirant in de zaak met raadkamernummer 23-018000.
In deze zaak heeft het Rechtbank Amsterdam bij beschikking van 17 oktober 2023 het beklag ex artikel 552a Sv ongegrond verklaard.
Het beroep in cassatie tegen bovenvermeld arrest is op 26 oktober 2023 namens rekwirant ingesteld door de daartoe bepaaldelijk gevolmachtigde, K. Coenradi, ambtenaar ter griffie van de Rechtbank Amsterdam.
Rekwirant voert het navolgende middel van cassatie aan:
I. Schending van art. 552a Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder getuigt het oordeel van de rechtbank om het klaagschrift ongegrond te verklaren van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onvoldoende begrijpelijk (gemotiveerd). Dit nu naar aanleiding van een subsidiair en meer subsidiair verzoek tot (gedeeltelijke) opheffing van het beslag in verband met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit enkel is overwegen dat ‘gelet op de ernst van de verdenking enerzijds en de door klager aangevoerde persoonlijke belangen anderzijds […] de rechtbank handhaving van het beslag niet in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit [acht]’, waardoor de rechtbank bij een toetsing aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit
- (i)
ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk de persoonlijke belangen van rekwirant bij opheffing van het beslag heeft afgezet tegen (enkel) ‘de ernst van de verdenking’ terwijl deze persoonlijke belangen bij opheffing van het beslag hadden behoren te worden afgezet tegen ‘het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang’ (vgl. HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, r.o. 2.4.1) en;
- (ii)
de rechtbank naar aanleiding van een uitvoerig onderbouwd verzoek tot al dan niet gedeeltelijke opheffing van het beslag op grond van een toetsing aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit enkel heeft geoordeeld zoals hiervoor uiteengezet, terwijl de motivering van de beslissing van de rechtbank bij een toetsing aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit op grond van het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:128) afhankelijk is ‘van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten’ (r.o. 2.4.2), hetwelk in casu tot gevolg zou behoren te hebben dat met de door de rechtbank gehanteerde motivering niet zonder meer kan worden volstaan, onder meer nu in het geheel niets is overwogen over het meer subsidiaire verzoek tot opheffing van het beslag van enkel de chauffeurspas, althans dat het oordeel van de rechtbank in dit kader ontoereikend en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is.
Toelichting
1.
In het klaagschrift is verzocht tot teruggave van de onder rekwirant inbeslaggenomen personenauto, merk Tesla, kenteken [kenteken], met bijbehorende sleutels, alsmede een chauffeurspas. Dit is primair verzocht nu het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert. Subsidiair is verzocht het beslag op de auto, de autosleutels en de chauffeurspas op te heffen in verband met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, meer subsidiair — tevens in verband met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit — in ieder geval ten aanzien van de chauffeurspas.
2.
In het klaagschrift ex artikel 552a Sv is namens rekwirant, voor zover voor dit middel van belang, het volgende naar voren gebracht:
‘Subsidiair — proportionaliteit & subsidiariteit
- 12.
Subsidiair stelt klager zich op het standpunt dat het voortduren van het beslag in deze specifieke omstandigheden in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit omdat de persoonlijke belangen van klager zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag.
- 13.
Klager is taxichauffeur. Voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden in dat verband is het dan ook essentieel dat hij over zijn auto, de autosleutels en de chauffeurspas kan beschikken. Dit omdat hij zonder zijn werkzaamheden als taxichauffeur niet kan rondkomen. Hierbij is van belang te vermelden dat klager tot en met het begin van Corona goed kon rondkomen als taxichauffeur. Dit volgt uit de aangiftes van de inkomstenbelasting (zie bijlage 2 voor de aangiftes van 2017 t/m 2020). Klager is in 2020, tijdens Corona, verslaafd geraakt aan gokken. Deze verslaving is dermate ernstig geworden, dat hij niet meer kon werken en dag en nacht bezig was met gokken. Door deze ernstige verslaving kon klager lange tijd niet werken. Het gaat inmiddels beter met hem, hij zoekt hulp voor zijn verslaving (zie bijlage 3 voor contact met Jellinek).
- 14.
Deze verslaving heeft er echter wel toe geleid dat klager niet alleen vragen kreeg van de bank (zie bijlage 4 voor contact klager en ING), maar ook dat klager grote schulden heeft bij contacten van hem. Deze leningen lopen op tot duizenden euro's (zie bijlage 5 voor een overzicht van grote schulden bij anderen). Klager heeft daarnaast ook problemen met betalen van andere openstaande rekeningen (zie bijlage 6 voor e-mails hierover). Klager wil gelet op deze schulden zo snel mogelijk weer aan het werk om deze af te betalen. Daarnaast kan klager op het moment, ook nu hij al enorm veel geld heeft geleend van anderen, geen geld meer lenen om te voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin. Klager is dus afhankelijk van zijn inkomen als taxichauffeur om te zorgen voor zijn gezin en om de schulden af te lossen.
- 15.
Het belang van klagers bij teruggave is dermate wezenlijk, nu het voor klagers op dit moment onmogelijk is om volledig aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Indien het beslag blijft voortduren en het kunnen voldoen aan deze verplichtingen zodoende onmogelijk blijft, zullen de gevolgen voor klagers aldus aanzienlijk zijn. Met (gedeeltelijke) opheffing van het beslag kunnen deze vergaande gevolgen worden voorkomen, in welk kader in het bijzonder wordt verzocht om het beslag op de chauffeurspas op te heffen.
- 16.
De Hoge Raad is recent nog met een zekere bijstelling gekomen van de rechtspraak met betrekking tot de beoordeling door de beklagrechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Klager verzoekt daarom kritisch te kijken of in zijn geval wel aan deze vereisten is voldaan als het beslag blijft voortduren. Daarbij is van belang dat in het geval van klager nog geen enkel zicht is op een eventuele verdere vervolging en inhoudelijke behandeling, waardoor niet binnen redelijke termijn een beslissing wordt verwacht.1.
- 17.
Gelet op voorgaande stelt klager subsidiair dat de persoonlijke belangen van klager zouden moeten prevaleren boven het strafvorderlijk belang van het voortduren van het beslag ten aanzien van deze auto, de autosleutels en chauffeurspas. Meer subsidiair stelt klager dit in ieder geval geldt ten aanzien van de chauffeurspas. Dit zodat klager dan met een auto van een ander zou kunnen taxiën.
Concluderend en resumerend
- 18.
Kort en goed verzoekt klager primair het beslag op de auto, de autosleutels en de chauffeurspas op te heffen nu het belang van strafvordering dit voortduren van het beslag niet vordert. Subsidiair verzoekt klager het beslag op de auto, de autosleutels en de chauffeurspas op te heffen nu niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Meer subsidiair verzoekt klager in ieder geval het beslag ten aanzien van de chauffeurspas op te heffen nu niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.’
3.
In de beschikking van de rechtbank d.d. 17 oktober 2023 wordt over het (subsidiaire) standpunt van rekwirant het volgende vermeld:2.
‘De raadsvrouw acht het beslag tevens in strijd met de subsidiariteit en proportionaliteit. Klager is vader van drie jonge kinderen en kostwinner. Het is essentieel dat hij over zijn chauffeurspas beschikt om zijn werkzaamheden uit te voeren en inkomen te genereren. Daarbij heeft hij vanwege zijn gokverslaving grote financiële problemen. De raadsvrouw heeft verzocht klager in ieder geval zijn chauffeurspas terug te geven. Klager heeft in raadkamer verklaard te werken aan zijn gokverslaving. Hij heeft geprobeerd ander werk te vinden, maar is daar tot op heden niet in geslaagd.’
4.
Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer volgt dat rekwirant het navolgende naar voren heeft gebracht:
‘Ik doe mijn best om van mijn verslaving af te komen, dat probeer ik al jaren. Ik heb nu geen inkomsten en breng mijn huisraad naar Used Products om aan geld te komen voor mijn gezin.’3.
5.
Door de rechtbank is vervolgens, voor zover voor dit middel van belang, als volgt beslist:
‘Gelet op de ernst van de verdenking enerzijds en de door klager aangevoerde persoonlijke belangen anderzijds acht de rechtbank handhaving van het beslag niet in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.’4.
6.
Gelet op het voorgaande is namens rekwirant aldus (onder andere) verzocht het beslag (al dan niet gedeeltelijk met betrekking tot enkel de chauffeurspas) op te heffen nu de persoonlijke belangen van rekwirant zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag. Hiermee is aldus een beroep gedaan op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
7.
Indien een beroep wordt gedaan op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, heeft op basis van rechtspraak van uw Raad het volgende te gelden:
‘Proportionaliteit en subsidiariteit
2.4.1.
De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. (Vgl. bijvoorbeeld HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), overweging 103.)
Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo'n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). (Vgl. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3722 en EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië), overweging 80.)
2.4.2.
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en — als dat het geval is — welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken — en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen — kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.
2.4.3.
Mede in verband met de beoordeling door de rechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit mag van het openbaar ministerie worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, in de beklagprocedure informatie verschaft over het beslag en over de onderliggende strafzaak of ontnemingsprocedure. In geval van conservatoir beslag gaat het daarbij in het bijzonder om de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting in verband waarmee wordt beoogd een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen. Omdat tijdens de raadkamerprocedure het onderzoek in de strafzaak en/of de ontnemingszaak veelal nog loopt, zal het openbaar ministerie in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kunnen doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting.
2.4.4.
Als de beklagrechter van oordeel is dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, brengt de onderzoekstaak van de beklagrechter met zich dat hij zich nader laat informeren. De beklagrechter kan daarvoor op grond van artikel 23 lid 1 Sv aan het openbaar ministerie het bevel geven om stukken over te leggen. Zo nodig houdt de rechter daartoe het onderzoek in raadkamer aan. Het openbaar ministerie is op grond van artikel 23 lid 5 Sv gehouden de hiervoor bedoelde stukken aan de rechter over te leggen. Laat het openbaar ministerie dat achterwege, dan kan de beklagrechter die omstandigheid betrekken bij de beoordeling van het klaagschrift. (Vgl. HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:376, rechtsoverwegingen 3.3.2–3.3.3.)
2.4.5.
Als de beklagrechter naar aanleiding van zijn hiervoor in 2.4.1 bedoelde onderzoek oordeelt dat voortzetting van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, verklaart hij het beklag gegrond en geeft hij de daarmee overeenkomende last als bedoeld in artikel 552a lid 10 Sv.’5.
8.
In onderhavige zaak heeft te gelden dat namens rekwirant uitvoerig en indringend naar voren is gebracht welk belang hij heeft bij al dan niet gedeeltelijke opheffing van het beslag. Dit is met concrete feiten en onderliggende stukken onderbouwd. Door vervolgens enkel te overwegen dat ‘gelet op de ernst van de verdenking enerzijds en de door klager aangevoerde persoonlijke belangen anderzijds […] de rechtbank handhaving van het beslag niet in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit [acht]’, als gevolg waarvan het beklag ongegrond wordt verklaard, getuigt de toetsing van de rechtbank aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel van de rechtbank in dit kader onvoldoende begrijpelijk (gemotiveerd), nu bij een dergelijke toetsing de persoonlijke belangen van rekwirant bij opheffing van het beslag moeten worden afgezet tegen ‘het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang’6., aldus in casu het voortduren van het beslag ten behoeve van een latere verbeurdverklaring en niet, zoals de rechtbank heeft gedaan, (enkel) tegen ‘de ernst van de verdenking’.
9.
Voorts getuigt voornoemd oordeel van de rechtbank van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onvoldoende begrijpelijk (gemotiveerd), aangezien naar aanleiding van een uitvoerig onderbouwd (subsidiair) verzoek tot al dan niet gedeeltelijke opheffing van het beslag op grond van een toetsing aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit enkel is overwogen dat ‘gelet op de ernst van de verdenking enerzijds en de door klager aangevoerde persoonlijke belangen anderzijds […] de rechtbank handhaving van het beslag niet in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit [acht]’, terwijl de motivering van de beslissing van de rechtbank bij een toetsing aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit op grond van het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:128) afhankelijk is ‘van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten’ (r.o. 2.4.2), hetwelk in casu tot gevolg zou moeten hebben dat met de door de rechtbank gehanteerde motivering niet zonder meer kan worden volstaan, onder meer nu in het geheel niets is overwogen over het meer subsidiaire verzoek tot opheffing van het beslag van enkel de chauffeurspas.
10.
Om voornoemde reden(en) kan de bestreden beschikking dan ook niet in stand blijven.
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om de beschikking ex artikel 552a Sv, zoals jegens hem op 17 oktober 2023 gewezen door de Rechtbank Amsterdam, te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bijzonderlijk gevolmachtigde,
mr. D.J.M. Dammers
Amsterdam, 29 december 2023
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 09‑12‑2023
HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128.
Zie gelijkluidend het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer d.d. 3 oktober 2023, p. 1–2.
Proces-verbaal van de behandeling in raadkamer d.d. 3 oktober 2023, p. 2.
Beschikking rechtbank d.d. 17 oktober 2023, p. 3.
HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128.
Zie 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, r.o. 2.4.1.