Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.6:8.6 Samenvatting en conclusies
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.6
8.6 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575950:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hetgeen hieromtrent is gezegd zal in het algemeen van overeenkomstige toepassing zijn indien een rechtersregeling is gebaseerd op reeds eerder gedane uitspraken. Aangezien deze situatie zich in de praktijk slechts zelden lijkt voor te doen (zie § 8.1), is daarop in dit hoofdstuk niet afzonderlijk ingegaan.
Zie § 4.5.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is onderzocht in hoeverre de toepassing van een rechtersregeling in de rechtspraak1 kan leiden tot het ontstaan van een zekere 'precedentwerking' van die regeling. Twee wegen waarlangs een zodanige werking kan ontstaan zijn in kaart gebracht. De eerste route ligt eigenlijk tamelijk voor de hand en loopt via de uitspraken van hogere rechters: wanneer de Hoge Raad in een uitspraak een rechtsregel aanvaardt die inhoudelijk overeenkomt met een eerdere rechtersregeling, dan zijn zowel de Hoge Raad zelf als de lagere rechters in de toekomst in beginsel aan die rechtsregel gebonden. De verhouding tussen appèlrechters en rechters in eerste aanleg kan naar analogie hiermee worden ingevuld, zij het dat de precedentwaarde van een appèluitspraak in zoverre geringer is dat hierdoor in beginsel slechts de onder de desbetreffende appèlrechters ressorterende lagere rechters gebonden worden. Meer in het algemeen leidt de toepassing van een rechtersregeling niet tot een onverkorte binding: evenals van 'gewone' precedenten kan ook van een (in de rechtspraak aanvaarde) rechtersregeling in bepaalde gevallen weer worden afgeweken.
Naast deze binding in verticale zin valt ook op horizontaal niveau - waar het bij rechtersregelingen in de praktijk vaak om gaat - een zekere gebondenheid van lagere rechters aan eikaars uitspraken te onderbouwen. Aangezien een binding aan precedenten op dit niveau nog niet tot ontwildceling lijkt te zijn gekomen, maar wél (althans tot op zekere hoogte) wenselijk is, is een theorie uiteengezet waarmee deze leemte kan worden ingevuld. Daartoe is uitgegaan van de gedachte dat naarmate een bepaalde lijn in de rechtspraak meer gevesdgd raakt, ook op het niveau van lagere rechters onderling een zekere - en steeds toenemende - graad van binding aan die rechtspraak kan ontstaan. Deze gedachte bleek gefundeerd te kunnen worden via de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging, in het bijzonder het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel: een beroep op deze beginselen wint aan kracht naarmate in meer vergelijkbare gevallen eenzelfde beslissing is gegeven. De precedentwerking die aldus kan ontstaan is echter (nog) flexibeler van karakter dan de binding aan 'verticale' precedenten.
Voor partijen zal het slechts in weinig gevallen mogelijk zijn zich met succes erop te beroepen dat een rechtersregeling moet worden toegepast, uitsluitend op grond van het feit dat deze regeling een bepaalde precedentwaarde heeft verkregen. Een hogere rechter kan de rechtsopvattingen van lagere rechters 'overrulen', ook in situaties waarin de lagere rechter zélf daaraan in beginsel gebonden was te achten. Het enkele feit dat de niet-toepassing of afwijking van een rechtersregeling onvoldoende of onbegrijpelijk wordt gemotiveerd door de rechter, kent doorgaans niet een zelfstandige sanctie in de vorm van vernietiging van de desbetreffende uitspraak. Het beroep op, en daarmee de toepassing van, precedenten waarin een rechtersregeling wordt toegepast wordt voorts bemoeilijkt door enige belemmeringen van praktische aard, waarvan met name het gebrek aan (toegankelijke) publicatie van de lagere rechtspraak kan worden genoemd.
De mogelijkheid tot precedentwerking van rechtersregelingen, die tot gevolg heeft dat een aanvankelijk niet-bindende regeling 'achteraf' toch een bepaalde juridische betekenis kan verkrijgen, heeft dus tot op zekere hoogte een theoretisch karakter. Niettemin vormt zij een belangrijk complement aan de mogelijkheid tot 'voorafgaande' zelfbinding van rechters aan een rechtersregeling, die in de hoofdstukken 4 tot en met 6 aan de orde kwam. Precedentwerking ziet immers met name op oordelen van de rechter omtrent het objectieve recht (rechtsoordelen of rechtsopvattingen), ten aanzien waarvan een voorafgaande binding juist op bezwaren stuit.2 Rechtsopvattingen die zijn neergelegd in een aanvankelijk niet-bindende rechtersregeling, kunnen aldus via 'doorwerking' daarvan in rechterlijke uitspraken alsnog (een zekere) bindende werking verkrijgen. Hetzelfde geldt voor rechtersregelingen als de kantonrechtersformule, de NVvR-alimentatienormen of de diverse liquidatietarieven, die (thans) niet voldoen aan de criteria om te gelden als 'recht' in de zin van art. 79 RO maar die wél in constante rechtspraak worden toegepast.