HR, 22-11-1996, nr. 16.110
ECLI:NL:PHR:1996:61
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-11-1996
- Zaaknummer
16.110
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:1996:61, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑11‑1996
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1997:ZC2247
Conclusie 22‑11‑1996
Inhoudsindicatie
-
Rolnummer 16 110
Zitting 22 november 1996
mr De Vries Lentsch - Kostense
Conclusie inzake
[eiser]
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
Inleiding
1. In deze zaak staat tussen partijen - onder meer - het volgende vast:
a. Partijen zijn buren. [verweerder], thans verweerder in cassatie, is eigenaar van twee percelen te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […] en […]; hij heeft bovendien als pachter in gebruik het naastgelegen perceel sectie […]. [eiser], thans eiser tot cassatie, is eigenaar van het perceel [a-straat 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […].
b. De percelen van [verweerder] en [eiser] worden doorsneden door een afwateringssloot die deel uitmaakt van het Waterschap "[A]". Dit waterschap heeft de sloot in september 1989 aangewezen als schouwsloot en vervolgens [verweerder] en [eiser] gesommeerd de sloot te hekkelen en de bodem van de sloot op het voorgeschreven peil te brengen.
c. Het milieulaboratorium van de provincie Friesland heeft - op verzoek van [verweerder] - baggerspecie van de onderhavige sloot onderzocht aan de hand van een uit deze sloot genomen mengmonster; het terzake opgemaakte rapport d.d. 1 november 1989 (door [verweerder] in dit geding overgelegd) vermeldt als analyseresultaten dat in het monster onder meer zijn aangetroffen cadmium, chroom, koper, zink, lood, nikkel en minerale oliën.
d. Bij brief van 19 januari 1990 heeft het waterschap - mede onder verwijzing naar bedoeld onderzoek - aan [verweerder] bericht dat is gebleken dat de sloot zodanig ernstig is verontreinigd dat de specie die bij het uitbaggeren van de sloot zal vrijkomen als chemisch afval moet worden afgevoerd; de daaraan verbonden kosten worden door het waterschap op f 11.700, - geraamd.
e. In het verleden heeft [B] een autospuiterij geëxploiteerd op het perceel aan de [a-straat 1], thans eigendom van [eiser]. Aan [B] was daartoe een hinderwetvergunning verleend waaraan met name een voorwaarde met betrekking tot de afvoer van verfresten was verbonden.
2. [verweerder] stelt dat [eiser] de onderhavige bodemverontreiniging heeft veroorzaakt. Hij voert daartoe aan dat [eiser] op zijn perceel - evenals in het verleden [B] - een autospuiterij exploiteert, doch - anders dan [B] - zonder vergunning en zonder zich te houden aan de voorwaarde waaronder voorheen aan [B] een vergunning was verleend. [verweerder] verwijt [eiser] onrechtmatig handelen en verlangt vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade welke daaruit bestaat - aldus [verweerder] - dat in verband met de vervuiling bij het uitbaggeren van de sloot extra kosten moeten worden gemaakt, door het waterschap geraamd op f 11.700, -. [eiser] weigert de extra kosten voor zijn rekening te nemen. Daarop vordert [verweerder] bij inleidende dagvaarding van 2 maart 1990 dat voor recht zal worden verklaard dat [eiser] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld met veroordeling van [eiser] in alle kosten, schaden en interessen die een direct gevolg zijn van dit onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
3. [eiser] ontkent dat de onderhavige vervuiling van de sloot door hem is veroorzaakt. Hij voert daartoe onder meer aan dat hij nimmer een autospuiterij op het litigieuze perceel heeft geëxploiteerd en dat er overigens ook geen verband bestaat tussen de verontreiniging en de destijds op het perceel geëxploiteerde autospuiterij. Hij stelt dat [verweerder] zelf de vervuiling van de sloot heeft veroorzaakt doordat diens zoon regelmatig auto's op het perceel van [verweerder] heeft gerepareerd en de olie heeft laten weglopen.
4. Bij tussenvonnis van 21 mei 1992 laat de Rechtbank [verweerder] toe tot het bewijs dat [eiser] de ten processe bedoelde sloot heeft verontreinigd met chemicaliën en zware metalen en dat er oorzakelijk verband bestaat tussen de verontreiniging door [eiser] en de analyseresultaten vermeld in het rapport d.d. 1 november 1989 van het milieulaboratorium van de provincie Friesland.
Bij eindvonnis van 11 november 1993 concludeert de Rechtbank dat de door [verweerder] te bewijzen feiten voldoende zijn aangetoond. Tot dit oordeel komt de Rechtbank met name door de inhoud van de getuigenverklaringen (onder meer inhoudende dat [eiser] op het perceel spuitwerkzaamheden verrichtte en aan het gritstralen was) in onderling verband bezien met de inhoud van het schrijven van Ingenieursbureau Oranjewoud d.d. 6 januari 1993 (mede inhoudende dat op [eiser] perceel op een groot aantal plaatsen metaalresten zijn aangetroffen en dat in de slootgedeelten van [eiser] perceel metaalslijpsel en koolteerresten zijn geconstateerd). Derhalve is komen vast te staan - aldus de Rechtbank - dat [eiser] de onderhavige afwateringssloot tussen de percelen van partijen in [plaats] heeft verontreinigd met chemicaliën en zware metalen; dat de geconstateerde verontreiniging mogelijkerwijs mede is te wijten aan handelen van [B] of aan handelen van [verweerder] zoon sluit niet uit dat in ieder geval aan [eiser] verontreiniging van bedoelde sloot valt te verwijten.
De Rechtbank verklaart vervolgens voor recht dat [eiser] jegens [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld door de onderhavige afwateringssloot tussen de percelen van partijen in [plaats] te verontreinigen met chemicaliën en zware metalen; tevens veroordeelt zij [eiser] om aan [verweerder] te vergoeden de kosten, schaden en interessen die een direct gevolg van dit onrechtmatig handelen zijn, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
5. Het Hof verwerpt [eiser] grieven gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat de aan [verweerder] te bewijzen opgedragen feiten voldoende zijn aangetoond. Aldus met de Rechtbank ervan uitgaande dat is komen vast te staan dat [eiser] de onderhavige sloot met chemicaliën en zware metalen heeft verontreinigd (een verontreiniging die naar het oordeel van Ingenieursbureau Oranjewoud zodanig ernstig is dat het slib niet meer over het land of op de slootwal mag worden aangebracht), overweegt het Hof - kort gezegd - het volgende: voor zover in [eiser] grief moet worden gelezen dat de Rechtbank niet had mogen voorbijgaan aan de (mogelijke) medeschuld van [B] en/of de zoon van [verweerder] miskent die grief dat uitgangspunt is dat [eiser] jegens [verweerder] aansprakelijk is voor de gehele nog vast te stellen schade, dat eventuele regresvorderingen van [eiser] op derden daaraan niet afdoen en dat de eventuele medeschuld van [B] aan de orde komt in de tussen [eiser] en [B] bij de Rechtbank lopende vrijwaringsprocedure. Het eindvonnis van de Rechtbank wordt bij arrest van 26 april 1996 bekrachtigd.
6. [eiser] stelt tijdig cassatieberoep in. [verweerder] concludeert tot verwerping van het beroep. Beide partijen voorzien de zaak van een schriftelijke toelichting; [verweerder] dient bovendien van repliek.
Het cassatiemiddel
7. Het middel is gericht tegen 's Hofs oordeel dat uitgangspunt is dat [eiser] jegens [verweerder] aansprakelijk is voor de gehele nog vast te stellen schade. Het strekt in al zijn onderdelen ten betoge dat het enkele feit dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en de ten processe bedoelde sloot heeft verontreinigd niet medebrengt dat [eiser] ook aansprakelijk is voor de schade ontstaan door verontreiniging van de sloot door [B] dan wel door de zoon van [verweerder].
8. Het middel is in al zijn onderdelen gebaseerd op de veronderstelling dat in 's Hofs overwegingen ligt besloten dat [eiser] aansprakelijk is voor schade ontstaan door verontreiniging die niet door hemzelf doch door [B] of de zoon van [verweerder] is veroorzaakt.
Deze veronderstelling is naar mijn oordeel echter onjuist. Het Hof heeft immers overwogen - in cassatie onbestreden - dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat ten processe voldoende is komen vast te staan dat [eiser] de afwateringssloot heeft verontreinigd met chemicaliën en zware metalen, een verontreiniging die zodanig ernstig is dat het slib niet meer over het land of op de slootwal mag worden aangebracht. Aldus is het Hof kennelijk - met de Rechtbank - ervan uitgegaan dat voldoende is komen vast te staan dat het handelen van [eiser] reeds op zichzelf genomen - afgezien van mogelijke andere oorzaken - de litigieuze verontreiniging van de sloot heeft veroorzaakt in de zin van art. 6:98 BW, een bepaling die ook reeds gold naar het in casu toepasselijke oude recht. 's Hofs oordeel dat [eiser] "voor het geheel" aansprakelijk is impliceert - anders dan het middel veronderstelt - derhalve niet dat [eiser] ook aansprakelijk wordt gehouden voor schade die niet door zijn handelen is veroorzaakt. Het Hof kon zonder meer voorbijgaan aan [eiser] stellingen inzake eventuele medeschuld van [B] en/of de zoon van [verweerder]. Teneinde iemand aansprakelijk te doen zijn is immers - zowel naar het hier toepasselijke oude als naar huidig recht - voldoende dat zijn gedraging oorzaak is in de zin van art. 6:98 BW: de omstandigheid dat de schade mede kan zijn of mede is veroorzaakt door onrechtmatig handelen van anderen heeft geen invloed op zijn aansprakelijkheid. Is de schade veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van verschillende personen dan zijn de aansprakelijke personen ieder voor het geheel aansprakelijk, zij het dat betaling door de een de ander(en) bevrijdt. Zie Asser- Hartkamp I, 1996, nrs. 439 en 458 e.v. Zie voorts ook Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, diss. Utrecht, 1965, nrs. 155 e.v. en Kottenhagen-Edzes, Onrechtmatige daad en milieu, diss. Rotterdam, 1992, hoofdstuk 6.
Het middel moet mijns inziens dan ook falen.
Conclusie
Nu ik het middel ongegrond acht concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,