HR, 17-01-1997, nr. 16110
ECLI:NL:HR:1997:ZC2247
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-01-1997
- Zaaknummer
16110
- LJN
ZC2247
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Algemeen
Milieurecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1997:ZC2247, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑01‑1997; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1996:61
- Wetingang
art. 612 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Vindplaatsen
M en R 1997, 61 met annotatie van P. Klik
JBO 2004/55
Uitspraak 17‑01‑1997
Inhoudsindicatie
-
17 januari 1997
Eerste Kamer
Nr. 16.110 (C95/263)
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr E. van Staden ten Brink,
tegen
[verweerder],
wonende te Engelum,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr P. J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 2 maart 1990 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te Leeuwarden en gevorderd voor recht te verklaren dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld met veroordeling van [eiser] in alle kosten, schaden en interessen, die direct gevolg zijn van dit onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
[eiser] heeft de vorderingen bestreden.
Bij tussenvonnis van 21 mei 1992 heeft de Rechtbank [verweerder] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 11 november 1993 de vorderingen toegewezen.
Tegen het eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij arrest van 26 april 1995 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
[eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat en [verweerder] namens zijn advocaat door mr L.M. Ebbekink, advocaat hij de Hoge Raad der Nederlanden.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch- Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan:
(i) [verweerder] is eigenaar van de percelen, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […] en […], en heeft daarnaast het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], als pachter in gebruik.
(ii) [eiser] is eigenaar van het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […].
(iii) De hiervoor onder (i) en (ii) genoemde percelen worden doorsneden door een afwateringssloot, die deel uitmaakt van het waterschap "[A]".
(iv) Dit waterschap heeft in september 1989 de onderhavige sloot als schouwsloot aangewezen en tevens [verweerder] en [eiser] gesommeerd de sloot te hekkelen en de bodem van de sloot op het voorgeschreven peil te brengen.
(v) Naar aanleiding van een klacht van [verweerder] heeft het milieulaboratorium provincie Friesland baggerspecie van de onderhavige sloot onderzocht. Het rapport van dit laboratorium vermeldt als analyseresultaten van het uit de sloot genomen monster, dat daarin onder meer cadmium, chroom, koper, zink, lood, nikkel en minerale oliën zijn aangetroffen.
(vi) Bij brief van 19 januari 1990 heeft het waterschap aan de raadsman van [verweerder] bericht dat uit onderzoek is gebleken dat de sloot zodanig ernstig is verontreinigd dat de bij uitbaggeren daarvan vrijkomende specie als chemisch afval zal moeten worden afgevoerd en dat de saneringskosten door het waterschap waren becijferd op f 11.700, --.
(vii) Op het onder (ii) bedoelde perceel heeft [B] in het verleden een autospuiterij geëxploiteerd. Naar de stellingen van [eiser] heeft de zoon van [verweerder] op diens percelen auto's gerepareerd en daarbij olie laten weglopen.
3.2 De Rechtbank heeft in haar eindvonnis op vordering van [verweerder] voor recht verklaard dat [eiser] jegens [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld door de voormelde afwateringssloot tussen de percelen van partijen te verontreinigen met chemicaliën en zware metalen en [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] de schaden te vergoeden die een direct gevolg van dit onrechtmatig handelen zijn. Daartoe heeft de Rechtbank, kort samengevat, overwogen dat ten processe voldoende is komen vast te staan dat [eiser] de afwateringssloot met chemicaliën en zware metalen heeft verontreinigd, dat mogelijkerwijs de geconstateerde verontreiniging mede is te wijten aan handelen van [B] of aan handelen van [verweerder] zoon, maar dat zulks niet uitsluit dat in ieder geval aan [eiser] verontreiniging van bedoelde sloot is te wijten.
Het Hof heeft de tegen dit vonnis gerichte grieven verworpen en dit vonnis vervolgens bekrachtigd. In zijn rechtsoverwegingen heeft het Hof tot uiting gebracht dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat [eiser] jegens [verweerder] aansprakelijk is voor de gehele nog vast te stellen schade en dat eventuele regresvorderingen op derden daaraan niet afdoen (rov. 8). Vervolgens heeft het Hof het beroep van [eiser] op "medeschuld" van de zoon van [verweerder] en van [B] verworpen.
Daartegen richt het middel een reeks klachten.
3.3 's Hofs overwegingen moeten kennelijk aldus worden begrepen dat het Hof ervan is uitgegaan: dat is komen vast te staan dat [eiser] de afwateringssloot heeft verontreinigd met chemicaliën en zware metalen; dat als gevolg van verontreiniging met deze stoffen de in 3.1 onder (vi) bedoelde saneringskosten nodig zijn geworden; dat mogelijk is dat [B] en de zoon van [verweerder] tot de verontreiniging hebben bijgedragen; dat in die omstandigheden [eiser] voor de gehele schade - ter zake waarvan door [verweerder] alleen de saneringskosten zijn vermeld - aansprakelijk is, tenzij de gedragingen van [B] en de zoon van [verweerder] aan [verweerder] als eigen schuld zouden kunnen worden toegerekend; dat daarvoor evenwel geen goede grond bestaat.
Aldus heeft het Hof kennelijk de gedachtengang gevolgd, die ook aan het huidige art. 6:99 BW ten grondslag ligt en die in een geval als hier aan de orde is, erop neerkomt dat, wanneer vaststaat dat de aangesprokene aansprakelijk is voor een bepaalde gebeurtenis waardoor de gehele gevorderde schade kan zijn ontstaan, die schade niet geheel of gedeeltelijk voor rekening van de benadeelde behoort te blijven op de grond dat anderen, voor wie hij niet verantwoordelijk is, naar de stellingen van de aangesprokene een deel van de schade hebben veroorzaakt en de benadeelde niet kan bewijzen dat de gehele schade het gevolg van de voormelde gebeurtenis is.
Voormelde gedachtengang geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In het licht van de gedingstukken behoefde 's Hofs arrest op dit punt geen nadere motivering. Voor zover het middel 's Hofs overwegingen anders opvat dan hiervoor als juist is aanvaard, mist het feitelijke grondslag. Op dit een en ander stuiten alle klachten van het middel af.
Opmerking verdient nog dat partijen, zo het tot een schadestaatprocedure komt, aan de hiervoor bedoelde overwegingen van het Hof zullen zijn gebonden, ook al heeft de door de Rechtbank uitgesproken en door het Hof bekrachtigde verklaring voor recht wellicht een beperkter strekking. Die overwegingen zijn immers door het Hof kennelijk bedoeld als grondslag voor de eveneens door de Rechtbank uitgesproken en door het Hof bekrachtigde veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
4. Beslissing
De Hoge Raad
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot f 577,20 aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Heemskerk, Herrmann en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 17 januari 1997.